← Table of contents
De Boeventaal

E.

Reading edition

Edelvolk, beroepsdieven. (Zie nobele).

Eegit, 1. Eegit jantje (1 jaar).

Eens, achterdocht, vermoeden. De grandigers (politie) hebben eens op je.

Eesche, huismoeder, echtgenoote.

Ei, Die werkt met een ei. (Hij heeft altijd geld, maar hoe hij er aan komt, is een raadsel).

Emmer, scheldnaam voor hoer.

Emmes, (zie Immes) goed. Een emmese lik (een deugdelijke gevangenis).

Engelschman, Engelsche sleutel. (Zie Kienen).

Engerd, vervelende vent.

Ertje, electrische schel.

Ezeltje, lessenaar. Loopend ezeltje (beweegbare lessenaar). Staand ezeltje (vaste lessenaar).

Ezeltje, winkellade. Hij heeft een ezeltje gepiept (een lade gelicht). Het ezeltje springt (de lade springt los).

Ezeltje, foulard, das. Een zijden ezeltje (een zijden das).

Ezeltjesdrijver, ladenlichter.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings