O
Reading edition
O. V., o’s.
O (tusschenw.). Als znw., O., o’s. Ootje, O., ootjes.
Oase, V., oasen.
O-beenen (mv.), O. O-beentjes, O.
Obelisk, M., obelisken.
Object, O., objecten.
Objectie, V., objectiën en objecties.
Objectief, objectiever, objectiefst.
Objectief, O., objectieven.
Objectiviteit, V.
Oblie, V., oblieën. Oblietje, O., oblietjes.
Oblieman, M., obliemannen.
Oblietrommel, V., oblietrommels; oblietrommeltje, O., oblietrommeltjes.
Obligaat (bijw.), obligaat spelen, obligaat zingen. Als znw., O., obligaten.
Obligatie, V., obligatiën en obligaties.
Obligatiehouder, M., obligatiehouders.
Obligeeren, obligeerde, heeft geobligeerd.
Obscoen en Obsceen, obscene.
Obscoeniteit, V., obscoeniteiten.
Obscurantisme, O.
Obscuur, obscure.
Observatie, V., observatiën en observaties.
Observator, M., observatoren.
Observatorium, O., observatoriums en observatoria.
Observeeren, observeerde, heeft geobserveerd.
Obstetrie, V.
Obstructie, V., obstructies.
Obstructionisme, O.
Obstructionist, M., obstructionisten.
Oceaan, M., oceanen.
Och.
Ocharm en Ocharmen (tusschenw.).
Ochtend en Uchtend, M., ochtenden. Ochtendje, O., ochtendjes.
Ochtendbeurt, V., ochtendbeurten.
Ochtendbezoek, O., ochtendbezoeken.
Ochtendblad, O., ochtendbladen.
Ochtenddienst, M., ochtenddiensten.
Ochtendlied, O., ochtendliederen.
Ochtendlucht, V.
Ochtendmuts, V., ochtendmutsen.
Ochtendstond, M., ochtendstonden.
Ochtendtrein, M., ochtendtreinen.
Octaaf, V. en O., octaven. Octaafje, O., octaafjes.
Octant, V., octanten.
Octavo (bnw.). Als znw., O., octavo’s.
October, M.
Octrooi, O., octrooien. Octrooitje, O., octrooitjes.
Octrooieeren, octrooieerde, heeft geoctrooieerd.
Oculist, M., oculisten.
Ode, V., oden.
Odendichter, M., odendichters.
Odenstijl, M.
Odeur, V., odeuren. Odeurtje, O., odeurtjes.
Odeurfleschje, O., odeurfleschjes.
Oeconomie (staathuishoudkunde), V.; ook Economie.
Oeconomisch, ook Economisch.
Oeconoom, M., oeconomen; ook Econoom.
Oef (tusschenw.).
Oefenaar, M., oefenaars en oefenaren.
Oefenaarster, V., oefenaarsters.
Oefendag, M., oefendagen; oefendagje, O., oefendaagjes.
Oefenen, oefende, heeft geoefend.
Oefening, V., oefeningen. Oefeningetje, O., oefeningetjes.
Oefeningskamp, O., oefeningskampen.
Oefenkamer, V., oefenkamers; oefenkamertje, O., oefenkamertjes.
Oefenperk, O., oefenperken.
Oefenplaats, V., oefenplaatsen; oefenplaatsje, O., oefenplaatsjes.
Oefenschool, V., oefenscholen; oefenschooltje, O., oefenschooltjes.
Oefentijd, M.
Oefenzaal, V., oefenzalen; oefenzaaltje, O., oefenzaaltjes.
Oefenzuster, V., oefenzusters.
Oeh (tusschenw.).
Oei (tusschenw.).
Oeken, oekte, heeft geoekt.
Oele (tusschenw.).
Oer (ijzerhoudende aarde), O.
Oerachtig, oerachtiger, oerachtigst.
Oergrond, M., oergronden.
Oerig, oeriger, oerigst.
Oerlaag, V., oerlagen.
Oeros, M., oerossen.
Oest, Oestig, enz. Zie Noest, enz.
Oester, V., oesters en oesteren. Oestertje, O., oestertjes.
Oesterbank, V., oesterbanken.
Oesterhandel, M.
Oesterhuis, O., oesterhuizen.
Oesterpartij, V., oesterpartijen.
Oesterpastei, V., oesterpasteien; oesterpasteitje, O., oesterpasteitjes.
Oesterput, M., oesterputten.
Oesterschelp, V., oesterschelpen.
Oesterteelt, V.
Oever, M., oevers.
Oeveraas, O.
Oeverhaam, M., oeverhamen.
Oeverlicht, O., oeverlichten.
Oeverlooper, M., oeverloopers.
Oeverstaat, M., oeverstaten.
Oeverval, M., oevervallen.
Of.
Offensief, offensiever, offensiefst.
Offer, O., offers en offeren. Offertje, O., offertjes.
Offeraar, M., offeraren en offeraars.
Offeraltaar, O., offeraltaren.
Offerambt, O., offerambten.
Offerande, V., offeranden.
Offerbeest, O., offerbeesten.
Offerbijl, V., offerbijlen.
Offerblok, O., offerblokken.
Offerbus, V., offerbussen.
Offerdienaar, M., offerdienaars en offerdienaren.
Offerdienst, M., offerdiensten.
Offerdier, O., offerdieren.
Offeren, offerde, heeft geofferd.
Offerfeest, O., offerfeesten.
Offergave, V., offergaven.
Offergeld, O.
Offering, V., offeringen.
Offerkelk, M., offerkelken.
Offerkist, V., offerkisten.
Offerlam, O., offerlammeren.
Offermaal, O., offermalen.
Offermes, O., offermessen.
Offerpenning, M., offerpenningen; offerpenningske, O., offerpenningskes.
Offerplaats, V., offerplaatsen.
Offerplechtigheid, V., offerplechtigheden.
Offerpriester, M., offerpriesters en offerpriesteren.
Offerschaal, V., offerschalen.
Offerstier, M., offerstieren.
Offerte, V., offertes en offerten.
Offervaardig, offervaardiger, offervaardigst.
Offerwijn, M.
Offerwillig, offerwilliger, offerwilligst.
Officiant, M., officianten.
Officie, O., officiën en officies.
Officieel, officieele.
Officier, M., officieren en officiers. Officiertje, O., officiertjes.
Officierensociëteit, V., officierensociëteiten.
Officiersdegen, M., officiersdegens.
Officiersepaulet, V., officiersepauletten.
Officierskleeding, V.
Officierskok, M., officierskoks.
Officiersmonteering, V., officiersmonteeringen.
Officierspensioen, O., officierspensioenen.
Officiersplaats, V., officiersplaatsen.
Officiersrang, M., officiersrangen.
Officierssloep, V., officierssloepen.
Officierstafel, V., officierstafels.
Officierstenue, V.
Officierstraktement, O., officierstraktementen.
Officiersuniform, V.
Officiersweduwe, V., officiersweduwen.
Officieus, officieuze.
Officinaal, officinale.
Offreeren, offreerde, heeft geoffreerd.
Ofschoon.
Ofte (Ja ofte neen.—Ofte wel).
Ogief (kruisboog), O., ogieven.
Ogief en Ojief (vloeilijst), O., ogieven en ojieven.
Ogiefsgewijze en ogiefsgewijs.
Ogivaal, ogivale.
Oho (tusschenw.).
Oi (tusschenw.).
Oir (nakroost), O.
Ojief, O. Zie Ogief.
Ojief (ojiefschaaf), V., ojieven.
Oker, V.
Okerachtig, okerachtiger, okerachtigst.
Okerkleurig.
Okernoot. Zie Okkernoot.
Okkernoot en Okernoot, V., okkernoten en okernoten.
Okkernoteboom, M., okkernoteboomen.
Oksaal, O., oksalen. Oksaaltje, O., oksaaltjes.
Oksel, M., oksels en okselen. Okseltje, O., okseltjes.
Okselhaar, O.
Okselschrooi, V., okselschrooien.
Okshoofd, O., okshoofden.
Olderman, M., oldermans, oldermannen en olderlieden.
Oleander, M., oleanders. Oleandertje, O., oleandertjes.
Olie, V., oliën. Olietje, O., olietjes.
Olieachtig, olieachtiger, olieachtigst.
Olieachtigheid, V.
Oliebol, M., oliebollen.
Oliebollenkraam, V., oliebollenkramen.
Oliedom, oliedomme.
Oliefabriek, V., oliefabrieken.
Oliekan, V., oliekannen; oliekannetje, O., oliekannetjes.
Oliekoek, M., oliekoeken.
Oliekop, M., oliekoppen; oliekopje, O., oliekopjes.
Oliekruik, V., oliekruiken.
Olielamp, V., olielampen; olielampje, O., olielampjes.
Oliemolen, M., oliemolens.
Oliën, oliede, heeft geolied.
Oliesel, O.
Olieslager, M., olieslagers.
Olieslagerij, V.
Oliesteen, M., oliesteenen; oliesteentje, O., oliesteentjes.
Olieverf, V., olieverven.
Olievlek, V., olievlekken.
Oliezaad, O.
Olifant, M., olifanten. Olifantje, O., olifantjes.
Olifantenjacht, V., olifantenjachten.
Olifantenjager, M., olifantenjagers.
Olifantsbeen, O., olifantsbeenderen.
Olifantshuid, V., olifantshuiden.
Olifantskever, M., olifantskevers; olifantskevertje, O., olifantskevertjes.
Olifantsluis, V., olifantsluizen; olifantsluisje, O., olifantsluisjes.
Olifantsorde, V., olifantsorden.
Olifantspapier, O.
Olifantsridder, M., olifantsridders.
Olifantssnuit, M., olifantssnuiten.
Olifantstand, M., olifantstanden.
Olifantstor, V., olifantstorren; olifantstorretje, O., olifantstorretjes.
Olifantsvoet, M., olifantsvoeten.
Oligarchie, V., oligarchieën.
Olijf (boom), M.; (vrucht), V., olijven. Olijfje, O., olijfjes.
Olijfachtig, olijfachtiger, olijfachtigst.
Olijfberg, M., olijfbergen.
Olijfgroen.
Olijfkleurig.
Olijfkrans, M., olijfkransen.
Olijftak, M., olijftakken.
Olijven, olijfde, heeft geolijfd.
Olijvenhout, O.
Olijvenolie en Olijfolie, V.
Olijvenoogst, M.
Olijvenpers, V., olijvenpersen.
Olijventijd, M.
Olm, M., olmen. Olmpje, O., olmpjes.
Olmenhout en Olmhout, O.
Olographisch.
Olympisch.
Olympus, M.
Om.
Oma (grootmama), V. Omaatje, O.
Omakkeren, akkerde om, heeft omgeakkerd.
Omarmen, omarmde, heeft omarmd.
Omarming, V., omarmingen.
Ombaksen, bakste om, heeft omgebakst.
Omballing, V.
Ombedelen, bedelde om, heeft omgebedeld.
Ombellen, belde om, heeft omgebeld.
Omber (aardsoort), V.
Omber (in ’t kaartspel), M., ombers. Ombertje, O., ombertjes.
Omberaar, M., omberaars.
Omberdoos, V., omberdoozen; omberdoosje, O., omberdoosjes.
Omberen, omberde, heeft geomberd.
Ombergezelschap, O., ombergezelschappen.
Omberkaarten (mv.), V.
Omberkleur, V.
Omberkrans, M., omberkransen; omberkransje, O., omberkransjes.
Omberpartij, V., omberpartijen; omberpartijtje, O., omberpartijtjes.
Omberspel (het spel), O., omberspelen; omberspelletje, O., omberspelletjes; (stel kaarten), O., omberspellen; omberspelletje, O., omberspelletjes.
Ombertafel, V., ombertafels; ombertafeltje, O., ombertafeltjes.
Ombervisch, M., ombervisschen.
Ombervogel, M., ombervogels.
Ombijten, beet om, beten om, heeft omgebeten.
Ombinden, bond om, heeft omgebonden; ook ombond, heeft ombonden.
Omblazen, blies om, bliezen om, heeft omgeblazen.
Omblijven, bleef om, bleven om, is omgebleven.
Ombliksemen, bliksemde om, heeft omgebliksemd.
Ombloeien, ombloeide, heeft ombloeid.
Omboenen, boende om, heeft omgeboend.
Omboeren, boerde om, heeft omgeboerd.
Ombonzen, bonsde om, heeft omgebonsd.
Omboorden, boordde om, heeft omgeboord; ook omboordde, heeft omboord.
Omboording, V., omboordingen.
Omboordsel, O., omboordsels en omboordselen.
Ombrassen, braste om, heeft omgebrast.
Ombreien, breide om, heeft omgebreid.
Ombrengen, bracht om, heeft omgebracht.
Ombrenger, M., ombrengers.
Ombrenging, V.
Ombrengster, V., ombrengsters.
Ombruisen, bruiste om, heeft omgebruist; ook ombruiste, heeft ombruist.
Ombuigen, boog om, bogen om, heeft en is omgebogen.
Ombuiging, V., ombuigingen.
Ombuitelen, buitelde om, heeft en is omgebuiteld.
Ombuiteling, V., ombuitelingen.
Omdammen, omdamde, heeft omdamd.
Omdamming, V., omdammingen.
Omdat.
Omdeelen, deelde om, heeft omgedeeld.
Omdeeler, M., omdeelers.
Omdeeling, V., omdeelingen.
Omdijken, omdijkte, heeft omdijkt.
Omdijking, V., omdijkingen.
Omdobberen, dobberde om, heeft omgedobberd.
Omdoen, deed om, deden om, heeft omgedaan.
Omdolen, doolde om, heeft omgedoold; ook omdoolde, heeft omdoold.
Omdoling, V., omdolingen.
Omdonderen, donderde om, is en heeft omgedonderd.
Omdouwen. Zie Omduwen.
Omdraai, M., omdraaien.
Omdraaien, draaide om, is en heeft omgedraaid.
Omdraaiing, V., omdraaiingen.
Omdracht, V., omdrachten.
Omdragen, droeg om, heeft omgedragen.
Omdraven, draafde om, heeft en is omgedraafd.
Omdrijven, dreef om, dreven om, is en heeft omgedreven; ook omdreef, omdreven, heeft omdreven.
Omdrinken, dronk om, heeft omgedronken.
Omdrogen, droogde om, heeft omgedroogd.
Omduikelen, duikelde om, heeft en is omgeduikeld.
Omduwen, duwde om, heeft omgeduwd.
Omdwalen, dwaalde om, heeft omgedwaald.
Omdwaling, V., omdwalingen.
Omdweilen, dweilde om, heeft omgedweild.
Omega, V., omega’s.
Omeggen, egde om, heeft omgeëgd.
Omelet, V., omeletten. Omeletje, O., omeletjes.
Omfladderen, fladderde om, heeft omgefladderd; ook omfladderde, heeft omfladderd.
Omflikkeren, omflikkerde, heeft omflikkerd; ook flikkerde om, heeft en is omgeflikkerd.
Omfloersen, omfloerste, heeft omfloerst.
Omgaan, gaat om, ging om, heeft en is omgegaan.
Omgang, M., omgangen.
Omgangstaal, V.
Omgekeerd.
Omgelanden (mv.), M. en V.
Omgelegen.
Omgeschreven.
Omgespen, gespte om, heeft omgegespt.
Omgeuren, omgeurde, heeft omgeurd.
Omgeven, gaf om, gaven om, heeft omgegeven; ook omgaf, omgaven, heeft omgeven.
Omgeving, V.
Omgezetenen (mv.), M. en V.
Omgieten, goot om, goten om, heeft omgegoten.
Omglijden, gleed om, gleden om, is en heeft omgegleden.
Omgluren, gluurde om, heeft omgegluurd.
Omgolven, golfde om, heeft omgegolfd; ook omgolfde, heeft omgolfd.
Omgolving, V.
Omgooien, gooide om, heeft omgegooid.
Omgorden, gordde om, heeft omgegord; ook omgordde (zich), heeft (zich) omgord.
Omgording, V.
Omgraven, groef om, groeven om, heeft omgegraven; ook omgroef, omgroeven, heeft omgraven.
Omgraving, V., omgravingen.
Omgrenzen, omgrensde, heeft omgrensd.
Omgrenzing, V., omgrenzingen.
Omgrijpen, greep om, grepen om, heeft omgegrepen.
Omgroeien, omgroeide, heeft omgroeid.
Omhaal, M., omhalen. Omhaaltje, O., omhaaltjes.
Omhaken, haakte om, heeft omgehaakt.
Omhakken, hakte om, heeft omgehakt.
Omhakking, V., omhakkingen.
Omhalen, haalde om, heeft omgehaald.
Omhaling, V., omhalingen.
Omhangen, hing om, heeft omgehangen; ook omhing, heeft omhangen.
Omhanging, V.
Omhangsel, O., omhangels en omhangselen.
Omhebben, heeft om, had om, hadden om, heeft omgehad.
Omheen (bijw.).
Omheinen, omheinde, heeft omheind.
Omheining, V., omheiningen. Omheininkje, O., omheininkjes.
Omhelpen, hielp om, heeft omgeholpen.
Omhelzen, omhelsde, heeft omhelsd.
Omhelzing, V., omhelzingen.
Omhoepelen, hoepelde om, heeft en is omgehoepeld.
Omhollen, holde om, heeft en is omgehold.
Omhoog.
Omhoogbeuren, beurde omhoog, heeft omhooggebeurd.
Omhoogblazen, blies omhoog, bliezen omhoog, heeft omhooggeblazen.
Omhoogdrijven, dreef omhoog, dreven omhoog, heeft omhooggedreven.
Omhoogduwen, duwde omhoog, heeft omhooggeduwd.
Omhooggaan, gaat omhoog, ging omhoog, is omhooggegaan.
Omhooghalen, haalde omhoog, heeft omhooggehaald.
Omhoogheffen, hief omhoog, hieven omhoog, heeft omhooggeheven.
Omhooghouden, hield omhoog, heeft omhooggehouden.
Omhoogjagen, jaagde omhoog, heeft omhooggejaagd; ook joeg omhoog.
Omhoogkijken, keek omhoog, keken omhoog, heeft omhooggekeken.
Omhoograken, raakte omhoog, is omhooggeraakt.
Omhoogrichten, richtte omhoog, heeft omhooggericht.
Omhoogrijzen, rees omhoog, rezen omhoog, is omhooggerezen.
Omhoogschieten, schoot omhoog, schoten omhoog, heeft en is omhooggeschoten.
Omhoogslaan, slaat omhoog, sloeg omhoog, heeft en is omhooggeslagen.
Omhoogspringen, sprong omhoog, is omhooggesprongen.
Omhoogstaren, staarde omhoog, heeft omhooggestaard.
Omhoogsteken, stak omhoog, staken omhoog, heeft omhooggestoken.
Omhoogstijgen, steeg omhoog, stegen omhoog, is omhooggestegen.
Omhoogstuiven, stoof omhoog, stoven omhoog, is omhooggestoven.
Omhoogtillen, tilde omhoog, heeft omhooggetild.
Omhoogtrekken, trok omhoog, trokken omhoog, heeft omhooggetrokken.
Omhoogturen, tuurde omhoog, heeft omhooggetuurd.
Omhoogvliegen, vloog omhoog, vlogen omhoog, is omhooggevlogen.
Omhoogvoeren, voerde omhoog, heeft omhooggevoerd.
Omhoogwerken (zich omhoogwerken), werkte (zich) omhoog, heeft (zich) omhooggewerkt.
Omhoogwerpen, wierp omhoog, heeft omhooggeworpen.
Omhoogzien, zag omhoog, zagen omhoog, heeft omhooggezien.
Omhoogzitten, zat omhoog, zaten omhoog, heeft omhooggezeten.
Omhoogzwaaien, zwaaide omhoog, heeft omhooggezwaaid.
Omhooren, hoorde om, heeft omgehoord.
Omhouden, hield om, heeft omgehouden.
Omhouwen, hieuw om, heeft omgehouwen.
Omhouwer, M., omhouwers. Omhouwertje, O., omhouwertjes.
Omhouwing, V.
Omhuilen, huilde om, heeft omgehuild.
Omhullen, omhulde, heeft omhuld.
Omhulling, V., omhullingen.
Omhulsel, O., omhulsels en omhulselen.
Omhutselen, hutselde om, heeft omgehutseld.
Omineus, omineuzer, omineust.
Omissie, V., omissiën en omissies.
Omkaden, omkaadde, heeft omkaad.
Omkading, V., omkadingen.
Omkantelen, ook Omkentelen, kantelde om, heeft en is omgekanteld.
Omkanteling, V., omkantelingen.
Omkanten, kantte om, heeft omgekant.
Omkantijzer, O., omkantijzers; omkantijzertje, O., omkantijzertjes.
Omkappen, kapte om, heeft omgekapt.
Omkapping, V.
Omkeer, ook Ommekeer, M.
Omkeeren, keerde om, heeft en is omgekeerd.
Omkeering, V., omkeeringen.
Omkegelen, kegelde om, heeft omgekegeld.
Omkenteren, kenterde om, is omgekenterd.
Omkijken, keek om, keken om, heeft omgekeken.
Omkleeden, kleedde (zich) om, heeft (zich) en is omgekleed; ook omkleedde, heeft omkleed.
Omklemmen, omklemde, heeft omklemd.
Omklemming, V., omklemmingen.
Omklinken, klonk om, heeft omgeklonken; ook omklonk, heeft omklonken.
Omklinking, V., omklinkingen.
Omkloppen, klopte om, heeft omgeklopt.
Omklopping, V.
Omklotsen, klotste om, heeft omgeklotst; ook omklotste, heeft omklotst.
Omknabbelen, knabbelde om, heeft omgeknabbeld.
Omknellen, omknelde, heeft omkneld.
Omknelling, V., omknellingen.
Omknikkeren, knikkerde om, heeft omgeknikkerd.
Omknoopen, knoopte om, heeft omgeknoopt.
Omkomen, komt om, kwam om, kwamen om, is omgekomen.
Omkoop, M.
Omkoopbaar, omkoopbare.
Omkoopbaarheid, V.
Omkoopen, kocht om, heeft omgekocht.
Omkooper, M., omkoopers.
Omkooperij, V., omkooperijen.
Omkooping, V., omkoopingen.
Omkorsten, omkorstte, heeft omkorst.
Omkorsting, V., omkorstingen.
Omkoud (er omkoud zijn).
Omkransen, omkranste, heeft omkranst.
Omkransing, V., omkransingen.
Omkreuken, ook Omkroken, kreukte om, heeft en is omgekreukt.
Omkrijgen, kreeg om, kregen om, heeft omgekregen.
Omkrommen, kromde om, heeft en is omgekromd.
Omkronkelen, kronkelde om, heeft en is omgekronkeld; ook omkronkelde, heeft omkronkeld.
Omkronkeling, V., omkronkelingen.
Omkruien, krooi om, krooien om, heeft en is omgekrooien; ook kruide om, heeft en is omgekruid.
Omkruipen, kroop om, kropen om, is en heeft omgekropen; ook omkroop, omkropen, heeft omkropen.
Omkrullen, krulde om, heeft en is omgekruld; ook omkrulde, heeft omkruld.
Omkrulling, V., omkrullingen.
Omkuieren, kuierde om, heeft en is omgekuierd.
Omkuipen, kuipte om, heeft omgekuipt; ook omkuipte, heeft omkuipt.
Omkunnen, kan om, kunnen om, konde en kon om, konden om, heeft omgekund.
Omkwakken, kwakte om, is en heeft omgekwakt.
Omlaag.
Omlaagbrengen, bracht omlaag, heeft omlaaggebracht.
Omlaagbuigen, boog omlaag, bogen omlaag, heeft omlaaggebogen.
Omlaagdrukken, drukte omlaag, heeft omlaaggedrukt.
Omlaagduwen, duwde omlaag, heeft omlaaggeduwd.
Omlaaggaan, gaat omlaag, ging omlaag, is omlaaggegaan.
Omlaaghouden, hield omlaag, heeft omlaaggehouden.
Omlaagkijken, keek omlaag, keken omlaag, heeft omlaaggekeken.
Omlaagrukken, rukte omlaag, heeft omlaaggerukt.
Omlaagschieten, schoot omlaag, schoten omlaag, is omlaaggeschoten.
Omlaagslaan, slaat omlaag, sloeg omlaag, heeft en is omlaaggeslagen.
Omlaagspringen, sprong omlaag, is omlaaggesprongen.
Omlaagstorten, stortte omlaag, heeft en is omlaaggestort.
Omlaagvallen, viel omlaag, is omlaaggevallen.
Omlaagvoeren, voerde omlaag, heeft omlaaggevoerd.
Omlaagzien, zag omlaag, zagen omlaag, heeft omlaaggezien.
Omladen, laadde om, heeft omgeladen.
Omlading, V.
Omlaten, liet om, heeft omgelaten.
Omlauweren, omlauwerde, heeft omlauwerd.
Omlaveeren, laveerde om, heeft en is omgelaveerd.
Omlegeren, omlegerde, heeft omlegerd.
Omlegering, V., omlegeringen.
Omleggen, legde om en leide om, heeft omgelegd en omgeleid; ook omlegde en omleide, heeft omlegd en omleid.
Omleiden, leidde om, heeft omgeleid.
Omleven, leefde om, heeft omgeleefd.
Omliggen, lag om, lagen om, heeft omgelegen.
Omliggend (bnw.).
Omlijsten, omlijstte, heeft omlijst.
Omlijsting, V., omlijstingen.
Omlikken, likte om, heeft omgelikt.
Omlommeren, omlommerde, heeft omlommerd.
Omloofd.
Omloop, M., omloopen.
Omloopdijk, M., omloopdijken.
Omloopen, liep om, is en heeft omgeloopen; ook omliep, heeft omloopen.
Omlooper, M., omloopers.
Omlooperij, V.
Omlooping, V.
Omloopstijd, M., omloopstijden.
Omlooveren, omlooverde, heeft omlooverd.
Omluiden, ook Omluien, luidde en luide om, heeft omgeluid.
Omluisteren (van luister, glans), omluisterde, heeft omluisterd.
Omlummelen, lummelde om, heeft omgelummeld.
Ommaken, maakte om, heeft omgemaakt.
Ommalen, maalde om, heeft omgemaald.
Ommangelen, mangelde om, heeft omgemangeld.
Ommarcheeren, marcheerde om, heeft en is omgemarcheerd.
Ommekant, M., ommekanten.
Ommekomst, V. (Na ommekomst van).
Ommelanden (mv.), O.
Ommelander, M., ommelanders.
Ommelander (bnw.).
Ommelandsch.
Ommestaand. Zie Omstaand.
Ommeten, mat om, maten om, heeft omgemeten.
Ommezien, ook Omzien, O. Ommezientje, O. (In een ommezien).
Ommezijde, V., ommezijden.
Ommezwaai, Zie Omzwaai.
Ommoeten, moet om, moest om, heeft omgemoeten.
Ommogen, mag om, mogen om, mocht om.
Ommuren, ommuurde, heeft ommuurd.
Ommuring, V., ommuringen.
Omnaaien, naaide om, heeft omgenaaid; ook omnaaide, heeft omnaaid.
Omnevelen, omnevelde, heeft omneveld.
Omneveling, V.
Omnibus, M., omnibussen. Omnibusje, O., omnibusjes.
Omnibusdienst, M., omnibusdiensten.
Omnibuskaartje, O., omnibuskaartjes.
Omnibusmaatschappij, V., omnibusmaatschappijen.
Omnibuspaard, O., omnibuspaarden.
Omoog, O., omoogen. Omoogje, O., omoogjes.
Ompaarlen. Zie Omparelen.
Ompagaaien, pagaaide om, heeft en is omgepagaaid.
Ompaggering, V., ompaggeringen.
Ompakken, pakte om, heeft omgepakt.
Ompalen, ompaalde, heeft ompaald.
Ompanseren, ook Ompantseren, ompanserde, heeft ompanserd.
Ompansering, V.
Ompantseren. Zie Ompanseren.
Omparelen, ook Ompaarlen, omparelde, heeft ompareld.
Ompassen, paste om, heeft omgepast.
Omperken, omperkte, heeft omperkt.
Omperking, V., omperkingen.
Omplaggen, plagde om, heeft omgeplagd.
Omplagging, V.
Omplakken, omplakte, heeft omplakt.
Omplakking, V.
Omplaksel, O., omplaksels.
Omplanten, plantte om, heeft omgeplant; ook omplantte, heeft omplant.
Omplanting, V., omplantingen. Omplantinkje, O., omplantinkjes.
Omplassen, plaste om, heeft omgeplast; ook omplaste, heeft omplast.
Omploegen, ploegde om, heeft omgeploegd.
Omploeging, V., omploegingen.
Omploeteren, ploeterde om, heeft omgeploeterd.
Omploffen, plofte om, is en heeft omgeploft.
Omploffing, V.
Omplooi, V., omplooien.
Omplooien, plooide om, heeft omgeplooid; ook omplooide, heeft omplooid.
Omplooiing, V.
Ompoten, pootte om, heeft omgepoot; ook ompootte, heeft ompoot.
Ompoting, V.
Ompraten, praatte om, heeft omgepraat.
Ompurperen, ompurperde, heeft ompurperd.
Omraken, raakte om, is omgeraakt.
Omrammeien, rammeide om, heeft omgerammeid.
Omranden, omrandde, heeft omrand.
Omranselen, ranselde om, heeft omgeranseld.
Omrasteren, omrasterde, heeft omrasterd.
Omrastering, V., omrasteringen.
Omreiken, reikte om, heeft omgereikt.
Omreizen, reisde om, heeft en is omgereisd; ook omreisde, heeft omreisd.
Omrennen, rende om, heeft en is omgerend; ook omrende, heeft omrend.
Omrijden, reed om, reden om, is en heeft omgereden.
Omringdijk, M., omringdijken.
Omringen (in ringen zetten), ringde om, heeft omgeringd.
Omringen (omgeven), omringde, heeft omringd.
Omringing, V., omringingen.
Omringkade, V., omringkaden.
Omrit, M., omritten. Omritje, O., omritjes.
Omroeien, roeide om, heeft en is omgeroeid.
Omroepen, riep om, heeft omgeroepen.
Omroeper, M., omroepers.
Omroepersbaantje, O.
Omroepersbekken, O., omroepersbekkens.
Omroeping, V., omroepingen.
Omroeren, roerde om, heeft omgeroerd.
Omroering, V., omroeringen.
Omroersel, O., omroersels en omroerselen. Omroerseltje, O., omroerseltjes.
Omrollen, rolde om, heeft en is omgerold.
Omruil, M.
Omruilen, ruilde om, heeft omgeruild.
Omruiling, V., omruilingen.
Omruischen, omruischte, heeft omruischt.
Omrukken, rukte om, heeft en is omgerukt.
Omrukking, V.
Omsabelen, sabelde om, heeft omgesabeld.
Omschaduwen, omschaduwde, heeft omschaduwd.
Omschaduwing, V.
Omschakelaar, M., omschakelaars.
Omschakelen, schakelde om, heeft omgeschakeld.
Omschallen, omschalde, heeft omschald.
Omschansen, omschanste, heeft omschanst.
Omschansing, V., omschansingen.
Omscharrelen, scharrelde om, heeft en is omgescharreld.
Omschenken, schonk om, heeft omgeschonken.
Omscheppen (putten), schepte om, heeft omgeschept.
Omscheppen (maken, vormen), schiep om, heeft omgeschapen.
Omschepping, V., omscheppingen.
Omscheren, schoor om, schoren om, heeft omgeschoren.
Omschering, V.
Omschermen, schermde om, heeft omgeschermd.
Omscheuren, scheurde om, heeft omgescheurd.
Omschieten, schoot om, schoten om, heeft en is omgeschoten.
Omschijnen, omscheen, omschenen, heeft omschenen.
Omschikken, schikte om, is omgeschikt.
Omschitteren, omschitterde, heeft omschitterd.
Omschoeien, omschoeide, heeft omschoeid.
Omschoffelen (langzaam gaan), schoffelde om, heeft en is omgeschoffeld.
Omschoffelen (losmaken), schoffelde om, heeft omgeschoffeld.
Omschommelen, schommelde om, heeft en is omgeschommeld.
Omschooien, schooide om, heeft omgeschooid.
Omschoppen, schopte om, heeft omgeschopt.
Omschorsen, omschorste, heeft omschorst.
Omschrabben, schrabde om, heeft omgeschrabd.
Omschrafelen, schrafelde om, heeft omgeschrafeld.
Omschrapen, schraapte om, heeft omgeschraapt.
Omschreeuwen, schreeuwde om, heeft omgeschreeuwd.
Omschrijfbaar, omschrijfbare.
Omschrijven, omschreef, omschreven, heeft omschreven.
Omschrijver, M., omschrijvers.
Omschrijving, V., omschrijvingen.
Omschudden, schudde om, heeft omgeschud.
Omschudding, V.
Omschuieren, schuierde om, heeft omgeschuierd.
Omschuiven, schoof om, schoven om, heeft en is omgeschoven.
Omschulpen, schulpte om, heeft omgeschulpt.
Omschuren, schuurde om, heeft omgeschuurd.
Omsingelen, omsingelde, heeft omsingeld.
Omsingeling, V., omsingelingen.
Omsjokken, sjokte om, heeft en is omgesjokt.
Omsjouwen, sjouwde om, heeft omgesjouwd.
Omslaan, slaat om, sloeg om, heeft en is omgeslagen; ook omslaat, omsloeg, heeft omgeslagen.
Omslachtig, omslachtiger, omslachtigst.
Omslachtigheid, V.
Omslag (omhaal, drukte), M.
Omslag (in de belasting enz.), M., omslagen.
Omslag (voorwerp), M. en O., omslagen. Omslagje, O., omslagjes.
Omslagboor, V., omslagboren.
Omslagdoek, M., omslagdoeken; omslagdoekje, O., omslagdoekjes.
Omslager, M., omslagers. Omslagertje, O., omslagertjes.
Omsleepen (bedr.), sleepte om, heeft omgesleept.
Omslenteren, slenterde om, heeft en is omgeslenterd.
Omsleuren, sleurde om, heeft omgesleurd.
Omslingeren, slingerde om, heeft en is omgeslingerd; ook omslingerde, heeft omslingerd.
Omslingering, V.
Omsloffen, slofte om, heeft en is omgesloft.
Omsluieren, omsluierde, heeft omsluierd.
Omsluiering, V., omsluieringen.
Omsluipen, sloop om, slopen om, heeft en is omgeslopen.
Omsluiten, omsloot, omsloten, heeft omsloten.
Omsluiting, V., omsluitingen.
Omsmakken, smakte om, heeft en is omgesmakt.
Omsmeden, smeedde om, heeft omgesmeed.
Omsmelten, smolt om, heeft omgesmolten.
Omsmijten, smeet om, smeten om, heeft omgesmeten.
Omsnellen, snelde om, heeft en is omgesneld.
Omsnoeren, snoerde om, heeft omgesnoerd; ook omsnoerde, heeft omsnoerd.
Omsnorren, snorde om, is en heeft omgesnord; ook omsnorde, heeft omsnord.
Omsnuffelen, snuffelde om, heeft omgesnuffeld.
Omsollen, solde om, heeft omgesold.
Omspannen, spande om, heeft omgespannen; ook omspande, heeft omspannen.
Omspanning, V., omspanningen.
Omspant, V.
Omspatten, spatte om, heeft omgespat; ook omspatte, heeft omspat.
Omspelden, speldde om, heeft omgespeld; ook omspeldde, heeft omspeld.
Omspinnen, omspon, omsponnen, heeft omsponnen.
Omspitten, spitte om, heeft omgespit.
Omspitting, V., omspittingen.
Omspoelen, spoelde om, heeft omgespoeld; ook omspoelde, heeft omspoeld.
Omspoeling, V., omspoelingen.
Omspoelsel, O.
Omspoken, spookte om, heeft omgespookt; ook omspookte, heeft omspookt.
Omspringen, sprong om, heeft en is omgesprongen; ook omsprong, heeft omsprongen.
Omstaan, staat om, stond om, heeft omgestaan.
Omstaand en Ommestaand.
Omstander, M., omstanders.
Omstandig, omstandiger, omstandigst.
Omstandigheid, V., omstandigheden.
Omstappen, stapte om, heeft en is omgestapt.
Omsteken, stak om, staken om, heeft omgestoken.
Omstelpen. Zie Omstulpen.
Omstevenen, stevende om, heeft en is omgestevend.
Omstoeien, stoeide om, heeft omgestoeid; ook omstoeide, heeft omstoeid.
Omstoomen, stoomde om, heeft en is omgestoomd.
Omstooten, stiet om, heeft omgestooten; ook stootte om.
Omstormen, stormde om, heeft en is omgestormd; ook omstormde, heeft omstormd.
Omstorten, stortte om, heeft en is omgestort.
Omstorting, V.
Omstralen, straalde om, heeft omgestraald; ook omstraalde, heeft omstraald.
Omstraling, V.
Omstreek, V., omstreken.
Omstreeks.
Omstrengelen, omstrengelde, heeft omstrengeld.
Omstrengeling, V.
Omstrepen, omstreepte, heeft omstreept.
Omstreping, V.
Omstrikken, strikte om, heeft omgestrikt; ook omstrikte, heeft omstrikt.
Omstrompelen, strompelde om, heeft en is omgestrompeld.
Omstrooien, strooide om, heeft omgestrooid; ook omstrooide, heeft omstrooid.
Omstroomen, omstroomde, heeft omstroomd.
Omstroopen, stroopte om, heeft omgestroopt.
Omstuiven, stoof om, stoven om, heeft en is omgestoven; ook omstoof, omstoven, heeft omstoven.
Omstulpen, ook Omstelpen, stulpte om, heeft omgestulpt.
Omsturen, stuurde om, heeft omgestuurd.
Omstuwen, omstuwde, heeft omstuwd.
Omsukkelen, sukkelde om, heeft en is omgesukkeld.
Omtasten, tastte om, heeft omgetast; ook omtastte, heeft omtast.
Omtellen, telde om, heeft omgeteld.
Omtimmeren, timmerde om, heeft omgetimmerd; ook omtimmerde, heeft omtimmerd.
Omtobben, tobde om, heeft omgetobd.
Omtocht, M., omtochten.
Omtogen (deelw.).
Omtollen, tolde om, heeft en is omgetold.
Omtonnen, tonde om, heeft omgetond; ook omtonde, heeft omtond.
Omtooveren, tooverde om, heeft omgetooverd.
Omtoovering, V., omtooveringen.
Omtrappen, trapte om, heeft omgetrapt.
Omtrede en Omtree, V., omtreden.
Omtreden, trad om, traden om, is en heeft omgetreden.
Omtrek, M., omtrekken. Omtrekje, O., omtrekjes.
Omtrekken, trok om, trokken om, heeft en is omgetrokken; ook omtrok, omtrokken, heeft omtrokken.
Omtrekking, V.
Omtrent.
Omtrommelen, trommelde om, heeft omgetrommeld.
Omtuimelen, tuimelde om, is en heeft omgetuimeld.
Omtuimeling, V., omtuimelingen.
Omtuinen, omtuinde, heeft omtuind.
Omtuining, V., omtuiningen.
Omvaart, V.
Omvademen, omvademde, heeft omvademd.
Omvademing, V.
Omval, M., omvallen.
Omvallen, viel om, is omgevallen.
Omvang, M.
Omvangen, omving, heeft omvangen.
Omvangrijk, omvangrijker, omvangrijkst.
Omvaren, voer om, heeft en is omgevaren.
Omvaring, V.
Omvatten, omvatte, heeft omvat.
Omvatting, V.
Omventen, ventte om, heeft omgevent.
Omver.
Omverblazen, blies omver, bliezen omver, heeft omvergeblazen.
Omverdringen, drong omver, heeft omvergedrongen.
Omverdrukken, drukte omver, heeft omvergedrukt.
Omverduwen, duwde omver, heeft omvergeduwd.
Omvergooien, gooide omver, heeft omvergegooid.
Omverhakken, hakte omver, heeft omvergehakt.
Omverhalen, haalde omver, heeft omvergehaald.
Omverhelpen, hielp omver, heeft omvergeholpen.
Omverhouwen, hieuw omver, heeft omvergehouwen.
Omverjagen, jaagde omver, heeft omvergejaagd; ook joeg omver.
Omverkantelen, kantelde omver, is omvergekanteld.
Omverkegelen, kegelde omver, heeft omvergekegeld.
Omverkrijgen, kreeg omver, kregen omver, heeft omvergekregen.
Omverliggen, lag omver, lagen omver, heeft omvergelegen.
Omverloopen, liep omver, heeft omvergeloopen.
Omverpraten, praatte omver, heeft omvergepraat.
Omverraken, raakte omver, is omvergeraakt.
Omverrennen, rende omver, heeft omvergerend.
Omverrijden, reed omver, reden omver, heeft omvergereden.
Omverrukken, rukte omver, heeft omvergerukt.
Omverschieten, schoot omver, schoten omver, heeft omvergeschoten.
Omverslaan, slaat omver, sloeg omver, heeft en is omvergeslagen.
Omversmakken, smakte omver, heeft omvergesmakt.
Omversmijten, smeet omver, smeten omver, heeft omvergesmeten.
Omverstooten, stiet omver, heeft omvergestooten; ook stootte omver.
Omverstorten, stortte omver, heeft en is omvergestort.
Omvertrekken, trok omver, trokken omver, heeft omvergetrokken.
Omvertuimelen, tuimelde omver, is omvergetuimeld.
Omvervallen, viel omver, is omvergevallen.
Omverwaaien, waaide omver, is en heeft omvergewaaid; ook woei omver, woeien omver.
Omverwerpen, wierp omver, heeft omvergeworpen.
Omverwerping, V.
Omvlechten, omvlocht, heeft omvlochten.
Omvlieden, vlood om, vloden om, is omgevloden.
Omvliegen, vloog om, vlogen om, is en heeft omgevlogen; ook omvloog, omvlogen, heeft omvlogen.
Omvlieten, vloot om, vloten om, heeft en is omgevloten; ook omvloot, omvloten, heeft omvloten.
Omvloeien, vloeide om, heeft en is omgevloeid; ook omvloeide, heeft omvloeid.
Omvoeren, voerde om, heeft omgevoerd.
Omvoering, V.
Omvouwen, vouwde om, heeft en is omgevouwen.
Omvraag en Omvrage, V.
Omvragen, vraagde om, heeft omgevraagd; ook vroeg om.
Omwaaien, waaide om, is en heeft omgewaaid; ook woei om, woeien om; en omwaaide (omwoei, omwoeien), heeft omwaaid.
Omwallen, omwalde, heeft omwald.
Omwalling, V., omwallingen.
Omwalmen, omwalmde, heeft omwalmd.
Omwandelen, wandelde om, heeft en is omgewandeld.
Omwandeling, V., omwandelingen.
Omwaren, waarde om, heeft omgewaard.
Omwaschkom, V., omwaschkommen; omwaschkommetje, O., omwaschkommetjes.
Omwasschen, wiesch om, wieschen om, heeft omgewasschen; ook waschte om.
Omwassen, omwies, omwiesen, heeft omwassen.
Omweg, M., omwegen. Omwegje, O., omwegjes.
Omweiden, weidde om, heeft omgeweid.
Omwelven, omwelfde. heeft omwelfd.
Omwelving, V., omwelvingen.
Omwemelen, omwemelde, heeft omwemeld.
Omwenden, wendde om, heeft en is omgewend.
Omwending, V., omwendingen.
Omwentelen, wentelde om, heeft en is omgewenteld.
Omwenteling, V., omwentelingen.
Omwentelingsas, V., omwentelingsassen.
Omwentelingslichaam, O. omwentelingslichamen.
Omwentelingsoppervlak, O., omwentelingsoppervlakken.
Omwentelingstijd, M., omwentelingstijden.
Omwentelingsvlak, O., omwentelingsvlakken.
Omwerken, werkte om, heeft omgewerkt.
Omwerking, V., omwerkingen.
Omwerpen, wierp om, heeft omgeworpen.
Omwerping, V.
Omweven, omweefde, heeft omweven.
Omwiegelen, wiegelde om, heeft omgewiegeld.
Omwikkelen, omwikkelde, heeft omwikkeld.
Omwikkeling, V.
Omwillen, wil om, wilde (wou) om, heeft omgewild.
Omwimpelen, omwimpelde, heeft omwimpeld.
Omwinden, omwond, heeft omwonden.
Omwinding, V., omwindingen.
Omwippen, wipte om, heeft en is omgewipt.
Omwisselen, wisselde om, heeft omgewisseld.
Omwisseling, V., omwisselingen.
Omwoelen, woelde om, heeft omgewoeld; ook omwoelde, heeft omwoeld.
Omwoeling, V., omwoelingen.
Omwolken, omwolkte, heeft omwolkt.
Omwonend.
Omwoners (mv.), M.
Omwrikken, wrikte om, heeft omgewrikt.
Omwroeten, wroette om, heeft omgewroet.
Omzadelen, zadelde om, heeft omgezadeld.
Omzagen, zaagde om, heeft omgezaagd.
Omzakken (op zijde vallen), zakte om, is omgezakt.
Omzaten, (mv.), M. en V.
Omzeg, M.
Omzeggen, zeide om, heeft omgezegd en omgezeid.
Omzegging, V.
Omzeilen, zeilde om, heeft en is omgezeild; ook omzeilde, heeft omzeild.
Omzeiling, V., omzeilingen.
Omzenden, zond om, heeft omgezonden.
Omzending, V., omzendingen.
Omzet, M.
Omzetijzer, O., omzetijzers; omzetijzertje, O., omzetijzertjes.
Omzetsel, O., omzetsels en omzetselen. Omzetseltje, O., omzetseltjes.
Omzetspade, V., omzetspaden.
Omzetten, zette om, heeft en is omgezet; ook omzette, heeft omzet.
Omzetting, V., omzettingen.
Omzichtig, omzichtiger, omzichtigst.
Omzichtigheid, V., omzichtigheden.
Omzien, zag om, zagen om, heeft omgezien.
Omzien, O. Zie Ommezien.
Omziend.
Omzitten, zat om, zaten om, heeft omgezeten.
Omzitters (mv.). M.
Omzoeken, zocht om, heeft omgezocht.
Omzoomen, zoomde om, heeft omgezoomd; ook omzoomde, heeft omzoomd.
Omzooming, V., omzoomingen.
Omzwaai en Ommezwaai, M., omzwaaien en ommezwaaien.
Omzwaaien, zwaaide om, heeft en is omgezwaaid; ook omzwaaide, heeft omzwaaid.
Omzwaaiing, V., omzwaaiingen.
Omzwachtelen, omzwachtelde, heeft omzwachteld.
Omzwachteling, V., omzwachtelingen.
Omzwalken, zwalkte om, heeft omgezwalkt.
Omzwalpen, zwalpte om, heeft omgezwalpt; ook omzwalpte, heeft omzwalpt.
Omzwemmen, zwom om, zwommen om, heeft en is omgezwommen.
Omzwenken, zwenkte om, is en heeft omgezwenkt.
Omzwenking, V., omzwenkingen.
Omzwermen, zwermde om, heeft omgezwermd; ook omzwermde, heeft omzwermd.
Omzwerven, zwierf om, zwierven om, heeft omgezworven; ook omzwierf, omzwierven, heeft omzworven.
Omzwerving, V., omzwervingen.
Omzweven, zweefde om, heeft en is omgezweefd; ook omzweefde, heeft omzweefd.
Omzwiepen, zwiepte om, is omgezwiept.
Omzwieren, zwierde om, heeft en is omgezwierd.
Omzwikken, zwikte om, is omgezwikt.
On (on of even).
Onaandachtig, onaandachtiger, onaandachtigst.
Onaandoenlijk, onaandoenlijker, onaandoenlijkst.
Onaandoenlijkheid, V.
Onaangedaan.
Onaangediend.
Onaangekleed, onaangekleede.
Onaangeleund.
Onaangemeld.
Onaangemerkt.
Onaangenaam, onaangenamer, onaangenaamst.
Onaangenaamheid, V., onaangenaamheden.
Onaangeraakt.
Onaangerand.
Onaangeroerd.
Onaangesneden.
Onaangesproken.
Onaangestoken.
Onaangetast.
Onaangevallen.
Onaangevochten.
Onaangevuld.
Onaangezet, onaangezette.
Onaangezien.
Onaangezocht.
Onaangezuiverd.
Onaanlokkelijk, onaanlokkelijker, onaanlokkelijkst.
Onaannemelijk, onaannemelijker, onaannemelijkst.
Onaannemelijkheid, V.
Onaansprakelijk.
Onaansprakelijkheid, V.
Onaanstootelijk, onaanstootelijker, onaanstootelijkst.
Onaanstootelijkheid, V.
Onaantastbaar, onaantastbare.
Onaantastbaarheid, V.
Onaantrekkelijk, onaantrekkelijker, onaantrekkelijkst.
Onaantrekkelijkheid, V.
Onaanvaard.
Onaanzienlijk, onaanzienlijker, onaanzienlijkst.
Onaanzienlijkheid, V.
Onaardig, onaardiger, onaardigst.
Onaardigheid, V., onaardigheden.
Onachtzaam, onachtzamer, onachtzaamst.
Onachtzaamheid, V., onachtzaamheden.
Onadellijk.
Onafgebakend.
Onafgeborsteld.
Onafgebroken.
Onafgedaan, onafgedane.
Onafgehandeld.
Onafgemaakt.
Onafgesneden.
Onafgewend.
Onafgewerkt.
Onafhankelijk, onafhankelijker, onafhankelijkst.
Onafhankelijkheid. V.
Onafkeerbaar, onafkeerbare.
Onafkoopbaar, onafkoopbare.
Onafkoopbaarheid, V.
Onaflosbaar, onaflosbare.
Onaflosbaarheid, V.
Onafscheidbaar, onafscheidbare.
Onafscheidbaarheid, V.
Onafscheidelijk.
Onafscheidelijkheid, V.
Onafweerbaar, onafweerbare.
Onafwendbaar, onafwendbare.
Onafwijsbaar, onafwijsbare.
Onafzetbaar, onafzetbare.
Onafzetbaarheid, V.
Onafzienbaar, onafzienbare.
Onafzienbaarheid, V.
Onbaatzuchtig, onbaatzuchtiger, onbaatzuchtigst.
Onbaatzuchtigheid, V.
Onbarmhartig, onbarmhartiger, onbarmhartigst.
Onbarmhartigheid, V., onbarmhartigheden.
Onbeangst.
Onbeangstigd.
Onbeantwoord.
Onbearbeid.
Onbebouwd.
Onbedaard.
Onbedaarlijk.
Onbedacht, onbedachter, onbedachtst.
Onbedachtelijk.
Onbedachtheid, V., onbedachtheden.
Onbedachtzaam, onbedachtzaam, onbedachtzaamst.
Onbedachtzaamheid, V., onbedachtzaamheden.
Onbedeesd.
Onbedekt.
Onbedenkelijk.
Onbederfelijk.
Onbediend.
Onbedijkt.
Onbedorven, onbedorvener, onbedorvenst.
Onbedorvenheid, V.
Onbedreven, onbedrevener, onbedrevenst.
Onbedrevenheid, V.
Onbedriegbaar, onbedriegbare.
Onbedrieglijk, onbedrieglijker, onbedrieglijkst.
Onbedrieglijkheid, V.
Onbeduidend, onbeduidender, onbeduidendst.
Onbeduidendheid, V., onbeduidendheden.
Onbedwingbaar, onbedwingbare.
Onbedwingbaarheid, V.
Onbedwongen.
Onbeëedigd.
Onbefaamd.
Onbegaafd.
Onbegaanbaar, onbegaanbare.
Onbegaanbaarheid, V.
Onbegeerd.
Onbegeerig.
Onbegeerigheid, V.
Onbegeerlijk, onbegeerlijker, onbegeerlijkst.
Onbegeerlijkheid, V.
Onbegonnen.
Onbegraven.
Onbegrensd.
Onbegrensdheid, V.
Onbegrepen.
Onbegrijpbaar, onbegrijpbare.
Onbegrijpbaarheid, V., onbegrijpbaarheden.
Onbegrijpelijk, onbegrijpelijker, onbegrijpelijkst.
Onbegrijpelijkheid, V., onbegrijpelijkheden.
Onbegrootbaar, onbegrootbare.
Onbehaaglijk, onbehaaglijker, onbehaaglijkst.
Onbehaaglijkheid, V.
Onbehaard.
Onbehangen.
Onbeheerd.
Onbehendig, onbehendiger, onbehendigst.
Onbehendigheid, V.
Onbehoed.
Onbehoedzaam, onbehoedzamer, onbehoedzaamst.
Onbehoedzaamheid, V.
Onbeholpen, onbeholpener, onbeholpenst.
Onbeholpenheid, V.
Onbehoorlijk, onbehoorlijker, onbehoorlijkst.
Onbehoorlijkheid, V., onbehoorlijkheden.
Onbehouwen, onbehouwener, onbehouwenst.
Onbehouwenheid, V.
Onbehulpzaam, onbehulpzamer, onbehulpzaamst.
Onbehulpzaamheid, V.
Onbekeerbaar, onbekeerbare.
Onbekeerd.
Onbekeerlijk.
Onbekeerlijkheid, V.
Onbekend, onbekender, onbekendst.
Onbekendheid, V., onbekendheden.
Onbeklaagd.
Onbekleed, onbekleede.
Onbeklemd.
Onbeklimbaar, onbeklimbare.
Onbeklimbaarheid, V.
Onbekommerd, onbekommerder, onbekommerdst.
Onbekommerdheid, V.
Onbekookt, onbekookter, onbekooktst.
Onbekooktheid, V.
Onbekrachtigd.
Onbekrompen, onbekrompener, onbekrompenst.
Onbekrompenheid, V.
Onbekroond.
Onbekwaam, onbekwamer, onbekwaamst.
Onbekwaamheid, V.
Onbeladen.
Onbelangrijk, onbelangrijker, onbelangrijkst.
Onbelangrijkheid, V.
Onbelast.
Onbelastbaar, onbelastbare.
Onbelastbaarheid, V.
Onbeleefd, onbeleefder, onbeleefdst.
Onbeleefdelijk.
Onbeleefdheid, V., onbeleefdheden.
Onbelegd.
Onbelegen.
Onbelemmerd, onbelemmerder, onbelemmerdst.
Onbelemmerdheid, V.
Onbelet.
Onbelezen.
Onbelezenheid, V.
Onbelichaamd.
Onbelogen.
Onbelommerd.
Onbeloonbaar, onbeloonbare.
Onbeloond.
Onbeluisterd.
Onbemand.
Onbemast.
Onbemerkbaar, onbemerkbare.
Onbemerkt
Onbemiddeld.
Onbemind.
Onbeminlijk en Onbeminnelijk, onbeminlijker en onbeminnelijker, onbeminlijkst en onbeminnelijkst.
Onbeminlijkheid, V.
Onbemuurd.
Onbenaderbaar, onbenaderbare.
Onbenepen.
Onbeneveld, onbenevelder, onbeneveldst.
Onbenijd.
Onbenijdbaar, onbenijdbare.
Onbenoembaar, onbenoembare.
Onbenoembaarheid, V.
Onbenoemd.
Onbenul, M. en V., onbenullen.
Onbenullig, onbenulliger, onbenulligst.
Onbenulligheid, V.
Onbeoordeeld.
Onbepaalbaar, onbepaalbare.
Onbepaalbaarheid, V.
Onbepaald, onbepaalder, onbepaaldst.
Onbepaaldheid, V.
Onbeperkt, onbeperkter, onbeperktst.
Onbeperktheid, V.
Onbeproefd.
Onberaden, onberadener, onberadenst.
Onberadenheid, V.
Onberecht.
Onbereden.
Onberedeneerd, onberedeneerder, onberedeneerdst.
Onberedeneerdheid, V.
Onbereid.
Onbereikbaar, onbereikbare.
Onbereikbaarheid, V.
Onbereisd.
Onberekenbaar, onberekenbare.
Onberekend.
Onberijdbaar, onberijdbare.
Onberispelijk, onberispelijker, onberispelijkst.
Onberispelijkheid, V.
Onberoemd.
Onberoemdheid, V.
Onberoepbaar, onberoepbare.
Onberoerd.
Onberouwelijk.
Onbeschaafd, onbeschaafder, onbeschaafdst.
Onbeschaafdheid, V., onbeschaafdheden.
Onbeschaamd, onbeschaamder, onbeschaamdst.
Onbeschaamdheid. V., onbeschaamdheden.
Onbeschadigd.
Onbeschaduwd.
Onbescheid, O.
Onbescheiden, onbescheidener, onbescheidenst.
Onbescheidenheid, V., onbescheidheden.
Onbescheidenlijk,
Onbeschenen.
Onbeschermd.
Onbeschoft, onbeschofter. onbeschoftst.
Onbeschoftheid, V., onbeschoftheden.
Onbeschreid.
Onbeschreven.
Onbeschrijfbaar, onbeschrijfbare.
Onbeschrijfbaarheid, V.
Onbeschrijfelijk, onbeschrijfelijker, onbeschrijfelijkst.
Onbeschroomd, onbeschroomder, onbeschroomdst.
Onbeschroomdheid, V.
Onbeschut, onbeschutte.
Onbesefbaar, onbesefbare.
Onbeslagen.
Onbeslapen.
Onbeslecht.
Onbeslist.
Onbeslistheid, V.
Onbesmet, onbesmette.
Onbesneden.
Onbesnoeid.
Onbespeeld.
Onbespied.
Onbesproken.
Onbesprokenheid, V.
Onbestaanbaar, onbestaanbare.
Onbestaanbaarheid, V.
Onbesteed, onbestede.
Onbestelbaar.
Onbesteld.
Onbestendig, onbestendiger, onbestendigst.
Onbestendigheid, V.
Onbestierd.
Onbestijgbaar, onbestijgbare.
Onbestorven.
Onbestreden.
Onbesuisd, onbesuisder, onbesuisdst.
Onbesuisdheid, V., onbesuisdheden.
Onbetaalbaar, onbetaalbaarder, onbetaalbaarst.
Onbetaald.
Onbetamelijk, onbetamelijker, onbetamelijkst.
Onbetamelijkheid, V., onbetamelijkheden.
Onbeteekenend, onbeteekenender, onbeteekenendst.
Onbetembaar, onbetembare.
Onbetembaarheid, V.
Onbetemd.
Onbeteugelbaar, onbeteugelbare.
Onbeteugeld.
Onbeteuterd.
Onbetoogbaar, onbetoogbare.
Onbetoombaar, onbetoombare.
Onbetoombaarheid, V.
Onbetoomd.
Onbetracht.
Onbetreden.
Onbetreurd.
Onbetrouwbaar, onbetrouwbare.
Onbetuigd.
Onbetwijfelbaar, onbetwijfelbaarder, onbetwijfelbaarst.
Onbetwist.
Onbetwistbaar, onbetwistbaarder, onbetwistbaarst.
Onbetwistbaarheid, V.
Onbevaarbaar, onbevaarbare.
Onbevaarbaarheid, V.
Onbevallig, onbevalliger, onbevalligst.
Onbevalligheid, V.
Onbevaren.
Onbevattelijk, onbevattelijker, onbevattelijkst.
Onbevattelijkheid, V.
Onbevlekt.
Onbevlektheid, V.
Onbevochten.
Onbevoegd.
Onbevoegdheid, V.
Onbevolkt.
Onbevooroordeeld.
Onbevooroordeeldheid, V.
Onbevoorrecht.
Onbevredigd.
Onbevredigdheid, V.
Onbevredigend.
Onbevreesd.
Onbevreesdheid, V.
Onbevriesbaar, onbevriesbare.
Onbevroren en Onbevrozen.
Onbevrucht.
Onbewaakt.
Onbewassen.
Onbeweegbaar, onbeweegbare.
Onbeweegbaarheid, V.
Onbeweeglijk, onbeweeglijker, onbeweeglijkst.
Onbeweeglijkheid, V.
Onbeweend.
Onbewerkt.
Onbewerktuigd.
Onbewezen.
Onbewijsbaar, onbewijsbare.
Onbewijsbaarheid, V., onbewijsbaarheden.
Onbewimpeld, onbewimpelder; onbewimpeldst.
Onbewogen.
Onbewolkt.
Onbewoonbaar, onbewoonbare.
Onbewoonbaarheid, V.
Onbewoond.
Onbewust.
Onbewustheid, V.
Onbezeerd.
Onbezegeld.
Onbezeilbaar, onbezeilbare.
Onbezeild.
Onbezet, onbezette.
Onbezichtigd.
Onbezield.
Onbezien.
Onbeziens.
Onbezocht.
Onbezoedeld.
Onbezoldigd.
Onbezonnen, onbezonnener, onbezonnenst.
Onbezonnenheid, V., onbezonnenheden.
Onbezorgd, onbezorgder, onbezorgdst.
Onbezorgdheid, V.
Onbezwaard.
Onbezwalkt.
Onbezweken.
Onbijbelsch.
Onbillijk, onbillijker, onbillijkst.
Onbillijkheid, V., onbillijkheden.
Onbloedig.
Onbluschbaar, onbluschbare.
Onboetvaardig, onboetvaardiger, onboetvaardigst.
Onboetvaardigheid, V.
Onbrandbaar, onbrandbare.
Onbrandbaarheid, V.
Onbreekbaar, onbreekbaarder, onbreekbaarst.
Onbreekbaarheid, V.
Onbroederlijk.
Onbruik (znw.).
Onbruikbaar, onbruikbaarder, onbruikbaarst.
Onbruikbaarheid, V.
Onbuigbaar, onbuigbaarder, onbuigbaarst.
Onbuigbaarheid, V.
Onbuigzaam, onbuigzamer, onbuigzaamst.
Onbuigzaamheid, V.
Onburgerlijk.
Once (medicinaal gewicht), V., oncen.
Onchristelijk, onchristelijker, onchristelijkst.
Onchristelijkheid, V.
Onchristen, M., onchristenen.
Ondaad, V., ondaden.
Ondank, M.
Ondankbaar, ondankbaarder, ondankbaarst.
Ondankbaarheid, V., ondankbaarheden.
Ondanks.
Ondeeg (Te ondeeg).
Ondeelbaar, ondeelbare.
Ondeelbaarheid, V.
Ondeelnemend.
Ondegelijk, ondegelijker, ondegelijkst.
Ondegelijkheid, V.
Ondenkbaar, ondenkbare.
Ondenkbaarheid, V.
Onder.
Onderaan.
Onderaannemer, M., onderaannemers.
Onderaardsch.
Onderadjudant, M., onderadjudanten.
Onderaf.
Onderafdeeling, V., onderafdeelingen.
Onderarm, M., onderarmen; onderarmpje, O., onderarmpjes.
Onderbaas (meesterknecht), M., onderbazen.
Onderbaas (voetstuk van een pilaar), V., onderbazen.
Onderbaggeren, baggerde onder, heeft ondergebaggerd.
Onderbaggering, V.
Onderbalk, M., onderbalken.
Onderband, M., onderbanden.
Onderbank, V., onderbanken.
Onderbanket, O., onderbanketten.
Onderbast, M., onderbasten.
Onderbatterij, V., onderbatterijen.
Onderbed, O., onderbedden; onderbedje, O., onderbedjes.
Onderbeek, V., onderbeken; onderbeekje, O., onderbeekjes.
Onderbek, M., onderbekken.
Onderbekken, O., onderbekkens.
Onderberghout, O., onderberghouten.
Onderberm, M., onderbermen.
Onderbeschuit, V., onderbeschuiten.
Onderbevelhebber, M., onderbevelhebbers.
Onderbevelhebberschap, O.
Onderbibliothecaris, M., onderbibliothecarissen.
Onderbikkel, M., onderbikkels.
Onderbil, V., onderbillen.
Onderbinden, bond onder, heeft ondergebonden; ook onderbond, heeft onderbonden.
Onderbinding, V., onderbindingen.
Onderblad, O., onderbladen.
Onderblijven, bleef onder, bleven onder, is ondergebleven.
Onderboekhouder, M., onderboekhouders.
Onderboom, M., onderboomen.
Onderboord (rand), M., onderboorden.
Onderboord (plank), O., onderboorden.
Onderbouw, M.
Onderbouwen, bouwde onder, heeft ondergebouwd.
Onderbraak, V., onderbraken.
Onderbreken, onderbrak, onderbraken, heeft onderbroken.
Onderbreking, V., onderbrekingen.
Onderbrengen, bracht onder, heeft ondergebracht.
Onderbroek, V., onderbroeken; onderbroekje, O., onderbroekjes.
Onderbroeksknoop, M., onderbroeksknoopen.
Onderbuik, M., onderbuiken; onderbuikje, O., onderbuikjes.
Onderbuikskwaal, V., onderbuikskwalen.
Onderbuiksziekte, V., onderbuiksziekten.
Onderbuis, O., onderbuizen; onderbuisje, O., onderbuisjes.
Onderbuur, M., onderburen.
Ondercommissaris, M., ondercommissarissen.
Ondercommissarisschap, O.
Onderconsul, M., onderconsuls.
Onderdaags.
Onderdaan, M. en V., onderdanen. V., ook onderdane.
Onderdanig, onderdaniger, onderdanigst.
Onderdanigheid, V.
Onderdeel, O., onderdeelen; onderdeeltje, O., onderdeeltjes.
Onderdek, O., onderdekken.
Onderdeken (persoon), M., onderdekens.
Onderdeken (dekkleed), V., onderdekens; onderdekentje, O., onderdekentjes.
Onderdekken, dekte onder, heeft ondergedekt.
Onderdeks.
Onderdeksplank, V., onderdeksplanken.
Onderdeur, V., onderdeuren; onderdeurtje, O., onderdeurtjes.
Onderdiaken, M., onderdiakenen en onderdiakens.
Onderdies.
Onderdijk, M., onderdijken.
Onderdijken, heeft ondergedijkt.
Onderdijking, V.
Onderdoen, deed onder, deden onder, heeft ondergedaan.
Onderdompelen, dompelde onder, heeft ondergedompeld.
Onderdompeling, V., onderdompelingen.
Onderdoor.
Onderdoorgaan, gaat onderdoor, ging onderdoor, is onderdoorgegaan.
Onderdoorglijden, gleed onderdoor, gleden onderdoor, is onderdoorgegleden.
Onderdoorkruipen, kroop onderdoor, kropen onderdoor, is onderdoorgekropen.
Onderdoorloopen, liep onderdoor, is onderdoorgeloopen.
Onderdoorrijden, reed onderdoor, reden onderdoor, is onderdoorgereden.
Onderdoorsluipen, sloop onderdoor, slopen onderdoor, is onderdoorgeslopen.
Onderdoorvaren, voer onderdoor, is onderdoorgevaren.
Onderdoorzeilen, zeilde onderdoor, is onderdoorgezeild.
Onderdoorzwemmen, zwom onderdoor, zwommen onderdoor, is onderdoorgezwommen.
Onderdorpel, M., onderdorpels.
Onderdrempel, M., onderdrempels.
Onderdrukken, drukte onder, heeft ondergedrukt; ook onderdrukte, heeft onderdrukt.
Onderdrukker, M., onderdrukkers.
Onderdrukking, V., onderdrukkingen.
Onderduiken, dook onder, doken onder, is en heeft ondergedoken.
Onderduwen, duwde onder, heeft ondergeduwd.
Ondereen.
Ondereengooien, gooide ondereen, heeft ondereengegooid.
Ondereenklutsen, klutste ondereen, heeft ondereengeklutst.
Ondereenknoeien, knoeide ondereen, heeft ondereengeknoeid.
Ondereenmengen, mengde ondereen, heeft ondereengemengd.
Ondereenroeren, roerde ondereen, heeft ondereengeroerd.
Ondereensmelten, smolt ondereen, heeft en is ondereengesmolten.
Ondereenwarren, warde ondereen, heeft ondereengeward.
Ondereenwerpen, wierp ondereen, heeft ondereengeworpen.
Ondereggen, egde onder, heeft ondergeëgd.
Onderegging, V.
Ondereinde, O., ondereinden.
Onderen (Naar onderen, van onderen, tot onderen).
Ondergaan, gaat onder, ging onder, is ondergegaan; ook ondergaat, onderging, heeft ondergaan.
Ondergang (het ondergaan), M.
Ondergang (benedengang), V., ondergangen; ondergangetje, O., ondergangetjes.
Ondergast, M., ondergasten; ondergastje, O., ondergastjes.
Ondergebit, O., ondergebitten.
Ondergedeelte, O., ondergedeelten.
Ondergei, V., ondergeien.
Ondergeschikt, ondergeschikter, ondergeschiktst.
Ondergeschikte, M. en V., ondergeschikten.
Ondergeschiktheid, V.
Ondergeschoven.
Ondergeschrevene, M. en V., ondergeschrevenen.
Ondergestel, O., ondergestellen.
Ondergestoken.
Ondergeteekende, M. en V., ondergeteekenden.
Ondergewas, O.
Ondergieten, goot onder, goten onder, heeft ondergegoten.
Ondergilling, V., ondergillingen.
Ondergist, V.
Ondergisting, V.
Ondergoed, O., ondergoedje, O.
Ondergooien, gooide onder, heeft ondergegooid.
Ondergorden, ondergordde, heeft ondergord.
Ondergording, V., ondergordingen
Ondergouverneur, M., ondergouverneurs.
Ondergraatsch.
Ondergrauw, O.
Ondergraven, groef onder, groeven onder, heeft ondergegraven; ook ondergroef, ondergroeven, heeft ondergraven.
Ondergraving, V., ondergravingen.
Ondergrond, M., ondergronden.
Ondergrondsch.
Ondergrondsploeg, M., ondergrondsploegen.
Onderhaam, O., onderhamen.
Onderhagelen, hagelde onder, is ondergehageld.
Onderhalen, haalde onder, heeft ondergehaald; ook onderhaalde, heeft onderhaald.
Onderhaling, V., onderhalingen.
Onderhals, M., onderhalzen.
Onderhand, V., onderhanden.
Onderhandelaar, M., onderhandelaars en onderhandelaren.
Onderhandelen, onderhandelde, heeft onderhandeld.
Onderhandeling, V., onderhandelingen.
Onderhandelingsvlag, V., onderhandelingsvlaggen.
Onderhandsch (bnw.).
Onderhave en Onderhaaf, V.
Onderhavenmeester, M., onderhavenmeesters.
Onderhebben, heeft onder, had onder, hadden onder, heeft ondergehad.
Onderhebbend.
Onderheien, heide onder, heeft onderheid.
Onderhelpen, hielp onder, heeft onderholpen.
Onderhemd, O., onderhemden; onderhemdje, O., onderhemdjes.
Onderhevig.
Onderhoofdman, M., onderhoofdlieden.
Onderhooren, onderhoorde, heeft onderhoord.
Onderhoorig.
Onderhoorige, M. en V., onderhoorigen.
Onderhoorigheid, V., onderhoorigheden.
Onderhoud, O.
Onderhouden, hield onder, heeft ondergehouden; ook onderhield, heeft onderhouden.
Onderhoudend, onderhoudender, onderhoudendst.
Onderhoudendheid, V.
Onderhouder, M., onderhouders.
Onderhouding, V.
Onderhoudplichtig.
Onderhoudskosten (mv.), M.
Onderhoudster, V., onderhoudsters.
Onderhout, O.
Onderhouw, M.
Onderhuid, V., onderhuiden.
Onderhuidsch.
Onderhuis, O., onderhuizen; onderhuisje, O., onderhuisjes.
Onderhuren, onderhuurde, heeft onderhuurd.
Onderhuring, V., onderhuringen.
Onderhuur, V.
Onderhuurder, M., onderhuurders.
Onderijzer, O., onderijzers.
Onderin.
Onderjurk, V., onderjurken.
Onderkaak, V., onderkaken.
Onderkaaksbeen, O., onderkaaksbeenderen.
Onderkam, M., onderkammen; onderkammetje, O., onderkammetjes.
Onderkanselier, M., onderkanseliers en onderkanselieren.
Onderkant, M., onderkanten; onderkantje, O., onderkantjes.
Onderkapitein, M., onderkapiteins.
Onderkast, V., onderkasten; onderkastje, O., onderkastjes.
Onderkennen, onderkende, heeft onderkend.
Onderkenning, V.
Onderkerk, V., onderkerken.
Onderkeuken, V., onderkeukens.
Onderkiesdistrict, O., onderkiesdistricten.
Onderkimweger, M., onderkimwegers.
Onderkin, V., onderkinnen; onderkinnetje, O., onderkinnetjes.
Onderklavier, O., onderklavieren.
Onderkleed (kleedingstuk), O., onderkleeden; onderkleedje, O., onderkleedjes.
Onderkleed (dekkleed), O., onderkleeden; onderkleedje, O., onderkleedjes.
Onderkleeding, V.
Onderkok, M., onderkoks.
Onderkoksmaat, M., onderkoksmaats; onderkoksmaatje, O., onderkoksmaatjes.
Onderkomeling, M. en V., onderkomelingen. V. ook onderkomelinge.
Onderkomen, komt onder, kwam onder, kwamen onder, is ondergekomen.
Onderkomen, O.
Onderkoning, M., onderkoningen.
Onderkoningschap, O.
Onderkorst, V., onderkorsten; onderkorstje, O., onderkorstjes.
Onderkoster, M., onderkosters.
Onderkous, V., onderkousen; onderkousje, O., onderkousjes.
Onderkrijgen, kreeg onder, kregen onder, heeft ondergekregen.
Onderkrop, M., onderkroppen.
Onderkruier, M., onderkruiers.
Onderkruipen, kroop onder, kropen onder, is ondergekropen; ook onderkroop, onderkropen, heeft onderkropen.
Onderkruiper, M., onderkruipers.
Onderkruiperij, V., onderkruiperijen.
Onderkruipertje, O., onderkruipertjes.
Onderkruiping, V., onderkruipingen.
Onderkruipster, V., onderkruipsters.
Onderkruipstertje, O., onderkruipstertjes.
Onderkuil, V.
Onderkunnen, kan onder, kunnen onder, konde en kon onder, konden onder, heeft ondergekund.
Onderkussen, O., onderkussens; onderkussentje, O., onderkussentjes.
Onderlaag, V., onderlagen; onderlaagje, O., onderlaagjes.
Onderlaken, O., onderlakens; onderlakentje, O., onderlakentjes.
Onderlandvoogd, M., onderlandvoogden.
Onderlandvoogdij, V.
Onderlangs.
Onderlast, M.
Onderlaten, liet onder, heeft ondergelaten.
Onderlegd en Onderleid.
Onderleggen, legde en leide onder, heeft ondergelegd en ondergeleid; ook onderlegde en onderleide, heeft onderlegd en onderleid.
Onderlegger, M., onderleggers.
Onderlegsel, O., onderlegsels.
Onderleid. Zie Onderlegd.
Onderliggen, lag onder, lagen onder, heeft ondergelegen.
Onderliggend.
Onderligger, M., onderliggers.
Onderlijf, O., onderlijven; onderlijfje, O., onderlijfjes.
Onderlijk, O., onderlijken.
Onderlijnen, onderlijnde, heeft onderlijnd.
Onderlijning, V., onderlijningen.
Onderlijzeil, O., onderlijzeilen en onderlijzeils.
Onderling.
Onderlinnen, O.
Onderlip, V., onderlippen; onderlipje, O., onderlipjes.
Onderloopen, liep onder, is ondergeloopen.
Onderloopsch.
Onderloopschheid, V.
Onderlosser, M., onderlossers.
Onderlucht, V.
Ondermaansch.
Ondermaansche, O.
Ondermaat, V.
Ondermatras, V., ondermatrassen; ondermatrasje, O., ondermatrasjes.
Ondermeester, M., ondermeesters; ondermeestertje, O., ondermeestertjes.
Ondermelk, V.
Ondermengen, ondermengde, heeft ondermengd.
Ondermijnen, ondermijnde, heeft ondermijnd.
Ondermijner, M., ondermijners.
Ondermijning, V., ondermijningen.
Ondermolen, M., ondermolens.
Ondermouw, V., ondermouwen; ondermouwtje, O., ondermouwtjes.
Ondermuts, V., ondermutsen; ondermutsje, O., ondermutsjes.
Ondermuur, M., ondermuren; ondermuurtje, O., ondermuurtjes.
Ondernemen, ondernam, ondernamen, heeft ondernomen.
Ondernemend, ondernemender, ondernemendst.
Ondernemer, M., ondernemers.
Onderneming, V., ondernemingen.
Ondernemingsgeest, M.
Ondernemingszucht, V.
Ondernok, V., ondernokken.
Onderofficier, M., onderofficieren en onderofficiers; onderofficiertje, O., onderofficiertjes.
Onderofficiersstrepen (mv.), V.
Onderom.
Onderom, V. en O.
Onderonsje, O., onderonsjes.
Onderoog, O., onderoogen.
Onderooglid, O., onderoogleden.
Onderopzichter, M., onderopzichters.
Onderoven, M., onderovens.
Onderpacht, V.
Onderpachten, onderpachtte, heeft onderpacht.
Onderpachter, M., onderpachters.
Onderpand, O., onderpanden; onderpandje, O., onderpandjes.
Onderpastoor, M., onderpastoors.
Onderpijp, V., onderpijpen.
Onderpikeur, M., onderpikeurs.
Onderplaat, V., onderplaten; onderplaatje, O., onderplaatjes.
Onderploegen, ploegde onder, heeft ondergeploegd.
Onderploeging, V.
Onderplompen, plompte onder, heeft en is ondergeplompt.
Onderplomping, V.
Onderpompen, pompte onder, heeft ondergepompt.
Onderprefect, M., onderprefecten.
Onderprefectuur, V., onderprefecturen.
Onderprior, M., onderpriors.
Onderpriores, V., onderprioressen.
Onderpriorschap, O.
Onderra, V., onderraas.
Onderraaklijn, V., onderraaklijnen.
Onderraam, O., onderramen.
Onderraken, raakte onder, is ondergeraakt.
Onderrand, M., onderranden; onderrandje, O., onderrandjes.
Onderreep, M., onderreepen.
Onderregel, M., onderregels.
Onderregenen, regende onder, is ondergeregend.
Onderregent, M., onderregenten.
Onderrekenen, rekende onder, heeft ondergerekend.
Onderricht, O.
Onderrichten, onderrichtte, heeft onderricht.
Onderrichter, M., onderrichters.
Onderrichting, V., onderrichtingen.
Onderriem, M., onderriemen; onderriempje, O., onderriempjes.
Onderrijden, reed onder, reden onder, is en heeft ondergereden.
Onderrok, M., onderrokken; onderrokje, O., onderrokjes.
Onderruim, O.
Onderschatten, onderschatte, heeft onderschat.
Onderscheid, O.
Onderscheiden (bnw.).
Onderscheiden, onderscheidde, heeft onderscheiden.
Onderscheidenlijk.
Onderscheiding, V., onderscheidingen.
Onderscheidingsgave, V.
Onderscheidingsteeken, O., onderscheidingsteekens en onderscheidingsteekenen.
Onderscheidingsvermogen, O.
Onderscheidingsvlag, V., onderscheidingsvlaggen.
Onderscheppen, onderschepte, heeft onderschept.
Onderschepping, V., onderscheppingen.
Onderschikken, onderschikte, heeft onderschikt.
Onderschikkend.
Onderschip, O.
Onderschoren, onderschoorde, heeft onderschoord.
Onderschoring, V., onderschoringen.
Onderschout, M., onderschouten.
Onderschragen, onderschraagde, heeft onderschraagd.
Onderschrappen, onderschrapte, heeft onderschrapt.
Onderschrift, O., onderschriften; onderschriftje, O., onderschriftjes.
Onderschrijven, onderschreef, onderschreven, heeft onderschreven.
Onderschrijving, V., onderschrijvingen.
Onderschuiven, schoof onder, schoven onder, heeft ondergeschoven.
Onderschuiver, M., onderschuivers.
Ondershands (bijw.).
Onderslaan, ondersloeg, heeft onderslagen.
Onderslag, M., onderslagen.
Onderslede, V., ondersleden.
Ondersmijten, smeet onder, smeten onder, heeft ondergesmeten.
Ondersnede, ook Ondersnee, V., ondersneden (ondersneeën); ondersneetje, O., ondersneetjes.
Ondersneeuwen, sneeuwde onder, is ondergesneeuwd.
Onderspannen, onderspande, heeft onderspannen.
Onderspil, O., onderspillen.
Onderspit, O.
Onderspitten, spitte onder, heeft ondergespit.
Onderspuiten, spoot onder, spoten onder, heeft ondergespoten.
Onderst.
Onderstaan, onderstond, heeft onderstaan.
Onderstaand.
Onderstampen, stampte onder, heeft ondergestampt.
Onderstand, M.
Onderstandig.
Onderstandsgeld, O., onderstandsgelden.
Onderstboven.
Onderste, O.
Ondersteek, O., ondersteken.
Ondersteeksel, O., ondersteeksels.
Onderstel, O., onderstellen; onderstelletje, O., onderstelletjes.
Onderstellen, onderstelde, heeft ondersteld.
Onderstelling, V., onderstellingen.
Ondersteunen, ondersteunde, heeft ondersteund.
Ondersteuning, V., ondersteuningen.
Onderstreepen, onderstreepte, heeft onderstreept.
Onderstreping, V., onderstrepingen.
Onderstroom, M., onderstroomen.
Onderstuk, O., onderstukken.
Onderstut, M., onderstutten.
Onderstutten, onderstutte, heeft onderstut.
Onderstuurman, M., onderstuurlieden en onderstuurlui.
Ondertand, M., ondertanden.
Ondertasten, ondertastte, heeft ondertast.
Onderteekenaar, M., onderteekenaren en onderteekenaars.
Onderteekenen, onderteekende, heeft onderteekend.
Onderteekening, V., onderteekeningen.
Ondertijds.
Ondertrouw, M.
Ondertrouwde, M. en V., ondertrouwden.
Ondertrouwen, ondertrouwde, heeft ondertrouwd.
Ondertrouwing, V., ondertrouwingen.
Ondertusschen.
Onderuit.
Onderuitreven, reefde onderuit, heeft onderuitgereefd.
Ondervat, O., ondervaten.
Onderverdeelen, heeft onderverdeeld.
Onderverdeeling, V., onderverdeelingen.
Ondervest, O., ondervesten.
Ondervinden, ondervond, heeft ondervonden.
Ondervinding, V., ondervindingen.
Ondervloer, M., ondervloeren.
Ondervoorzitter, M., ondervoorzitters.
Ondervragen, ondervraagde, heeft ondervraagd; ook ondervroeg.
Ondervrager, M., ondervragers.
Ondervraging, V., ondervragingen.
Ondervrijen, ondervrijde, heeft ondervrijd.
Onderwal, M., onderwallen.
Onderwant, O.
Onderwater, O.
Onderwaterzetting, V., onderwaterzettingen.
Onderweg, M., onderwegen; onderwegje, O., onderwegjes.
Onderweg (bijw.).
Onderwelven, onderwelfde, heeft onderwelfd.
Onderwereld, V.
Onderwerken, werkte onder, heeft onderwerkt.
Onderwerp, O., onderwerpen; onderwerpje, O., onderwerpjes.
Onderwerpen, onderwierp, heeft onderworpen.
Onderwerping, V., onderwerpingen.
Onderwerpszin, M., onderwerpszinnen.
Onderwicht, O.
Onderwijl.
Onderwijs, O.
Onderwijskrachten (mv.), V.
Onderwijswet, V., onderwijswetten.
Onderwijszaken (mv.), V.
Onderwijzen, onderwees, onderwezen, heeft onderwezen.
Onderwijzer, M., onderwijzers.
Onderwijzeres, V., onderwijzeressen.
Onderwijzersgenootschap, O., onderwijzersgenootschappen.
Onderwijzerspersoneel, O.
Onderwijzerstraktement, O., onderwijzerstraktementen.
Onderwijzing, V., onderwijzingen.
Onderwind, O.
Onderwinden (zich onderwinden), onderwond zich, heeft zich onderwonden.
Onderworpeling, M. en V., onderworpelingen. V. ook onderworpelinge.
Onderworpen, onderworpener, onderworpenst.
Onderworpenheid, V.
Onderwroeten, onderwroette, heeft onderwroet.
Onderzaat, M., onderzaten.
Onderzeesch.
Onderzeil, O., onderzeilen.
Onderzetting, V., onderzettingen.
Onderzinken, zonk onder, is ondergezonken.
Onderzoek, O.
Onderzoeken, onderzocht, heeft onderzocht.
Onderzoeker, M., onderzoekers.
Onderzoeking, V., onderzoekingen.
Onderzwaveligzuur, O.
Ondeugd (gebrek), V., ondeugden.
Ondeugd (persoon), M. en V., ondeugden. Ondeugdje, O., ondeugdjes.
Ondeugdelijk.
Ondeugdzaam, ondeugdzamer, ondeugdzaamst.
Ondeugend, ondeugender, ondeugendst.
Ondeugendheid, V., ondeugendheden.
Ondicht, O.
Ondicht (bnw.).
Ondichterlijk, ondichterlijker, ondichterlijkst.
Ondienst, M., ondiensten.
Ondienstig, ondienstiger, ondienstigst.
Ondiep, ondieper, ondiepst.
Ondiepte, V., ondiepten.
Ondier, O., ondieren.
Onding, O., ondingen.
Ondoelmatig, ondoelmatiger, ondoelmatigst.
Ondoeltreffend, ondoeltreffender, ondoeltreffendst.
Ondoenlijk, ondoenlijker, ondoenlijkst.
Ondoenlijkheid, V.
Ondoofbaar.
Ondoordacht.
Ondoordringbaar, ondoordringbare.
Ondoordringbaarheid, V.
Ondoorgrond.
Ondoorgrondelijk, ondoorgrondelijker, ondoorgrondelijkst.
Ondoorgrondelijkheid, V.
Ondoorkomelijk, ondoorkomelijker, ondoorkomelijkst.
Ondoorschijnend.
Ondoorschijnendheid, V.
Ondoorstaanbaar.
Ondoorwaadbaar, ondoorwaadbare.
Ondoorworstelbaar, ondoorworstelbare.
Ondoorzichtig, ondoorzichtiger, ondoorzichtigst.
Ondoorzichtigheid, V.
Ondoorzienbaar.
Ondoorzocht.
Ondraagbaar, ondraagbare.
Ondraaglijk, ondraaglijker, ondraaglijkst.
Ondraaglijkheid, V.
Ondrinkbaar, ondrinkbare.
Ondrinkbaarheid, V.
Ondubbelzinnig, ondubbelzinniger, ondubbelzinnigst.
Ondubbelzinnigheid, V.
Onduidelijk, onduidelijker, onduidelijkst.
Onduidelijkheid, V., onduidelijkheden.
Onduitsch.
Onduldbaar, onduldbare.
Onduldelijk, onduldelijker, onduldelijkst.
Onduline, V., ondulines.
Onecht, M.
Onecht, onechter, onechtst.
Onechtheid, V.
Onedel, onedeler, onedelst.
Onedelaardig.
Onedelmoedig, onedelmoediger, onedelmoedigst.
Onedelmoedigheid, V.
Oneendrachtig.
Oneenig, oneeniger, oneenigst.
Oneenigheid, V., oneenigheden.
Oneenparig.
Oneenparigheid, V., oneenparigheden.
Oneens.
Oneensgezind.
Oneensgezindheid, V.
Oneenstemmig.
Oneer, V.
Oneerbaar, oneerbaarder, oneerbaarst.
Oneerbaarheid, V.
Oneerbiedig, oneerbiediger, oneerbiedigst.
Oneerbiedigheid, V., oneerbiedigheden.
Oneerbiediglijk.
Oneerlijk, oneerlijker, oneerlijkst.
Oneerlijkheid, V., oneerlijkheden.
Oneetbaar, oneetbare.
Oneffen, oneffener, oneffenst.
Oneffenheid, V., oneffenheden.
Oneigen.
Oneigenaardig, oneigenaardiger, oneigenaardigst.
Oneigenaardigheid, V.
Oneigenlijk.
Oneigenlijkheid, V.
Oneindig.
Oneindigheid, V.
Oneindigmaal.
Onereus, onereuzer, onereust.
Onergdenkend, onergdenkender, onergdenkendst.
Onergerlijk, onergerlijker, onergerlijkst.
Onerkend.
Onerkentelijk, onerkentelijker, onerkentelijkst.
Onerkentelijkheid, V.
Onervaren, onervarener, onervarenst.
Onervarenheid, V.
Oneven.
Onevenheid, V.
Onevenmatig, onevenmatiger, onevenmatigst.
Onevenmatigheid, V.
Onevenredig, onevenrediger, onevenredigst.
Onevenredigheid, V., onevenredigheden.
Onfaalbaar, onfaalbare.
Onfatsoenlijk, onfatsoenlijker, onfatsoenlijkst.
Onfatsoenlijkheid, V., onfatsoenlijkheden.
Onfeilbaar, onfeilbare.
Onfeilbaarheid, V.
Onfraai.
Onfrisch, onfrisscher.
Onfrischheid, V.
Ongaaf, ongaver, ongaafst.
Ongaar, ongare.
Ongaarheid, V.
Ongaarne.
Ongalijk, ongalijker, ongalijkst.
Ongalijkheid, V.
Ongangbaar, ongangbare.
Ongangbaarheid, V.
Ongansch, O.
Ongansch.
Ongastvrij, ongastvrijer.
Ongastvrijheid, V.
Ongeacht.
Ongeadeld.
Ongeaderd.
Ongebaand, ongebaander, ongebaandst.
Ongebaandheid, V.
Ongebaard (baardeloos).
Ongebakken.
Ongeballast.
Ongebalsemd.
Ongebeden.
Ongebeft.
Ongebeurd.
Ongebeurlijk, ongebeurlijker, ongebeurlijkst.
Ongebezigd.
Ongebiecht.
Ongeblanket, ongeblankette.
Ongebleekt.
Ongebloemd.
Ongebluscht.
Ongeboeid.
Ongeboekt.
Ongeboend.
Ongebogen.
Ongebonden, ongebondener, ongebondenst.
Ongebondenheid, V., ongebondenheden.
Ongeboord.
Ongeborduurd.
Ongeboren.
Ongebreideld.
Ongebroken.
Ongebruikelijk, ongebruikelijker, ongebruikelijkst.
Ongebruikelijkheid, V.
Ongebruikt.
Ongebruineerd.
Ongebuild.
Ongedaan (onverricht), ongedane.
Ongedaan (er slecht uitziende), ongedaner, ongedaanst.
Ongedacht.
Ongedachtig.
Ongedagteekend.
Ongedateerd.
Ongedeeld.
Ongedeerd.
Ongedekt.
Ongedienstig, ongedienstiger, ongedienstigst.
Ongedienstigheid, V.
Ongedierte, O.
Ongedoopt.
Ongedopt.
Ongedorscht.
Ongedrongen.
Ongedroogd.
Ongedroomd.
Ongedrukt.
Ongeduld, O.
Ongeduldig, ongeduldiger, ongeduldigst.
Ongeduldigheid, V.
Ongedurig, ongeduriger, ongedurigst.
Ongedurigheid, V.
Ongedwongen, ongedwongener, ongedwongenst.
Ongedwongenheid, V.
Ongeëgd.
Ongeestig.
Ongefatsoeneerd.
Ongefoelied.
Ongeformeerd.
Ongegist.
Ongeglansd.
Ongegoed.
Ongegomd.
Ongegord.
Ongegrendeld.
Ongegrond, ongegronder, ongegrondst.
Ongegrondheid, V.
Ongehard.
Ongeharnast.
Ongehaspeld.
Ongehavend.
Ongehekeld.
Ongehinderd.
Ongehoopt.
Ongehoord, ongehoorder, ongehoordst.
Ongehoordheid, V.
Ongehoornd en Ongehorend.
Ongehoorzaam, ongehoorzamer, ongehoorzaamst.
Ongehoorzaamheid, V., ongehoorzaamheden.
Ongehouden.
Ongehoudenheid, V.
Ongehuicheld.
Ongehuwd.
Ongekaakt.
Ongekamd.
Ongekantrecht.
Ongekapt.
Ongekarteld.
Ongekend.
Ongekeperd.
Ongeketend.
Ongekeurd.
Ongekleed, ongekleede.
Ongekleurd.
Ongekluisterd.
Ongeknakt.
Ongekneusd.
Ongeknield.
Ongeknot, ongeknotte.
Ongekookt.
Ongekoperd.
Ongekorven.
Ongekrenkt.
Ongekreukt.
Ongekroond.
Ongekruid.
Ongekruld.
Ongekuifd.
Ongekuischt.
Ongekunsteld.
Ongekunsteldheid, V.
Ongekurkt.
Ongekweld.
Ongekwetst.
Ongel, V.
Ongelaagd.
Ongelaakt.
Ongelaarsd.
Ongelachtig, ongelachtiger, ongelachtigst.
Ongelachtigheid, V.
Ongelakt.
Ongelasterd.
Ongelauwerd.
Ongeld, O., ongelden.
Ongeleerd.
Ongelegen, ongelegener, ongelegenst.
Ongelegenheid, V., ongelegenheden.
Ongeletterd.
Ongeletterde, M. en V., ongeletterden.
Ongelezen.
Ongelig, ongeliger, ongeligst.
Ongeligheid, V.
Ongelijk, ongelijker, ongelijkst.
Ongelijk, O.
Ongelijkbaar, ongelijkbare.
Ongelijkbrekend.
Ongelijkelijk.
Ongelijkheid, V., ongelijkheden.
Ongelijkmatig, ongelijkmatiger, ongelijkmatigst.
Ongelijkmatigheid, V., ongelijkmatigheden.
Ongelijknamig.
Ongelijkslachtig, ongelijkslachtiger, ongelijkslachtigst.
Ongelijkslachtigheid, V.
Ongelijksoortig.
Ongelijksoortigheid, V.
Ongelijkvormig, ongelijkvormiger, ongelijkvormigst.
Ongelijkvormigheid, V.
Ongelijmd.
Ongelijnd.
Ongelikt, ongelikter, ongeliktst.
Ongeliktheid, V.
Ongelinieerd.
Ongelogen.
Ongeloken.
Ongeloochend.
Ongeloof, O.
Ongeloofbaar, ongeloofbaarder, ongeloofbaarst.
Ongeloofbaarheid, V.
Ongeloofelijk, ongeloofelijker, ongeloofelijkst.
Ongeloofelijkheid, V.
Ongeloofwaardig, ongeloofwaardiger, ongeloofwaardigst, of meer en meest ongeloofwaardig.
Ongeloofwaardigheid, V.
Ongeloogd.
Ongelooid.
Ongeloovig, ongelooviger, ongeloovigst.
Ongeloovige, M. en V., ongeloovigen.
Ongeloovigheid, V.
Ongelouterd.
Ongeluk, O., ongelukken. Ongelukje, O., ongelukjes.
Ongelukkig, ongelukkiger, ongelukkigst.
Ongelukkigerwijze en ongelukkigerwijs.
Ongeluksbode, M. en V., ongeluksboden.
Ongeluksdag, M., ongeluksdagen.
Ongelukskind, O., ongelukskinderen.
Ongeluksprofeet, M., ongeluksprofeten.
Ongeluksvogel, M., ongeluksvogels.
Ongemaaid.
Ongemaakt, ongemaakter, ongemaaktst.
Ongemaaktheid, V.
Ongemachtigd.
Ongemak, O., ongemakken. Ongemakje, O., ongemakjes.
Ongemakkelijk, ongemakkelijker, ongemakkelijkst.
Ongemakkelijkheid, V.
Ongemalen.
Ongemangeld.
Ongemanierd, ongemanierder, ongemanierdst.
Ongemanierdheid, V., ongemanierdheden.
Ongemarmerd.
Ongemaskerd.
Ongemeen, ongemeener, ongemeenst.
Ongemeend.
Ongemeenheid, V.
Ongemengd.
Ongemerkt.
Ongemest.
Ongemeten.
Ongemeubeld.
Ongemeubileerd.
Ongemoeid.
Ongemuilband.
Ongemunt.
Ongenaakbaar, ongenaakbaarder, ongenaakbaarst.
Ongenaakbaarheid, V.
Ongenade, V.
Ongenadig, ongenadiger, ongenadigst.
Ongeneesbaar, ongeneesbare.
Ongeneesbaarheid, V.
Ongeneeslijk en Ongeneselijk, ongeneeslijker of ongeneselijker, ongeneeslijkst of ongeneselijkst.
Ongeneeslijkheid, V.
Ongenegen, ongenegener, ongenegenst.
Ongenegenheid, V.
Ongeneigd.
Ongeneigdheid, V.
Ongeneselijk. Zie Ongeneeslijk.
Ongeneugte, V., ongeneugten.
Ongenietbaar, ongenietbare.
Ongenoegen, O.
Ongenoeglijk, ongenoeglijker, ongenoeglijkst.
Ongenoegzaam, ongenoegzamer, ongenoegzaamst.
Ongenoegzaamheid, V.
Ongenoemd.
Ongenommerd.
Ongenood.
Ongenoodigd.
Ongeoefend, ongeoefender, ongeoefendst.
Ongeoefendheid, V.
Ongeolied.
Ongeoorloofd, ongeoorloofder, ongeoorloofdst.
Ongeoorloofdheid, V.
Ongeopend.
Ongeordend.
Ongepaard.
Ongepast, ongepaster.
Ongepastheid, V.
Ongepekeld.
Ongepeld.
Ongepeperd.
Ongepermitteerd.
Ongeplaveid.
Ongepleisterd.
Ongeplet, ongeplette.
Ongeploegd.
Ongepluimd.
Ongepolijst.
Ongepolijstheid, V.
Ongepolitoerd.
Ongeprezen.
Ongepunt.
Ongeraden, ongeradener, ongeradenst.
Ongeradenheid, V.
Ongerand.
Ongerechtig, ongerechtiger, ongerechtigst.
Ongerechtigheid, V., ongerechtigheden.
Ongereede, O.
Ongeregeld, ongeregelder, ongeregeldst.
Ongeregeldheid, V., ongeregeldheden.
Ongereinigd.
Ongerekend.
Ongerept.
Ongerezen.
Ongerief, O.
Ongeriefelijk, ongeriefelijker, ongeriefelijkst.
Ongeriefelijkheid, V., ongeriefelijkheden.
Ongerijmd, ongerijmder, ongerijmdst.
Ongerijmdheid, V., ongerijmdheden.
Ongerimpeld.
Ongeroepen.
Ongeroosterd.
Ongerust, ongeruster.
Ongerustelijk.
Ongerustheid, V.
Ongeschaafd.
Ongeschapen.
Ongescheiden.
Ongescheurd.
Ongeschift.
Ongeschikt, ongeschikter, ongeschiktst.
Ongeschiktheid, V.
Ongeschoeid.
Ongeschokt.
Ongeschonden, ongeschondener, ongeschondenst.
Ongeschondenheid, V.
Ongeschoren.
Ongeschreven.
Ongeschubd.
Ongeslepen.
Ongesloten.
Ongesluierd.
Ongesmeerd.
Ongesmolten.
Ongesnoeid.
Ongesnoerd.
Ongespannen.
Ongespleten.
Ongesplitst.
Ongesponnen.
Ongestadig, ongestadiger, ongestadigst.
Ongestadigheid, V.
Ongestampt.
Ongesteeld.
Ongesteld.
Ongesteldheid, V., ongesteldheden.
Ongestempeld.
Ongesteven.
Ongestoffeerd.
Ongestoord.
Ongestraft.
Ongestreept.
Ongestudeerd.
Ongesuikerd.
Ongetakt.
Ongetand.
Ongeteerd.
Ongeteld.
Ongetemd.
Ongetemperd.
Ongetiteld.
Ongetoomd.
Ongetroost.
Ongetrouw, ongetrouwer, ongetrouwst.
Ongetrouwd.
Ongetrouwelijk.
Ongetrouwheid, V.
Ongetwijfeld.
Ongetwijnd.
Ongevaarlijk, ongevaarlijker, ongevaarlijkst.
Ongeval, O., ongevallen. Ongevalletje, O., ongevalletjes.
Ongevallenwet, V.
Ongevallig, ongevalliger, ongevalligst.
Ongevalligheid, V.
Ongevederd.
Ongeveer.
Ongeveinsd, ongeveinsder, meest ongeveinsd.
Ongeveinsdheid, V.
Ongeverfd.
Ongevergd.
Ongevernist.
Ongevleid.
Ongevlekt.
Ongevleugeld.
Ongevoeglijk, ongevoeglijker, ongevoeglijkst.
Ongevoeglijkheid, V.
Ongevoelig, ongevoeliger, ongevoeligst.
Ongevoeligheid, V.
Ongevolgd.
Ongevorderd.
Ongevormd.
Ongevouwen.
Ongevraagd.
Ongewaarschuwd.
Ongewapend.
Ongewasschen.
Ongewast.
Ongewaterd.
Ongeweekt.
Ongeweigerd.
Ongewenscht.
Ongeweven.
Ongewied.
Ongewijd.
Ongewild.
Ongewillig, ongewilliger, ongewilligst.
Ongewilligheid, V.
Ongewis, ongewisser, meest ongewis.
Ongewisheid, V., ongewisheden.
Ongewisseld.
Ongewit, ongewitte.
Ongewond.
Ongewoon, ongewoner, ongewoonst.
Ongewoonheid, V., ongewoonheden.
Ongewoonte, V.
Ongewroken.
Ongewrongen, ongewrongener, ongewrongenst.
Ongewrongenheid, V.
Ongezaagd.
Ongezaaid.
Ongezadeld.
Ongezalfd.
Ongezegeld.
Ongezeglijk, ongezeglijker, ongezeglijkst.
Ongezeglijkheid, V.
Ongezellig, ongezelliger, ongezelligst.
Ongezelligheid, V.
Ongezien.
Ongezift.
Ongezind.
Ongezocht, ongezochter, ongezochtst.
Ongezochtheid, V.
Ongezond, ongezonder, ongezondst.
Ongezondheid, V.
Ongezoold.
Ongezoomd.
Ongezouten.
Ongezuiverd.
Ongezuurd.
Ongezwaveld.
Ongoddelijk.
Ongodist, M., ongodisten.
Ongodisterij, V.
Ongodsdienstig, ongodsdienstiger, ongodsdienstigst.
Ongodsdienstigheid, V.
Ongracelijk.
Ongrondwettig, ongrondwettiger, ongrondwettigst.
Ongrondwettigheid, V.
Ongunst, V.
Ongunstig, ongunstiger, ongunstigst.
Ongunstigheid, V.
Onguur, onguurder, onguurst.
Onguurheid, V., onguurheden.
Onhandelbaar, onhandelbaarder, onhandelbaarst.
Onhandelbaarheid, V.
Onhandig, onhandiger, onhandigst.
Onhandigheid, V., onhandigheden.
Onharmonisch.
Onhebbelijk, onhebbelijker, onhebbelijkst.
Onhebbelijkheid, V., onhebbelijkheden.
Onheelbaar, onheelbare.
Onheil, O., onheilen. Onheiltje, O., onheiltjes.
Onheilig, onheiliger, onheiligst.
Onheiligheid, V.
Onheilsbode, M., onheilsboden.
Onheilsdag, M., onheilsdagen.
Onheilspellend.
Onherbergzaam, onherbergzamer, onherbergzaamst.
Onherbergzaamheid, V.
Onherkenbaar, onherkenbare.
Onherkenbaarheid, V.
Onherkiesbaar, onherkiesbare.
Onherkiesbaarheid, V.
Onherleidbaar, onherleidbare.
Onherleidbaarheid, V.
Onherroepbaar, onherroepbare.
Onherroepbaarheid, V.
Onherroepelijk.
Onherroepelijkheid, V.
Onherstelbaar, onherstelbare.
Onheuglijk.
Onheusch, onheuscher, meest onheusch.
Onheuschheid, V., onheuschheden.
Onhistorisch.
Onhoffelijk, onhoffelijker, onhoffelijkst.
Onhoffelijkheid, V., onhoffelijkheden.
Onhollandsch.
Onhoudbaar, onhoudbaarder, onhoudbaarst.
Onhoudbaarheid, V.
Onhout, O.
Onhuiselijk en Onhuislijk, onhuiselijker en onhuislijker, onhuiselijkst en onhuislijkst.
Onhuiselijkheid en Onhuislijkheid, V.
Oningebonden.
Oningelicht.
Oningemaakt.
Oningenaaid.
Oningevuld.
Oningewijd.
Oninneembaar, oninneembare.
Onjoodsch.
Onjuist, onjuister.
Onjuistheid, V., onjuistheden.
Onkenbaar, onkenbaarder, onkenbaarst.
Onkenbaarheid, V.
Onkerkelijk.
Onkiesch, onkiescher, meest onkiesch.
Onkieschheid, V., onkieschheden.
Onklaar, onklare.
Onklaarheid, V.
Onknap.
Onkostbaar, onkostbaarder, onkostbaarst.
Onkosten (mv.), M.
Onkreukbaar, onkreukbaarder, onkreukbaarst.
Onkreukbaarheid, V.
Onkruid, O., onkruiden. Onkruidje, O., onkruidjes.
Onkuisch, onkuischer, meest onkuisch.
Onkuischheid, V.
Onkunde, V.
Onkundig, onkundiger, onkundigst.
Onkwetsbaar, onkwetsbare.
Onkwetsbaarheid, V.
Onland, O., onlanden.
Onlangs.
Onledig.
Onleesbaar, onleesbaarder, onleesbaarst.
Onleesbaarheid, V.
Onlekker.
Onleschbaar, onleschbare.
Onleverbaar, onleverbare.
Onlichamelijk.
Onlief, onliever, onliefst.
Onlijdelijk, onlijdelijker, onlijdelijkst.
Onlijdelijkheid, V.
Onlogisch.
Onloochenbaar, onloochenbaarder, onloochenbaarst.
Onloochenbaarheid, V.
Onlust (lusteloosheid), M.
Onlusten (woelingen), (mv.), M.
Onlustig, onlustiger, onlustigst.
Onlustigheid, V.
Onmacht, V.
Onmachtig, onmachtiger, onmachtigst.
Onmanierlijk, onmanierlijker, onmanierlijkst.
Onmanierlijkheid, V., onmanierlijkheden.
Onmanlijk, onmanlijker, onmanlijkst.
Onmanlijkheid, V.
Onmatig, onmatiger, onmatigst.
Onmatigheid, V.
Onmeedoogend, onmeedoogender, onmeedoogendst.
Onmeedoogendheid, V.
Onmeetbaar, onmeetbare.
Onmeetbaarheid, V.
Onmensch, O., onmenschen.
Onmenschelijk, onmenschelijker, onmenschelijkst.
Onmenschelijkheid, V., onmenschelijkheden.
Onmerkbaar, onmerkbaarder, onmerkbaarst.
Onmetelijk, onmetelijker, onmetelijkst.
Onmetelijkheid, V.
Onmiddellijk.
Onmin, V.
Onmisbaar, onmisbaarder, onmisbaarst.
Onmisbaarheid, V.
Onmiskenbaar, onmiskenbaarder, onmiskenbaarst.
Onmiskenbaarheid, V.
Onmoed, M.
Onmogelijk, onmogelijker, onmogelijkst.
Onmogelijkheid, V., onmogelijkheden.
Onmondig.
Onmondigheid, V.
Onnadenkend, onnadenkender, onnadenkendst.
Onnadenkendheid, V.
Onnaspeurbaar, onnaspeurbare.
Onnaspeurlijk, onnaspeurlijker, onnaspeurlijkst.
Onnaspeurlijkheid, V., onnaspeurlijkheden.
Onnatuurlijk, onnatuurlijker, onnatuurlijkst.
Onnatuurlijkheid, V., onnatuurlijkheden.
Onnauwkeurig, onnauwkeuriger, onnauwkeurigst.
Onnauwkeurigheid, V., onnauwkeurigheden.
Onnavolgbaar, onnavolgbaarder, onnavolgbaarst.
Onnavolgbaarheid, V.
Onnederlandsch.
Onneembaar, onneembare.
Onnoembaar, onnoembare.
Onnoemelijk, onnoemelijker, onnoemelijkst.
Onnoodig, onnoodiger, onnoodigst.
Onnoodigheid, V.
Onnoozel, onnoozeler, onnoozelst.
Onnoozele-kinderendag, M.
Onnoozelheid, V.
Onnut, onnutter, onnutst.
Onnuttig.
Onomkoopbaar, onomkoopbare.
Onomkoopbaarheid, V.
Onomstootelijk, onomstootelijker, onomstootelijkst.
Onontbeerlijk, onontbeerlijker, onontbeerlijkst.
Onontbeerlijkheid, V.
Onontbindbaar, onontbindbare.
Onontbindbaarheid, V.
Onontdekt.
Onontgonnen.
Onontvlambaar, onontvlambare.
Onontvlambaarheid, V.
Onontwijkbaar, onontwijkbare.
Onontwikkeld.
Onooglijk, onooglijker, onooglijkst.
Onooglijkheid, V.
Onoorbaar, onoorbaarder, onoorbaarst.
Onoorbaarheid, V.
Onoordeelkundig, onoordeelkundiger, onoordeelkundigst.
Onoorspronkelijk.
Onopengesneden.
Onopgebonden.
Onopgelost.
Onopgemaakt.
Onopgemerkt.
Onopgeschreven.
Onopgesierd.
Onopgesmukt.
Onopgesneden.
Onopgeteekend.
Onopgetoomd.
Onopgetuigd.
Onopgevoed.
Onopgewekt.
Onophoudelijk.
Onoplettend, onoplettender, onoplettendst.
Onoplettendheid, V.
Onoplosbaar, onoplosbare.
Onoplosbaarheid, V.
Onopmerkzaam, onopmerkzamer, onopmerkzaamst.
Onopmerkzaamheid, V.
Onoprecht, onoprechter, onoprechtst.
Onoprechtheid, V.
Onopzegbaar.
Onopzettelijk.
Onordelijk, onordelijker, onordelijkst.
Onordelijkheid, V., onordelijkheden.
Onordentelijk, onordentelijker, onordentelijkst.
Onordentelijkheid, V., onordentelijkheden.
Onoverdacht.
Onoverdekt.
Onovergankelijk.
Onoverkomelijk, onoverkomelijker, onoverkomelijkst.
Onoverlegd.
Onovertrefbaar, onovertrefbare.
Onovertroffen.
Onoverwinbaar, onoverwinbare.
Onoverwinlijk en Onoverwinnelijk, onoverwinlijker en onoverwinnelijker, onoverwinlijkst en onoverwinnelijkst.
Onoverwinlijkheid, V.
Onoverwonnen.
Onoverzienbaar, onoverzienbare.
Onpaedagogisch.
Onpartijdig, onpartijdiger, onpartijdigst.
Onpartijdigheid, V.
Onpartijdiglijk.
Onpas (Te onpas).
Onpasselijk.
Onpasselijkheid, V.
Onpeilbaar, onpeilbare.
Onpeilbaarheid, V.
Onpersoonlijk.
Onpleizierig, onpleizieriger, onpleizierigst.
Onplooibaar, onplooibaarder, onplooibaarst.
Onpractisch.
Onprofijtelijk, onprofijtelijker, onprofijtelijkst.
Onprofijtelijkheid, V.
Onraad, O.
Onraadzaam, onraadzamer, onraadzaamst.
Onraadzaamheid, V.
Onrecht, O.
Onrechtmatig, onrechtmatiger, onrechtmatigst.
Onrechtmatigheid, V.
Onrechtvaardig, onrechtvaardiger, onrechtvaardigst.
Onrechtvaardigheid, V., onrechtvaardigheden.
Onrechtvaardiglijk.
Onrechtzinnig, onrechtzinniger, onrechtzinnigst.
Onrechtzinnigheid, V., onrechtzinnigheden.
Onredbaar, onredbare.
Onredelijk, onredelijker, onredelijkst.
Onredelijkheid, V., onredelijkheden.
Onredzaam, onredzamer, onredzaamst.
Onredzaamheid, V.
Onregelmatig, onregelmatiger, onregelmatigst.
Onregelmatigheid, V., onregelmatigheden.
Onrein, onreiner, onreinst.
Onreinheid, V., onreinheden.
Onridderlijk, onridderlijker, onridderlijkst.
Onrijm, O.
Onrijp, onrijper, onrijpst.
Onrijpheid, V.
Onroerend.
Onroomsch.
Onrust, V., onrusten.
Onrustig, onrustiger, onrustigst.
Onrustigheid, V.
Onruststoker, M., onruststokers.
Ons (pers. vnw.).
Ons, onze, ons.
Ons (hectogram), O., onsen. Onsje, O., onsjes.
Onsamenhangend.
Onschadelijk, onschadelijker, onschadelijkst.
Onschadelijkheid, V.
Onschatbaar, onschatbaarder, onschatbaarst.
Onscheidbaar, onscheidbare.
Onscheidbaarheid, V.
Onschendbaar, onschendbare.
Onschendbaarheid, V.
Onschriftmatig, onschriftmatiger, onschriftmatigst.
Onschriftmatigheid, V.
Onschriftuurlijk.
Onschuld, V.
Onschuldig, onschuldiger, onschuldigst.
Onsierlijk, onsierlijker, onsierlijkst.
Onsierlijkheid, V.
Onslijtbaar, onslijtbare.
Onsmakelijk, onsmakelijker, onsmakelijkst.
Onsmakelijkheid, V.
Onsmeltbaar, onsmeltbare.
Onsmeltbaarheid, V.
Onspoed, M., onspoeden.
Onstaatkundig, onstaatkundiger, onstaatkundigst.
Onstandvastig, onstandvastiger, onstandvastigst.
Onstandvastigheid, V.
Onstandvastiglijk.
Onsterfelijk.
Onsterfelijkheid, V.
Onsterfelijkheidsgeloof, O.
Onsterk, onsterker, onsterkst.
Onsterkheid, V.
Onsterkte, V.
Onstichtelijk, onstichtelijker, onstichtelijkst.
Onstichtelijkheid, V., onstichtelijkheden.
Onstoffelijk.
Onstoffelijkheid, V.
Onstraffelijk.
Onstrijdbaar, onstrijdbare.
Onstuimig, onstuimiger, onstuimigst.
Onstuimigheid, V., onstuimigheden.
Ontaalkundig.
Ontaard, ontaarder, ontaardst.
Ontaarden, ontaardde, is ontaard.
Ontaardheid, V.
Ontaarding, V., ontaardingen.
Ontadelen, ontadelde, heeft ontadeld.
Ontastbaar, ontastbare.
Ontbaarden, ontbaardde, heeft ontbaard.
Ontbeerlijk, ontbeerlijker, ontbeerlijkst.
Ontbeerlijkheid, V., ontbeerlijkheden.
Ontberen, ontbeerde, heeft ontbeerd.
Ontbering, V., ontberingen.
Ontbieden, ontbood, ontboden, heeft ontboden.
Ontbieder, M., ontbieders.
Ontbieding, V., ontbiedingen.
Ontbijt, O., ontbijten. Ontbijtje, O., ontbijtjes.
Ontbijten, ontbeet, ontbeten, heeft ontbeten.
Ontbijtgoed, O.
Ontbijtkamer, V., ontbijtkamers.
Ontbijtkoek (voorwerp), M., ontbijtkoeken; (stofnaam), V.
Ontbijtservies, O., ontbijtserviezen.
Ontbijttafel, V., ontbijttafels.
Ontbijtzaal, V., ontbijtzalen; ontbijtzaaltje, O., ontbijtzaaltjes.
Ontbindbaar.
Ontbindbaarheid, V.
Ontbinden, ontbond, heeft ontbonden.
Ontbinding, V., ontbindingen.
Ontbindingsrecht, O.
Ontbladeren, ontbladerde, heeft ontbladerd.
Ontbladering, V.
Ontblooten, ontblootte, heeft ontbloot.
Ontblooting, V., ontblootingen.
Ontboeien, ontboeide, heeft ontboeid.
Ontboeiing, V.
Ontboezemen, ontboezemde, heeft ontboezemd.
Ontboezeming, V., ontboezemingen.
Ontbolsteren, ontbolsterde, heeft ontbolsterd.
Ontbolstering, V.
Ontbrandbaar, ontbrandbare.
Ontbrandbaarheid, V.
Ontbranden, ontbrandde, is ontbrand.
Ontbranding, V., ontbrandingen.
Ontbreidelen, ontbreidelde, heeft ontbreideld.
Ontbreken, ontbrak, ontbraken, heeft ontbroken.
Ontbreking, V.
Ontchristenen, ontchristende, heeft ontchristend.
Ontcijferen, ontcijferde, heeft ontcijferd.
Ontcijfering, V., ontcijferingen.
Ontdaan.
Ontdaanheid, V.
Ontdekken, ontdekte, heeft ontdekt.
Ontdekker, M., ontdekkers.
Ontdekking, V., ontdekkingen.
Ontdekkingslust, M.
Ontdekkingsreis, V., ontdekkingsreizen.
Ontdekkingsreiziger, M., ontdekkingsreizigers.
Ontdekkingstocht, M., ontdekkingstochten.
Ontdoen, ontdeed, ontdeden, heeft ontdaan.
Ontdooien, ontdooide, heeft en is ontdooid.
Ontdooiing, V.
Ontdragen, ontdroeg, heeft ontdragen.
Ontdraven, ontdraafde, is ontdraafd.
Ontdrijven, ontdreef, ontdreven, heeft en is ontdreven.
Ontdubbelen, ontdubbelde, heeft ontdubbeld.
Ontdubbeling, V.
Ontduiken, ontdook, ontdoken, heeft en is ontdoken.
Ontduiking, V., ontduikingen.
Onteerder, M., onteerders.
Onteeren, onteerde, heeft onteerd.
Onteerend, onteerender, onteerendst.
Onteering, V., onteeringen.
Ontegenzeglijk, ontegenzeglijker, ontegenzeglijkst.
Ontegenzegelijkheid, V.
Onteigenen, onteigende, heeft onteigend.
Onteigening, V., onteigeningen.
Onteigeningswet, V., onteigeningswetten.
Ontelbaar, ontelbare.
Ontelbaarheid, V.
Ontembaar, ontembare.
Ontembaarheid, V.
Onterven, onterfde, heeft onterfd.
Onterving, V., ontervingen.
Ontevreden, ontevredener, ontevredenst.
Ontevredenheid, V.
Ontevredenheidsbetuiging, V., ontevredenheidsbetuigingen.
Ontfermen (zich ontfermen), ontfermde zich, heeft zich ontfermd.
Ontfermer, M.
Ontferming, V.
Ontfronsen, ontfronste, heeft ontfronst.
Ontfutselen, ontfutselde, heeft ontfutseld.
Ontfutseling, V., ontfutselingen.
Ontgaan, ontgaat, ontging, is ontgaan.
Ontgelden, ontgold, heeft ontgolden.
Ontgespen, ontgespte, heeft ontgespt.
Ontgeven (zich ontgeven), ontgaf zich, ontgaven zich, heeft zich ontgeven.
Ontginnen, ontgon, ontgonnen, heeft ontgonnen.
Ontginner, M., ontginners.
Ontginning, V., ontginningen.
Ontglijden, ontgleed, ontgleden, is ontgleden.
Ontglimmen, ontglom, ontglommen, is ontglommen.
Ontglippen, ontglipte, is ontglipt.
Ontgloeien, ontgloeide, heeft en is ontgloeid.
Ontgommen, ontgomde, heeft ontgomd.
Ontgoochelen, ontgoochelde, heeft ontgoocheld.
Ontgoocheling, V., ontgoochelingen.
Ontgraten, ontgraatte, heeft ontgraat.
Ontgraven, ontgroef, ontgroeven, heeft ontgraven.
Ontgraving, V., ontgravingen.
Ontgrendelen, ontgrendelde, heeft ontgrendeld.
Ontgrendeling, V.
Ontgroeien, ontgroeide, is ontgroeid.
Ontgroenen, ontgroende, heeft ontgroend.
Ontgroening, V., ontgroeningen.
Ontgroenpartij, V., ontgroenpartijen.
Ontgronden, ontgrondde, heeft ontgrond.
Ontgronding, V., ontgrondingen.
Onthaal, O.
Onthaken, onthaakte, heeft onthaakt.
Onthalen, onthaalde, heeft onthaald.
Onthalzen, onthalsde, heeft onthalsd.
Onthalzing, V., onthalzingen.
Onthanden, onthandde, heeft onthand.
Ontheffen, onthief, onthieven, heeft ontheven.
Ontheffing, V., ontheffingen.
Ontheiligen, ontheiligde, heeft ontheiligd.
Ontheiliger, M., ontheiligers.
Ontheiliging, V., ontheiligingen.
Ontheisteren, ontheisterde, heeft ontheisterd.
Ontheistering, V.
Onthollandschen, onthollandschte, heeft onthollandscht.
Onthollen, ontholde, is onthold.
Onthoofden, onthoofdde, heeft onthoofd.
Onthoofding, V., onthoofdingen.
Onthouden, onthield, heeft onthouden.
Onthouder, M., onthouders.
Onthouding, V.
Onthuiden, onthuidde, heeft onthuid.
Onthullen, onthulde, heeft onthuld.
Onthulling, V., onthullingen.
Onthuppelen, onthuppelde, is onthuppeld.
Onthutsen, onthutste, heeft en is onthutst.
Ontijd, M., ontijden.
Ontijdig, ontijdiger, ontijdigst.
Ontijdigheid, V.
Ontijlen, ontijlde, is ontijld.
Ontilbaar, ontilbare.
Ontilbaarheid, V.
Ontjagen, ontjaagde, heeft en is ontjaagd; ook ontjoeg.
Ontkapen, ontkaapte, heeft ontkaapt.
Ontkaping, V., ontkapingen.
Ontkennen, ontkende, heeft ontkend.
Ontkenner, M., ontkenners.
Ontkenning, V., ontkenningen.
Ontkenningswoord, O., ontkenningswoorden.
Ontkerkeren, ontkerkerde, heeft ontkerkerd.
Ontkerkering, V.
Ontketenen, ontketende, heeft ontketend.
Ontketening, V.
Ontkiemen, ontkiemde, is ontkiemd.
Ontkieming, V.
Ontkleeden, ontkleedde, heeft ontkleed.
Ontkleeding, V.
Ontkleuren, ontkleurde, heeft ontkleurd.
Ontkluisteren, ontkluisterde, heeft ontkluisterd.
Ontkluistering, V.
Ontknoopen, ontknoopte, heeft ontknoopt.
Ontknooping, V., ontknoopingen.
Ontkolen, ontkoolde, heeft ontkoold.
Ontkomen, ontkomt, ontkwam, ontkwamen, is ontkomen.
Ontkoming, V., ontkomingen.
Ontkoopen, ontkocht, heeft ontkocht.
Ontkoppelen, ontkoppelde, heeft ontkoppeld.
Ontkoppeling, V.
Ontkorrelen, ontkorrelde, heeft ontkorreld.
Ontkorsten, ontkorstte, heeft ontkorst.
Ontkorsting, V.
Ontkruipen, ontkroop, ontkropen, is ontkropen.
Ontkuipen, ontkuipte, heeft ontkuipt.
Ontkurken, ontkurkte, heeft ontkurkt.
Ontkurking, V.
Ontlaadtang, V., ontlaadtangen.
Ontladen, ontlaadde, heeft ontladen.
Ontlader, M., ontladers.
Ontlading, V., ontladingen.
Ontlasten, ontlastte, heeft ontlast.
Ontlasting, V.
Ontlastingsboog, M., ontlastingsbogen.
Ontlastpijp, V., ontlastpijpen.
Ontlaten, ontliet, heeft en is ontlaten.
Ontlating, V.
Ontleden, ontleedde, heeft ontleed.
Ontleder, M., ontleders.
Ontledigen, ontledigde, heeft ontledigd.
Ontlediging, V., ontledigingen.
Ontleding, V., ontledingen.
Ontleedkamer, V., ontleedkamers.
Ontleedkunde, V.
Ontleedkundig.
Ontleedkundige, M. en V., ontleedkundigen.
Ontleedkunst, V.
Ontleedmes, O., ontleedmessen.
Ontleenen, ontleende, heeft ontleend.
Ontleening, V., ontleeningen.
Ontleeren, ontleerde, heeft ontleerd.
Ontlijken, ontlijkte, heeft ontlijkt.
Ontlijven, ontlijfde, heeft ontlijfd.
Ontlijving, V., ontlijvingen.
Ontlokken, ontlokte, heeft ontlokt.
Ontlooden, ontloodde, heeft ontlood.
Ontloopen, ontliep, is ontloopen.
Ontlooping, V., ontloopingen.
Ontlooveren, ontlooverde, heeft ontlooverd.
Ontluiken, ontlook, ontloken, heeft en is ontloken.
Ontluiking, V.
Ontluisteren, ontluisterde, heeft ontluisterd.
Ontluistering, V.
Ontmaagden, ontmaagdde, heeft ontmaagd.
Ontmannen, ontmande, heeft ontmand.
Ontmanning, V.
Ontmantelen, ontmantelde, heeft ontmanteld.
Ontmanteling, V., ontmantelingen.
Ontmaskeren, ontmaskerde, heeft ontmaskerd.
Ontmaskering, V., ontmaskeringen.
Ontmast.
Ontmasten, ontmastte, heeft ontmast.
Ontmenscht.
Ontmergeld.
Ontmoedigen, ontmoedigde, heeft ontmoedigd.
Ontmoediging, V.
Ontmoeten, ontmoette, heeft en is ontmoet.
Ontmoeting, V., ontmoetingen.
Ontmunten, ontmuntte, heeft ontmunt.
Ontnederlandschen, ontnederlandschte, heeft ontnederlandscht.
Ontnemen, ontnam, ontnamen, heeft ontnomen.
Ontneming, V.
Ontnestelen, ontnestelde, heeft ontnesteld.
Ontnuchteren, ontnuchterde, heeft en is ontnuchterd.
Ontnuchtering, V., ontnuchteringen.
Ontoegankelijk, ontoegankelijker, ontoegankelijkst.
Ontoegankelijkheid, V.
Ontoepasselijk.
Ontoereikend.
Ontoereikendheid, V.
Ontoerekenbaar, ontoerekenbare.
Ontoerekenbaarheid, V.
Ontoerekeningsvatbaar, ontoerekeningsvatbare.
Ontoombaar, ontoombare.
Ontoonbaar, ontoonbare.
Ontpakken, ontpakte, heeft ontpakt.
Ontpakking, V., ontpakkingen.
Ontpantseren, ontpantserde, heeft ontpantserd.
Ontparen, ontpaarde, heeft ontpaard.
Ontpersen, ontperste, heeft ontperst.
Ontplanken, ontplankte, heeft ontplankt.
Ontploffen, ontplofte, is ontploft.
Ontploffing, V., ontploffingen.
Ontplooien, ontplooide, heeft ontplooid.
Ontplooiing, V.
Ontplukken, ontplukte, heeft ontplukt.
Ontpolderen, ontpolderde, heeft ontpolderd.
Ontpoorteren, ontpoorterde, heeft ontpoorterd.
Ontpoortering, V.
Ontpraten, ontpraatte, heeft ontpraat.
Ontraadselen, ontraadselde, heeft ontraadseld.
Ontraadseling, V.
Ontraden, ontried, heeft ontraden; ook ontraadde.
Ontrading, V.
Ontrafelen, ontrafelde, heeft ontrafeld.
Ontrakken, ontrakte, heeft ontrakt.
Ontrampeneerd.
Ontredderd.
Ontrefbaar, ontrefbare.
Ontreinigen, ontreinigde, heeft ontreinigd.
Ontreiniging, V., ontreinigingen.
Ontrennen, ontrende, is ontrend.
Ontrieven, ontriefde, heeft ontriefd.
Ontrieving, V.
Ontrijden, ontreed, ontreden, is ontreden.
Ontrijgen, ontreeg, ontregen, heeft ontregen.
Ontrijzen, ontrees, ontrezen, is ontrezen.
Ontrimpelen, ontrimpelde, heeft ontrimpeld.
Ontrimpeling, V.
Ontroeien, ontroeide, is ontroeid.
Ontroeren, ontroerde, heeft en is ontroerd.
Ontroerend.
Ontroering, V., ontroeringen.
Ontrollen, ontrolde, heeft en is ontrold.
Ontronselen, ontronselde, heeft ontronseld.
Ontroostbaar, ontroostbaarder, ontroostbaarst.
Ontroostbaarheid, V.
Ontrooven, ontroofde, heeft ontroofd.
Ontrooving, V.
Ontrouw, V.
Ontrouw, ontrouwer, ontrouwst.
Ontrouwelijk.
Ontruimen, ontruimde, heeft ontruimd.
Ontruiming, V., ontruimingen.
Ontrukken, ontrukte, heeft ontrukt.
Ontrukking, V.
Ontrusten, ontrustte, heeft ontrust.
Ontschaken, ontschaakte, heeft ontschaakt.
Ontschepen, ontscheepte, heeft ontscheept.
Ontscheping, V., ontschepingen.
Ontscheuren, ontscheurde, heeft ontscheurd.
Ontschieten, ontschoot, ontschoten, is ontschoten.
Ontschillen, ontschilde, heeft ontschild.
Ontschoeien, ontschoeide, heeft ontschoeid.
Ontschoeiing, V.
Ontschuilen, ontschool, ontscholen, heeft en is ontscholen.
Ontschuldigen, ontschuldigde, heeft ontschuldigd.
Ontschuldiging, V., ontschuldigingen.
Ontschutteren, ontschutterde, heeft ontschutterd.
Ontsieren, ontsierde, heeft ontsierd.
Ontsiering, V., ontsieringen.
Ontslaan, ontslaat, ontsloeg, heeft ontslagen.
Ontslag, O.
Ontslagbrief M., ontslagbrieven; ontslagbriefje, O., ontslagbriefjes.
Ontslagneming, V., ontslagnemingen.
Ontslapen, ontsliep, is ontslapen.
Ontslippen, ontslipte, is ontslipt.
Ontsluieren, ontsluierde, heeft ontsluierd.
Ontsluiering, V., ontsluieringen.
Ontsluipen, ontsloop, ontslopen, is ontslopen.
Ontsluiping, V.
Ontsluiten, ontsloot, ontsloten, heeft ontsloten.
Ontsluiter, M., ontsluiters.
Ontsluiting, V.
Ontsmetten, ontsmette, heeft ontsmet.
Ontsmetting, V., ontsmettingen.
Ontsmettingsmiddel, O., ontsmettingsmiddelen.
Ontsmettingsoven, M., ontsmettingsovens.
Ontsnaard.
Ontsnappen, ontsnapte, is ontsnapt.
Ontsnapping, V., ontsnappingen.
Ontsnappingswerk, O.
Ontsnellen, ontsnelde, is ontsneld.
Ontsnoepen, ontsnoepte, heeft ontsnoept.
Ontsnoeren, ontsnoerde, heeft ontsnoerd.
Ontspannen, ontspande, heeft ontspannen.
Ontspanning, V., ontspanningen.
Ontspartelen, ontspartelde, is ontsparteld.
Ontspatten, ontspatte, is ontspat.
Ontspinnen, ontspon, ontsponnen, heeft ontsponnen.
Ontsporen, ontspoorde, is ontspoord.
Ontsporing, V., ontsporingen.
Ontspringen, ontsprong, is ontsprongen.
Ontspruiten, ontsproot, ontsproten, is ontsproten.
Ontstaan, ontstaat, ontstond, is ontstaan.
Ontsteigeren, ontsteigerde, is ontsteigerd.
Ontsteken, ontstak, ontstaken, heeft en is ontstoken.
Ontsteking, V., ontstekingen.
Ontstekingskoorts, V., ontstekingskoortsen.
Ontstekingsmiddel, O., ontstekingsmiddelen.
Ontsteld.
Ontstelen, ontstal, ontstalen, heeft ontstolen.
Ontsteling, V.
Ontstellen, ontstelde, heeft en is ontsteld.
Ontsteltenis, V.
Ontstemd.
Ontstemdheid, V.
Ontstemmen, ontstemde, heeft en is ontstemd.
Ontstemming, V.
Ontstentenis, V.
Ontsterven, ontstierf, ontstierven, is ontstorven.
Ontstichten, ontstichtte, heeft ontsticht.
Ontstichting, V.
Ontstijgen, ontsteeg, ontstegen, is ontstegen.
Ontstoken.
Ontstrengelen, ontstrengelde, heeft ontstrengeld.
Ontstrijden, ontstreed, ontstreden, heeft ontstreden.
Ontstrikken, ontstrikte, heeft ontstrikt.
Ontstroomen, ontstroomde, is ontstroomd.
Onttakelen, onttakelde, heeft en is onttakeld.
Onttakeling, V., onttakelingen.
Onttogen (deelw.).
Onttooveren, onttooverde, heeft onttooverd.
Onttrekken, onttrok, onttrokken, heeft onttrokken.
Onttroggelen, onttroggelde, heeft onttroggeld.
Onttronen (van den troon stooten), onttroonde, heeft onttroond.
Onttroning, V., onttroningen.
Onttroonen (aftroonen), onttroonde, heeft onttroond.
Onttuien, onttuide, heeft onttuid.
Onttuigen, onttuigde, heeft onttuigd.
Ontucht, V.
Ontuchtelijk.
Ontuchtig, ontuchtiger, ontuchtigst.
Ontuchtigheid, V.
Ontuig, O.
Ontvallen, ontviel, is ontvallen.
Ontvang, M.
Ontvangbak, M., ontvangbakken.
Ontvangbewijs, O., ontvangbewijzen.
Ontvangdag, M., ontvangdagen.
Ontvangen, ontving, heeft ontvangen.
Ontvangenis, V.
Ontvanger, M., ontvangers.
Ontvangerskantoor, O., ontvangerskantoren.
Ontvangerspost, M., ontvangersposten.
Ontvanging, V.
Ontvangkamer, V., ontvangkamers.
Ontvangst, V., ontvangsten.
Ontvangstbewijs, O., ontvangstbewijzen.
Ontvankelijk, ontvankelijker, ontvankelijkst.
Ontvankelijkheid, V.
Ontvaren, ontvoer, is ontvaren.
Ontvechten, ontvocht, heeft ontvochten.
Ontveinzen, ontveinsde, heeft ontveinsd.
Ontveinzing, V.
Ontvellen, ontvelde, is ontveld.
Ontvelling, V., ontvellingen.
Ontvetten, ontvette, heeft ontvet.
Ontvlambaar, ontvlambaarder, ontvlambaarst.
Ontvlambaarheid, V.
Ontvlammen, ontvlamde, heeft en is ontvlamd.
Ontvlamming, V.
Ontvlechten, ontvlocht, heeft ontvlochten.
Ontvleezen, ontvleesde, heeft ontvleesd.
Ontvleien, ontvleide, heeft ontvleid.
Ontvlieden, ontvlood, ontvloden, is ontvloden.
Ontvlieding, V.
Ontvliegen, ontvloog, ontvlogen, is ontvlogen.
Ontvloeien, ontvloeide, is ontvloeid.
Ontvluchten, ontvluchtte, is ontvlucht.
Ontvluchting, V., ontvluchtingen.
Ontvoerder, M., ontvoerders.
Ontvoeren, ontvoerde, heeft ontvoerd.
Ontvoering, V., ontvoeringen.
Ontvolken, ontvolkte, heeft ontvolkt.
Ontvolking, V.
Ontvonken, ontvonkte, heeft en is ontvonkt.
Ontvonking, V.
Ontvoogden, ontvoogdde, heeft ontvoogd.
Ontvoogding, V.
Ontvouwen, ontvouwde, heeft ontvouwd en ontvouwen.
Ontvouwing, V.
Ontvreemden, ontvreemdde, heeft ontvreemd.
Ontvreemding, V., ontvreemdingen.
Ontvrijen, ontvrijde, heeft ontvrijd.
Ontwaken, ontwaakte, is ontwaakt.
Ontwaking, V.
Ontwapenen, ontwapende, heeft ontwapend.
Ontwapening, V.
Ontwaren, ontwaarde, heeft ontwaard.
Ontwarren, ontwarde, heeft ontward.
Ontwarring, V.
Ontwassen, ontwies, ontwiesen, is ontwassen.
Ontwateren, ontwaterde, heeft ontwaterd.
Ontweien, ontweide, heeft ontweid.
Ontweiing, V.
Ontweldigen, ontweldigde, heeft ontweldigd.
Ontweldiger, M., ontweldigers.
Ontweldiging, V.
Ontwennen, ontwende, heeft en is ontwend.
Ontwenning, V.
Ontwerp, O., ontwerpen. Ontwerpje, O., ontwerpjes.
Ontwerpen, ontwierp, heeft ontworpen.
Ontwerper, M., ontwerpers.
Ontwerp-tractaat, O., ontwerp-tractaten.
Ontwijden, ontwijdde, heeft ontwijd.
Ontwijder, M., ontwijders.
Ontwijding, V.
Ontwijfelbaar, ontwijfelbaarder, ontwijfelbaarst.
Ontwijk, O.
Ontwijken, ontweek, ontweken, heeft en is ontweken.
Ontwijking, V.
Ontwikkelaar, M., ontwikkelaars.
Ontwikkelbaar, ontwikkelbare.
Ontwikkelen, ontwikkelde, heeft ontwikkeld.
Ontwikkeling, V., ontwikkelingen.
Ontwikkelingsgang, M.
Ontwikkelingsgeschiedenis, V.
Ontwikkelingsleer, V.
Ontwikkelingstijdperk, O., ontwikkelingstijdperken.
Ontwinden, ontwond, heeft ontwonden.
Ontwoekeren, ontwoekerde, heeft ontwoekerd.
Ontwolken, ontwolkte, heeft ontwolkt.
Ontworstelen, ontworstelde, is ontworsteld.
Ontwortelen, ontwortelde, heeft ontworteld.
Ontwrichten, ontwrichtte, heeft ontwricht.
Ontwringen, ontwrong, heeft ontwrongen.
Ontzadelen, ontzadelde, heeft ontzadeld.
Ontzag, O.
Ontzaglijk, ontzaglijker, ontzaglijkst.
Ontzaglijkheid, V.
Ontzagverwekkend.
Ontzagwekkend, ontzagwekkender, ontzagwekkendst.
Ontzakken, ontzakte, is ontzakt.
Ontzegelen, ontzegelde, heeft ontzegeld.
Ontzegeling, V., ontzegelingen.
Ontzeggen, ontzeide, heeft ontzegd en ontzeid.
Ontzegging, V.
Ontzeilen, ontzeilde, is ontzeild.
Ontzenuwen, ontzenuwde, heeft ontzenuwd.
Ontzenuwing, V.
Ontzet, O.
Ontzetbaar, ontzetbare.
Ontzetten, ontzette, heeft en is ontzet.
Ontzettend, ontzettender, ontzettendst.
Ontzetter, M., ontzetters.
Ontzetting, V., ontzettingen.
Ontzielen, ontzielde, heeft ontzield.
Ontzien, ontzag, ontzagen, heeft ontzien.
Ontzijgen, ontzeeg, ontzegen, is ontzegen.
Ontzind.
Ontzinken, ontzonk, is ontzonken.
Ontzinking, V.
Ontzondigen, ontzondigde, heeft ontzondigd.
Ontzondiging, V.
Ontzuigen, ontzoog, ontzogen, heeft ontzogen.
Ontzuiveren, ontzuiverde, heeft ontzuiverd.
Ontzuivering, V.
Ontzwachtelen, ontzwachtelde, heeft ontzwachteld.
Ontzwavelen, ontzwavelde, heeft ontzwaveld.
Ontzwaveling, V.
Ontzwemmen, ontzwom, ontzwommen, is ontzwommen.
Ontzweven, ontzweefde, is ontzweefd.
Onuitbaar, onuitbare.
Onuitbluschbaar, onuitbluschbare.
Onuitdelgbaar, onuitdelgbare.
Onuitdoofbaar, onuitdoofbare.
Onuitdrukbaar, onuitdrukbare.
Onuitgedrukt.
Onuitgegeven.
Onuitgelezen.
Onuitgeloot, onuitgelote.
Onuitgemaakt.
Onuitgesproken.
Onuitgevoerd.
Onuitgevorscht.
Onuitgewerkt.
Onuitgezocht.
Onuitputtelijk, onuitputtelijker, onuitputtelijkst.
Onuitputtelijkheid, V.
Onuitroeibaar, onuitroeibare.
Onuitspreekbaar, onuitspreekbare.
Onuitsprekelijk, onuitsprekelijker, onuitsprekelijkst.
Onuitsprekelijkheid, V.
Onuitstaanbaar, onuitstaanbare.
Onuitstaanbaarheid, V.
Onuitvoerbaar, onuitvoerbare.
Onuitvoerbaarheid, V.
Onuitwischbaar, V.
Onvaderlandsch.
Onvaderlijk.
Onvast, onvaster.
Onvastheid, V.
Onvatbaar, onvatbaarder, onvatbaarst.
Onvatbaarheid, V.
Onveilig, onveiliger, onveiligst.
Onveiligheid, V.
Onver.
Onveranderbaar, onveranderbare.
Onveranderd.
Onveranderlijk, onveranderlijker, onveranderlijkst.
Onveranderlijkheid, V.
Onverantwoord.
Onverantwoordelijk, onverantwoordelijker, onverantwoordelijkst.
Onverantwoordelijkheid, V.
Onverbasterd.
Onverbergbaar, onverbergbare.
Onverbeterbaar, onverbeterbaarder, onverbeterbaarst.
Onverbeterbaarheid, V.
Onverbeterd.
Onverbeterlijk, onverbeterlijker, onverbeterlijkst.
Onverbeterlijkheid, V.
Onverbiddelijk, onverbiddelijker, onverbiddelijkst.
Onverbiddelijkheid, V.
Onverbleekt.
Onverblind.
Onverbloemd.
Onverbogen.
Onverbolgen.
Onverbonden.
Onverborgen.
Onverbrand.
Onverbrandbaar, onverbrandbare.
Onverbreekbaar, onverbreekbare.
Onverbreekbaarheid, V.
Onverbrekelijk, onverbrekelijker, onverbrekelijkst.
Onverbrekelijkheid, V.
Onverbroken.
Onverbuigbaar, onverbuigbare.
Onverbuigbaarheid, V.
Onverdacht.
Onverdedigbaar, onverdedigbare.
Onverdedigbaarheid, V.
Onverdedigd.
Onverdeeld.
Onverdelgbaar, onverdelgbare.
Onverderfelijk, onverderfelijker, onverderfelijkst.
Onverderfelijkheid, V.
Onverdicht.
Onverdichtbaar, onverdichtbare.
Onverdiend.
Onverdienstelijk.
Onverdoofbaar, onverdoofbare.
Onverdord.
Onverdorven.
Onverdorvenheid, V.
Onverdraaglijk, onverdraaglijker, onverdraaglijkst.
Onverdraaglijkheid, V.
Onverdraagzaam, onverdraagzamer, onverdraagzaamst.
Onverdraagzaamheid, V.
Onverdroten.
Onvereenigbaar, onvereenigbare.
Onvereenigbaarheid, V.
Onverflauwd.
Onvergankelijk, onvergankelijker, onvergankelijkst.
Onvergankelijkheid, V.
Onvergeeflijk en Onvergefelijk, onvergeeflijker en onvergefelijker, onvergeeflijkst en onvergefelijkst.
Onvergeeflijkheid, V.
Onvergeetbaar, onvergeetbare.
Onvergelijkbaar, onvergelijkbare.
Onvergelijkelijk, onvergelijkelijker, onvergelijkelijkst.
Onvergenoegd, onvergenoegder, onvergenoegdst.
Onvergenoegdheid, V.
Onvergetelijk, onvergetelijker, onvergetelijkst.
Onvergezeld.
Onverglaasd.
Onverhaalbaar, onverhaalbare.
Onverhelpelijk, onverhelpelijker, onverhelpelijkst.
Onverhinderd.
Onverhoeds (bijw.).
Onverhoedsch (bnw.).
Onverholen.
Onverhoopt.
Onverhoord.
Onverhuurbaar, onverhuurbare.
Onverhuurd.
Onverjaard.
Onverkiesbaar, onverkiesbare.
Onverkiesbaarheid, V.
Onverkieslijk en Onverkieselijk, onverkieslijker en onverkieselijker, onverkieslijkst en onverkieselijkst.
Onverklaarbaar, onverklaarbaarder, onverklaarbaarst.
Onverklaarbaarheid, V.
Onverkleinbaar, onverkleinbare.
Onverkocht.
Onverkoopbaar, onverkoopbare.
Onverkort.
Onverkrijgbaar, onverkrijgbare.
Onverkwikkelijk, onverkwikkelijker, onverkwikkelijkst.
Onverlaat, M., onverlaten.
Onverlept.
Onverlet.
Onverlicht.
Onverlost.
Onvermaard, onvermaarder, onvermaardst.
Onvermakelijk, onvermakelijker, onvermakelijkst.
Onvermakelijkheid, V.
Onvermeld.
Onvermengbaar, onvermengbare.
Onvermengd.
Onvermijdbaar, onvermijdbare.
Onvermijdbaarheid, V.
Onvermijdelijk, onvermijdelijker, onvermijdelijkst.
Onvermijdelijkheid, V.
Onverminderd.
Onverminkt.
Onvermoeibaar, onvermoeibaarder, onvermoeibaarst.
Onvermoeibaarheid, V.
Onvermoeid.
Onvermogen, O.
Onvermogend, onvermogender, onvermogendst.
Onvermurwbaar, onvermurwbare.
Onvermurwbaarheid, V.
Onvermurwd.
Onvernielbaar, onvernielbare.
Onvernietigbaar, onvernietigbare.
Onvernieuwd.
Onvernuftig, onvernuftiger, onvernuftigst.
Onveroordeeld.
Onverouderd.
Onveroverbaar, onveroverbare.
Onveroverd.
Onverpacht.
Onverplicht.
Onverpoosd.
Onverricht.
Onversaagd, onversaagder, onversaagdst.
Onversaagdheid, V.
Onverschillig, onverschilliger, onverschilligst.
Onverschilligheid, V., onverschilligheden.
Onverschoonbaar, onverschoonbare.
Onverschoonbaarheid, V.
Onverschoonlijk, onverschoonlijker, onverschoonlijkst.
Onverschoonlijkheid, V.
Onverschoten.
Onverschrokken, onverschrokkener, onverschrokkenst.
Onverschrokkenheid, V.
Onversierd.
Onverslapt.
Onverslijtbaar, onverslijtbare.
Onverslijtelijk, onverslijtelijker, onverslijtelijkst.
Onversneden.
Onverstaanbaar, onverstaanbare.
Onverstaanbaarheid, V.
Onverstand, O.
Onverstandig, onverstandiger, onverstandigst.
Onverstandigheid, V.
Onversterfelijk.
Onverstoorbaar, onverstoorbare.
Onverstoorbaarheid, V.
Onverstoord.
Onverstorven.
Onvertaalbaar, onvertaalbare.
Onvertaald.
Onverteerbaar, onverteerbare.
Onverteerbaarheid, V.
Onverteerd.
Onvertind.
Onvertogen.
Onvertraagd.
Onvertrokken.
Onvertroostbaar, onvertroostbare.
Onvervaard.
Onvervaardheid, V.
Onvervalscht.
Onvervoerbaar, onvervoerbare.
Onvervreemd.
Onvervreemdbaar, onvervreemdbare.
Onvervreemdbaarheid, O.
Onvervuld.
Onverwacht.
Onverwachtheid, V.
Onverwachts (bijw.).
Onverwarmd.
Onverweerd.
Onverwelkbaar, onverwelkbare.
Onverwelkelijk.
Onverwelkt.
Onverwijld.
Onverwinbaar, onverwinbare.
Onverwinbaarheid, V.
Onverwinlijk en Onverwinnelijk, onverwinlijker en onverwinnelijker, onverwinlijkst en onverwinnelijkst.
Onverwonnen.
Onverwrikbaar, onverwrikbaarder, onverwrikbaarst.
Onverwrikbaarheid, V.
Onverwulfd.
Onverzaadbaar, onverzaadbare.
Onverzadelijk, onverzadelijker, onverzadelijkst.
Onverzadelijkheid, V.
Onverzadigbaar, onverzadigbare.
Onverzadigd.
Onverzegeld.
Onverzekerd.
Onverzeld.
Onverzetbaar, onverzetbare.
Onverzetbaarheid, V.
Onverzettelijk, onverzettelijker, onverzettelijkst.
Onverzettelijkheid, V.
Onverzocht.
Onverzoenbaar, onverzoenbare.
Onverzoend.
Onverzoenlijk, onverzoenlijker, onverzoenlijkst.
Onverzoenlijkheid, V.
Onverzorgd.
Onverzwakt.
Onverzwelgbaar, onverzwelgbare.
Onvindbaar, onvindbare.
Onvlaamsch.
Onvoegzaam, onvoegzamer, onvoegzaamst.
Onvoegzaamheid, V.
Onvoelbaar, onvoelbare.
Onvolbouwd.
Onvolbracht.
Onvoldaan, onvoldaner, onvoldaanst.
Onvoldaanheid, V.
Onvoldoenbaar, onvoldoenbare.
Onvoldoend.
Onvoldoendheid, V.
Onvoldragen.
Onvoleind.
Onvoleindigd.
Onvolkomen, onvolkomener, onvolkomenst.
Onvolkomenheid, V., onvolkomenheden.
Onvolledig, onvollediger, onvolledigst.
Onvolledigheid, V.
Onvolmaakt, onvolmaakter, onvolmaaktst.
Onvolmaaktheid, V., onvolmaaktheden.
Onvolprezen.
Onvoltallig.
Onvoltalligheid, V.
Onvoltooid.
Onvoltrokken.
Onvolvoerbaar, onvolvoerbare.
Onvolvoerd.
Onvolwassen.
Onvoorbedacht.
Onvoorbereid.
Onvoordeelig, onvoordeeliger, onvoordeeligst.
Onvoordeeligheid, V.
Onvoorwaardelijk.
Onvoorzichtig, onvoorzichtiger, onvoorzichtigst.
Onvoorzichtigheid, V., onvoorzichtigheden.
Onvoorzichtiglijk.
Onvoorzien.
Onvoorzienbaar, onvoorzienbare.
Onvoorziens (bijw.).
Onvorstelijk, onvorstelijker, onvorstelijkst.
Onvrede, M.
Onvriend, M., onvrienden.
Onvriendelijk, onvriendelijker, onvriendelijkst.
Onvriendelijkheid, V., onvriendelijkheden.
Onvriendschappelijk, onvriendschappelijker, onvriendschappelijkst.
Onvrij, onvrijer.
Onvrijheid, V.
Onvrijwillig, onvrijwilliger, onvrijwilligst.
Onvrijzinnig, onvrijzinniger, onvrijzinnigst.
Onvrijzinnigheid, V.
Onvroom, onvromer, onvroomst.
Onvrouwelijk, onvrouwelijker, onvrouwelijkst.
Onvruchtbaar, onvruchtbaarder, onvruchtbaarst.
Onvruchtbaarheid, V.
Onwaar, onware.
Onwaarachtig, onwaarachtiger, onwaarachtigst.
Onwaarachtigheid, V., onwaarachtigheden.
Onwaard.
Onwaarde, V.
Onwaardeerbaar, onwaardeerbare.
Onwaardeerbaarheid, V.
Onwaardig, onwaardiger, onwaardigst.
Onwaardigheid, V., onwaardigheden.
Onwaardiglijk.
Onwaarheid, V., onwaarheden.
Onwaarneembaar, onwaarneembare.
Onwaarschijnlijk, onwaarschijnlijker, onwaarschijnlijkst.
Onwaarschijnlijkheid, V., onwaarschijnlijkheden.
Onwankelbaar, onwankelbaarder, onwankelbaarst.
Onwankelbaarheid, V.
Onweder en Onweer, O., onweders en onweeren. Onweertje, O., onweertjes.
Onwederlegbaar, onwederlegbaarder, onwederlegbaarst.
Onwederlegbaarheid, V.
Onwederstaanbaar, onwederstaanbaarder, onwederstaanbaarst.
Onwederstaanbaarheid, V.
Onwederstreefbaar, onwederstreefbare.
Onweer. Zie Onweder.
Onweerbaar, onweerbare.
Onweerbaarheid, V.
Onweeren, onweerde, heeft geonweerd.
Onweersbui, V., onweersbuien.
Onweersvlaag, V., onweersvlagen.
Onweersvogel, M., onweersvogels.
Onweerswolk, V., onweerswolken.
Onwel.
Onwelgevallig, onwelgevalliger, onwelgevalligst.
Onwelkom.
Onwellevend, onwellevender, onwellevendst.
Onwellevendheid, V.
Onwelluidend, onwelluidender, onwelluidendst.
Onwelluidendheid, V.
Onwelmeenend.
Onwelvoeglijk, onwelvoeglijker, onwelvoeglijkst.
Onwelvoeglijkheid, V.
Onwetend, onwetender, onwetendst.
Onwetendheid, V.
Onwetens.
Onwetenschappelijk, onwetenschappelijker, onwetenschappelijkst.
Onwettelijk, onwettelijker, onwettelijkst.
Onwettelijkheid, V.
Onwettig, onwettiger, onwettigst.
Onwettigheid, V., onwettigheden.
Onwezenlijk.
Onwijs, onwijzer.
Onwijsgeerig, onwijsgeeriger, onwijsgeerigst.
Onwijsheid, V.
Onwijslijk en Onwijselijk.
Onwil.
Onwillekeurig, onwillekeuriger, onwillekeurigst.
Onwillens.
Onwillig, onwilliger, onwilligst.
Onwilligheid, V.
Onwinbaar, onwinbare.
Onwinbaarheid, V.
Onwis.
Onwisheid, V.
Onwraakbaar, onwraakbaarder, onwraakbaarst.
Onwraakbaarheid, V.
Onwraakgierig, onwraakgieriger, onwraakgierigst.
Onwraakzuchtig, onwraakzuchtiger, onwraakzuchtigst.
Onwraakzuchtigheid, V.
Onwrikbaar, onwrikbaarder, onwrikbaarst.
Onwrikbaarheid, V.
Onyx, M., onyxen.
Onzacht, onzachter, onzachtst.
Onzachtheid, V.
Onzalig, onzaliger, onzaligst.
Onzaligheid, V.
Onzedelijk, onzedelijker, onzedelijkst.
Onzedelijkheid, V.
Onzedig, onzediger, onzedigst.
Onzedigheid, V.
Onzeewaardig.
Onzeglijk, onzeglijker, onzeglijkst.
Onzeilbaar, onzeilbare.
Onzeker, onzekerder, onzekerst.
Onzekerheid, V., onzekerheden.
Onzelfstandig, onzelfstandiger, onzelfstandigst.
Onzelfstandigheid, V.
Onze-lieve-heersbeestje, O., onze-lieve-heersbeestjes. Onze-lieve-vrouwenbedstroo, O.
Onzent (Te onzent).
Onzenthalve.
Onzentwege.
Onzentwil (Om onzentwil).
Onzerzijds.
Onze-vader, O.
Onzichtbaar, onzichtbare.
Onzichtbaarheid, V.
Onzienlijk, onzienlijker, onzienlijkst.
Onzienlijkheid, V.
Onzijdig, onzijdiger, onzijdigst.
Onzijdigheid, V.
Onzijdigverklaring, V., onzijdigverklaringen.
Onzin, M.
Onzindelijk, onzindelijker, onzindelijkst.
Onzindelijkheid, V., onzindelijkheden.
Onzinnelijk.
Onzinnig, onzinniger, onzinnigst.
Onzinnigheid, V., onzinnigheden.
Onzoet, onzoeter, onzoetst.
Onzondig.
Onzondigheid, V.
Onzuiver, onzuiverder, onzuiverst.
Onzuiverheid, V., onzuiverheden.
Ooft, O.
Ooftboom, M., ooftboomen.
Ooftkelder, M., ooftkelders.
Oog, O., oogen. Oogje, O., oogjes.
Oogappel, M., oogappels.
Oogarts, M., oogartsen.
Oogbad, O., oogbaden; oogbadje, O., oogbadjes.
Oogelijn, O., oogelijns.
Oogen, oogde, heeft geoogd.
Oogenblik, O. en M., oogenblikken; oogenblikje, O., oogenblikjes.
Oogenblikkelijk.
Oogendienaar, M., oogendienaars en oogendienaren.
Oogendienst, M.
Oogendokter, M., oogendokters.
Oogenklaar, O.
Oogenpaar, O.
Oogenschijnlijk, oogenschijnlijker, oogenschijnlijkst.
Oogenschijnlijkheid, V.
Oogenschouw, V.
Oogentaal, V.
Oogentroost, V.
Ooggetuige, M. en V., ooggetuigen.
Ooghaar, O., oogharen; ooghaartje, O., ooghaartjes.
Oogheelkunde, V.
Oogholte, V., oogholten.
Oogjesgoed, O.
Oogkas, V., oogkassen.
Ooglid, O., oogleden.
Ooglijder, M., ooglijders.
Ooglijk, ooglijker, ooglijkst.
Oogluikend.
Oogluiking, V.
Oogmerk, O., oogmerken.
Oogontsteking, V., oogontstekingen.
Oogopslag, M.
Oogpunt, O., oogpunten.
Oogspiegel, M., oogspiegels.
Oogst, M., oogsten. Oogstje, O., oogstjes
Oogsten, oogstte, heeft geoogst.
Oogster, M., oogsters.
Oogsting, V., oogstingen.
Oogstmaand, V.
Oogsttijd, M.
Oogtand, M., oogtanden.
Oogverblindend.
Oogwater, O.; oogwatertje, O., oogwatertjes.
Oogwenk, M., oogwenken.
Oogwit, O.
Oogziekte, V., oogziekten.
Ooi, V., ooien. Ooitje, O., ooitjes.
Ooievaar, M., ooievaars en ooievaren. Ooievaartje, O., ooievaartjes.
Ooievaarsbeen, O., ooievaarsbeenen.
Ooievaarsbeen (persoon), M. en V., ooievaarsbeenen.
Ooievaarsbek, M., ooievaarsbekken.
Ooievaarshals, M., ooievaarshalzen.
Ooievaarsnest, O., ooievaarsnesten.
Ooievaarsvlucht, V.
Ooievaren, ooievaarde, heeft geooievaard.
Ooit.
Ook.
Oolijk, oolijker, oolijkst.
Oolijkerd, M., oolijkerds.
Oolijkheid, V.
Oom, M., ooms en oomen. Oompje, O., oompjes.
Oomzegger, M., oomzeggers.
Oomzegster, V., oomzegsters.
Oonen, oonde, heeft geoond.
Oor, O., ooren. Oortje, O., oortjes.
Oorbaar, oorbaarder, oorbaarst.
Oorbaar, O.
Oorbaarheid, V.
Oorband, M., oorbanden.
Oorbel, V., oorbellen; oorbelletje, O., oorbelletjes.
Oorbiecht, V.
Oorblazer, M., oorblazers.
Oord (plaats), O., oorden.
Oordeel, O., oordeelen.
Oordeelaar, M., oordeelaars en oordeelaren.
Oordeelen, oordeelde, heeft geoordeeld.
Oordeelkunde, V.
Oordeelkundig, oordeelkundiger, oordeelkundigst.
Oordeelsdag, M.
Oordeelskracht, V.
Oordeelvelling, V., oordeelvellingen.
Oorhanger, M., oorhangers.
Oorheelkunde, V.
Oorheelkundig.
Oorijzer, O., oorijzers.
Oorklep, V., oorkleppen.
Oorkonde, V., oorkonden.
Oorkondenboek, O., oorkondenboeken.
Oorkruiper, M., oorkruipers.
Oorkussen, O., oorkussens.
Oorlam, O., oorlammen.
Oorlel, V., oorlellen; oorlelletje, O., oorlelletjes.
Oorlepeltje, O., oorlepeltjes.
Oorliëtblok, O., oorliëtblokken en oorliëtbloks.
Oorlof, O.
Oorlog, M., oorlogen.
Oorlogen, oorloogde, heeft geoorloogd.
Oorlogsbehoeften (mv.), V.
Oorlogsbende, V., oorlogsbenden.
Oorlogsbodem, M., oorlogsbodems.
Oorlogscontrabande, V.
Oorlogscorrespondent, M., oorlogscorrespondenten.
Oorlogsdaad, V., oorlogsdaden.
Oorlogsgevaar, O., oorlogsgevaren.
Oorlogsgeweld, O.
Oorlogsgezind, oorlogsgezinder, oorlogsgezindst.
Oorlogshaven, V., oorlogshavens.
Oorlogsheld, M., oorlogshelden.
Oorlogskaart, V., oorlogskaarten.
Oorlogskans, V., oorlogskansen.
Oorlogskas, V., oorlogskassen.
Oorlogskosten (mv.), M.
Oorlogskreet, M., oorlogskreten.
Oorlogskunst, V.
Oorlogslasten (mv.), M.
Oorlogsmateriaal, O.
Oorlogsplan, O., oorlogsplannen.
Oorlogsramp, V., oorlogsrampen.
Oorlogsrecht, O.
Oorlogsroem, M.
Oorlogsschip, O., oorlogsschepen.
Oorlogsterrein, O.
Oorlogstoestand, M.
Oorlogstooneel, O., oorlogstooneelen.
Oorlogstuig, O.
Oorlogsvaan, V., oorlogsvanen.
Oorlogsvaartuig, O., oorlogsvaartuigen.
Oorlogsveld, O.
Oorlogsverklaring, V., oorlogsverklaringen.
Oorlogsvloot, V., oorlogsvloten.
Oorlogsvuur, O.
Oorlogswapen, O., oorlogswapenen.
Oorlogswet, V.
Oorlogszwaard, O., oorlogszwaarden.
Oorlogvoerend.
Oorlogvoering, V.
Oorlogzuchtig, oorlogzuchtiger, oorlogzuchtigst.
Oorpijn, V., oorpijnen.
Oorring, M., oorringen; oorringetje, O., oorringetjes.
Oorschelp, V., oorschelpen.
Oorsprong, M., oorsprongen.
Oorspronkelijk, oorspronkelijker, oorspronkelijkst.
Oorspronkelijkheid, V.
Oorspuitje, O., oorspuitjes.
Oort (geldswaarde), O., oorten. Oortje, O., oortjes.
Oortrompet, V., oortrompetten.
Oorveeg, M., oorvegen. Oorveegje, O., oorveegjes.
Oorvijg, V., oorvijgen. Oorvijgje, O., oorvijgjes.
Oorworm, M., oorwormen.
Oorzaak, V., oorzaken.
Oorzakelijk.
Oost (het Oosten), O.; (Nederlands Oostindische bezittingen), V.
Oost (bijw.).
Oostelijk, oostelijker, oostelijkst.
Oosten, O.
Oostenwind, M., oostenwinden.
Oosteren, oosterde, is geoosterd.
Oostergoo, O.
Oostergrens, V., oostergrenzen.
Oosterhoek, M.
Oosterkim, V.
Oosterling, M. en V., Oosterlingen. V. ook Oosterlinge.
Oosterlucie, V.
Oostersch.
Oosterzon, V.
Oostfriesch.
Oost-Friesland, O.
Oost-Indië en Oostinje, O.
Oostindiëvaarder en Oostinjevaarder, M., Oostindiëvaarders en Oostinjevaarders.
Oostindisch.
Oostinje. Zie Oost-Indië.
Oostnoordoost (bijw.). Als znw., O.
Oostvlaamsch.
Oost-Vlaanderen, O.
Oostwaarts.
Oostzee, V.
Oostzuidoost (bijw.). Als znw., O.
Ootje, O. (In het ootje nemen).
Ootmoed, M.
Ootmoedig, ootmoediger, ootmoedigst.
Ootmoedigheid, V.
Ootmoediglijk.
Op.
Opaal (stof), O.; (steen), M., opalen.
Opbaggeren, baggerde op, heeft opgebaggerd.
Opbakken, bakte op, heeft opgebakken.
Opbaliën, baliede op, heeft opgebalied.
Opbarsten, barstte op, is opgebarsten; ook borst op, is opgeborsten.
Opbedelen, bedelde op, heeft opgebedeld.
Opbellen, belde op, heeft opgebeld.
Opbergen, borg op, heeft opgeborgen.
Opbersten. Zie Opbarsten.
Opbeuren, beurde op, heeft opgebeurd.
Opbeuring, V.
Opbiechten, biechtte op, heeft opgebiecht.
Opbieden, bood op, boden op, heeft opgeboden.
Opbieding, V., opbiedingen.
Opbijten (bijt hakken), bijtte op, heeft opgebijt.
Opbikken, bikte op, heeft opgebikt.
Opbinden, bond op, heeft opgebonden.
Opblazen, blies op, bliezen op, heeft opgeblazen.
Opbleeken, bleekte op, heeft en is opgebleekt.
Opblijven, bleef op, bleven op, is opgebleven.
Opbobbelen, bobbelde op, is opgebobbeld.
Opbod, O.
Opboeien, boeide op, heeft opgeboeid.
Opboeisel, O., opboeisels.
Opboenen, boende op, heeft opgeboend.
Opboomen, boomde op, heeft opgeboomd.
Opboren, boorde op, heeft opgeboord.
Opboring, V.
Opborrelen, borrelde op, is opgeborreld.
Opborreling, V.
Opborstelen, borstelde op, heeft opgeborsteld.
Opbossen, boste op, heeft opgebost.
Opbouw, M.
Opbouwen, bouwde op, heeft opgebouwd.
Opbouwer, M., opbouwers.
Opbouwing, V.
Opbraden, braadde op, heeft opgebraden.
Opbranden, brandde op, heeft en is opgebrand.
Opbrassen (scheepsw.), braste op, heeft opgebrast.
Opbreeuwen, breeuwde op, heeft opgebreeuwd.
Opbreien, breide op, heeft opgebreid.
Opbreken, brak op, braken op, heeft en is opgebroken.
Opbreker, M., opbrekers.
Opbreking, V.
Opbrengen, bracht op, heeft opgebracht.
Opbrenger, M., opbrengers.
Opbrengst, V., opbrengsten.
Opbrouwen, brouwde op, heeft opgebrouwen.
Opbruinen, bruinde op, heeft opgebruind.
Opbruisen, bruiste op, heeft en is opgebruist.
Opbuigen, boog op, bogen op, heeft en is opgebogen.
Opbulderen, bulderde op, heeft opgebulderd.
Opcent, M., opcenten.
Opdagen (oproepen), daagde op, heeft opgedaagd.
Opdagen (verschijnen), daagde op, is opgedaagd.
Opdammen, damde op, heeft opgedamd.
Opdampen, dampte op, heeft en is opgedampt.
Opdansen, danste op, is opgedanst.
Opdat.
Opdelven, dolf op, dolven op, heeft opgedolven.
Opdelver, M., opdelvers.
Opdelving, V., opdelvingen.
Opdienen, diende op, heeft opgediend.
Opdiepen, diepte op, heeft opgediept.
Opdirken, dirkte op, heeft opgedirkt.
Opdisschen, dischte op, heeft opgedischt.
Opdoeken, doekte op, heeft en is opgedoekt.
Opdoemen, doemde op, is opgedoemd.
Opdoen, doet op, deed op, deden op, heeft opgedaan.
Opdoening, V.
Opdoffelen, doffelde op, heeft opgedoffeld.
Opdokken, dokte op, heeft opgedokt.
Opdonderen, donderde op, is opgedonderd.
Opdonkeren, donkerde op, heeft en is opgedonkerd.
Opdraaien, draaide op, heeft en is opgedraaid.
Opdracht, V., opdrachten.
Opdrachtig, opdrachtiger, opdrachtigst.
Opdrachtigheid, V.
Opdragen, droeg op, heeft opgedragen.
Opdraven, draafde op, is opgedraafd.
Opdreunen, dreunde op, heeft opgedreund.
Opdrijven, dreef op, dreven op, heeft en is opgedreven.
Opdrijver, M., opdrijvers.
Opdrijving, V.
Opdril, M., opdrillen.
Opdrillen, drilde op, heeft opgedrild.
Opdringen, drong op, heeft en is opgedrongen.
Opdrinken, dronk op, heeft opgedronken.
Opdrogen, droogde op, heeft en is opgedroogd.
Opdroging, V.
Opdrossen, droste op, is opgedrost.
Opdrukken, drukte op, heeft opgedrukt.
Opduiken, dook op, doken op, is en heeft opgedoken,
Opdunnen, dunde op, is opgedund.
Opduwen, duwde op, heeft opgeduwd.
Opdweilen, dweilde op, heeft opgedweild.
Opdwingen, dwong op, heeft opgedwongen.
Opeen.
Opeendrijven, dreef opeen, dreven opeen, heeft opeengedreven.
Opeengooien, gooide opeen, heeft opeengegooid.
Opeenhoopen, hoopte opeen, heeft opeengehoopt.
Opeenjagen, jaagde opeen, heeft opeengejaagd; ook joeg opeen.
Opeenladen, laadde opeen, heeft opeengeladen.
Opeenleggen, legde opeen en leide opeen, heeft opeengelegd en opeengeleid.
Opeenliggen, lag opeen, lagen opeen, heeft opeengelegen.
Opeenpakken, pakte opeen, heeft opeengepakt.
Opeenplaatsen, plaatste opeen, heeft opeengeplaatst.
Opeenplakken, plakte opeen, heeft opeengeplakt.
Opeensmijten, smeet opeen, smeten opeen, heeft opeengesmeten.
Opeenstapelen, stapelde opeen, heeft opeengestapeld.
Opeenvolgen, volgde opeen, is opeengevolgd.
Opeenvolging, V., opeenvolgingen.
Opeenwerpen, wierp opeen, heeft opeengeworpen.
Opeenzetten, zette opeen, heeft opeengezet.
Opeenzitten, zat opeen, zaten opeen, heeft opeengezeten.
Opeisch, M.
Opeischen, eischte op, heeft opgeeischt.
Opeisching, V., opeischingen.
Open, opener, openst.
Openbaar, openbaarder, openbaarst.
Openbaar, O.
Openbaarheid, V.
Openbaarmaken, maakte openbaar, heeft openbaargemaakt.
Openbaarmaking, V.
Openbaren, openbaarde, heeft geopenbaard.
Openbaring, V., openbaringen.
Openbaringsleer, V.
Openbreken, brak open, braken open, heeft en is opengebroken.
Opendoen, doet open, deed open, deden open, heeft opengedaan.
Openen, opende, heeft geopend.
Opengaan, ging open, is opengegaan.
Openhartig, openhartiger, openhartigst.
Openhartigheid, V.
Openheid, V.
Openhouden, hield open, heeft opengehouden.
Opening, V., openingen. Openingetje, O., openingetjes.
Openingsrede, V., openingsredenen.
Openkrabbelen, krabbelde open, heeft opengekrabbeld.
Openkrabben, krabde open, heeft opengekrabd.
Openkrijgen, kreeg open, kregen open, heeft opengekregen.
Openlaten, liet open, heeft opengelaten.
Openleggen, legde open en leide open, heeft opengelegd en opengeleid.
Openliggen, lag open, lagen open, heeft opengelegen.
Openlijk.
Openmaken, maakte open, heeft opengemaakt.
Openprikken, prikte open, heeft opengeprikt.
Openrijten, reet open, reten open, heeft opengereten.
Openrukken, rukte open, heeft opengerukt.
Openscheuren, scheurde open, heeft opengescheurd.
Openschuiven, schoof open, schoven open, heeft opengeschoven.
Openslaan, slaat open, sloeg open, heeft en is opengeslagen.
Opensluiten, sloot open, sloten open, heeft opengesloten.
Opensnijden, sneed open, sneden open, heeft opengesneden.
Openspalken, spalkte open, heeft opengespalkt.
Openspringen, sprong open, is opengesprongen.
Openstaan, staat open, stond open, heeft opengestaan.
Openstaand.
Openstellen, stelde open, heeft opengesteld.
Openstooten, stiet open, heeft opengestooten; ook stootte open.
Openteren, enterde op, is opgeënterd.
Op-en-top.
Opentrappen, trapte open, heeft opengetrapt.
Opentrekken, trok open, trokken open, heeft opengetrokken.
Openvallen, viel open, is opengevallen.
Openvliegen, vloog open, vlogen open, is opengevlogen.
Openzeilen, zeilde open, heeft opengezeild.
Opera, V., opera’s. Operaatje, O., operaatjes.
Operateur, M., operateuren en operateurs.
Operatie, V., operatiën en operaties.
Operatiekamer, V., operatiekamers.
Operatielijn, V., operatielijnen.
Operazanger, M., operazangers.
Opereeren, opereerde, heeft geopereerd.
Operette, V., operettes.
Operment, O.
Opeten, at op, aten op, heeft opgegeten.
Opfladderen, fladderde op, is opgefladderd.
Opflakkeren, flakkerde op, is opgeflakkerd.
Opfleuren, fleurde op, is en heeft opgefleurd.
Opfleuring, V.
Opflikken, flikte op, heeft opgeflikt.
Opflikkeren, flikkerde op, is opgeflikkerd.
Opflikkering, V., opflikkeringen.
Opfluiten, floot op, floten op, heeft opgefloten.
Opfoeliën, foeliede op, heeft opgefoelied.
Opfokken, fokte op, heeft opgefokt.
Opfokker, M., opfokkers.
Opfokking, V.
Opfrisschen, frischte op, heeft en is opgefrischt.
Opfrissching, V.
Opgaaf en Opgave V., opgaven. Opgaafje, O., opgaafjes.
Opgaan, gaat op, ging op, is opgegaan.
Opgaand.
Opgalmen, galmde op, heeft opgegalmd.
Opgang, M., opgangen.
Opgaren, gaarde op, heeft opgegaard.
Opgave. Zie Opgaaf.
Opgeblazen, opgeblazener, opgeblazenst.
Opgeblazenheid, V.
Opgebruiken, gebruikte op, heeft opgebruikt.
Opgeien, geide op, heeft opgegeid.
Opgeld, O., opgelden.
Opgeruimd, opgeruimder, opgeruimdst.
Opgeruimdheid, V.
Opgeschikt, opgeschikter, opgeschiktst.
Opgeschiktheid, V.
Opgeschoten.
Opgesmukt, opgesmukter, opgesmuktst.
Opgesmuktheid, V.
Opgetogen, opgetogener, opgetogenst.
Opgetogenheid, V.
Opgeven, gaf op, gaven op, heeft opgegeven.
Opgever, M., opgevers.
Opgeving, V.
Opgewekt, opgewekter, opgewektst.
Opgewektheid, V.
Opgewonden, opgewondener, opgewondenst.
Opgewondenheid, V.
Opgezet.
Opgezetene, M. en V., opgezetenen.
Opgezwollen, opgezwollener, opgezwollenst.
Opgezwollenheid, V.
Opgieten, goot op, goten op, heeft opgegoten.
Opgisten, gistte op, is opgegist.
Opglanzen, glansde op, heeft opgeglansd.
Opglimmen, glom op, glommen op, is opgeglommen.
Opglinsteren, glinsterde op, is opgeglinsterd.
Opglippen, glipte op, heeft opgeglipt.
Opgloeien, gloeide op, heeft en is opgegloeid.
Opgloeiing, V.
Opgloren, gloorde op, is opgegloord.
Opgooien, gooide op, heeft opgegooid.
Opgorden, gordde op, heeft opgegord.
Opgording, V.
Opgrabbelen, grabbelde op, heeft opgegrabbeld.
Opgraven, groef op, groeven op, heeft opgegraven.
Opgraver, M., opgravers.
Opgraving, V., opgravingen.
Opgrijpen, greep op, grepen op, heeft opgegrepen.
Opgroeien, groeide op, is opgegroeid.
Ophaal, M., ophalen. Ophaaltje, O., ophaaltjes.
Ophaalbrug, V., ophaalbruggen.
Ophaalnet, O., ophaalnetten.
Ophaken, haakte op, heeft opgehaakt.
Ophakken, hakte op, heeft opgehakt.
Ophakker, M., ophakkers. Ophakkertje, O., ophakkertjes.
Ophakkerig, ophakkeriger, ophakkerigst.
Ophakkerigheid, V.
Ophakkerij, V., ophakkerijen.
Ophalen, haalde op, heeft opgehaald.
Ophaler, M., ophalers.
Ophaling, V., ophalingen.
Ophanden.
Ophangen, hing op, heeft opgehangen.
Ophanging, V., ophangingen.
Ophappen, hapte op, heeft opgehapt.
Opharken, harkte op, heeft opgeharkt.
Ophaspelen, haspelde op, heeft opgehaspeld.
Ophebben, heeft op, had op, hadden op, heeft opgehad.
Ophef, M.
Opheffen, hief op, hieven op, heeft opgeheven.
Opheffing, V., opheffingen.
Ophekelen, hekelde op, heeft opgehekeld.
Ophelderen, helderde op, heeft en is opgehelderd.
Opheldering, V., ophelderingen.
Ophelpen, hielp op, heeft opgeholpen.
Ophemelen, hemelde op, heeft opgehemeld.
Ophemeling, V., ophemelingen.
Ophicleïde, V., ophicleïdes.
Ophielen, hielde op, heeft opgehield.
Ophijschen, heesch op, heschen op, heeft opgeheschen.
Ophitsen, hitste op, heeft opgehitst.
Ophitser, M., ophitsers.
Ophitsing, V., ophitsingen.
Ophoepelen, hoepelde op, is opgehoepeld.
Ophoogen, hoogde op, heeft opgehoogd.
Ophooging, V., ophoogingen.
Ophoopen, hoopte op, heeft opgehoopt.
Ophooping, V., ophoopingen.
Ophooren, hoorde op, heeft opgehoord.
Ophouden, hield op, heeft opgehouden.
Ophouder, M., ophouders.
Ophtalmoloog, M., ophtalmologen.
Ophuppelen, huppelde op, heeft en is opgehuppeld.
Opijken, ijkte op, heeft opgeijkt.
Opium, O.
Opiumkit, V., opiumkitten.
Opiumpacht, V.
Opiumregie, V.
Opiumschuiver, M., opiumschuivers.
Opjagen, jaagde op, heeft opgejaagd; ook joeg op.
Opkamer, V., opkamers. Opkamertje, O., opkamertjes.
Opkammen, kamde op, heeft opgekamd.
Opkappen, kapte op, heeft opgekapt.
Opkatten, katte op, heeft opgekat.
Opkeeren, keerde op, heeft opgekeerd.
Opkeggen, kegde op, heeft opgekegd.
Opkijken, keek op, keken op, heeft opgekeken.
Opkikkeren, kikkerde op, heeft opgekikkerd.
Opkisten, kistte op, heeft opgekist.
Opkisting, V., opkistingen.
Opkladden, kladde op, heeft opgeklad.
Opklampen, klampte op, heeft opgeklampt.
Opklappen, klapte op, heeft opgeklapt.
Opklaren, klaarde op, heeft en is opgeklaard.
Opklaring, V.
Opklauteren, klauterde op, heeft en is opgeklauterd.
Opkleppen, klepte op, heeft opgeklept.
Opkleuren, kleurde op, heeft en is opgekleurd.
Opklimmen, klom op, klommen op, heeft en is opgeklommen.
Opklimming, V., opklimmingen.
Opklinken, klonk op, heeft opgeklonken.
Opklooven, kloofde op, heeft opgekloofd.
Opkloppen, klopte op, heeft opgeklopt.
Opklossen, kloste op, heeft opgeklost.
Opkluiven, kloof op, kloven op, heeft opgekloven.
Opknappen, knapte op, heeft en is opgeknapt.
Opknapping, V., opknappingen.
Opknijpen, kneep op, knepen op, is opgeknepen.
Opknoopen, knoopte op, heeft opgeknoopt.
Opknooping, V., opknoopingen.
Opkoelen, koelde op, heeft en is opgekoeld.
Opkoeling, V.
Opkoken, kookte op, heeft opgekookt.
Opkoking, V.
Opkomen, komt op, kwam op, kwamen op, is opgekomen.
Opkomer, M., opkomers.
Opkomst, V.
Opkooien, kooide op, heeft opgekooid.
Opkooksel, O., opkooksels.
Opkoop, M.
Opkoopen, kocht op, heeft opgekocht.
Opkooper, M., opkoopers.
Opkooping, V., opkoopingen.
Opkoopster, V., opkoopsters.
Opkorten, kortte op, heeft en is opgekort.
Opkrabbelen (openkrabbelen), krabbelde op, heeft opgekrabbeld.
Opkrabbelen (uit eene ziekte opkomen), krabbelde op, is opgekrabbeld.
Opkrabben, krabde op, heeft opgekrabd.
Opkramen, kraamde op, is opgekraamd.
Opkrassen, kraste op, heeft en is opgekrast.
Opkrauwen, krauwde op, heeft opgekrauwd.
Opkrijgen, kreeg op, kregen op, heeft opgekregen.
Opkrimpen, kromp op, is opgekrompen.
Opkrimping, V.
Opkroezen, kroesde op, heeft opgekroesd.
Opkroppen, kropte op, heeft opgekropt.
Opkropping, V.
Opkruien, krooi op, krooien op, heeft en is opgekrooien; ook kruide op, heeft en is opgekruid.
Opkruipen, kroop op, kropen op, is opgekropen.
Opkrullen, krulde op, heeft en is opgekruld.
Opkuipen, kuipte op, heeft opgekuipt.
Opkunnen, kan op, kunnen op, konde en kon op, konden op, heeft opgekund.
Opkweeken, kweekte op, heeft opgekweekt.
Opkweeking, V.
Opkwikken, kwikte op, heeft opgekwikt.
Oplaag en Oplage, V., oplagen.
Opladen, laadde op, heeft opgeladen.
Oplader, M., opladers.
Oplading, V., opladingen.
Oplage. Zie Oplaag.
Oplangen, langde op, heeft opgelangd.
Oplanger, M., oplangers.
Oplappen, lapte op, heeft opgelapt.
Oplapping, V., oplappingen.
Oplaten, liet op, heeft opgelaten.
Oplaveeren, laveerde op, is opgelaveerd.
Opleggen, legde op en leide op, heeft opgelegd en opgeleid.
Oplegging, V.
Oplegsel, O., oplegsels. Oplegseltje, O., oplegseltjes.
Opleiden, leidde op, heeft opgeleid.
Opleider, M., opleiders.
Opleiding, V., opleidingen.
Opleidingsschip, O., opleidingsschepen.
Oplepelen, lepelde op, heeft opgelepeld.
Opletten, lette op, heeft opgelet.
Oplettend, oplettender, oplettendst.
Oplettendheid, V., oplettendheden.
Opleven, leefde op, is opgeleefd.
Oplezen, las op, lazen op, heeft opgelezen.
Oplichten (helderder worden), lichtte op, is opgelicht.
Oplichten (opheffen, bedriegen, enz.), lichtte op, heeft opgelicht.
Oplichter, M., oplichters.
Oplichterij, V., oplichterijen.
Oplichting, V., oplichtingen.
Oplichtster, V., oplichtsters.
Oploeven, loefde op, is opgeloefd.
Oploop (opschudding), M. Oploopje, O., oploopjes.
Oploop (scheepsw.), M., oploopen.
Oploopen, liep op, is en heeft opgeloopen.
Oploopend, oploopender, oploopendst.
Oploopendheid, V.
Oplooping, V.
Oplosbaar, oplosbare.
Oplosbaarheid, V.
Oplossen, loste op, heeft opgelost.
Oplossing, V., oplossingen.
Opluchten, luchtte op, heeft opgelucht.
Opluiken, look op, loken op, is opgeloken.
Opluiking, V.
Opluisteren, luisterde op, heeft opgeluisterd.
Opluistering, V.
Opmaakster, V., opmaaksters.
Opmaken, maakte op, heeft opgemaakt.
Opmaker, M., opmakers.
Opmaking, V.
Opmalen, maalde op, heeft opgemalen.
Opmaling, V., opmalingen.
Opmarcheeren, marcheerde op, is opgemarcheerd.
Opmerkelijk, opmerkelijker, opmerkelijkst.
Opmerken, merkte op, heeft opgemerkt.
Opmerkenswaardig, opmerkenswaardiger, opmerkenswaardigst, of meer en meest opmerkenswaardig.
Opmerker, M., opmerkers.
Opmerking, V., opmerkingen.
Opmerkingsgave, V.
Opmerkzaam, opmerkzamer, opmerkzaamst.
Opmerkzaamheid, V.
Opmeten, mat op, maten op, heeft opgemeten.
Opmeting, V., opmetingen.
Opmetselen, metselde op, heeft opgemetseld.
Opmetseling, V.
Opmonteren, monterde op, heeft opgemonterd.
Opmontering, V.
Opnaaien, naaide op, heeft opgenaaid.
Opnaaisel, O., opnaaisels. Opnaaiseltje, O., opnaaiseltjes.
Opname, V.
Opnemen, nam op, namen op, heeft opgenomen.
Opnemer, M., opnemers.
Opneming, V., opnemingen.
Opnemingsvaartuig, O., opnemingsvaartuigen.
Opnieuw.
Opnoemen, noemde op, heeft opgenoemd.
Opnoeming, V., opnoemingen.
Opodeldoc, V.
Opofferen, offerde op, heeft opgeofferd.
Opoffering, V., opofferingen.
Opontbieden, ontbood op, ontboden op, heeft opontboden.
Opontbieding, V., opontbiedingen.
Opontbod, O.
Oponthoud, O.
Oppakken, pakte op, heeft opgepakt.
Oppalmen, palmde op, heeft opgepalmd.
Oppas, M.
Oppassen, paste op, heeft opgepast.
Oppassend, oppassender, oppassendst.
Oppassendheid, V.
Oppasser, M., oppassers.
Oppasseres, V., oppasseressen.
Oppassing, V.
Opper (hooistapel), M., oppers. Oppertje, O., oppertjes.
Opper en Opperd (schuilplaats, luwte), M., oppers en opperds. Oppertje en opperdje, O., oppertjes en opperdjes.
Opperbest.
Opperbestuur, O.
Opperbestuurder, M., opperbestuurders.
Opperbevel, O.
Opperbevelhebber, M., opperbevelhebbers.
Opperbewind, O.
Opperbrandmeester, M., opperbrandmeesters.
Opperceremoniemeester, M., opperceremoniemeesters.
Opperen, opperde, heeft geopperd.
Oppergebied, O.
Oppergebieder, M., oppergebieders.
Oppergezag, O.
Opperheer, M., opperheeren.
Opperheerschappij, V.
Opperhoofd, O., opperhoofden.
Opperhuid, V.
Oppering, V., opperingen.
Opperjager, M., opperjagers.
Opperjagermeester, M., opperjagermeesters.
Opperkamerheer, M., opperkamerheeren.
Opperkleed, O., opperkleederen.
Opperkoopman, M., opperkooplieden.
Opperleenheer, M., opperleenheeren.
Oppermacht, V.
Oppermachtig.
Oppermajesteit, V.
Opperman, M., opperlieden en opperlui.
Opperpriester, M., opperpriesters.
Opperpriesterschap, O.
Opperrabbijn, M., opperrabbijnen.
Opperschenker, M., opperschenkers.
Oppersen, perste op, heeft opgeperst.
Oppersing, V. oppersingen.
Opperstalmeester, M., opperstalmeesters.
Opperste.
Opperstuurman, M., opperstuurlieden.
Oppertoezicht, O.
Oppervlak, O., oppervlakken.
Oppervlakkig, oppervlakkiger, oppervlakkigst.
Oppervlakkigheid, V., oppervlakkigheden.
Oppervlakte, V., oppervlakten.
Opperwal, M.
Opperwater, O.
Oppeuzelen, peuzelde op, heeft opgepeuzeld.
Oppikken, pikte op, heeft opgepikt.
Opplakken, plakte op, heeft opgeplakt.
Opploegen, ploegde op, heeft opgeploegd.
Opploeging, V.
Oppoetsen, poetste op, heeft opgepoetst.
Oppoffen, pofte op, heeft opgepoft.
Oppoken, pookte op, heeft opgepookt.
Oppompen, pompte op, heeft opgepompt.
Opponeeren, opponeerde, heeft geopponeerd.
Opponent, M., opponenten.
Opporren, porde op, heeft opgepord.
Opportuniteit, V.
Opposant, M., opposanten.
Oppositie, V., oppositiën en opposities.
Oppositieblad, O., oppositiebladen.
Oppotten, potte op, heeft opgepot.
Opprikken, prikte op, heeft opgeprikt.
Oppronken, pronkte op, heeft opgepronkt.
Opproppen, propte op, heeft opgepropt.
Oppropping, V.
Oppuilen, puilde op, is opgepuild.
Oppuiling, V., oppuilingen.
Opraapsel, O., opraapsels.
Oprakelen, rakelde op, heeft opgerakeld.
Oprakeling, V.
Opraken, raakte op, is opgeraakt.
Oprammeien, rammeide op, heeft opgerammeid.
Oprapen, raapte op, heeft opgeraapt.
Oprecht, oprechter, oprechtst.
Oprechtelijk.
Oprechtheid, V.
Opredderen, redderde op, heeft opgeredderd.
Opreddering, V.
Oprekenen, rekende op, heeft opgerekend.
Oprekening, V., oprekeningen.
Oprekken, rekte op, heeft opgerekt.
Oprichten, richtte op, heeft opgericht.
Oprichter, M., oprichters.
Oprichtersaandeel, O., oprichtersaandeelen.
Oprichtersbewijs, O., oprichtersbewijzen.
Oprichting, V.
Oprichtingskosten (mv.), M.
Oprijden, reed op, reden op, heeft en is opgereden.
Oprijgen, reeg op, heeft opgeregen.
Oprijlaan, V., oprijlanen.
Oprijten, reet op, reten op, heeft en is opgereten.
Oprijzen, rees op, rezen op, is opgerezen.
Oprijzing, V.
Opril, V., oprillen.
Oprispen, rispte op, heeft opgerispt.
Oprisping, V., oprispingen.
Oprit, M., opritten.
Opritsen, ritste op, heeft opgeritst.
Opritsing, V., opritsingen.
Oprochelen, rochelde op, heeft opgerocheld.
Oproeien, roeide op, heeft en is opgeroeid.
Oproep, M.
Oproepen, riep op, heeft opgeroepen.
Oproeper, M., oproepers.
Oproeping, V., oproepingen.
Oproepingsbrief, M., oproepingsbrieven.
Oproer, O., oproeren. Oproertje, O., oproertjes.
Oproeren, roerde op, heeft opgeroerd.
Oproerig, oproeriger, oproerigst.
Oproerigheid, V.
Oproerkraaier, M., oproerkraaiers.
Oproerkreet, M., oproerkreten.
Oproerling, M. en V., oproerlingen.
Oproermaker, M., oproermakers.
Oprokkenen, rokkende op, heeft opgerokkend.
Oprollen, rolde op, heeft opgerold.
Oprolling, V.
Opruien, ruide op, heeft opgeruid.
Opruier, M., opruiers.
Opruiing, V., opruiingen.
Opruimen, ruimde op, heeft opgeruimd.
Opruimer, M., opruimers.
Opruiming, V., opruimingen.
Oprukken, rukte op, heeft en is opgerukt.
Opscharrelen, scharrelde op, heeft opgescharreld.
Opschaven, schaafde op, heeft opgeschaafd.
Opschellen, schelde op, heeft opgescheld.
Opschenken, schonk op, heeft opgeschonken.
Opschepen, scheepte op, heeft opgescheept.
Opscheppen, schepte op, heeft opgeschept.
Opschepper, M., opscheppers.
Opscheren, schoor op, schoren op, heeft opgeschoren.
Opscherpen, scherpte op, heeft opgescherpt.
Opscherping, V., opscherpingen.
Opscheuren, scheurde op, heeft en is opgescheurd.
Opscheuring, V., opscheuringen.
Opschieten, schoot op, schoten op, heeft en is opgeschoten.
Opschik, M.
Opschikken, schikte op, heeft opgeschikt.
Opschikking, V.
Opschilderen, schilderde op, heeft opgeschilderd.
Opschildering, V., opschilderingen.
Opschoeien, schoeide op, heeft opgeschoeid.
Opschoeiing, V., opschoeiingen.
Opschommelen, schommelde op, heeft opgeschommeld.
Opschooien, schooide op, heeft opgeschooid.
Opschoppen, schopte op, heeft opgeschopt.
Opschorten, schortte op, heeft opgeschort.
Opschorting, V., opschortingen.
Opschotelen, schotelde op, heeft opgeschoteld.
Opschransen, schranste op, heeft opgeschranst.
Opschrift, O., opschriften. Opschriftje, O., opschriftjes.
Opschrijfboek, O., opschrijfboeken; opschrijfboekje, O., opschrijfboekjes.
Opschrijven, schreef op, schreven op, heeft opgeschreven.
Opschrijver, M., opschrijvers.
Opschrijving, V.
Opschrikken, schrikte op, heeft en is opgeschrikt.
Opschroeven, schroefde op, heeft opgeschroefd.
Opschroeving, V., opschroevingen.
Opschrokken, schrokte op, heeft opgeschrokt.
Opschudden, schudde op, heeft opgeschud.
Opschudding, V., opschuddingen.
Opschuieren, schuierde op, heeft opgeschuierd.
Opschuimen, schuimde op, heeft opgeschuimd.
Opschuiven, schoof op, schoven op, heeft en is opgeschoven.
Opschuiving, V., opschuivingen.
Opschuren, schuurde op, heeft opgeschuurd.
Opschutten, schutte op, heeft opgeschut.
Opschutting, V.
Opseizen, seisde op, heeft opgeseisd.
Opsieren, sierde op, heeft opgesierd.
Opsiering, V., opsieringen.
Opsiersel, O., opsiersels en opsierselen.
Opsjorren, sjorde op, heeft opgesjord.
Opsjorring, V.
Opslaan, slaat op, sloeg op, heeft en is opgeslagen.
Opslag, M., opslagen.
Opslechten, slechtte op, heeft opgeslecht.
Opsleepen, sleepte op, heeft opgesleept.
Opslenteren, slenterde op, is opgeslenterd.
Opsleuren, sleurde op, heeft opgesleurd.
Opslijpen, sleep op, slepen op, heeft opgeslepen.
Opslijping, V.
Opslikken, slikte op, heeft opgeslikt.
Opslobberen, slobberde op, heeft opgeslobberd.
Opslokken, slokte op, heeft opgeslokt.
Opslooten, slootte op, heeft opgesloot.
Opslorpen en Opslurpen, slorpte (slurpte) op, heeft opgeslorpt (opgeslurpt).
Opslorping en Opslurping, V., opslorpingen (opslurpingen).
Opsluiten, sloot op, sloten op, heeft opgesloten.
Opsluiting, V., opsluitingen.
Opsluitschijf, V., opsluitschijven.
Opsluitwig, V., opsluitwiggen.
Opslurpen. Zie Opslorpen.
Opsmeden, smeedde op, heeft opgesmeed.
Opsmukken, smukte op, heeft opgesmukt.
Opsmukking, V.
Opsmullen, smulde op, heeft opgesmuld.
Opsnappen, snapte op, heeft opgesnapt.
Opsnapper, M., opsnappers.
Opsnijden, sneed op, sneden op, heeft opgesneden.
Opsnijder, M., opsnijders.
Opsnijderij, V., opsnijderijen.
Opsnijding, V., opsnijdingen.
Opsnoepen, snoepte op, heeft opgesnoept.
Opsnorren, snorde op, heeft opgesnord.
Opsnuiven, snoof op, snoven op, heeft opgesnoven.
Opsnuiving, V.
Opsommen, somde op, heeft opgesomd.
Opsomming, V., opsommingen.
Opspalken, spalkte op, heeft opgespalkt.
Opspalking, V.
Opspannen, spande op, heeft en is opgespannen.
Opspanning, V., opspanningen.
Opsparen, spaarde op, heeft opgespaard.
Opspelden, speldde op, heeft opgespeld.
Opspelen, speelde op, heeft opgespeeld.
Opsperren, sperde op, heeft opgesperd.
Opsperring, V.
Opspitten, spitte op, heeft opgespit.
Opsplijten, spleet op, spleten op, heeft en is opgespleten.
Opsplijting, V.
Opspoelen, spoelde op, heeft opgespoeld.
Opsporen, spoorde op, heeft opgespoord.
Opsporing, V., opsporingen.
Opspouwen, spouwde op, heeft opgespouwen.
Opspraak, V.
Opspringen, sprong op, is opgesprongen.
Opspruiten, sproot op, sproten op, is opgesproten.
Opspugen, spoog op, spogen op, heeft opgespogen.
Opspuiten, spoot op, spoten op, heeft en is opgespoten.
Opstaan, staat op, stond op, is opgestaan.
Opstal, M., opstallen.
Opstallen, stalde op, heeft opgestald.
Opstalling, V.
Opstand, M., opstanden.
Opstandeling, M. en V., opstandelingen. V. ook opstandelinge.
Opstanding, V.
Opstandingsverhaal, O.
Opstapelen, stapelde op, heeft opgestapeld.
Opstapeling, V., opstapelingen.
Opstappen, stapte op, is opgestapt.
Opsteken, stak op, staken op, heeft en is opgestoken.
Opsteker, M., opstekers.
Opsteking, V.
Opstel, O., opstellen. Opstelletje, O., opstelletjes.
Opstellen, stelde op, heeft opgesteld.
Opsteller, M., opstellers.
Opstelling, V., opstellingen.
Opstijgen, steeg op, stegen op, is opgestegen.
Opstijging, V., opstijgingen.
Opstijven, steef op, steven op, heeft en is opgesteven.
Opstoken, stookte op, heeft opgestookt.
Opstoker, M., opstokers.
Opstokerij, V., opstokerijen.
Opstoking, V., opstokingen.
Opstookster, V., opstooksters.
Opstooten, stiet op, heeft opgestooten; ook stootte op.
Opstooter, M., opstooters.
Opstooting, V.
Opstootje, O., opstootjes.
Opstoppen, stopte op, heeft opgestopt.
Opstopper, M., opstoppers.
Opstopping, V., opstoppingen.
Opstoven, stoofde op, heeft opgestoofd.
Opstrijden, streed op, streden op, heeft opgestreden.
Opstrijken, streek op, streken op, heeft opgestreken.
Opstrompelen, strompelde op, is opgestrompeld.
Opstroopen, stroopte op, heeft opgestroopt.
Opstuiten, stuitte op, heeft opgestuit.
Opstuiter, M., opstuiters.
Opstuiven, stoof op, stoven op, is opgestoven.
Opsturen, stuurde op, heeft opgestuurd.
Opstutten, stutte op, heeft opgestut.
Opstuwen, stuwde op, heeft opgestuwd.
Opstuwer, M., opstuwers.
Opstuwing, V.
Optakelen, takelde op, heeft opgetakeld.
Optakeling, V., optakelingen.
Optarnen, tarnde op, heeft en is opgetarnd.
Optassen, taste op, heeft opgetast.
Optatief, M., optatieven.
Opteekenaar, M., opteekenaars.
Opteekenen, teekende op, heeft opgeteekend.
Opteekening, V., opteekeningen.
Opteeren, opteerde, heeft geopteerd.
Optellen, telde op, heeft opgeteld.
Opteller, M., optellers.
Optelling, V., optellingen.
Optelsom, V., optelsommen.
Opteren (opmaken), teerde op, heeft opgeteerd.
Opteren (met teer besmeren), teerde op, heeft opgeteerd.
Optica, V.
Opticien, M., opticiens.
Optie, V.
Optiejaar, O., optiejaren.
Optillen, tilde op, heeft opgetild.
Optimisme, O.
Optimist, M., optimisten.
Optimmeren, timmerde op, heeft opgetimmerd.
Optimmering, V., optimmeringen.
Optisch.
Optocht, M., optochten.
Optoetsen, toetste op, heeft opgetoetst.
Optooien, tooide op, heeft opgetooid.
Optooiing, V., optooiingen.
Optooisel, O., optooisels en optooiselen.
Optoomen, toomde op, heeft opgetoomd.
Optooming, V., optoomingen.
Optoppen, topte op, heeft opgetopt.
Optornen, tornde op, heeft en is opgetornd.
Optreden, trad op, traden op, is opgetreden.
Optreding, V., optredingen.
Optrek, M., optrekken. Optrekje, O., optrekjes.
Optrekken, trok op, trokken op, heeft en is opgetrokken.
Optrekker, M., optrekkers.
Optrekking, V., optrekkingen.
Optroeven, troefde op, heeft opgetroefd.
Optuigen, tuigde op, heeft opgetuigd.
Optuiger, M., optuigers.
Optuiging, V., optuigingen.
Opulent, opulenter, opulentst.
Opulentie, V.
Opvangen, ving op, heeft opgevangen.
Opvaren, voer op, is opgevaren.
Opvarende, M. en V., opvarenden.
Opvatten, vatte op, heeft opgevat.
Opvatting, V., opvattingen.
Opvegen, veegde op, heeft opgeveegd.
Opveilen, veilde op, heeft opgeveild.
Opveiling, V.
Opverven, verfde op, heeft opgeverfd.
Opverving, V., opvervingen.
Opvijlen, vijlde op, heeft opgevijld.
Opvijling, V.
Opvijzelaar, M., opvijzelaars.
Opvijzelen, vijzelde op, heeft opgevijzeld.
Opvijzeling, V., opvijzelingen.
Opvisschen, vischte op, heeft opgevischt.
Opvlechten, vlocht op, heeft opgevlochten.
Opvliegen, vloog op, vlogen op, is opgevlogen.
Opvliegend, opvliegender, opvliegendst.
Opvliegendheid, V.
Opvlieging, V.
Opvoeden, voedde op, heeft opgevoed.
Opvoeder, M., opvoeders.
Opvoeding, V., opvoedingen.
Opvoedingsgesticht, O., opvoedingsgestichten.
Opvoedingskunst, V.
Opvoedkunde, V.
Opvoedkundig.
Opvoedkundige, M. en V., opvoedkundigen.
Opvoedster, V., opvoedsters.
Opvoeren, voerde op, heeft opgevoerd.
Opvoering, V., opvoeringen.
Opvolgen, volgde op, heeft en is opgevolgd.
Opvolger, M., opvolgers.
Opvolging, V., opvolgingen.
Opvolgster, V., opvolgsters.
Opvouwen, vouwde op, heeft opgevouwen.
Opvreten, vrat op, vraten op, heeft opgevreten.
Opvroolijken, vroolijkte op, heeft opgevroolijkt.
Opvroolijking, V.
Opvullen, vulde op, heeft opgevuld.
Opvulling, V., opvullingen.
Opvulsel, O., opvulsels.
Opwaaien, waaide op, heeft en is opgewaaid; ook woei op, woeien op.
Opwaarts (bijw.).
Opwaartsch (bnw.).
Opwachten, wachtte op, heeft opgewacht.
Opwachting, V.
Opwakkeren, wakkerde op, heeft en is opgewakkerd.
Opwakkering, V.
Opwarmen, warmde op, heeft opgewarmd.
Opwarming, V.
Opwassen, wies op, wiesen op, is opgewassen.
Opwegen, woog op, wogen op, heeft opgewogen.
Opwekkelijk, opwekkelijker, opwekkelijkst.
Opwekken, wekte op, heeft opgewekt.
Opwekkend, opwekkender, opwekkendst.
Opwekking, V., opwekkingen.
Opwellen, welde op, heeft en is opgeweld.
Opwelling, V., opwellingen.
Opwentelen, wentelde op, heeft opgewenteld.
Opwerken, werkte op, heeft opgewerkt.
Opwerpen, wierp op, heeft opgeworpen.
Opwerping, V., opwerpingen.
Opwinden, wond op, heeft opgewonden.
Opwinding, V., opwindingen.
Opwippen, wipte op, heeft en is opgewipt.
Opwitten, witte op, heeft opgewit.
Opwrijven, wreef op, wreven op, heeft opgewreven.
Opzadelen, zadelde op, heeft opgezadeld.
Opzakken, zakte op, heeft opgezakt.
Opzamelaar, M., opzamelaars.
Opzamelen, zamelde op, heeft opgezameld.
Opzameling, V., opzamelingen.
Opzegbaar, opzegbare.
Opzegbaarheid, V.
Opzeggen, zeide op, heeft opgezegd en opgezeid.
Opzegging, V.
Opzeilen, zeilde op, heeft en is opgezeild.
Opzenden, zond op, heeft opgezonden.
Opzending, V.
Opzet (het opgezette), M., opzetten.
Opzet (bij geschut), M., opzetten.
Opzet (beraamd plan), O.
Opzetdoos, V., opzetdoozen; opzetdoosje, O., opzetdoosjes.
Opzetsel, O.
Opzettelijk, opzettelijker, opzettelijkst.
Opzetten, zette op, heeft opgezet.
Opzetter, M., opzetters.
Opzetting, V.
Opzicht, O., opzichten.
Opzichter, M., opzichters.
Opzichtig, opzichtiger, opzichtigst.
Opzichtigheid, V.
Opzien, zag op, zagen op, heeft opgezien.
Opzien, O.
Opziener, M., opzieners.
Opzienersambt, O.
Opzingen, zong op, heeft opgezongen.
Opzitten, zat op, zaten op, heeft opgezeten.
Opzoeken, zocht op, heeft opgezocht.
Opzoeking, V., opzoekingen.
Opzolderen, zolderde op, heeft opgezolderd.
Opzoldering, V.
Opzouten, zoutte op, heeft opgezouten.
Opzuigen, zoog op, zogen op, heeft opgezogen.
Opzuipen, zoop op, zopen op, heeft opgezopen.
Opzwaaien, zwaaide op, is opgezwaaid.
Opzwalpen, zwalpte op, heeft opgezwalpt.
Opzweepen, zweepte op, heeft opgezweept.
Opzwelgen, zwolg op, heeft opgezwolgen.
Opzwellen, zwol op, zwollen op, is opgezwollen.
Opzwelling, V., opzwellingen.
Opzwemmen, zwom op, zwommen op, is opgezwommen.
Orakel, O., orakels en orakelen.
Orakelen, orakelde, heeft georakeld.
Orakelspreuk, V., orakelspreuken.
Orakeltaal, V.
Orang-oetang, M., orang-oetangs.
Oranje (boom), M., (vrucht), V., oranjes.
Oranje (kleur), O.
Oranje (bnw.).
Oranjeappel, M., oranjeappels en oranjeappelen.
Oranjebloesem, M.
Oranjeboom, M., oranjeboomen.
Oranjehuis, O.
Oranjeklant, M. en V., oranjeklanten.
Oranjekleur, V.
Oranjelint, O.
Oranjemarmelade, V.
Oranjerie, V., oranjerieën.
Oranjeschil, V., oranjeschillen.
Oranjestrik, M., oranjestrikken; oranjestrikje, O., oranjestrikjes.
Oratie, V., oratiën en oraties.
Oratorium, O., oratoriums en oratoria.
Orberen, orberde, heeft georberd.
Orchidee, V., orchideeën.
Orde, V., orden.
Ordelijk, ordelijker, ordelijkst.
Ordelijkheid, V.
Ordeloos, ordeloozer.
Ordeloosheid, V.
Ordenen, ordende, heeft geordend.
Ordening, V., ordeningen.
Ordentelijk, ordentelijker, ordentelijkst.
Ordentelijkheid, V.
Order, V., orders.
Orderbriefje, O., orderbriefjes.
Ordeteeken, O., ordeteekenen.
Ordinaat, V., ordinaten.
Ordinaris, V., ordinarissen.
Ordineeren, ordineerde, heeft geordineerd.
Ordonnans, M., ordonnansen.
Ordonnans-officier, M., ordonnans-officieren.
Ordonnantie, V., ordonnantiën en ordonnanties.
Ordonnateur, M., ordonnateuren en ordonnateurs.
Ordonneeren, ordonneerde, heeft geordonneerd.
Oreeren, oreerde, heeft georeerd.
Orego, V.
Oreillonspassertje, O., oreillonspassertjes.
Orgaan, O., organen.
Organiek, organieke.
Organisatie, V., organisatiën en organisaties.
Organisch.
Organiseeren, organiseerde, heeft georganiseerd.
Organisme, O., organismen.
Organist en Orgelist, M., organisten en orgelisten.
Orgeade, V.
Orgel, O., orgels en orgelen. Orgeltje, O., orgeltjes.
Orgelconcert, O., orgelconcerten.
Orgeldraaier, M., orgeldraaiers.
Orgelen, orgelde, heeft georgeld.
Orgelist. Zie Organist.
Orgelmuziek, V.
Orgelpunt, V., orgelpunten.
Orgeltoon, M., orgeltonen.
Orgeltrapper, M., orgeltrappers.
Orientalist, M., orientalisten.
Originaliteit, V.
Origineel, origineeler, origineelst.
Origineel, O., origineelen.
Orkaan, M., orkanen.
Orkest, O., orkesten.
Orkestdirecteur, M., orkestdirecteurs.
Orkestmeester, M., orkestmeesters.
Orkesttoon, M.
Orleaan, O.
Ornament en Ornement, O., ornamenten en ornementen. Ornamentje en ornementje, O., ornamentjes en ornementjes.
Orneeren, orneerde, heeft georneerd.
Orthodox (bnw.).
Orthodoxe, M. en V., orthodoxen.
Orthodoxie, V.
Orthographie, V., orthographieën.
Orthographisch.
Ortolaan, M., ortolanen.
Os, M., ossen. Osje, O., osjes.
Oscillatie, V., oscillatiën en oscillaties.
Oscilleeren, oscilleerde, heeft geoscilleerd.
Osculatievlak, O., osculatievlakken.
Ossegal, V.
Ossekop, M., ossekoppen.
Osselapjes (mv.), O.
Osseleder en Osseleer, en Ossenleder en Ossenleer, O.
Osseleeren en Ossenleeren (bnw.).
Ossemerg en Ossenmerg, O.
Ossenbloed, O.
Ossendrift, V., ossendriften.
Ossenhaas, M., ossenhazen; ossenhaasje, O., ossenhaasjes.
Ossenhuid, V., ossenhuiden.
Ossenkooper, M., ossenkoopers.
Ossenmarkt, V., ossenmarkten.
Ossenoog, O., ossenoogen.
Ossenstal, M., ossenstallen.
Osserib, V., osseribben.
Ossetand, M., ossetanden.
Ossetong, V., ossetongen; ossetongetje, O., ossetongetjes.
Ossevleesch en Ossenvleesch, O.
Ostentatie, V.
Osteologie, V.
Ostracisme, O.
Otter, M., otters. Ottertje, O., ottertjes.
Otterbont, O.
Oud, ouder, oudst.
Oudachtig, oudachtiger, oudachtigst.
Oudbakken, oudbakkener, oudbakkenst.
Oudburgemeester, M., oudburgemeesters.
Oude, M. en V., ouden. Oudje, O., oudjes.
Oudejaar, O.
Oudejaarsavond, M., oudejaarsavonden.
Oude-kleerenmarkt, V., oude-kleerenmarkten.
Oude-kleerkoop, M., oude-kleerkoopen.
Oude-mannenhuis, O., oude-mannenhuizen.
Ouderdom, M.
Ouderdomskwaal, V., ouderdomskwalen.
Ouderhart, O.
Ouderhuis, O.
Ouderliefde, V.
Ouderlijk.
Ouderling, M., ouderlingen.
Ouderlingenbank, V., ouderlingenbanken.
Ouderlingschap, O.
Ouderloos, ouderlooze.
Oudermin, V.
Ouderpaar, O.
Ouders en Ouderen (mv.), M.
Oudervreugde en oudervreugd, V.
Ouderwets (bijw.).
Ouderwetsch (bnw.), ouderwetscher, meest ouderwetsch.
Ouderwetschheid, V.
Oude-vrouwenhuis, O., oude-vrouwenhuizen.
Oudgast, M., oudgasten.
Oudgediende, M., oudgedienden.
Oudheid, V., oudheden.
Oudheidkenner, M., oudheidkenners.
Oudheidkunde, V.
Oudheidkundig.
Oudhollandsch.
Oudje, O., oudjes.
Oudoom, M., oudooms.
Oudovergrootmoeder, V., oudovergrootmoeders.
Oudovergrootvader, M., oudovergrootvaders.
Oudroest, M.
Oudtante, V., oudtantes.
Oudtestamentisch.
Oudtijds.
Oudvader, M., oudvaders.
Oudvaderlandsch.
Oudvaderlijk.
Oudwijfsch.
Oulings.
Outaar en Outer, O., outaren en outers.
Ouverture, V., ouverturen en ouvertures.
Ouwel, M., ouwels. Ouweltje, O., ouweltjes.
Ouwelijk, ouwelijker, ouwelijkst.
Ovaal, ovale.
Ovaal, O., ovalen.
Ovatie, V., ovatiën en ovaties.
Oven, M., ovens. Oventje, O., oventjes.
Ovendweil, V., ovendweilen.
Ovenist, M., ovenisten.
Ovenpaal, M., ovenpalen.
Over.
Over (scheepsw.), M., overs.
Overaardig.
Overademen, overademde, heeft overademd.
Overal.
Overaltegenwoordig.
Overaltegenwoordigheid, V.
Overasemen, overasemde, heeft overasemd.
Overbabbelen, babbelde over, heeft overgebabbeld.
Overbekend.
Overbekendheid, V.
Overbeleefd.
Overbeschaafd.
Overbeschaafdheid, V.
Overbescheiden.
Overbevolking, V.
Overbevolkt.
Overbidden, bad over, baden over, heeft overgebeden.
Overbinden, bond over, heeft overgebonden.
Overbleeken, bleekte over, heeft overgebleekt.
Overblijfsel, O., overblijfsels en overblijfselen; overblijfseltje, O., overblijfseltjes.
Overblijven, bleef over, bleven over, is overgebleven.
Overbluffen, overblufte, heeft overbluft.
Overbodig, overbodiger, overbodigst.
Overbodigheid, V., overbodigheden.
Overboeken, boekte over, heeft overgeboekt.
Overboeking, V., overboekingen.
Overboenen, boende over, heeft overgeboend.
Overboord.
Overborduren, borduurde over, heeft overgeborduurd.
Overborrelen, borrelde over, is overgeborreld.
Overborreling, V.
Overborstelen, borstelde over, heeft overgeborsteld.
Overbouwen, bouwde over, heeft overgebouwd; ook overbouwde, heeft overbouwd.
Overbraden, braadde over, heeft overgebraden.
Overbreien, breide over, heeft overgebreid.
Overbrengen, bracht over, heeft overgebracht.
Overbrenger, M., overbrengers.
Overbrenging, V., overbrengingen.
Overbrengster, V., overbrengsters.