III.
Reading edition
Intocht van Isabella en Ferdinand volgens de kronieken.—San Juan de los Reyes.—Het hospitaal van Santa Cruz.—De zusters van Sint Vincentius a Paulo.—De beroemde portretten van de universiteit.—De engel en de pest.—De heilige Leocadia.
De groote naam van Isabella, de Katholieke, heeft vele malen in de kathedraal weerklonken, en in den loop van mijn herhaalde bezoeken heb ik hem door alle echo’s hooren herhalen. In dit schoone heiligdom, vroom juweel aan de kroon van Castilië, kwam de bewonderenswaardige koningin God danken, toen de overwinning in den slag van Toro haar in het bezit had gesteld van den schepter, dien zij met zoo grooten roem zou voeren. De verhalen uit dien tijd hebben een trouwe herinnering bewaard van dien beroemden intocht. Hij had plaats op 31 Januari 1476.
De straten en het Zocodover waren reeds van zonsopgang af gevuld met een luidruchtige, zeer opgewonden menigte. De rechters en de wethouders waren op straat gekomen, dezen in costumes van schitterende kleuren; genen in lange, prachtige zijden gewaden. Aan de deuren en aan de weinige buitenopeningen van de huizen had men fijne geweven stoffen opgehangen, oostersche tapijten, heerlijke stoffen uit Venetië of geweven door bekwame weefkunstenaren uit Toledo. Langzamerhand was het in de stad leeg geworden, en de menigte, die de aanwijzingen van de hoofden der aanzienlijke families volgde, had zich verspreid naar den kant van de hermitage van Sint Eugenius, waar men reeds jongleurs, zangers, dichters, muzikanten, en danseressen had bijeengebracht, die alle rijk gekleed waren.
Weldra verscheen, aangekondigd door fanfares en begroet met gezang, dat de vereeniging van Castilië met Arragon blij begroette, de koninklijke stoet; de hoofden gingen omhoog en de halzen rekten zich uit, om de souvereinen beter te kunnen zien, wier overwinning den vrede verzekerde aan de twee koninkrijken, en wier glorie op aller lippen was. Ferdinand, nog zeer jong, met goed figuur, donkere oogen en haren, intelligent gezicht, bereed al uitstekend een prachtigen klepper. De koningin was gezeten op een muildier, dat rijk was opgetuigd, en geleid werd door twee pages uit de edelste geslachten van het land. Zij was niet groot, maar er sprak uit haar houding en haar trekken een fiere majesteit. Haar hoogblonde haren waren bijna geheel verborgen onder de sluiers, die om haar hoofd waren geslagen; haar zeer blanke huid, de grijsblauwe oogen herinnerden er aan, dat van vaderszijde zij vermaagschapt was aan het huis van Lancaster. Een uitnemende gratie en een engelachtige glimlach maakten de strengheid van het voorhoofd en de vastheid van den blik zachter. Isabella was zes-en-twintig jaar, twee jaar ouder dan haar echtgenoot, en reeds had ze een rijk onderworpen, dat haar betwist werd door vreemdelingen en oproerlingen.
Na den eed te hebben afgelegd, dat zij de privileges zouden handhaven, die aan de stad geschonken waren, en na de wallen overgetrokken te zijn, begaf het koningspaar zich naar de kathedraal. Zij traden er binnen door de poort der Vergeving, terwijl jeugdige kinderen, die engelen voorstelden, hun met muziek welkom heetten. En geknield aan den voet van het altaar, dankten zij den Eeuwige, die hun had vergund, den vreemdeling uit Castilië te verdrijven en hem had gedwongen, zich over de grens terug te trekken naar Portugal. Misschien plantte de onvergelijkelijke vorstin op dien dag in den tuin van het klooster den nu veel honderden jaren ouden taxisboom, waarvan elk eenigszins begunstigd reiziger eenige bladeren ontvangt bij wijze van souvenir.
Onder de regeering van Juan II, den vader der koningin, had de beroemde gunsteling, Alvaro de Luna, eenige vertrekken van het Alcazar ter beschikking van zijn heer laten stellen. Daarheen begaven zich de vorstelijke personen. Er was een eenvoudig ontbijt gereed gezet, want zij vastten dien dag; maar in spijt van de berooidheid der schatkist werden de armen niet vergeten.
Den tweeden Februari kwamen de koning en de koningin weer in de kathedraal met nog grooter luister.
Isabella straalde in verheven schoonheid; men had alleen oogen voor haar, want alles verbleekte naast de lelie van het koningschap. Op haar kleed van wit brocaat waren in goudborduursel de kasteelen en de leeuwen, als symbolen van haar erfelijke rijken aangebracht; een lange mantel van hermelijn viel neer van haar schouders en vormde een lange sleep, door twee jonge pages opgehouden. Op haar hoofd, door lichte sluiers omgeven, schitterde een gouden kroon, bezet met edelgesteenten; om haar hals hing een prachtige collier van bleeke robijnen. Het edelgesteente, dat op haar borst fonkelde, trok aller blikken tot zich, niet enkel om zijn buitengewone grootte, en den onvergelijkelijken glans, maar omdat het, naar men zeide, toebehoord had aan Salomo. Het bewijs daarvoor vond men in het hebreeuwsche opschrift, dat er op was gegraveerd.
Vóór het koningspaar uit wapperden hoog en fier de vlaggen van Leon, Castilië en Arragon, terwijl de vlaggen van Lusitanië, die door den vijand achtergelaten waren in de wanorde, die op den slag van Toro was gevolgd, omgekeerd en in vernedering in den stoet werden meegedragen. De triumphators, die na een gelukkig ten einde gebrachten oorlog in de stad van Romulus binnentrokken, boden met geen grooteren trots de op den vijand buitgemaakte eereteekenen aan het romeinsche volk aan.
Na de mis te hehben gehoord, en na boven het graf van haar voorvaderen, wien zoo vaak door de Portugeezen ontzag was ingeboezemd, de getuigenissen van de zegepraal te hebben laten ophangen, wilde Isabella in Toledo een duurzamer herinnering van de overwinning achterlaten. Dat denkbeeld leidde tot de oprichting van het beroemde klooster van Juan de los Reyes.
Het gebouw, dat aan den rand van het plateau is gelegen boven het groene, bloeiende dal van de Taag, als de rivier zich van de stad verwijdert, is aangelegd in den vorm van een latijnsch kruis, en opgetrokken van witte kalksteen, die zeer fijn en hard is en daardoor zich uitstekend leent voor de meest grillige fantazieën der beeldhouwers. Midden tusschen de verschillende onderdeelen verrijst tot op groote hoogte een zware en mooie koepel. De steunsels [408] der bogen rusten op twee sierlijke tribunes, die voor het koningshuis waren gereserveerd, terwijl een gebeeldhouwd fries, rondom de beuken der kerk loopend, een prachtig opschrift droeg in gothische letters, verheerlijkend de roemrijke namen der stichters.
Aardige kleine onderdeelen trekken telkens de aandacht, zonder den indruk van grootschheid en strengheid weg te nemen, die door het geheel wordt gemaakt. Hier ziet men bloemen, kransen, vogels; ginds een aap, als monnik gekleed, met een kap over het hoofd, in diepe aandacht zijn brevier bestudeerend. Welk een zonderlinge oneerbiedigheid, die men toeliet in die tijden van innige vroomheid!
Toen Isabella aan de Franciscaners het klooster en de kerk San Juan de los Reyes gaf, waar zij haar laatsten slaap wilde slapen, begiftigde ze hen tevens met een inkomen van 7000 maravedi’s, (een koperen spaansche munt van nog geen nederlandsche cent waarde) die genomen moesten worden uit de koninklijke schatkist, zonder dat de inkomsten in geld en in natuurproducten, die van het land geheven werden, ervoor behoefden te verminderen. Buitendien verrijkte zij hen met kunstwerken, met miniaturen, juweelen en kostbare manuscripten, in Duitschland gekocht en in Italië. Inderdaad meende de groote koningin van Castilië, dat zulk een mildheid haar volk ten goede kwam. Met het doel, haar volk te beschaven, wist zij de oprichting van twee leerstoelen voor de theologie door te zetten voor de studenten, en voor kinderen uit de provincie werden scholen gebouwd; zij stond erop, dat men er de christelijke leer duidelijk uiteenzette op een wijze, die deze leer begrijpelijk en bemind maakte. Nu was geen enkele orde van geestelijken aard meer het vertrouwen van Isabella waardig dan die der Franciscaners; geen godsdienstig genootschap verdiende zoozeer om zijn talenten en deugden te worden uitverkoren door de vorstin.

San-Martinobrug te Toledo.
Na de verovering van het koninkrijk Granada wijzigden zich Isabella’s denkbeelden, en in haar testament, een voorbeeld van wijsheid en voorzichtigheid, beval zij, dat men haar stoffelijk overschot zou bijzetten in de stad, die met zooveel opofferingen was vermeesterd.
De gunst, waarin zich het klooster van Toledo mocht verheugen, verminderde niet onder de volgende regeeringen; Karel V voltooide het werk van zijn bloedverwante; Filips II schonk er groote giften aan, en deed het de verheven eer aan, het kapittel-generaal van alle groote militaire orden van Spanje te mogen bewaren, en eindelijk bedekte Filips III er de wanden met schilderijen en logeerde bij voorkeur in het Alcazar bij de verkiezing van den Generaal der Franciscanen, bij welke gelegenheid de vorst er feesten gaf en luisterrijke maaltijden.
Toen Mevrouw d’Aulnoy Spanje bezocht, was zij zeer getroffen door de pracht van de kerk. “Zij is groot en schoon,” schreef zij, “en staat vol met oranjeboomen, granaatboomen, jasmijn en zeer hooge myrten, die in hun bakken heele lanen vormen tot aan het hoofdaltaar, dat met een zeer rijke versiering is getooid. Zoodat met al die groene bladeren en al die bloemen van verschillende kleuren, en als men er het goud en het zilver ziet fonkelen tusschen de borduurwerken en de aangestoken waskaarsen, waarmee het altaar is overdekt, het is, of men de zonnestralen zelve ziet. Er zijn ook kooien, mooi geschilderd en verguld, waarin nachtegalen, sijsjes en andere vogels een bekoorlijk concert geven.” [409]

Moskee van Cordova.
De kerk en vooral het klooster hebben verschrikkelijk geleden van den oorlog en van den brand, die in 1809 veel onheil stichtte en een deel van het altaar, de geschilderde glazen, de bibliotheek en de helft van het klooster verwoestte. In 1835, ten tijde van de Revolutie en van de afschaffing der godsdienstige orden, werd het gebouw in een kruitmagazijn veranderd.

Fransiscus van Assisi in de kathedraal van Toledo.
Het zou geheel ten onder zijn gegaan, indien niet in 1844 de Commissie voor de historische Monumenten er de beschermende hand over had uitgebreid, door de gemeente van San Martino erheen over te brengen. Aan den dienst teruggegeven, en voor de bedelaars gesloten zoowel als voor de plunderaars, is de kerk bewaard gebleven voor de verwoesting, waarmee ze werd bedreigd.
Wat het klooster betreft, dat heeft sinds 1858 een restauratie ondergaan, die even talentvol wordt uitgevoerd als ze langzaam tot stand komt, en het is tegenwoordig het kostbaarste en schitterendste voorbeeld van den gothischen bouwtrant in Spanje. De bogen, die een lengte van 26 meter innemen aan elk der vier zijden, zijn versierd met een menigte beelden, sieraden, vogels, vruchten en bloemen, uitgelezen kunstig bewerkt. Op den binnenmuur, die ook met beelden is versierd, gedragen door elegante caryatiden, onder de fijne kroonlijst, ziet men een lang opschrift in de castiliaansche taal. De mooie gothische letters, die het vormen, zijn gelijk aan die, welke binnen in de kerk zijn gebruikt, al zijn ze minder groot. Ferdinand en vooral Isabella worden er uitbundig maar niet overdreven geprezen.
Dit klooster en de kerk werden opgericht op bevel van de katholieke en zeer uitnemende vorsten Ferdinand en Donna Isabella, koningen van Castilië, Arragon en Jeruzalem, vanaf de eerste fondamenten, voor de eer en de glorie van den Koning der Hemelen en zijn gelukzalige Moeder en tevens van den H. Johannes den Dooper en den H. Franciscus, hun ijverige bemiddelaars. En na den bouw van dit huis veroverden zij het koninkrijk Granada, roeiden de ketterij uit en verdreven alle ongeloovigen, verkregen alle rijken in Spanje en Indië, en voerden hervormingen in bij alle kerken en gemeenten van monniken en nonnen, die in hun gebied hervorming van noode hadden; en na zoo groote en voortreffelijke [410] werken stierf de koningin te Medina del Campo, gekleed in het gewaad van den H. Franciscus, den 5den November van het jaar 1503.
Evenals de kerk is het klooster gebouwd naar de plannen van een der beroemdste bouwmeesters van de kathedraal, Juan Guaz, een Vlaming, naar men meent, en wiens trekken voor ons bewaard zijn gebleven op een fresco, dat behoort in San Justo y Pastor. Om tusschen de beide verdiepingen van het klooster een verbinding tot stand te brengen, die het gebouw waardig was, beval Karel V later aan Covarrubias, een prachtige trap te maken, die overdekt is met een koepel in den vorm van een schelp, waarop het wapen van den grooten keizer voorkomt naast dat van zijn voorvaderen. Op de bovenste galerij komt ook uit de cel van Ximenes, die er met eerbied wordt vertoond. De latere groote staatsman was de eerste nieuweling, die te San Juan het kleed der Franciscanen aannam.
Nog in de allerlaatste jaren is San Juan de los Reyes bedreigd geworden met een groot verlies. Na de inneming van Malaga had Isabella als krijgstrofeeën de ketenen van de door haar in vrijheid gestelde christelijke gevangenen erheen gezonden en had bevolen, ze te hangen aan de buitenmuren der kerk. Sinds vier eeuwen beschreven die donkere ringen hun kringen op het witte gesteente, toen een alcade met veel practischen zin ze liet loshaken en bevel gaf ze om te smeden tot deelen van banken en tot een slot voor den openbaren tuin. Gelukkig had men den tijd, de volvoering van zulk een heiligschennend plan te voorkomen, en de ketenen hernamen de zoo lang ingenomen plaats.
In een der lage zalen van het klooster, misschien een ruime sacristie, heeft men een massa ongelijksoortige voorwerpen bijeengebracht, die meer of minder droevige of merkwaardige gebeurtenissen in de herinnering terugroepen, zooals schilderijen, stukken gebeeldhouwden steen of houtsnijwerk, émails en eerwaardig ijzerwerk. Te zamen heet het min of meer pompeus het Provinciaal Museum. Men kan er een bezoek brengen, als de portier zoo vriendelijk is op het schellen aan de deur te letten. Indien zijn bezigheden hem in zijn vertrekken vasthouden, mag men wachten; maar als men niet wordt binnen gelaten, behoeft men daar niet al te rouwig om te zijn; alle voorwerpen, die werkelijk eenige waarde hadden, zijn naar Madrid gebracht.
Isabella liet het niet bij die vrijgevigheid jegens de oude hoofdkerk van Castilië. In de laatste jaren van haar leven begiftigde zij haar nog met het toevluchtsoord van Santa Cruz voor vondelingen. Toen zij den bouw van dit schoone gebouw ondernam, trad zij op als uitvoerster van den uitersten wil van haar getrouwen minister, kardinaal Mendoza, denzelfden staatsman, wien zij met geweld een laatste rustplaats schonk in de Capilla Mayor van de kathedraal.
De kardinaal was gestorven in 1495, vóór de eerste steen was gelegd. De koningin kwam dadelijk tusschen beide, hief de moeilijkheden op, die rezen naar aanleiding van de verwerving van terreinen, in handen van kloosterorden, en toen zij op haar beurt stierf, in 1503, waren alle schikkingen zoo goed getroffen, dat de bouwmeester Enrique de Egas op geen enkelen hinderpaal stuitte. Tien jaren later was het gesticht gereed. Het is gebouwd in den vorm van een grieksch kruis of het kruis van Jeruzalem. De kerk bevond zich vroeger bij het snijpunt van de armen van het kruis; de gebruiksverandering tot Kadettenschool heeft ertoe geleid, dat het altaar verplaatst werd naar het uiteinde van een der armen.
Ofschoon het vondelingenhuis van Santa Cruz zeer weinige jaren na San Juan de los Reyes gebouwd is, lijken de stijlen niets op elkaar. De velerlei aanraking met Italië had Spanje de oogen geopend voor nieuwe richtingen. Dadelijk had het die met geestdrift aanvaard, vergetend zijn eigen verleden en de overleveringen, die uit Bourgondië en Vlaanderen in vroeger eeuwen waren overgekomen. Alleen de prachtige houtbetimmeringen met de houtmozaïeken in de vier zijbeuken zijn van die mozarabische kunst, waarvan Toledo zooveel kostelijke voorbeelden bezit.
Rechts van de ruimte, die tegenwoordig tot ingang dient, is een kloostergang met zuilen in klassieken stijl. Men komt op de bovenverdieping langs een zeer fraaie trap, die begint onder een portiek, gevormd door drie zuilen met verrukkelijk fijn snijwerk. Groote treden uit één stuk fijn, wit marmer voeren naar galerijen, waar bedelaars en plunderaars de houtbekleeding van hebben weggeroofd, zoodat men nu van balk op balk moet springen op gevaar af in de spleten te vallen en door het dunne plafond terecht te komen op de steenen van de lager gelegen gang.
Deze gang staat in verbinding met een andere kleinere, die zware zuilen en kapiteelen heeft, afkomstig uit de antieke kapel van de H. Leocadia. Uit de weinige vensters, die een paar cellen van die kloostergangen verlichten, ziet men neer in de kloof, waar de Taag door stroomt, op de brug van Alcantara en het kasteel van San Cervantes, dien mooien, strengen toegang tot Toledo. Men kan zich zeer goed voorstellen, dat de overlevering op de terreinen, nu door het hospitium ingenomen, het oude Alcazar heeft geplaatst, dat zich in 1085 aan koning Alfonsus VI overgaf, gedwongen door een hongersnood, dien een streng en langdurig beleg had veroorzaakt. Op geen enkele plaats kon men een betere positie innemen ter verdediging van de rivier. Wat is er van die vesting overgebleven? Niets dan een vervallen en half ingestorte toevlucht, die er uitziet of ze een beleg heeft doorstaan, en dan de diepe melancholie van de dingen die niet worden gebruikt.
Het werk van Karel V is niet enkel vertegenwoordigd door de Visagrapoort, Toledo is ook aan hem verschuldigd het mooie binnenplein van het Alcazar, en bovendien dateert uit zijn regeering het hospitaal van San Juan a Fuera, gebouwd door den kardinaal-aartsbisschop Dom Juan Tavera. In 1541 begonnen, werd het eerst in 1624 voltooid. De indrukwekkende gevel van uitstekenden smaak strekt zich uit over een lengte van ongeveer honderd meter. Uit de kerkpoort zagen wij de zusters van Sint Vincentius a Paulo komen met haar witte mutsjes, die alleen al door haar tegenwoordigheid den indruk van orde en netheid geven, die ieder moet treffen zoodra hij den drempel overschrijdt.
Welk een verrassing is het, de steenen van de gangen zonder vlekken te zien, de hoeken zonder [411] vuil en de oude mannen gewasschen en gekamd, terwijl er geen bewakers rondloopen, die bedelen met een dreigement in den blik! Men gevoelt, dat Frankrijks goede engelen over de bergen zijn gevlogen, en dat voor haar goede werken de wereld nooit groot genoeg zal zijn.
Bij de kruising van het schip der kerk met de armen van het kruispand welft zich een zeer hooge en wijde koepel over het graf van den stichter van het liefdehuis. Dat is het laatste werk van Alonso Berruguete. Mogelijk is de koepel zelfs wel afgemaakt door zijn zoon, in 1561. De jaren hadden de hooge vlucht van den kunstenaar wat getemperd, want hij heeft nooit beter de zachte kalmte van den dood van den rechtvaardige weergegeven. De versieringen van de sarcofaag zijn van een lateren tijd dan het beeld van den doode, en hoewel in goeden italiaanschen stijl, zijn ze veel minder waard. Zij zijn het werk van een inlandschen kunstenaar; maar in dien tijd, en als ze zich aan het marmer waagden, waren de spaansche beeldhouwers zoo gewend aan de italiaansche manier, dat het moeielijk wordt, hun werk te onderscheiden van wat uit de werkplaatsen in Genua en Florence kwam.
De burgers van Toledo mogen graag hun stad vergelijken bij de hoofdstad der Christenheid. De parallel valt dan geheel in hun voordeel uit. Men oordeele:
Toledo en Rome hebben zeven heuvels, Toledo en Rome hebben een tarpeïsche rots; Toledo en Rome zijn beide vol kloosters; Toledo en Rome hebben beroemde prelaten zien geboren worden; maar het Rome van Italië heeft ernstige fouten begaan en dwaasheden, waarvoor het Rome van Spanje zich heeft weten te behoeden. En eindelijk steekt Toledo haar mededingster de loef af door de algemeene vermaardheid, die haar marsepein heeft verkregen, het marsepein met amandels; op dat gebied behoeft niet te worden gestreden, daar komt de eerepalm toe aan het Roma del Marzapan.
Ik geloof, dat geen vreemdeling Toledo beter heeft gezien dan ik onder het geleide van mijn uitstekenden vriend, professor Ventura y Reyes. Er is geen stukje van de oude stad, of hij heeft het onderzocht met een talent, dat alleen te vergelijken is met zijn bescheidenheid. Daar vandaag, Zondag, het provinciaal museum gesloten was, had de doctor mij ten zijnent geïnviteerd, om dan samen een wandeling buiten de stad te doen.
“Wij hebben daar,” had hij tot mij gezegd met een zekere geheimzinnigheid, “twee vrouweportretten, die u zeer zullen interesseeren”.
“Uit welken tijd?”
“Uit den tijd van Filips IV.”
“Een Velasquez, een Greco?”
“Wie weet?”
Ik ging heen in groote spanning. Wat een rijkdommen heeft toch dat Spanje, dat zoo geheimzinnig is en zoo bescheiden! De ontroering deed mijn hart sneller kloppen, toen wij in de bibliotheek binnen gingen. Achter in de zaal, in een soort van afgesloten hoekje bij den katheder van den professor, hingen twee doeken van vrij groote afmeting tegenover elkander. Ik liep er snel op toe; mijn oogen doorboorden de duisternis, en ik zie een prachtige vrouw met een baard, omringd door haar man en kinderen. Een roode sluier bedekte het gelaat, terwijl het laag uitgesneden corsage de borst van de kleur van leliën en rozen liet zien.
Natuurlijk heeft Velasquez niets met dit portret uit te staan.
“Wat zegt u ervan?” vraagt mij lachend mijn gids.
“Dat moet een reclame wezen van een fabrikant van schoonheidsmiddelen of van een middel voor den haargroei.”
“U vergist zich; het is het authentieke portret van een dochter van het blonde Germanië. Geboren in Duitschland, in 1620, kwam zij in 1664 in Spanje, en zoowel om haar baard als om haar talent als organist wist zij belangstelling te wekken. Dit portret en het uitvoerige opschrift dat het draagt, zijn er de onmiskenbare blijken van. En nu, keer u eens om.”
’t Is, of het om een weddenschap te doen is! Daar sta ik weer tegenover een vrouw met een baard!
“Meent u dan, dat Spanje bij Duitschland achter heeft willen blijven?”
De eerste vrouw was hoogblond en zag er vroolijk uit; deze tweede met witten baard heeft een zeer streng uiterlijk. Hier geen laag uitgesneden kleed; een hooge guipure en een stijve kraag omsluiten hals en borst en het gezicht kon dat zijn van een uit China teruggekeerden zendeling. Onder dit beeld zocht ik te vergeefs naar een opschrift, en ik vond er slechts een cijfer. Deze tijdgenoote van Filips IV was vijf-en-vijftig jaar, toen men haar weinig aantrekkelijk uiterlijk vereeuwigde.
Neen, de jeugdige leerlingen van het provinciale lyceum worden niet op de proef gesteld door wat men hun te zien geeft!
Maar wat is de aanleiding geweest tot de dwaasheid, dat deze dochteren Eva’s er zoo op gesteld waren, aan de wereld den rijkdom van haar baard te vertoonen? De methodische exploitatie en het winstgevend bedrijf om phenomenen te laten zien, was nog niet in de zeden doorgedrongen.... Een paar eeuwen later zou Barnum haar fortuin en het zijne hebben gemaakt.
De dag, die onder zoo gelukkige voorteekenen was begonnen, was als een vergoeding voor de ernstige studiën van de vorige week. Sedert mijn aankomst had ik vertoefd in de geheimzinnige schaduw der kerken, onder kloostergewelven, bij graven en tot ruïnen vervallen paleizen; had ik dan niet verdiend, ook eens naar buiten te gaan?
Zoodra we de stad hadden verlaten, was het alles een schittering van licht en vreugde; de herfstzon glimlachte met haar vriendelijkste gezicht. Toch keerde ik mij even om, en keek naar de versterkte poort, die ik was doorgegaan. Een engel stond daar met een zwaard in de hand, streng en toornig tusschen twee zware torens. En de bewoners van Toledo, de jongen en de ouden hebben zich afgevraagd, waarom die godsgezant hun een zoo donker gezicht liet zien. Er moest een verklaring wezen, en er is een legende ontstaan.
De engel des Heeren waakt over Toledo en verbiedt de rampen en ellenden de stad te naderen; zij, die [412] zooveel leed over de arme menschheid brengen.
Eens verscheen de afschuwelijke pest en vroeg om te worden toegelaten.
“Wat komt gij hier doen?” vroeg de engel in woede ontstoken.
“Ik ben een gezant van God, gij hebt niet het recht mij te weren.”
“Mijn volk is vroom; als God in zijn ontevredenheid enkele armzalige visschers wil tuchtigen, dat hij er ten minste rekening mee houde, dat Toledo trouw de Heilige Maagd heeft gediend. Beloof mij, dat gij u met twintig slachtoffers zult tevreden stellen.”
De engel bad en smeekte; maar de pest vond dat niet genoeg en wilde niet met minder dan tweehonderd tevreden zijn.
Toen moest de vreeselijke schatting, die gevraagd werd, worden toegestaan. De pest ging binnen, en gedurende drie maanden richtte zij vreeselijke verwoestingen aan en deed de bewoners van Toledo bij duizenden sterven.

Vrouw uit Cordova met mantilla van chenille.
“Ellendeling, leugenaarster, meineedige!” schreeuwde de engel, toen de ziekte eindelijk vertrok. “Ik zal u bij den hemel aanklagen.”
“Waarom die woede? Gij hadt mij de levens van tweehonderd slachtoffers afgestaan. Die heb ik genomen. De anderen zijn allen van vrees gestorven. Daar heb ik geen schuld aan!”
Van de vlakte, waarop men uitkomt, als men de wallen achter zich heeft gelaten, rust het oog eerst op de meer dan middelmatige beelden van eenige koningen van Spanje, om daarna in het dal af te dalen naar de ruïnen van een romeinsch circus, dat systematisch verwoest werd, toen Abd el Rahman, gouverneur van Tolestane, zich onafhankelijk trachtte te maken.
Langzaam dalend, komt men bij het heiligdom van Cristo de la Vega. Het kerkgebouw is opgericht op de plek, waar de heilige Leocadia den marteldood onderging.
Leocadia was schoon en werd bemind. Toen men van haar eischte, dat zij het Christendom zou afzweren, was zij bang, niet sterk te zullen zijn en door de pijn te zullen worden overwonnen en haar God te verraden. Daarom riep zij hem te hulp en smeekte hem, haar tot zich te roepen en haar de smadelijke ontrouw aan het geloof te besparen. En terwijl zij met haar hand een kruis op den grond teekende en dat eerbiedig kuste, stierf zij met den naam van Jezus op de lippen.
Er verloopen eeuwen. Pas tot het Christendom bekeerd, heeft koning Sisebuth een prachtigen tempel laten oprichten op de plek, waar de martelares gestorven is. In de nabijheid van haar hoogvereerd graf werden conciliën gehouden. Monarchen en bisschoppen hebben naast haar willen rusten, en daar op eens doet een nieuw wonder de vroomheid van het volk en de koningen nog stijgen.
Het was op 9 December 666. Bisschop Ildefonsus vierde in het heiligdom den jaardag van den dood der heilige. Plotseling verdween de grafsteen in den glans eener lichtende verschijning. Een engelengedaante gehuld in witte sluiers, vertoonde zich voor de blikken der aanwezigen. Leocadia leeft, zij glimlacht, zij spreekt, zij prijst Ildefonsus, dat hij op het Concilie de maagdelijkheid van de Moeder Gods heeft verdedigd.
De bisschop is op de knieën gevallen, hij luistert, beeft en twijfelt. Neen hij is niet het slachtoffer van een gezichtsbedrog, de verrukking, die op aller gezichten te lezen staat, stelt hem gerust. Hij beeft van vreugde, strekt zijn handen naar de verschijning uit, en, aangemoedigd door den koning, wil hij de stralende grijpen. Maar Leocadia behoort niet meer tot deze wereld van smarten; zij zal zich niet door een aardsch wezen laten aanraken. Zij wordt minder duidelijk zichtbaar en verdwijnt als een vluchtige schaduw onder den steen, die zich weer sluit. Maar de verdwijning heeft niet snel genoeg plaats gehad. Een slip van haar lichten sluier is tusschen den steen en den vloer blijven zitten. De vorst springt naar voren om die te grijpen, maar plotseling tegengehouden door het gevoel zijner onwaardigheid, reikt hij den bisschop zijn degen toe, die het kostbaar stuk, getuigenis van het wonder, afsnijdt.
“Maagd en martelares,” roept de bisschop uit, “gij, die waardig zijt, den Verlosser in zijn hemelsche glorie te aanschouwen, die uw leven hebt gegeven, om zijn liefde te verdienen, zie met genadig oog neder op de stad, waar het Gode behaagd heeft, u te doen geboren worden, bescherm haar, en laat uw tusschenkomst strekken tot heil van den monarch, die plechtig uwen feestdag viert.”
Nog heden wordt in de kathedraal de eenige reliek der schutsvrouw van Toledo bewaard. Een standbeeld van de H. Leocadia, dat echter niet veel kunstwaarde heeft, is in de kapel te zien.