← Table of contents
Automobiel-rijden

NACHTRITTEN EN MIST.

Reading edition

Illustration from Automobiel-rijden

(Autoleven).

Fig. 17.

De vormen der dingen bij het licht van schijnwerpers.

Het onderscheiden van de voorwerpen en de weggesteldheid met deszelfs verschijnselen bij nacht, is voor 'n bestuurder, die over dag goed vér kan zien, heel wat gemakkelijker dan voor een, bij wien dit minder het geval is. Natuurlijk is goed observeeren hier nog nuttiger dan bij 't rijden bij dag, omdat het voorwerp of voertuig in het licht van de lampen zich minder snel definieeren laat. Bij kruisingen verraden vaak witte lichtglansen op de boomen, op 'n hek, op struikgewas, op 'n telegraafpaal, die zich op het kruispunt bevinden, reeds het naderen van 'n auto uit de andere richting. Hetzelfde valt bij 'n bocht te constateeren. Het achteroprijden van onverlichte wagens kan soms worden waargenomen doordat zich tusschen 'n eerst waargenomen lichtend punt in de verte en uwe lantaarns zich iets donkers geschoven heeft. De lantaarn of 't licht dat ge eerst zaagt is verdwenen. Reeds elders beschreef ik („De Kampioen”, 23 Maart 1917) het effect, dat 'n rijtuig, 'n tentwagen, of ander van achter met zeil afgesloten of gelakt voertuig maakt. Uit het eerst volslagen duister begint vaag, als 'n zeer ver verwijderd schijnsel iets te glimmen, flauwe bewegelijke glansen, die saamvloeien tot 'n vlak, als van 'n zwart geverniste blikken plaat. De beweging ontstaat door het ongelijkmatig terugglanzen van uw lantaarnlicht op de achterzijde van het steeds op en neer of heen en weer veerende voertuig. Pas vlak bij snijdt het donkere silhouet van het voertuig zich duidelijker in de donkerte uit, doch pas op 't oogenblik, dat de lantaarnlichten van de auto het inhalen. Pas op voor onverlichte karren, vooral op 's nachts naar de markt rijdende bodewagens of groentekarren. De laatste vloeien door hunne last, vooral 's zomers, zóó met het boomenloof ineen, dat ze niet dan van zeer nabij daaruit te herkennen zijn, om zich als gevaarlijke verkeersstoornissen te openbaren. De plaats voor de lampen om het beste licht te leveren, is ze laag te plaatsen en zoo ver mogelijk naar voren. Verkieslijk is de voorruit schuin te plaatsen opdat de weerglans van het licht den bestuurder niet hindere. Dat heeft ook z'n voordeel indien ge door 'n andere auto achterop wordt gereden. Staat de voorruit recht, dan wordt ge door de spiegeling van de lantaarnlichten van de auto achter u, vaak volkomen verblind, of dansen de lichtschijnsels daarin zóó onaangenaam heen en weer, dat deze u het uitzien zeer moeilijk maken.

Illustration from Automobiel-rijden

(De Kampioen).

Fig. 18.

Reeds maakte ik melding van de wenschelijkheid, om zware zoeklichten uit te schakelen en de stadslampen in te schakelen bij het passeeren van 'n anderen wagen6). Daarmede kan veel gevaar voorkomen worden. 'n Middel om het gevaar van verblind te worden, te ontloopen, indien de ander z'n licht niet dooft, is een van de oogen dicht te doen, het linksche, en dit direct na het passeeren weer te openen, waardoor men tenminste met een der oogen zien kan. De ruimte tusschen den naderenden wagen en de uwe, wordt door het licht fel beschenen en kan er dus nauwkeurig geconstateerd worden of de weg zóóver veilig is. Het niet verblinde oog wordt dan onmiddellijk bij het passeeren geopend en kan dan normaal dienst doen.

Illustration from Automobiel-rijden

(Autoleven).

Fig. 18

a

.

Even wil ik hier in 't voorbijgaan op wijzen op 'n uit Amerika sinds eenigen tijd gebruikt genre schijnwerpers-lenzen, die niet hooger belichten dan ongeveer 1.30 M. van den grond (fig. 18 en 18a). Daardoor wordt het gevaar van verblinding op niet geringe wijze verkleind. Verder zijn er ook lenzen die het licht van de schijnwerpers breken op zoodanige wijze, dat hierdoor geen overlast wordt aangedaan aan eenig ander weggebruiker, maar toch op de voor den bestuurder noodige plaats en afstand de volle lichtkracht plaatselijk tot haar recht komt (fig. 18b). Het nut van dergelijke lenzen en schijnwerpers is na het bovenstaande duidelijk en lijken deze mij op den duur onontbeerlijk.

Illustration from Automobiel-rijden

(Autoleven).

Fig. 18

b

.

Pas ook op voor ieder rood licht, dat ge ziet, zelfs al is de beteekenis bij het passeeren er u niet duidelijk van. Gewoonlijk bevindt zich vlak daarna 'n tramovergang of om 'n bocht, 'n spoorwegovergang.

Bij mist zijn gele vloeipapieren schijven voor de schijnwerpers het doelmatigst. Ook kunnen de lantaarns zoo laag mogelijk naar den grond vóór den wagen gedraaid worden, opdat geen stralenbundels de hoogte in gaan, om voor uw wagen groote witte misttrechters te zetten, die alle uitzicht belemmeren. Ook kunt ge 'n simpele fiets-carbid-lantaarn heel laag vooraan het chassis of onder den koeler opgehangen, die onder den mist door lichtend, uw pad verlicht. Indien het overdag mist, is het echter juist geraden de groote lampen aan te steken, teneinde andere weggebruikers sneller uwe nadering aan te kondigen. Zelf hebt ge er dan geen last van.

Zoowel 's nachts als bij mist, dient men vooral de geluiden die men waarneemt, te controleeren. Bij twijfel houde men den wagen in en kan altijd tevens 'n signaal gegeven worden.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings