II.
Reading edition
Jacht in Stiermarken.—De bedevaart van Maria Zell.—De Hochschwab.—Metalen in Stiermarken.—IJzererts.—Het Gesäuse.—De Admont-abdij.
Wij zullen nu een der wegen volgen van de bedevaartgangers van Maria Zell en in dat deel van Stiermarken, waar nog geen spoorwegen zijn, een bezoek brengen aan het beroemde heiligdom. Wij willen intusschen niet zoo trouw de pelgrims volgen, dat we te voet gaan, als die lange slierten bergbewoners op bloote voeten, die, naar het heet, soms als penitentie erwten of stukjes glas in de schoenen hebben en een zwaren zak op den rug of op het hoofd, en die wij langs den geheelen weg zullen zien, onder het zingen van liederen langzaam hun doel naderend, zonder zich om het weder te bekommeren, terwijl ze aan de twijfelzieke moderne wereld den roerenden en troostenden aanblik van het geloof aanbieden.
Wij hebben meer haast dan die pelgrims, en het stortregent. Dus huren we een stevige stiermarksche kales, en daar gaat het voort op den weg naar Mürzsteg. Een gedenkplaat op de rots van den Calvariënberg roept ons den populairen aartshertog Johan in de herinnering. De rook van de hoogovens van Neuberg is niet te onderscheiden achter het gordijn van regen, en wij rijden snel het Stiermarken der jagers binnen. Te Mürzsteg ontmoet men een keizerlijk jachtslot met in den gevel den verplichten hertekop. De herbergen, zelfs de meest bescheidene, hebben dat teeken, en als men in de “mooie” kamer komt, vindt men die onveranderlijk versierd met jachttrofeeën, welke gegroepeerd zijn om het portret van aartshertog Johan. Te Krampen reden we over een met moeite aangelegden weg, die naar een zeer hoog gelegen jachtslot voerde te midden der ondoordringbare bosschen van Nassköhr. Herten, gemzen, korhoenders hebben een veilige schuilplaats gevonden in die van de wereld verafgelegen kloven, en het jachtgebied of Revier van Mürzsteg is overrijk aan groot en klein wild.
Stiermarken is het echte land der groote jachtpartijen. De eigenaars der terreinen zenden heinde en ver uitnoodigingen voor de gemzen- en de hertenjacht. Zij vragen de ambtenaren, den predikant, den schoolmeester en de welgestelde boeren. De overige bewoners der streek doen als drijvers dienst, en zoo begrijpt men, dat de liefde voor de jacht den Stiermarker in het bloed zit en dat de volksliederen er vol zijn van den gemzenjager, die opklimt naar den Gemsberg. De aanzienlijken geven het voorbeeld, en de keizer zelf verzuimt nooit zijn jaarlijksch bezoek aan Stiermarken voor de jacht.
Het regent nog steeds, en de Hohe Veitsch verbergt zich in den nevel, waardoor wij alleen het naastbijzijnde zien. Het Scheiterbodendal, dat wij nu volgen, wordt smaller en smaller en is eindelijk niet meer dan een kloof met prachtig begroeide rotsen. Midden op den weg komt een breede waterstraal uit een spleet in den rotswand op ongeveer vijftig meter boven het dal, en stort zich in de Mürz onder schuimend uiteenspatten op de rotsen. Een houten trap met treden, die door het slijk glibberig zijn geworden, voert een eindje in de geheimzinnige duisternis van de spleet. Een grafkruis geeft iets lugubers aan deze plek, waar het donderend geraas van den waterval nooit ophoudt. Enkele passen verder had een ongeluk met haar paard bijna het leven gekost aan keizerin Elisabeth in 1883. De edele vrouw bleef toen bewaard, om later onder het mes van een moordenaar te vallen.
De donkere vallei, waar eens zeker een spoorweg door zal loopen, om de scharen pelgrims naar Maria Zell te brengen, loopt uit in een diepte, waar alles groen is en waar de kleine protestantsche gemeente Frein aan den voet van den Hohen Proles en den Hohen Student is gelegen. Bemodderde voetgangers, allen bedevaartgangers, de vrouwen met hoog opgeschorte rokken, stappen over de vuile dorpsstraat. De bosschen rooken, en de wolken hangen laag op de hellingen. Groen Stiermarken wordt al groener en groener, ook door den regen, die zijn deel heeft aan de frissche tinten.
Het dal, waardoor wij langzaam stijgen naar een pas, is geheel met een groen tapijt bekleed. Geen veld, geen rots, geen stukje grond, of het is een deel van de groote symphonie in groen. Alleen de hemel, die met grijze wolken is bedekt, steekt af bij de algemeene hoofdkleur.
Nu hebben wij den weg bereikt, die van het station Kernhof, het dichtst bij Maria Zell gelegen, naar de bedevaartplaats leidt. Het uithangbord van een herberg leert ons, dat wij de grens van Beneden-Oostenrijk naderen, en toen we stilhielden, kuste een oude bedelaar ons de hand met zijn zwaren, natten knevel. Dit is hier het dal der Salza, waardoor wij in enkele dagen dat der Enns zullen bereiken, de tweede hoofdader van Stiermarken naast de Mur.
Nog één steile helling, waar telegraafpalen aantoonen dat we beschaafder streken naderen, en we zijn boven Maria Zell, dat over de berghelling verspreid ligt en een prachtig ruim uitzicht geniet over wijde, groene golvingen. De kerk trekt dadelijk de aandacht, ofschoon groote moderne hotels er rondom heen verrijzen, zoodat zij niet meer als vroeger boven nederige hutten troont.
Die kerk, die zoo eerbiedwaardig is uit het oogpunt van het geloof, is zeer leelijk uit aesthetisch oogpunt. Men is op het crimineele denkbeeld gekomen, haar gothische spits te omlijsten met twee vierkante torens met toscaansche pilaartjes en leelijke rococo-daken, en daarachter verrijst een soort van duiventil in cilindervorm, waaruit men ieder oogenblik de vluchten witte duiven denkt te zullen zien uitvliegen.
Er blijft ons slechts één troost, namelijk een prachtig paneel in het hoofdportaal, het eenige voorbeeld van naïeve kunst, dat ontsnapt is aan de beeldstormers van de Renaissance. Het stelt voor den slag aan de Maritza, waarin koning Lodewijk van Hongarije de Turken, of liever de Hongaren, hun bondgenooten, versloeg. Het onderwerp is met een merkwaardige levendigheid behandeld, en boven een verwoed gevecht waait de standaard met het kruis [363] van Hongarije. Naast dit tooneel van strijd troont de Heilige Maagd rustig in den hemel, terwijl de koning in geknielde houding haar het beeld overreikt, dat zijn wensch symboliseert. En daar er iets fantastisch moet wezen bij een voorstelling uit de Middeleeuwen, iets, dat aan magie herinnert, wordt een hoek van het paneel ingenomen door een onbegrijpelijke nabootsing van den duivel.
Al zijn er buiten aan de kerk nog sporen overgebleven van de gothische kerk uit het eind der veertiende eeuw, toen de zegevierende koning van Hongarije haar liet bouwen, wiens standbeeld vóór den ingang tegenover dat van markgraaf Hendrik van Moravië staat, van binnen is al het oude geheel verdwenen, zoo zelfs, dat men meende, dat alleen de middentoren van den gevel van het oude gebouw was overgebleven, totdat een kundig archaeoloog, professor Petschnigg, bewees, dat de oude kerk opgenomen was in de kerk van de zeventiende eeuw.
De slanke gothische pijlers zijn in de zware moderne pilaren opgenomen en het oude schip is verbreed en langer gemaakt. Wel heeft het inwendige van de kerk, waarvan de Italiaan Sciassia in 1644 de herstelling begon, iets grootsch en indrukwekkends door de wijde ruimten, de breede lijnen en de goede proporties; maar men moet zich wel met smart te binnen brengen, dat de arme, oude gothische kerk, die al het verledene heeft bijgewoond en die zoo luid tot onze verbeelding zou hebben gesproken, ingemetseld is als de personnages uit sommige legenden in de pilaren van deze pompeuse kerk, die wit en crême is als een salon, en vol geschilderde medaillons als aan den wand hangende schilderijen. Zoo wij er al geen pleizier aan hebben, deze weelde van slecht allooi boeit de goede bergbewoners, wier onder tucht staande groepen, blootsvoets en met hun bagage op den rug in alle richtingen door het kerkgebouw schrijden, terwijl de beelden van de Moeder Gods voor de processie uit gedragen worden.
Het middelpunt van de processies en de gebeden is de Gnadenkapelle, een gothisch gebouwtje, waarvan de kolommen zonder twijfel vroeger, behalve aan den voorgevel, door wanden van echt marmer verbonden waren. Over den voorgevel loopt een traliewerk van zilver, een gift van keizer Frans den Eerste van Lotharingen en zijn vrouw Maria Theresia. Daarboven ziet men een versiering van schelpwerk, waar borstbeelden tegen uitkomen, die men houdt voor die van koning Lodewijk van Hongarije en zijn vrouw. Achter in dit heiligdom van een barbaarsche pracht staat op een zilveren altaar, in een met goudborduursel en zilveren pailletten getooid kleed, de wonderdoende Maagd, die door de kracht van het geloof, dat bergen verzet, maar hier bergen doet overschrijden, de vrome menigten aantrekt uit alle vier hoeken van de Oostenrijksche monarchie. En in onze gedachten zien we hen allen door regen en sneeuw, over de moeilijkste bergpaden naar dit lichtend punt, deze ster der wijzen samenkomen. Het middelpunt dier machtige aantrekking is een beeld, uit lindenhout gesneden, slechts 47 centimeter hoog, op gouden grond geverfd in bonte kleuren. Volgens de legende is het beeld afkomstig uit de cel (Zelle) van een kluizenaar-priester, die met nog vier anderen omstreeks 1147 door de abdij van Sint Lambrecht was uitgezonden, om aan de herders van deze bergen het Evangelie te verkondigen.
De kerk zelve heeft niets bijzonders dan enkele mooi bewerkte ijzeren hekken en het groote altaar, waarboven men een wereldbol ziet van zilver, waaromheen zich de symbolische slang slingert. Ook is er een hoog ebbenhouten kruis met de zilveren beelden, in natuurlijke grootte, van den Vader en den Zoon, geschonken door keizer Karel den Zesde. Voor het altaar staat een zuil met het beeld der Maagd, waar de bedevaartgangers op de knieën omheen moeten gaan. Op de bovengalerijen zijn de muren behangen met ex-voto’s en schilderwerk, dat de wonderen voorstelt.
In de schatkamer zijn, als in een soort van museum, allerlei interessante zaken bijeen gebracht, bijvoorbeeld een schilderij van Maria, gegeven door koning Lodewijk van Hongarije, dat, naar men meent, op zijn huisaltaar stond. Het schilderwerk van dit beeld doet denken aan de school van Giotto; de achtergrond is van blauw émail, met gouden leliën bezaaid, en de zilveren lijst is een mooi stuk zilversmidswerk. Er zijn ook kerkelijke gewaden, waarvan enkele aan Matthias Corvinus worden toegeschreven, dan een ivoren diptiek uit de veertiende eeuw, ook van dien vorst ontvangen.
Geheel Maria Zell is maar een aanhangsel van de kerk; de hotels en herbergen zijn er slechts om de pelgrims te logeeren, en in de winkels spelen vrome prenten en beelden de hoofdrol. Lange rijen winkeltjes, waarvan de nieuwste van ijzer, vormen een echte markt van kerkelijke voorwerpen. De oude houten winkeltjes waren in 1827 de aanleiding tot een brand, die bijna het geheele dorp verwoestte.
Het is een curieus gezicht, de boerinnen met haar wijde rokken en bonte doekjes, vol eerbied met gevouwen handen en wijd geopende oogen, kijkend naar al die vrome pracht van goedkoop klatergoud, en ze dan even daarna waar te nemen, al dingend om de prijzen wat lager te krijgen, terwijl men in de verte de liederen der processie hoort, die onophoudelijk met wapperende banieren door het dorp trekt.
Wij zullen, om weer in de buurt van den spoorweg te komen, nog lange einden te voet en per rijtuig moeten afleggen, maar het gaat door een streek, welker schoonheid ons de lengte van den weg zal doen vergeten.
We gaan langs den voet van den Hochschwab, een interessant kalkgebergte, waar men een modelhoeve kan zien, die daar aan den oostelijken voet werd opgericht door aartshertog Johan, om in deze achterlijke streek de menschen op de hoogte te brengen van de verbeteringen in den landbouw.
Ook is dit de klassieke streek van de gemzenjacht. Het is een moeilijk bedrijf; dat blijkt al uit de uitrusting van hen, die wij ontmoeten. Zooals zij daar gaan met den Alpenstok in de eene hand, het geweer in de andere, om de schouders een lap vilt met een gat erin voor het hoofd, de kuiten in kousen van grove wol en schoenen met enorme spijkers, lijken ze meer op roovers dan op ordentelijke [364] jagers. Ze vertellen ons niettemin zeer vriendelijk, dat er morgen een groote jacht zal zijn, en dat als wij op die en die plaats gaan staan, wij de gemzen zullen kunnen zien voorbijkomen.
De gems is hier geen legendarisch dier zooals in Zwitserland; integendeel, men ontmoet er soms troepen van 50 tot 100 stuks, en als ze niet gejaagd worden, kan men ze wel eens tot op vijftig pas naderen.
De jachtverblijven van den hertog van Parma, van prins Hohenlohe en anderen volgen elkander op in het dal der Salza, en hertengeweien zijn het sieraad van elke herberg.

De terrassen van den Erzberg.
Uit het dal der Salza gaan we over den pas van de Eisenerzer Höhe te voet naar Eisenerz. De aankomst te Eisenerz, dat zeer hoog boven het dal is gelegen, is treffend. Een nieuw Stiermarken doet zich daar aan ons voor, het metaalhoudende Stiermarken. Beneden in het dal verrijzen de hooge schoorsteenen van de fabrieken en de kolossale forten, waarop de hoogovens gelijken, terwijl de met erts beladen treinen onophoudelijk langs de hellingen rijden. Maar boven die drukte in de diepte liggen de groene weiden, en weer hooger de zone van dichte wouden, terwijl op dat alles neerzien de hooge, edele bergreuzen, de Kaiserschild, de Wildfold, die een bekroning zijn, waarvan de majesteit al het rumoerige en vuile werk der menschen doet vergeten. Men komt hier tot het besluit, dat de industrie alleen de middelmatige landschappen kan bederven, maar dat zij niet vermag, de grootsche aspecten der natuur te ontsieren.
Een hooge, roodgekleurde berg met afgeronde vormen en gestreept als door treden, die donkerder schijnen in het licht der ondergaande zon, steekt af bij al het groen van het landschap, het is de Erzberg, symbool van den metaalrijkdom van het land. Die waardevolle berg bestaat geheel uit mineralen, en reeds sinds eeuwen zijn de menschelijke mieren op zijn flanken aan het graven en wroeten, knagen den berg methodisch af, en zoo de menschheid, zooals waarschijnlijk is, voortgaat ijzer noodig te hebben, zal de berg ten slotte geheel zijn opgebruikt. Aan den voet liggen, dicht opeengehoopt, de oude huizen van het ouderwetsche stadje Eisenerz onder bescherming van de kerk, die op een fort gelijkt.
Dat antieke stadje is herhaaldelijk door plagen geteisterd, door branden, pest, godsdienstoorlogen; maar het stond altijd in groote gunst bij de vorsten, die de economische beteekenis ervan begrepen. Maximiliaan de Eerste gaf het plaatsje zijn privileges, die verbrand waren bij den grooten brand van 1492; Jozef de Tweede kwam zelf in een der mijnen de mijnboor hanteeren. Toen de Franschen er viermaal doorgetrokken waren tusschen 1800 en 1809, en er aan de bevolking zware belastingen hadden opgelegd, waarvan de onaangename herinnering nog bewaard gebleven is in den naam van een berg, die Franzosenbüchel heet, ging Frans de Eerste zijn volk troosten bij die nieuwe beproeving. De overlevering van die vorstelijke bezoeken leeft nog in onze dagen, en de oude residentie van de graven van Eisenerz, de Kammerhof, is in een keizerlijk jachtslot veranderd.
De oude gemeentekerk van Sint-Oswald heeft al die gebeurtenissen overleefd, die zij van hoog standpunt heeft zien gebeuren; zij staat op een vooruitspringend gedeelte van den Erzberg boven de oude boomen van het door haar behoede stadje. Er hiermee wordt niet alleen bedoeld de moreele bescherming, waarvan Luther zingt in zijn Eine feste Burg ist unser Gott; maar feitelijk is de kerk omgeven door een muur met groote, ronde torens, zoodat het een echt fort [365] is, waar alle bewoners geborgen konden worden bij de eerste verschijning der turksche horden. Het oude heiligdom, reeds in 1190 vermeld, herbouwd onder Rudolf van Habsburg, vergroot onder Frederik den Derde, en versterkt in 1482, is nog eens gerestaureerd onder Maximiliaan den Eerste, zoodat het een zeer geavanceerd gothisch karakter heeft. De orgeltribune en de gewelven waarop zij rust, herinneren zelfs aan de Renaissance.
Een andere toren, op vierkanten voet en met een puntig dak, beheerscht het dorp aan den anderen kant van het dal. Dat is de Schichtthurm, welks klok vroeger de uren van de Schicht sloeg, dus de tijd van het neerdalen in de mijn. Van daar heeft men een goeden kijk op de eigenaardige ligging van Eisenerz, en men staat er vlak tegenover den berg, die in trappen is uitgehouwen en met welks vernieling steeds legioenen van arbeiders bezig zijn.

Eisenerz aan den voet van den Erzberg.
Boven op den berg staat een kolossaal kruis, aan welks voet een groot medaillonportret is te zien van ... ik behoef het wel nauwelijks te zeggen ... aartshertog Johan. Het is een eigenaardige tocht van daar naar beneden naar Eisenerz langs de reuzentrap van de mijnwerken, te midden van het rollen der treinen met erts, die in alle richtingen den berg doorkruisen, het klinken der signalen, het geluid der houweelen en hamers, het gedonder der ontploffingen, dat door de echo’s wordt herhaald, en het gegons van den menschelijken bijenkorf, met de vernieling van den ijzerberg bezig.
Nu en dan brengt een bosch, een weide of een dichterlijk kapelletje wat afwisseling. Zoo is er de kapel van Sint Barbara, waar men u de Wonderstufe laat zien, een stuk mineraal, waarin bereidwillige oogen een beeld van de H. Maagd aanschouwen in een stralenkrans.
Op een uur afstands van die drukte van de industrie kan men, ook wel per spoor, het meer Leopoldstein bereiken, een juweeltje, dat omsloten wordt door het Münichdal, rechts van het dal der Erzbach, waarvan het gescheiden is door een lagen heuvel, die het middeleeuwsch kasteel draagt van hertog Arnoud van Beieren. De oevers van het meer zijn een heerlijk rustoord in een prachtige omlijsting. Het water is in den zonneschijn blauw als dat van de Middellandsche Zee, en het weerkaatst een zwaren muur van rotsen, de Seemauer, en den trotschen top van den Pfaffenstein. Men kan een aangename wandeling doen, als men den oever van het meer ziet glanzen onder het zachte zuchten van den wind. Laat echter de wind eens tot storm opsteken, en zwarte wolken hangen boven het diepe meer, dan verdwijnt alle vroolijkheid uit het landschap en als sinistere reuzen staan de rotsmuren in het rond; het geheel krijgt een tragisch aanzien, en de schipper, die met zijn boot door den storm wordt overvallen, is ver van veilig op dit watervlak van vijftig hectaren, waar de stormen vreeselijk kunnen woeden, maar dat in een volgend oogenblik weer lacht in den zonneschijn.
Als wij de Erzbach stroomaf volgen, komen we in het dal der Enns, waar nog indrukwekkender natuurtooneelen ons wachten. Over een lengte van vier mijlen wringt zich die stroom door een diepe kloof in het kalkgebergte; al springend doet hij hoog het schuim opspatten en laat een klagenden toon [366] hooren, als het snelstroomende water zich voortspoedt tusschen de van de rotswanden neergestorte blokken. Vandaar de naam Gesäuse.
De gewone weg en de spoorweg hebben toch kans gezien, binnen te dringen in de diepe, smalle kloof, al moeten zij telkens van de eene naar de andere zijde overspringen. Na elke tunnel krijgt men een nieuw en altijd imposant landschap te zien, en het zou heiligschennis zijn, zich tevreden te stellen met wat men ervan uit de raampjes van den spoorwagen kan bespeuren. Ieder, die de mooie natuur weet te waardeeren, is verplicht, bij het station Gstatterboden, dat halfweg de mooie route is gelegen, den trein te verlaten.
Daar verheft zich in zijn onmiddellijke nabijheid een steile berg, zooals hij er nooit een op het perron van een spoorweg zoo dichtbij zal hebben aanschouwd. De gezichtslijn vormt, als men naar den top kijkt, een hoek van 35 graden, 50 minuten, wat op een respectabele steilte wijst.
Die top, de Planspitze, die in het kalkgebergte is uitgespaard, rijst wit omhoog uit een dicht groen plantenkleed en beheerscht de rivier, waarboven hij zich 1500 meter verheft. Hij schijnt onbestijgbaar en het heeft dan ook lang geduurd, eer men hem had vermeesterd. Wanneer men echter zeer nauwkeurig let op een richel, die aan den linkerkant van den reus er langs loopt, en waar zich langs den trotschen muur een waterval naar beneden stort, zal men met goede oogen een heel smal paadje ontdekken, dat den formidabelen top beklimt, en welke verschrikkelijke steilte den eenvoudigen toeschouwer beneden in het dal al duizelig maakt. Hier herkent men het stoutmoedige werk van de Alpinisten. En inderdaad is dat pad in het leven geroepen door de Alpenvereeniging “Ennsthaler”, en het voert na een klimpartij langs touwen, ijzeren koorden en in de rots geslagen haken naar de schuilhut, genaamd de Hesshütte, naam van den beroemden Alpinist H. Hess, die met Purtschellen geschreven heeft het boekje, “De Hochtourist”, handboek der bergbestijgers en een lijst bevattend van die toppen in de Oost-Alpen, die bijna ontoegankelijk zijn, met nauwkeurige aanwijzingen hoe ze te overweldigen zijn, terwijl de gemakkelijk toegankelijke toppen in het geheel niet genoemd worden.
Van de Hesshütte kan men dan de Planspitze bereiken en met nog meer inspanning den Hochtor, den vorst der Alpen van het Ennsdal, hoog 2372 Meter. Als men op het station Gstatterboden den blik naar het Westen wendt, kan men daar een tooneel aanschouwen, minder afschrikwekkend, maar dat het oog weldadig aandoet. De Enns, die wat rustiger is geworden, kronkelt zich met de sierlijkste slingeringen door het boschrijke dal over een bedding van witte steenen. Overal op de hoogten staan de prachtige wouden, iets dunner wordend hooger op de bergen, en samen een heerlijke omlijsting vormend voor den Reichenstein, dien men niet moet verwarren met den berg van dien naam bij Eisenerz.
De gemakkelijke weg door het dal is zeer gezocht bij de wandelaars; men ontmoet er jonge meisjes, die Alpenbloemen plukken, jongelui, die hun rijwiel in zijn gang vertragen, om het spel van licht en schaduw te volgen, dat zich voltrekt op het groene watervlak van den bergstroom, en Alpinisten met den langen bergstok, die moeilijke steilten gaan vermeesteren. Er ontbreken nog maar de heeren automobilisten aan met hun apocalyptische voertuigen, die even gauw verdwijnen als ze zijn verschenen, maar welker nagelaten geur een alleronaangenaamste herinnering achter zich werpt; ze zouden hier geen wolken stof kunnen opjagen, waarin ze zich zoo gaarne als de goden hullen, om zich aan het oog der gewone stervelingen te onttrekken.
Een weg, die op den grooten weg uitkomt, wenkt ons met een door groen omslingerde poort, waarboven het woord ”Willkommen” prijkt. Zoo stappen wij het Johnsbachdal binnen en verdiepen ons al meer en meer in de bergen, waar telkens de heerlijkste kijkjes ons worden gegund in smalle kloven, terwijl we plotseling worden verplaatst uit de schaduw der bosschen op groote vlakten, die met witte steenen zijn bezaaid. De zon zendt steil haar stralen op ons neer, en wij begroeten daarom met genoegen de groene oase van Johnsbach, waar het dal van aard en van richting verandert. De dorre kloof wordt een breed dal, de rotsmuren maken plaats voor groene, golvende terreinen, en uit het kalkgebergte komen we in de streken van de afgeronde, ijzerhoudende bergen.
Gezeten in de schaduw bij de herberg Donnerwirth, bewonderen wij de andere zijde van de Alpen van het Ennsdal en de onmiddellijker omgeving, die een bekoorlijk hoekje is met een klein wit kerkje, dat al van 1310 dagteekent en in een nestje van groen is gelegen onder rotsen, gelijk aan ruïnen van oude kasteelen. De wolken, die voor de zon langs trekken, wijzigen ieder oogenblik het landschap en geven er een soort van leven aan; wij worden er door geboeid, zooals men aan het strand nooit moe wordt op het spel der golfjes te letten.
Wij vreesden dat onze dichterlijke stemming verstoord zou worden door een gezelschap, dat er zeer epicuristisch uitzag, iets als de Cent-Kilos met korte broeken en bloote knieën boven grove wollen kousen en bock na bock verorberend. Maar daar staat een van hen op, en ondanks het aanplakbiljet, waarop verzocht wordt alle rumoer te vermijden, om het wild niet te verschrikken, begint hij met zuivere stem geen bacchantenliedje of een mopje uit een café-concert aan te heffen, zooals men verwacht zou hebben, afgaande op zijn uiterlijk en manieren, maar een ernstig lied, waarin van de bergen en het vaderland en van Duitschland sprake is. De moeilijk verteerbare grappen hebben opgehouden, de luisteraars hebben allen ernstige gezichten en luisteren naar den zanger met een soort van vromen eerbied. Die wonderlijke mengeling van lyrische sentimentaliteit en zeer prozaïsche neigingen geeft wel een goed denkbeeld van de tegenstellingen, waarop men altijd stuit bij de germaansche rassen.
Een klimpartij tusschen dennen door brengt ons naar de Treffner Alm, van waar wij ons gemakkelijker kunnen oriënteeren in den doolhof van de Alpen van het Ennsdal. Die hooge weide ligt op een pas, die over den Reichenstein leidt en den Sparafeld en het mogelijk maakt, om uit het Johnsbachdal te komen bij de Kaiserau, de herberg van de Admont-abdij, [367] waar een klein kasteeltje het zomerverblijf is der abten.
Van de Treffner Alm overziet men het Johnsbachdal, dat overal groen is, waar men geen enkel roodgekleurd spleetje van den bodem te zien krijgt, en waar boerenhoeven zich uitstrekken tot aan den Neuburger Alp. Maar wat het meest hier de aandacht trekt, is de zuidkant van de kalkbergen en vooral op het eerste plan de scherpe pyramide van Idstein, welks kale top door de natuur als palet wordt gebruikt, om er steeds weer nieuwe verven op te strijken. Wij keken lang naar de afwisselende verlichting, die ook de vormen schijnt te veranderen, tot in fellen gloed de zon onderging en den piek verguldde, hem eerst grooter makend tegen den zwarten achtergrond der kloof, en hem ten laatste uitdoovend in de opstijgende geuren uit het dal, waar het versch gemaaide gras het grootste deel aan heeft.
Aan den uitgang van het Gesäuse, waar wij den spoorweg weer vinden, wijken de bergen ver van het dal terug, en zoo doet zich het vriendelijke Admontbekken voor. Hier is alles anders, een kleine vlakte, bedekt met bebouwde velden, afgewisseld door boschjes en weiden en nette huizen, die van welvaart getuigen. Maar daarom is het nog geen prozaïsch landschap, want een kring van hooge bergen geeft er stijl aan.

In de kloof van het Gesäuse.
Het Benedictijnerklooster van Admont is gesticht door den aartsbisschop Gebhard van Salzburg in 1074, dus later dan het klooster van Göss, dat het oudste uit de streek is, maar vroeger dan die van Sint Lambrecht, Rein en Verau. De stichtingsdata van die groote kloosters, die zooveel hebben gedaan voor de beschaving in de Oost-Alpen, liggen meestal tusschen het begin der elfde eeuw en de tweede helft der dertiende.
Admont was van het begin af een centrum van intellectueele ontwikkeling. De latijnsche geschriften van de eerste en geleerdste abten, Gottfried, Irembert en Isenrik hebben groote dichterlijke bekoorlijkheid. Men deed in het klooster ook aan muziek, en abt Engelbert heeft in de dertiende eeuw een geschrift gemaakt, waarin hij samenvat wat er in zijn tijd aan muzikale kennis in de wereld bestond, een werk van groote waarde voor onze geschiedschrijvers der muziek.
Doch kunst en wetenschap waren niet altijd voldoende voor de abten van Admont. Abt Hendrik de Tweede, die keizer Rudolf van Habsburg in het klooster geherbergd had, werd in 1286 benoemd tot Landeshauptmann van Stiermarken, een waardigheid, die den woeligen adel van het land tegen hem in het harnas joeg. Hij had een tragisch einde, want een van zijn bloedverwanten vermoordde hem in de buurt van het klooster. Na dien onrustigen tijd wijdde men zich weer aan de studie; er werden scholen opgericht en zelfs een gymnasium en een hoogeschool behoorden bij het Admontklooster.
Van de in 1074 gestichte kerk is niets meer over; zij is in 1152 een prooi der vlammen geworden. De nieuwe kerk, die terstond weer werd gebouwd, is alleen terug te vinden in een portaal en in een gebeeldhouwden leeuw. Admont is dikwijls door de plaag van brand geteisterd, het laatst in 1865. De vlammen in het dorp door een misdadige hand ontstoken, bereikten ook de abdij en richtten er enorme schade aan. De brand duurde vier volle dagen, en een maand later brak het vuur nog weer uit de puinhoopen, toen ze opgeruimd werden. De kerk stortte in, de klokken stortten neer als een gesmolten massa, en alleen eenige gewijde voorwerpen ontsnapten aan de algemeene vernieling op een werkelijk wonderdadige wijze. De tegenwoordige kerk, de Blasienmünster, dadelijk opgebouwd na de ramp, zal dus weinig belang inboezemen aan hen, die graag luisteren naar wat oude dingen te vertellen hebben. Haar twee scherpe spitsen maken een goed effect in het landschap.
De gebouwen, die bij het klooster hebben behoord, [368] besloegen een groote ruimte; er wordt gesproken van zes binnenpleinen en 1180 vensters. Na den brand van 1865, waar de bibliotheek gelukkig aan ontkomen is, heeft men alleen drie vleugels weer opgebouwd om een plein. Zij maken nog een treffenden indruk en geven een denkbeeld van wat het oude klooster moet zijn geweest
De door den brand vernielde gedeelten waren in 1734 gebouwd en moesten volgens de eerste plannen de afmetingen van het Vaticaan hebben, dus van het grootste paleis ter wereld, maar die plannen zijn nooit tot uitvoering gekomen in hun geheel.
Bij een bezoek aan het klooster verzuimt men gewoonlijk niet het Kellerstübel, een klein gewelfd zaaltje met betimmering van dennenhout, waar men tusschen de worst en de kaas den Lüttenberger kan proeven, die in de wijngaarden van de abdij is gegroeid. Het is een eigenaardige omgeving in dat lage zaaltje met de geschilderde zoldering, waarop de wapens van het klooster prijken, een crucifix tusschen twee hertehoorns naast een aan den muur hangende guitaar, terwijl men door een oud renaissancepoortje het uitzicht op een park met allerlei klassieke versierselen heeft.

Het Johnsbachkerkje in zijn nestje van groen.
Dat was ons afscheid van Stiermarken, van dat schoone land, waarop de Dachstein neerziet, die hooge berg, dien Stiermarken, Salzburg en Boven-Oostenrijk met elkander deelen.
Hij staat, als ’t ware aan Stiermarkens begin en in het bekende gedicht van J. Dirnböck, dat door L.C. Seydler op muziek is gezet, zingt de Stiermarker:
Hoch vom Dachstein an, wo der Aar noch haust,
Bis zum Wendenland am Bett der Sav’,
Und vom Alpthal an, das die Mürz durchbraust,
Bis ins Rebenland im Thal der Drav’:
Dieses schöne land ist der Steirer Land
Ist mein liebes, theures Heimathland.
En daarna vervolgt hij, zijn land met vaderlandslievenden trots omschrijvend en telkens met de beide laatste bovenstaande regels besluitend:
Wo die Gemse keck von der Felswand springt,
Und der Jäger kühn sein Leben wagt;
Wo die Sennerin frohe Jodler singt
Am Gebirg, das hoch in Wolken ragt:
Wo durch Kohlengluth und des Hammers Kraft,
Starker Hände Fleiss das Eisen zeugt;
Wo noch Eichen stehn, voll und grün von Saft
Die kein Sturmwind je noch hat gebeugt:
Wo der Mais und Haid’n herbstlich duftend blüh’n
Und des Obstes Füll’ so lachend keimt;
Wo im Unterland süsse Trauben glüh’n,
Deren edles Blut wie Perlen schaumt:
Wo am Kirchweihfest noch nach alter Weis’
Sanfter Zither Ton und Hackbrett klingt.
Und der wack’re Bursch rasch und flink im Kreis’
Holde Dirnen froh im Tanze schwingt:
Wo noch deutsches Wort und ein Handschlag gilt,
Frommer Sinn noch herrscht und Tugend währt,
Wo auf Mädchenwang’ noch das Schaamroth spielt
Und die Hausfrau klug den Segen mehrt:
Wo’s im schlichten Rock wie im Fürstgewand
Edle Männer giebt voll weisem Rath;
Die ein Schutz und Schirm für das treue Land
Rüstig vorwärts geh’n in reger That:
Wo in jedem Arm die geerbte Kraft
Habsburgs Enkeln blüht voll alter Treu,
Für den Kaiser gern Jeder auf sich rafft
Und dann eisern steht in Schlachtenreih: