V.
Reading edition
Val, gelegenheid, huis, deur, ook wel bedekt bordeel of rendez-vous. Leen me dat pompertje voor die val. Is dat jou valletje? (woning). De val is nobel. (De gelegenheid is schoon. Er is geen onraad). Heb je de tandel (sleutel) van de val bekaan (bij je). Op de val steunen of drukken (op logement leven).
Varsche waar, afval van geslacht vee, pens, longen, enz. Luuk is in de varsche-waar beweging; die jat niet meer.
Vatling, gereedschap.
Vau, 6.
Vazelen, valsch spelen. Pas op, Bok, dat je niet vazelt, want dan knok ik je lampies dicht.—Je knokt niks. (Je zult het wel laten).
Veeberen, schrijven. Ik zal een kassavie aan mijn gabber veeberen. Iemand veeberen op een agere (andere) schim (naam).
Veemen, vingers (zie Feemen).
Veemsteker, vingerring.
Veiling, in de veiling zetten. (In de maling nemen).
Vel, jas. Hou me vel even vast, we gaan looien (kloppen). Dat is een joven (uitstekend) vel.
Velletje, jas. Uit vrees dat zijn velletje in brand zou raken, etc.
Ook: bankbiljet. Een geel velletje (een bankbiljet van 25 gld.)
Verbruggen, verkoopen.
Verbuizen, verdrinken, opmaken. Die broger verbuist al z’n schrappes.
Verdienen, stelen.
Verdiend, gestolen.
Vergokken, het gelach betalen. Kaplaars had het gedaan en Stille Jan moest het vergokken (er voor boeten).
Verkienen, ook wel verkiejenen, verkoopen. We gaan foks (goud) bij den snees verkienen. De gejatte schoren verkienen.
Verkleffer, verklikker.
Verklefster, verklikster (politie-spion).
Verklikker, winkelbel, ook telephoon.
Verknoeien of verknoezen, verraden. Hij is verknoesd (hij is verraden).
Verknoeier, verrader, (ook verknoezer).
Verknoeierij, verraad.
Verknijzen, verraden, bespieden.
Verkrummelen, wegstoppen.
Verkrummelen (zich), zich wegmaken, uitknijpen, zich verstoppen.
Verlinken, verraden, bedotten.
Verlinker, verrader.
Verlunzen, ook verlenzen, bespieden, beloeren, beluisteren, maar ook verstaan. Ze verlunzen geen krakeling (ze verstaan geen woord).
Vermamsen, verraden.
Vermoffelen, wegstoppen.
Vernollen, sluiten. De deur is vernold.
Vernold, gesloten. Hoe is ie vernold, met een Hollandsche of een Engelsche kien? Is de kattebak vernold? Een vernolde val. (Een gesloten deur).
Verpatsen, verkoopen.
Verpieren, kwijt raken, van de hand doen.
Ook verliezen: Hij had zijn fokse veemsteker verpierd.
Heb je je bruine joekel al verpierd?
Versche waar, zie Varsche waar.
Verschieren, verkoopen, verklikken en verdienen. Mesomme verschieren (geld verdienen). Weet je het te verschieren?
Verschud of verschut, betrapt, gevat. Als ik nu weer verschud kom (gearresteerd word) kan ik rekenen op kimmel jantjes (3 jaren). Maar enfin, verschud-verschud (ik moet het er op wagen). De jongen was verschud geworden wegens een oksenaartje.
Verschudden of verschutten, het bed voor iemand verschudden (hem de zaak bederven).
Verschudding of verschutting, stoornis. Ik heb heel wat verschuddings gehad. Ik stond te werken op het oksenaartje van een vrijer; ik had de swiebel los en toen kreeg ik een kleine verschutting.
Verkwartsen, vervloeken.
Versliegeraar, verrader, politiespion.
Versmiegelen, verklagen. Die vrijer ging ons bij den rus versmiegelen.
Versneezen, verkoopen bij een opkooper.
Versnoeien, versnoepen.
Versta j’em, begrip. Daar krijg je geen versta j’em van.
Viege, niets. Hij krijgt een viege.
Vigileeren, zich heen en weer bewegen op de straat of staan in een deur, door een publieke vrouw, om mannen te lokken.
Vin, barst. Een vin in een ruit zetten (een barst erin maken).
Vink(je), portemonnaie.
Vinkendresseur, zakkenroller.
Vinkenpeezer, id. Ik moet niets hebben van dat vinkenpeezen; zeg me liever een godin spiese, waar poen steunt (een goedgelegen huis, waar geld is).
Violen, begaan. Mijn niese dee ook wel is wat dat niet in den haak was, maar ik liet ze maar stil violen.
De Vlakte, de straat; buiten. De jongens van de vlakte. Een jongen of een niese van de vlakte.
Vlammen, hij vlamt op dat niese. (Hij hoopt dat meisje te bezitten).
Vlerk, arm. Een lamme vlerk. Linker- en rechter vlerk.
Vliegerik, vogel.
Voeren, lokken, meetroonen. Koo, de kippenboer wist dat joven ponempie mee naar de val te voeren.
Een der kwartjesvinders voert den vrijer naar een neuriespiese waar de anderen hem opwachten.
Voetenlicht, opening onder of bezijden een gordijn, waardoor men in huis kan zien. Ik knijsde door het voetenlicht, een gooser werd zijn platvink gelicht.
Vol, diefstal. Die vol kan ik van avond niet opknappen.
Vonk, licht, lamp, kaars. Kun je in die val (dat huis) met de vonk werken? (is het vertrouwd er licht te ontsteken?) Er brandde nog vonk. De vonk pleite maken.
Vonkert, kachel.
Vonkie, lucifer, vlammetje, zaklantaarntje. Geef reis een vonkie.
Voorwiel, gulden.
Vreempie, vreemdeling.
Vrouwedod, laffe vent.
Vrijer, man. Iemand die uitgekozen is om slachtoffer te worden van kwartjesvinders. Ik heb dien vrijer aangeschoten (aangekwatst).
Vrijzetter, iemand een vrijzetter geven.
Vuile week, dat niese heb de vuile week (maandelijksche stonden).