← Table of contents
Automobiel-rijden

OP DEN WEG.

Reading edition

Het verkennen van den weg en 't oefenen van de oogen.

Illustration from Automobiel-rijden

'n Bondswegwijzer.

'n Autobestuurder moet niet alleen de faculteit bezitten om méér te zien, maar ook om sneller te òverzien dan 'n ander sterveling. Hij moet zich dus oefenen, eerstens in 't opmerken, tweedens in 't juiste conclusies-trekken uit wat hij opmerkt. En dit tijdens de vaart van den wagen. Het is dus van groot nut hier de meest mogelijke ervaring in te krijgen. 'n Goede memorie zal hem daarbij te pas komen. Want wat hij eens onthoudt en verwerkte, stelt hem in staat 'n volgende maal weer meer aandacht op tal van àndere dingen te vestigen, die hij op z'n weg ontmoet. Hij zal bovendien sneller den aard ervan weten te definieeren en er dus alreeds bewuster tegenover staan. En alles wat hij méér ontleedt, ontdekt, tot z'n eigendom maakt, sterkt bovendien z'n zelfvertrouwen. Dat heeft hij bovenal noodig, want van alles wat binnen z'n gezichtskring komt, moet hij minstens kennis nemen. En hoeveel meer dingen komen er binnen denzelfden tijd niet binnen zijn gezichtskring, achter het stuur van 'n wagen in vaart gezeten, dan wanneer hij 't zelfde traject eens wandelende of fietsende aflegde. Hoe beter hij dus onmiddellijk den aard en het karakter van alles wat hij op z'n weg ontmoet, en het verband waarin dat staat, of kan staan, of zou kunnen komen te staan tot z'n wagen en hemzelf, kan vaststellen en dus daarmede het eerste begin klaar heeft voor het overwinnen van 'n mogelijke wegbelemmering, hoe veiliger of z'n rijden reeds zal geworden zijn. Hoe minder hij zeker is van alles, wat er binnen zijn gezichtskring gebeurt, hoe meer dus z'n vaart dient getemperd te worden. De vaart van den wagen mag immers nooit zoo gróót zijn, dat de bestuurder ook zelfs maar gedeeltelijk de capaciteit verliest, z'n weg en deszelfs verschijnselen te kunnen controleeren. Immers hangt voor 'n goed bestuurder, behalve van de kracht van z'n wagen, de snelheid af van de mate, waarop de weg kans geeft op direct of indirect gevaar, 'tzij voortspruitende uit te voorziene verkeersbelemmeringen (wagens, drukte, verkeer), 'tzij uit de mogelijkheid van 't zich voordoen van onvoorziene belemmeringen (zooals die ontstaan in bochten, onoverzichtelijke kruispunten, door geboomte verborgen opritten van boerenerven e. a.).

Er zijn dus vele dingen waarop hij met 't bepalen van z'n snelheid te letten heeft; en 't eerste wat daarvoor in aanmerking komt is dus de aard van den weg en van deszelfs verschijnselen, n.l. van alles wat er zich òp bevindt of deze nadert; van het aantal zijwegen, het meer of minder overzichtlijke dier zijwegen of van den aard dier zijwegen; van de breedte van den weg, van de overzichtlijkheid der bochten, van de ligging van het profiel van den weg (met de bocht hol of bol uitgebouwd), van de al of niet zich er langs bevindende woningen, van de ligging dier woningen, van de beteekenis van den weg als verkeersweg (waardoor b.v. meer of minder verkeerswederrechtelijke gebeurlijkheden te verwachten zijn van de zijde van plotseling opdoemende karrendrijvers) en door nog tal van oorzaken meer.

Alles wat dus den weg betreft, is dus voor den automobilist, die z'n wagen en z'n rijden in de hand wil hebben van 't hoogste belang. Dus hij observeere! En om dat goed te leeren, beginne hij met langzaam te rijden en zich goed rekenschap te geven van het karakter van den weg. Zoo moet hij leeren zien aan 'n enkel paaltje, of aan 'n lichte glooiing in 'n berm, of iets dergelijks, dat hij 'n zijweg, verder door struikgewas of geboomte verborgen, nadert. Zoo'n monding van 'n zijweg heeft, hoe verborgen de weg zelve moge zijn, echter zekere karakteristieken, die in negen van de tien gevallen de aandacht op z'n bestaan vestigen: 'tzij dat de wegberm in de verte voor u verloopt, 'tzij door 't aanwezig zijn van wat hooger struikgewas, zooals vaak op 'n hoek van 'n weg voorkomt, 'tzij door 'n bijna onmerkbare vervloeiing van het wegprofiel naar den zijweg toe, 'tzij door 'n rij boomen die op den hoofdweg gerijd staan, meestal is er iets van te bespeuren. En 't geven van 'n goed signaal is dan nuttig. Want alhoewel de berijder van den zijweg verplicht is, bij het naderen van den hoofdweg z'n vaart te minderen, en hij te waken heeft voor de verkeers-veiligheid, is de onachtzaamheid van boeren, karrerijders of anderen te algemeen om blindelings op dezen verkeersregel te kunnen vertrouwen. Daarom is 't ook goed bij zijwegen 't midden van den weg te houden en deze niet te dicht bij hunne monding te passeeren. 'n Nadering van 'n wagen b.v. kan vaak door struikgewas heen, indien men daar onderdoor ziet, worden waargenomen, zoo ook kan 'n reflexbeweging van 'n voor u passeerend fietser, of wandelaar u opmerkzaam maken op 'n van 'n boerenerf of uit 'n zijweg te voorschijn rijdend vehikel. Zoo ben ik eens op het naderen van twee ruiters uit 'n vrij verborgen zandweg attent gemaakt door het kakelend vluchten van eenige kippen. Ik koos daarop onmiddellijk het midden van den weg (ik reed rechts) en gaf signaal, op 'tzelfde oogenblik dat de paarden den weg zouden zijn overgestoken. Zoo zijn er vele teekenen, die langs den weg u op 'n gevaar wijzen, dat niet altijd dreigend behoeft te zijn, nòch zelfs vaak 'n gevaar, maar met welks mogelijkheid ge rekening dient te houden, en dat ge even, zij 't slechts door 't geven van 'n signaal moet verwijderd houden. De duizend-en-één eigenaardigheden van iederen weg laten zich niet allen omschrijven. Twijfelt ge aan verborgen zijwegen, of andere gevaar opleverende paden of opritten, houdt dan flink het midden van den weg, en rijdt geen grooter snelheid dan waarin ge uw wagen volkomen voelt meester te zijn. Een signaal kan nooit kwaad. Doch maak er ook geen misbruik van. Het getuigt van slechten smaak en neemt anderen maar onnoodig tegen u en uw vervoermiddel in. Houdt u bij 'n bocht, die ge niet geheel overzien kunt ook op de rechterzijde van den weg, en steek nooit bruusk over naar 'n zijweg. Haal ook geen anderen wagen aan den verkeerden kant in (rechts), en let goed op bij spoorwegovergangen en rails. Meestal is de kei- of straatweg op die punten zeer slecht en de kans op veeren breken groot. Rijdt ook niet te dicht langs 'n anderen wagen, dien ge inhaalt of ontmoet. Is het noodzakelijk, matig dan in alle opzichten uw vaart en laat den ander zooveel plaats als mogelijk is. Ge weet nooit welk soort bestuurder op dien anderen wagen achter 't stuur zit, en zelfs al zou deze in alle opzichten 'n uitstekend vakman zijn, ge verhoogt 't risico door onvoorzichtig te doen, voor beiden. En last not least is 't niet hoffelijk.

Van belang is 't ook te weten, als ge dicht met uw wagen ergens door of langs moet, welke breedte ge noodig hebt. Dat kan zoo'n zekerheid voor u worden, dat 't voor oningewijden op virtuositeit gaat lijken. Het is vanzelfsprekend 'n kwestie van routine, maar 't kan buitengewoon geoefend worden. Begonnen moet worden met naar de uiterste punten van de spatborden te rekenen. Later is vaak zelfs dit hulpmiddel overbodig. De beste wijze dit te leeren is op den grond twee blokjes hout te plaatsen, of twee paaltjes te slaan, die uitgemeten juist op de breedte van den wagen uit elkaar staan. Daarop af te rijden is het middel om 'n smallen doorgang te leeren schatten. Is de breedte om te passeeren wel ruim genoeg, maar wat krap gemeten, houdt dan vlak aan op de zijde van de verkeershindernis, die aan uwen stuurwielkant is (fig. 4). Immers kunt ge hier precies zien tot hoe dicht ge naderen kunt zonder kans op 'n aanrijding. Van zelf zal dan de andere zijde vrij zijn.

Illustration from Automobiel-rijden

(De Kampioen).

Fig. 4.

In de stad zijn alle bovengenoemde regels en wenken eveneens van toepassing in zooverre, dat hier geen plotseling opdoemende zijstraat te vreezen is, doch de verkeersbelemmeringen zelf natuurlijk te ingewikkelder zijn. Zoo ergens de blik geoefend moet zijn voor duizend en een mogelijkheden, dan is het hier. Een kruispunt van straten, als in Amsterdam op den Dam of op het Muntpleintje, in Den Haag 't Spui bij de Spuistraat of op de Groenmarkt, in Rotterdam 't Beursplein of 't Calandsplein, maken dat beginnende bestuurders vaak voor moeilijke problemen komen te staan. Hier kan men dagelijks zien hoe noodig is 'n geoefenden kijk op het verkeer te bezitten. De ongeoefende ziet bijna alleen voor zich uit en 'n weinig slechts op zijde. Terwijl de geoefende bestuurder alles omvat, zoowel wat zich terzijde en voor de radiator bevindt, als wat nadert of zich verwijdert, en dit zonder speciaal snel het hoofd rechts en links te wenden. Het mouvement wordt door hem volkomen overzien en hij rijdt dóór waar de onervaren rijder herhaalde malen zou hebben gestopt en weer aangezet. Dit resultaat van het oefenen van het zien, zoowel buiten als in de stad, heeft vaak ten gevolge, dat leeken bij het aanschouwen van sommige manoeuvres gelooven aan eene roekelooze of onvoorzichtige wijze van handelen en zich daarover verontwaardigd toonen, waar zij zich niet kunnen begrijpen dat de veel snellere en geoefende visie van den bestuurder de schijnbaar onvoorzichtige of gewaagde handeling volkomen veroorloofde.

Het is dus voor alles noodzakelijk om in den beginne, buiten zoowel als in de stad langzaam te rijden en alles wat ge ontmoet zeer goed op te nemen, ja te bestudeeren. Langzamerhand moet ge de oogen oefenen om bij grootere snelheid eveneens alles op te merken, en zoo kunt ge dan geleidelijk de snelheid opvoeren. Dat dit geen fictie is, bewijst de passagier, die ge voor 't eerst in uw auto meeneemt, en die klaagt „dat ie niets gezien heeft onderweg, omdat 't 'm te gauw ging”. Dat was 'n ongeoefende en 't spreekt vanzelf dat we meer of minder allemaal van af dien graad van ongeoefendheid begonnen zijn met te leeren zien.

Zoo zijn het dus de oogen, die na de handen en de voeten, 't eerst in aanmerking komen voor 'n door en door degelijke oefening, opdat zij mede leeren in alle situaties onmiddellijk den toestand te overzien. Ontleedt den weg, die voor u ligt. Let op rails, waar ze zich splitsen, op slechte wegstukken. Goed opletten spaart uw wagen. Zijt ge niet zeker van uw zaak, begin met gas af te sluiten, te debrayeeren en uw wagen z'n gang uit te laten loopen. Waagt nooit, en rijdt niet „op groot lef”! Wordt ook niet „vaart-wellustig”, of laat u niet door de snelheid verbijsteren! Goed uitzien, en de waarde van wàt ge ziet, voor uw wagen bij de snelheid die ge rijdt, weten te schatten, opdat geen gevaar u slecht voorbereid vindt, dat is een der voorwaarden voor veilig en goed rijden!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings