← Table of contents
De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

In den zonneschijn te middernacht.

Reading edition

Naar het Duitsch van Karl von Dahlen.

De haven van Soolvär op de Lofodden.
De haven van Soolvär op de Lofodden.

De haven van Soolvär op de Lofodden.

In de Lapland-express! Behagelijk zit een klein reisgezelschap in den rooksalon bij elkaar. Het toeval heeft ze uit alle deelen der aarde hier bij elkaâr gebracht en op zulk een tweedaagsche spoorreis wordt men spoedig vertrouwelijk. Daarbuiten ligt de gloed van een noorschen nacht over de eentonige wildernis. Bosch, bosch, zoo ver het oog reikt, maar niet het schoone hoogstammige woud, de vriend van een mensch, die een wandelaar vriendelijk in zijn armen sluit, maar dat eindelooze bosch, zonder paden of wegen, het wreede beeld van den moeielijken strijd om het bestaan, waar het kleine het groote verwoest, en de ongelukkige sparren, geheel bedekt met blad- en korstmossen, tusschen groote granietblokken hopeloos een langzamen dood afwachten. In het spookachtige licht van den nacht schijnt het landschap geheel doodsch en uitgestorven, en het is alsof men zich over het uitgestrekte oppervlak van een andere planeet beweegt.

De aardige zweedsche dokter dringt wel is waar tot rusten, maar de helderheid van den nacht laat ons niet slapen. Houdt de trein eens op, om water of kolen in te nemen, dan is het toch al te verleidelijk om in dit middernachtelijk uur eens naar buiten te gaan in het zwijgende land. Men is zoover van het eigenlijke Europa verwijderd, en de weinige schreden naar beneden, de glooiing af, om bessen of mossoorten te verzamelen, brengen ons onmiddellijk in een vreemd land. Langzamerhand sterft de plantengroei onder de harde hand van een noordschen hemel, kleiner en kleiner worden de boomen, spoedig ontdekt mijn plantkundige reisgenoot de eerste gletscherberk met zijn fijn getande bladeren. De bloemen lichten ons tegen met haar teringachtige kleuren, en daar in de verte schemert de sneeuw ons tegen, als reuzenflarden van een verscheurd lijkkleed. Zoo gaat het voort door Lapmarken, voorbij de steden Gellivara en Viruna, die een amerikaanschen indruk op ons maken.

Welk uur onze horloges ook mogen aanwijzen, aan ieder station staat de bevolking gereed ons te begroeten. Langzaam klimt de trein naar boven. Het naakte graniet komt meer en meer te voorschijn, en ofschoon wij slechts een paar honderd meter boven ’t zee-oppervlak zijn, heeft de geheele omgeving het karakter van het hooggebergte. Dezelfde aangrijpende verlatenheid als in de Alpenpassen, maar nu op reusachtige wijze uitgebreid. Hier en daar glinsteren kleine meren tusschen de gesteenten, de beken storten zich woest van boven neer en aan de rechter zijde schittert de zilveren streep van Torne Fräsk, de groote binnenzee in het Noorden van Zweden.

Boven de bergen aan den anderen oever ligt een donkere muur van wolken, maar de eene waterval [382] naast den anderen schijnt uit de wolken neer te storten, en hunne zilverachtige strepen komen helder uit tegen de blauwe bergwanden. Hier en daar weiden enkele troepen rendieren en vluchten in moeilijken gang, zoodra de fluit van de locomotief zich doet hooren. Tegen den middag bereiken wij de grens tusschen Zweden en Noorwegen; “Riksgränsen” heet trotsch hier het kleine stationnetje. Daar heerscht nu een opgewekt leven; jonge Zweedschen, met heerlijk blond haar, zijn zoo even van een voetreis in het binnenste van Lapland teruggekomen. Ze dragen de bij de Lappen gebruikelijke schoenen met banden, hebben den Alpenstok in de hand, de botaniseerbus op den rug en maken een ondernemenden indruk. Hun eenig geleide is een jonge, nauwelijks de school ontgroeide student. Onwillekeurig denkt hierbij iemand aan de plaats in Goethe’s Brieven uit Zwitserland, waar hij van de zorgvuldige voorafgaande onderzoekingen en de omvangrijke voorbereidingen verhaalt, vóór de oude Saussure met zijn reisgezelschap besloot in den laten herfst in het Chamonixdal tot aan den voet van den Mont Blanc door te dringen. Welk een onderscheid! Tegenwoordig ontmoet men de jeugdigste reizigsters bijna zonder geleide op een tocht door een onbebouwde wildernis aan de grenzen van het poolgebied.

De middernachtszon over de IJszee.
De middernachtszon over de IJszee.

De middernachtszon over de IJszee.

Van Riksgränsen daalt men, met talrijke bochten, door vele tunnels heen, naar de zee af. Al groener en groener wordt de bodem. Eindelijk: Thalatta, Thalatta! In de diepte schittert de stille waterspiegel van den Rombake-Fjord, waarin zich aan alle zijden witschuimende watervallen uitgieten. Spoedig is Narwik bereikt. Wij verlaten den trein, en Anna, de keukenmeid van een eetsalon, die ons elken morgen zoo vriendelijk begroette, wuift tot afscheid met haar witte muts.

Nu moeten wij ons aan de goden der zee toevertrouwen en menigeen mijner reisgenooten zinkt het hart in de schoenen, als hij het kleine stoombootje ziet—“Hadsel” is zijn naam—dat ons tot aan de noordelijkste punt van het vaste land moet brengen. Dwergachtig klein ligt het daar naast de groote stoombooten, die het in Kiruna gewonnen erts hier laden, en de hemelhooge rotswanden van den fjord doen trouwens elk menschenwerk nietig schijnen.

Wij vormen echter ook maar een zeer klein reisgezelschap, niet meer dan een dozijn, en in een vroolijke, moedige stemming lichten wij het anker en stoomen nu noordwaarts. Welk een zonderlinge sprookjesachtige wereld rondom ons! De hoogste bergtoppen zijn in donkere wolken verborgen, de rotswanden zien donkerblauw, groengrijs glanst de zee. Heinde en ver ziet het oog geen andere stoomboot. Slechts een paar visschersschepen, juist zoo gebouwd als de oude draakschepen der Vikingen, vóór en achter met den hoog opstijgenden boeg, en met roest-bruine zeilen, kruisen onzen weg. Maar in het water wordt het levendig; dolfijnen spelen rondom het schip, nu eens ziet men hun plompe lichamen in de lucht opspringen, dan weer kan men in het heldere water hun bliksemsnelle bewegingen volgen. De lommen tuimelen voor ons heen; angstig beproeven zij zich in de lucht te verheffen, en storten zich dan weer met den kop omlaag in de diepte. De meeuw stoot zijn schril geluid uit en de kormoraan vliegt met stillen vleugelslag voorbij. Zoover het oog reikt, rijen zich eilanden aan eilanden; de boomgroei wordt steeds schraler, maar toch bedekt nog een licht, geelachtig groen de fijne rotswanden. Dichter en dichter trekt zich de hemel om ons heen te zamen, en in de onzekere schemering nemen de rotsachtige eilandjes steeds phantastischer vormen aan. Het maakt den indruk, alsof wij door een groote kudde voorwereldlijke reuzendieren omgeven zijn, die, half in het water verborgen, zich plotseling op ons konden werpen, om onzen notedop te verpletteren. O, anti-diluviaansche stemming! Men zou hier weder aan de Scylla en Charybdis gaan gelooven.

Zoodra echter de zon den sluier verscheurt, en een frissche wind uit de IJszee de wolken uit elkaar jaagt, ziet men overal rondom ons toppen en spitsen, en heel in de hoogte glanzen gletschers. Zoo stoomt en stampt onze kleine “Hadsel” langzaam vooruit. Niet voor ieder passagier is echter deze vaart een onvermengd genot. Meestal beschut ons, wel is waar, de voor ons liggende keten van eilanden, maar als op open plekken de zware deining van den oceaan [383] ons scheepje bereikt, danst het lustig op en neer, en menigeen buigt zich in stilte voor deze hoogere macht.

Terwijl wij kort voor middernacht bij een glas warme groc—de thermometer wijst maar een paar graden boven nul—in de kajuit bij elkaar zitten, schitteren plotseling de ruiten der ronde venstertjes, het koperwerk glanst helder op, het licht wordt gegrepen door onze glazen op tafel en weerkaatst op onze gezichten. Daarna, in eens, is alles weer koud en vaal. Het was de eerste luchtige groet van de middernachtzon!

Onze weg voert ons langs een der grootste vogelbergen van het Noorden. Reeds van verre hoort men het krijschen der schuwe dieren; naderbij gekomen ziet men ze in tallooze rijen op de rotsen neergehurkt. Nu lossen wij een kanonschot en iets wonderbaars gebeurt er. De berg schijnt als een veêren kussen uiteen gebarsten te zijn. Als een wolk omhullen ons plotseling millioenen en millioenen vogels, het is een oorverdoovend leven; wie naar boven ziet, meent zich in een dichte sneeuwbui te bevinden. Wij vervolgen onzen koers, maar nog zwermen de opgeschrikte vogels in dichte wolken rondom hunne rotsen.

Oud houten huis in Tromsö.
Oud houten huis in Tromsö.

Oud houten huis in Tromsö.

Eindelijk duikt de Noordkaap voor ons op. Scherp, als de ram van een panterschip, steekt zij uit de oneindige zee op. Onze “Hadsel” vaart er langzaam om heen en gaat dan in een door rotsen omsloten bocht voor anker. De oever der vergetelheid. De zee ligt bijna doodstil, de steile wanden hebben een vochtigen glans, hun kleur is staalgrijs, erboven zijn dichte wolken opgestapeld, een sneeuwveld trekt zich in een hoek terug en zendt een kleinen waterstroom uit, die met dof gemurmel in zee valt. Overigens diepe stilte. Op den achtergrond in de bocht een kleine hut, nauwelijks zichtbaar; daarin wonen een paar visschers, en een Duitscher, die aan de zomertoeristen daarboven op de hoogte prentbriefkaarten en champagne verkoopt. Met moeite beklimmen wij den vrij steilen wand. Tusschen het sneeuwveld en den zigzagsgewijs loopenden weg is een schoon bloemtapijt uitgespreid. In het langdurige licht van den zomer komen hier de bloemen tusschen sneeuw en ijs met wonderlijke kracht te voorschijn. Daar ziet gij een zeer zeldzame soort van gevulde ranonkel; gele viooltjes komen te voorschijn, geel en wit zijn over ’t algemeen hier de heerschende kleuren. In de vreeselijkste woestenij het heetste verlangen naar het leven!

Juist toen wij het plateau bereikt hadden, omhulde een wolk den geheelen top. Een oogenblik zagen wij totaal niets. Langzamerhand gewent echter het oog aan de schemering en nu liepen wij, geleid door een gespannen touw, naar de uiterste punt van ons vaste land. Wit glinstert het graniet op den grond, daartusschen schittert een kleine anjelier. Sneeuwhoenders loopen voor ons uit en verdwijnen in den nevel. De branding wordt steeds luider, en spoedig zijn wij bij het paviljoen, waar men, ter viering van het oogenblik, een glaasje champagne pleegt te drinken.

Maar waar is de zon? De stoomfluit maant ons reeds aan, terug te keeren. Daar komt er plotseling beweging in de ons omringende massa’s, sneller en sneller trekken de nevelstrooken voort; op eens ontstaat een breede spleet en ver aan den horizon, dicht boven de phosphoresceerende zee staat de lichtende zonneschijf. Daarop valt het gordijn neder, en [384] verheugd over het genoten schouwspel, dat niet allen reizigers naar de Noordkaap ten deel valt, beginnen wij af te stijgen.

Onze “Hadsel” zet nu haar koers weer naar het Zuiden. Een kort bezoek wordt gebracht van Hammerfest, dat zonder zon onder een regenzwangere lucht een uiterst melancholieken indruk maakt. Maar dan komt een glanspunt van den tocht, de Lyngen-fjord. Hier vereenigen zich zee en bergen tot een grootsch natuurbeeld. Langzaam vaart de stoomboot langs de steile rotswanden, en terwijl wij in stomme bewondering op het dek neerzitten, trekt de eene gletscher na den anderen ons voorbij, donkerblauw aan den bergrug hangend, met hun ijstong tot in het donkere water reikend.

Niet ver achter Tromsö opent zich dan eindelijk de wonderwereld van het Noorden. De rotsenwildernis der Lofodden neemt ons in zich op. Het is moeielijk met woorden een ook maar eenigszins gelijkend beeld van dit zinnenverbijsterend schouwspel te geven. Is het een verzonken gebergte of een nieuw uit zee opduikende wereld? De schoonste van al de Lofoddenstroomen is de Raftsund. Een breede rivier midden door het hart van een indrukwekkend gebergte. Hier ontsluiten zich voor het oog beelden, die anders slechts de bergbeklimmer na een moeielijken tocht te zien krijgt. De Troldfjord is het wonderlijkste in deze wonderwereld. Het schip vaart recht op een loodrechten rotswand aan, dan een kleine wending, en voorzichtig glijden wij door een smalle spleet tusschen blanke, gladde granietmuren door. Nu drijven wij op een klein, donkergroen Alpenmeer, onder in de diepte van een ketel tusschen de bergen. Er omheen sneeuw en ijs; een waterval stort zich met dof gebruisch in het meer, maar zijn spiegel blijft onbewogen. Roode algen schijnen te roeien door het klare water, de lomme duikt op en verdwijnt weder, de zwarte zeezwaluwen zweven langs de rotswanden, anders alles doodstil! Alles houdt hier onwillekeurig den adem in. Troldfjord noemen de Nooren deze plaats; iets spookachtigs zit er in de lucht, een sprookjesstemming waart er rond. Hier hebben de Grieken den ingang naar de onderwereld gezocht.

De middernachtszon gezien op het plateau van de Noordkaap.
De middernachtszon gezien op het plateau van de Noordkaap.

De middernachtszon gezien op het plateau van de Noordkaap.

Soolvär, de hoofdplaats der Lofodden, is ons laatste station. Daar verlaten wij onze kleine “Hadsel”, om met een grooter schip de reis naar het Zuiden voort te zetten. In de oude kroningsstad Drontheim gaan wij weer aan land. Nog omgeeft ons de ernstige natuur van het Noorden, maar na het huiveringwekkende schoon, dat wij hadden gezien, scheen ons hier het landschap lief en vriendelijk. Wederom legt de lichte nacht zijn schemering over land en zee. Het is bijna middernacht, als wij uit de stad naar buiten gaan, naar berg en bosch. Jongens en meisjes komen ons tegen, hand aan hand, met bloemen getooid. Het eene paartje na het andere; de nacht is hier ook zoo wonderlijk licht. Frissche hooigeur doorwasemt de lucht. En terwijl wij nu omzien en neerkijken op den zilveren fjord, is het ons als voelden wij, na het doodsche van het Noorden, hier voor de eerste maal weder den levenden polsslag van onze liefhebbende moeder natuur.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings