Abessynië en de berichten van het duitsche gezantschap naar dat land.
Reading edition
Abessynië is in de laatste jaren het doel van een reeks buitengewone missies geweest; de eene heeft de andere afgelost, en de volken van West-Europa, zoowel als de Vereenigde Staten, hebben een koortsachtigen ijver aan den dag gelegd, om het maagdelijke land met hun handel en industrie in verbinding te brengen. Uit die veelzijdige belangstelling blijkt al de beteekenis, die men hecht aan de nog niet geëxploiteerde schatten van dit bijna aan den uitersten rand der heete luchtstreek gelegen hoogland, en blijkt tevens, hoe bij de bevolking aldaar de behoefte aan de voortbrengselen der industrie met de ontwakende beschaving verondersteld wordt.
Een zeer aanschouwelijke voorstelling van de algemeene, economische toestanden in dit op den voorgrond tredende afrikaansche land en van zijn beteekenis als afzetmarkt en leverancier van tropische producten geeft een door de duitsche regeering onlangs gepubliceerd overzicht in de ”Berichten over handel en industrie” van de mededeelingen, die het buitengewone gezantschap naar Abessynië had gedaan.
Dr. Rosen ging in ’t begin van 1905 van Djiboeti uit over Harrar naar het hof van koning Menelik te Adis Abeba, heeft daarna het land naar het Noorden in de richting van het Tanameer, Goudar en Adua doorkruist, en keerde over de italiaansche haven Massowah naar huis terug.
In de vier maanden, die de expeditie in Abessynië doorbracht, heeft zij overvloedig materiaal verzameld, dat een helder licht verspreidt over de algemeene toestanden, over ligging en grondgesteldheid, bodem, klimaat, bevolking, talen, steden, hoofdbronnen van bestaan, toegangen naar Abessynië, verkeerswegen in het binnenland, waterwegen, middelen van vervoer, karavaangelden, tollen, post- en muntwezen, maten en gewichten, de abessynische bank, uit- en invoer. Veel waren zijn bijeengebracht, ten einde duidelijk te maken, hoe het met den tegenwoordigen handel staat en hoe die uitgebreid kan worden, zoowel wat den uitvoer naar als den invoer uit Europa betreft.
De voornaamste middelen van bestaan van het abessynische volk zijn veeteelt, landbouw en jacht. Aan het ministerie van Binnenlandsche Zaken is een soort van tentoonstelling georganiseerd van abessynische producten, zoo meldt de Deutsche Kolonialzeitung van 6 Januari 1906, en daar kan men de voor de wereldmarkt beschikbare runder-, schapen- en geitenvellen zien, die, naar kenners beweren, de hoedanigheden bezitten, welke hen gewild doen zijn bij de gebruikers. Over Djiboeti werden in het jaar 1903 voor 1,351,467 francs huiden van allerlei soort, en over Massowah voor 174,911 lire runderhuiden en voor 828,542 lire geiten- en schapenvellen uitgevoerd.
De landbouwproducten zijn er vele. Er moeten wel 16 soorten van gerst en 20 soorten van tarwe in Abessynië voorkomen, en de zaden van gerst en tarwe vallen met de vele oliehoudende zaden sterk in het oog. Ook aan peulvruchten en specerijen is het land rijk. Wat de vezelplanten betreft, munten eenige bijzonder goede katoensoorten uit. Koffie komt in twee soorten in den handel. De Harrarikoffie wordt in de provincie Harrari gekweekt, terwijl de zoogenaamde abessynische koffie gewonnen wordt in de zuidwestelijke provincies, waar ze in het oerwoud ook in ’t wild groeit. Beide soorten zijn van uitstekende qualiteit, niet onderdoend voor de mokka van de overzij der Roode Zee.
De jacht levert er kostbare artikelen als ivoor, huiden van leeuwen, panthers, otters, apen, giraffen, zebra’s, antilopen, slangen en krokodillen. Ook op den neushoorn en het nijlpaard wordt jacht gemaakt.
Klimaat, regenhoeveelheid en grondgesteldheid zijn over ’t algemeen geschikt voor landbouw. De berglucht, die bij het karakter van hoogland, dat Abessynië bezit, voor elken Europeaan het verblijf in het land mogelijk maakt, weert ook malaria en tropische ziekten en werkt gunstig op de ontwikkeling der bevolking. De verschillen in de bevolking zullen op den duur voor een goede verdeeling van arbeid zorgen en zullen hier den landbouw, ginds de veeteelt, elders de industrie of de zorg voor het verkeerswezen op den voorgrond brengen.
Belemmerend voor de ontwikkeling van het economische leven werken het gebrek aan verkeerswegen in het land, de dure karavaanvrachten, de onzekere tollen, het slecht geordende muntwezen, waarbij staven zout en geweerpatronen nog als ruilmiddelen dienst doen, het gebrekkige postwezen en de afgezonderde ligging van het land. Voor het verkeer van en met Abessynië heeft op dit oogenblik Djiboeti, de fransche Roode-Zeehaven, nog de grootste beteekenis. De spoorweg tot Harrar heeft die beteekenis nog vergroot.
Het industriëele leven is in het land nog minder ontwikkeld dan landbouw en veeteelt. De weverij, het kleêr en schoenmaken, het korenmalen en broodbakken zijn nog huisbedrijven. Bij het maken van aardewerk ontbreekt nog de overal reeds gebruikelijke draaischijf. In metaal- en lederbewerking heeft men het iets verder gebracht. Van eigenlijke industrie in europeeschen zin is nauwelijks het eerste begin aanwezig. Ook over den rijkdom aan mineralen moet men zich het oordeel nog voorbehouden, tot het land beter geologisch onderzocht zal zijn. Vastgesteld is intusschen reeds het voorkomen van goud, zilver, ijzer, tin, zink en kool.
Onder deze omstandigheden is het land, voor zoo ver zijn koopkracht reikt, en voor zoover de behoeften der bevolking aan de voortbrengselen der beschaving reeds gewekt zijn, aangewezen [104] op den invoer van producten uit het buitenland. Het meest staan daarbij de geweven stoffen op den voorgrond.
Het klimaat doet de behoefte aan die stoffen ontstaan, en vooral katoen is een gewild artikel; het meest worden ingevoerd de uit Britsch-Indië en de Vereenigde Staten komende, ruwe, ongebleekte stoffen. Zeer overvloedig is ook het gebruik van gebleekte, geverfde en bedrukte katoenen stoffen, waarbij Duitschland zal kunnen mededingen. Kousen en tricotbuizen worden reeds veel ingevoerd uit Duitschland.
Onder de in Berlijn tentoongestelde voorwerpen ziet men stukken mousseline en calico, witte stoffen voor hemden en andere onderkleedingstukken, dril, damast, percal en andere. Wollen en katoenen garens worden in de huisweverij in Abessynië veel gebruikt, en naaigarens bij de vervaardiging van kleedingstukken. Het gebruik van zijden stoffen is niet van veel beteekenis, omdat het zich bepaalt tot de voorname klassen der bevolking. Ook wollen stoffen vinden niet veel aftrek. Wel zouden als invoerartikelen in aanmerking kunnen komen dekens en tapijten, die ook in halfwol en katoen gewild zouden zijn. De invoer van ruw ijzer is van weinig belang, omdat er zoo weinig ruwe metalen in het land worden bewerkt. Men gebruikt bij den bouw der woningen veel plaatijzer. Als maar eenmaal het land eenige stapjes verder op den weg der ontwikkeling heeft gedaan, zullen werktuigen en gereedschappen van allerlei soort in veel grooteren getale aftrek vinden. Tafelmessen, vorken en lepels worden nog lang niet algemeen gebruikt; zakmessen beginnen reeds veel gewenscht te worden. Van meer beteekenis is reeds de aanwending van glazen, pannen, borden enz. terwijl de grootste rol de geëmailleerde ijzerwaren spelen. Wapens en degengevesten vinden steeds aftrek.
Glas, steengoed, porselein, spiegels, petroleum, hoeden, naaimachines, leêr, papier, klokken, parasols, schoenen, voedings- en genotmiddelen zijn allen dingen, die nu reeds bij den invoer in Abessynië eene meer of minder gewichtige rol spelen. Onder de genotmiddelen zou misschien vooral suiker voor den duitschen uitvoer naar Abessynië in aanmerking komen. De behoefte daaraan is tot nu toe door Frankrijk en Oostenrijk gedekt.
Voor Duitschlands handel en industrie worden dus in Abessynië op de meest uiteenloopende gebieden uitzichten geopend, en wij kunnen ons aandeel erlangen aan de openstelling van het land voor den handel. De wegen zijn nu geeffend door het handelsverdrag, dat de buitengewone zending naar Abessynië met de regeering heeft gesloten; verder door onze deelneming aan de oprichting van de in het leven te roepen ethiopische bank en aan toekomstige spoorwegondernemingen.
Toevallig komen juist in dezen tijd van vriendelijke toenadering van Duitschland tot Abessynië berichten over een belangwekkende toenadering van Abessynië tot Egypte. De stoot daartoe heet uitgegaan te zijn van den sultan van Turkije; maar of Engeland niet mee een klein duwtje heeft gegeven?
Een zending althans van Mac Millan naar Menelik van Abessynië schijnt nog al goede resultaten te hebben gehad en tot een voortdurende vriendschappelijke verhouding tusschen de twee staten aanleiding te zullen geven. Het handelsverkeer tusschen den egyptischen Soedan en Abessynië zal ervan profiteeren en het verkeer op den Boven-Nijl zal erdoor toenemen.
De goedwilligheid van den sultan in dezen is tezelfdertijd gebleken bij een geschil tusschen de Ethiopiërs en de Kopten over het klooster Deir es Sultan te Jeruzalem, dat door de christelijke Kopten opgeeischt werd, nadat het door de Mohammedaansche Ethiopiërs bezet was. Tot regeling van deze zaak werd Sadik-pacha naar keizer Menelik afgevaardigd met een eigenhandigen brief van den sultan en rijke geschenken. De zaak werd in het voordeel der Kopten beslist.
Men ziet, Menelik laat zich het hof maken, en hij zendt van zijn kant telkens ook gezanten naar Europa voor het aanknoopen van betrekkingen. Een zijner buitengewone gezanten was o.a. in October in Roemenië voor het aankoopen van meel, tarwe en haver voor Abessynië, wat niet geheel klopt met de hoopvolle mededeelingen over den graanrijkdom van Abessynië in het boven weergegeven duitsche rapport. De negus was intusschen heel vriendelijk voor Dr. Rosen en de zijnen, en voor keizer Wilhelm kreeg de gezant de Ster van Aethiopië mee, de hoogste orde van het land in goud en brillanten, plus een kostbaar abessynisch schild, antieke kruisen met belangwekkende opschriften uit het oude christenland, dat Abessynië is, en eenige zware olifantstanden.
Het duitsch-abessynisch handelsverdrag, dat 7 Maart in Adis Abeba is geteekend, heeft handelsovereenkomsten met Engeland, Frankrijk en Italië in zijn nasleep gekregen.
Geen wonder, dat er telkens geruchten opduiken van Menelik’s aanstaande komst in Europa; hij zou naar Rome, Parijs en Londen gaan. Zelfs Rusland interesseert zich voor het land der bruine Christenen; het heeft dezer dagen een zending ingenieurs erheen gestuurd, die er rijke goudmijnen constateerden en Menelik den raad gaven de mijnen voor eigen rekening te ontginnen.
”Surtout pas trop de zèle” mag hier wel gelden!