O (continued 2)
Reading edition
Overbriefster, V., overbriefsters.
Overbrieven, briefde over, heeft overgebriefd.
Overbriever, M., overbrievers.
Overbrieving, V., overbrievingen.
Overbruggen, overbrugde, heeft overbrugd.
Overbrugging, V., overbruggingen.
Overbruisen, bruiste over, heeft en is overgebruist.
Overbuigen, boog over, bogen over, heeft en is overgebogen.
Overbuitelen, buitelde over, heeft en is overgebuiteld.
Overbukken, bukte over, heeft overgebukt.
Overbuur, M., overburen; overbuurtje, O., overbuurtjes.
Overcijferen, cijferde over, heeft overgecijferd.
Overcompleet, overcomplete.
Overdaad, V.
Overdadig, overdadiger, overdadigst.
Overdadigheid, V.
Overdeelen, deelde over, heeft overgedeeld.
Overdek, O., overdekken; overdekje, O., overdekjes.
Overdeken, M., overdekens.
Overdekken, overdekte, heeft overdekt.
Overdekking, V., overdekkingen.
Overdeksel, O., overdeksels.
Overdenken, overdacht, heeft overdacht.
Overdenking, V., overdenkingen.
Overdik, overdikke.
Overdijken, overdijkte, heeft overdijkt.
Overdijking, V.
Overdoen, doet over, deed over, deden over, heeft overgedaan; ook overdoet, overdeed, overdeden, heeft overdaan.
Overdoezelen, doezelde over, heeft overgedoezeld.
Overdonderen, overdonderde, heeft overdonderd.
Overdracht, V., overdrachten.
Overdrachtelijk.
Overdrachtsbrief, M., overdrachtsbrieven.
Overdragen, droeg over, heeft overgedragen.
Overdrager, M., overdragers.
Overdraven, draafde over, heeft en is overgedraafd.
Overdrentelen, drentelde over, heeft en is overgedrenteld.
Overdreven, overdrevener, overdrevenst.
Overdrevenheid, V., overdrevenheden.
Overdrijven, dreef over, dreven over, heeft en is overgedreven; ook overdreef, overdreven, heeft overdreven.
Overdrijving, V., overdrijvingen.
Overdruk, M., overdrukken; overdrukje, O., overdrukjes.
Overdruk (bnw.), overdrukke.
Overdrukken, drukte over, heeft en is overgedrukt; ook overdrukte, heeft overdrukt.
Overduivelen, overduivelde, heeft overduiveld; ook Overduvelen.
Overdwars.
Overeen.
Overeenbrengen, bracht overeen, heeft overeengebracht.
Overeenkomen, komt overeen, kwam overeen, kwamen overeen, is overeengekomen.
Overeenkomst, V., overeenkomsten.
Overeenkomstig.
Overeenkomstigheid, V.
Overeenstemmen, stemde overeen, heeft overeengestemd.
Overeenstemming, V.
Overeind.
Overerfelijk.
Overernstig.
Overerven, erfde over, heeft en is overgeërfd.
Overerving, V.
Overeten (zich overeten), overat zich, overaten zich, heeft zich overeten.
Overfijn.
Overflonkeren, overflonkerde, heeft overflonkerd.
Overfluisteren, fluisterde over, heeft overgefluisterd.
Overfoeliën, overfoeliede, heeft overfoelied.
Overforsch.
Overgaaf en Overgave, V.
Overgaan, gaat over, ging over, is overgegaan.
Overgaar, overgare.
Overgalmen, overgalmde, heeft overgalmd.
Overgang, M., overgangen.
Overgangsbepaling, V., overgangsbepalingen.
Overgangsexamen, O., overgangsexamens.
Overgangstijdperk, O., overgangstijdperken.
Overgangsvorm, M., overgangsvormen.
Overgankelijk.
Overgapen, overgaapte, heeft overgaapt.
Overgaren, gaarde over, heeft overgegaard.
Overgauw.
Overgave. Zie Overgaaf.
Overgedienstig.
Overgegeven, overgegevener, overgegevenst.
Overgelukkig.
Overgeven, gaf over, gaven over, heeft overgegeven.
Overgeving, V., overgevingen.
Overgevoelig.
Overgevoeligheid, V.
Overgewicht, O.
Overgieten, goot over, goten over, heeft overgegoten; ook overgoot, overgoten, heeft overgoten.
Overgieting, V.
Overglijden, gleed over, gleden over, is overgegleden.
Overgloeien, gloeide over, heeft overgegloeid.
Overgoed.
Overgolven, overgolfde, heeft overgolfd.
Overgooien, gooide over, heeft overgegooid.
Overgrijpen, overgreep, overgrepen, heeft overgrepen.
Overgroeien, overgroeide, heeft overgroeid.
Overgroot, overgroote.
Overgrootmoeder, V., overgrootmoeders.
Overgrootvader, M., overgrootvaders.
Overgutsen, gutste over, heeft en is overgegutst.
Overhaal, M., overhalen.
Overhaalschuit, V., overhaalschuiten.
Overhaalster, V., overhaalsters.
Overhaasten, overhaastte, heeft overhaast.
Overhaasting, V.
Overhalen, haalde over, heeft overgehaald.
Overhaler, M., overhalers.
Overhaling, V., overhalingen.
Overhand, V.
Overhandigen, overhandigde, heeft overhandigd.
Overhandiging, V.
Overhands.
Overhangen, hing over, heeft overgehangen.
Overhebben, heeft over, had over, hadden over, heeft overgehad.
Overheen.
Overheeren, overheerde, heeft overheerd.
Overheering, V.
Overheerlijk, overheerlijker, overheerlijkst.
Overheerschen, overheerschte, heeft overheerscht.
Overheerscher, M., overheerschers.
Overheersching, V., overheerschingen.
Overheet, overheete.
Overheid, V., overheden.
Overheidsambt, O., overheidsambten.
Overheidspersoon, M., overheidspersonen.
Overhellen, helde over, heeft overgeheld.
Overhelling, V.
Overhemd, O., overhemden; overhemdje, O., overhemdjes.
Overhemdsknoop, M., overhemdsknoopen.
Overhemdsmouw, V., overhemdsmouwen.
Overhoef, M., overhoeven.
Overhoeks (bijw.).
Overhoeksch (bnw.).
Overhoop.
Overhoopliggen, lag overhoop, lagen overhoop, heeft overhoopgelegen.
Overhoopraken, raakte overhoop, is overhoopgeraakt.
Overhooren, overhoorde, heeft overhoord.
Overhooring, V., overhooringen.
Overhouden, hield over, heeft overgehouden.
Overhouwen (van een nieuwen houw voorzien), houwde over, heeft overgehouwd.
Overig.
Overigens.
Overijken, ijkte over, heeft overgeijkt.
Overijlen (zich overijlen), overijlde zich, heeft zich overijld.
Overijling, V.
Overjagen, jaagde over, heeft overgejaagd, en joeg over; ook overjaagde, heeft overjaagd, en overjoeg.
Overjarig.
Overjarigheid, V.
Overjas, V., overjassen; overjasje, O., overjasjes.
Overkalken (met kalk), overkalkte, heeft overkalkt.
Overkalken (afschrijven), kalkte over, heeft overgekalkt.
Overkammen, kamde over, heeft overgekamd.
Overkant, M.
Overkappen (met eene kap bedekken), overkapte, heeft overkapt.
Overkapping, V., overkappingen.
Overkeurig.
Overkijken, keek over, keken over, heeft overgekeken; ook overkeek, overkeken, heeft overkeken.
Overkist, V., overkisten.
Overkladden, kladde over, heeft overgeklad.
Overklappen, klapte over, heeft overgeklapt.
Overklauteren, klauterde over, heeft en is overgeklauterd.
Overkleed (kleedingstuk), O., overkleederen en overkleeren; overkleedje, O., overkleedjes en overkleertjes.
Overkleed (dekkleed), O., overkleeden; overkleedje, O., overkleedjes.
Overkleeden, kleedde over, heeft overgekleed; ook overkleedde, heeft overkleed.
Overkleeding, V., overkleedingen.
Overkleedsel, O., overkleedsels.
Overklein.
Overkleuren, kleurde over, heeft overgekleurd.
Overklikken, klikte over, heeft overgeklikt.
Overklimmen, klom over, klommen over, heeft en is overgeklommen.
Overklimming, V.
Overklinken, klonk over, heeft overgeklonken; ook overklonk, heeft overklonken.
Overkoken, kookte over, heeft en is overgekookt.
Overkomelijk.
Overkomen, komt over, kwam over, kwamen over, is overgekomen; ook overkomt, overkwam, overkwamen, is overgekomen.
Overkomst, V.
Overkop (bijw.).
Overkorsten, overkorstte, heeft overkorst.
Overkort.
Overkraaien, overkraaide, heeft overkraaid.
Overkrijgen, kreeg over, kregen over, heeft overgekregen.
Overkroppen, overkropte, heeft overkropt.
Overkropping, V.
Overkruipen, kroop over, kropen over, heeft en is overgekropen.
Overkuieren, kuierde over, heeft en is overgekuierd.
Overlaars, V., overlaarzen.
Overlaat, M., overlaten.
Overladen, laadde over, heeft overgeladen; ook overlaadde, heeft overladen.
Overlading, V., overladingen.
Overland (bijw.).
Overlandmail, V.
Overlandreis, V., overlandreizen.
Overlang (bijw.).
Overlangs (bijw.).
Overlangsch (bnw.).
Overlangzaam, overlangzame.
Overlast, M.
Overlasten, overlastte, heeft overlast.
Overlasting, V.
Overlaten, liet over, heeft overgelaten.
Overlating, V.
Overledene, M. en V., overledenen.
Overleder, en overleer, O.
Overleeren, leerde over, heeft overgeleerd.
Overleg, O.
Overleggen, legde over en leide over, heeft overgelegd en overgeleid; ook overlegde en overleide, heeft overlegd en overleid.
Overlegging, V., overleggingen.
Overleunen, leunde over, heeft overgeleund.
Overleven, overleefde, heeft overleefd.
Overlevende, M. en V., overlevenden.
Overleveren, leverde over, heeft overgeleverd.
Overlevering, V., overleveringen.
Overleving, V.
Overlevingscontract, O., overlevingscontracten.
Overlezen, las over, lazen over, heeft overgelezen.
Overlezing, V.
Overlieden. Zie Overman.
Overliegen, overloog, overlogen, heeft overlogen.
Overliggen, lag over, lagen over, heeft overgelegen.
Overlijden, overleed, overleden, is overleden.
Overlijden, O.
Overlokken, lokte over, heeft overgelokt.
Overlommeren, overlommerde, heeft overlommerd.
Overloop, M., overloopen; overloopje, O., overloopjes.
Overloopen, liep over, heeft en is overgeloopen; ook overliep, heeft overloopen.
Overlooper, M., overloopers.
Overlooping, V., overloopingen.
Overluid.
Overluiden, ook Overluien, luidde en luide over, heeft overgeluid; ook overluidde en overluide, heeft overluid.
Overmaasch.
Overmaat, V.
Overmacht, V.
Overmachtig.
Overmaken, maakte over, heeft overgemaakt.
Overmalen, maalde over, heeft overgemalen.
Overmaling, V.
Overman, M., overlieden en overlui.
Overmangelen, mangelde over, heeft overgemangeld.
Overmannen, overmande, heeft overmand.
Overmarcheeren, marcheerde over, is overgemarcheerd.
Overmast (bnw.).
Overmatig (de maat te boven gaande), overmatiger, overmatigst.
Overmeesteren, overmeesterde, heeft overmeesterd.
Overmeestering, V.
Overmerken, merkte over, heeft overgemerkt.
Overmeten, mat over, maten over, heeft overgemeten.
Overmeting, V., overmetingen.
Overmetselen, metselde over, heeft overgemetseld.
Overmidden.
Overmits.
Overmoed, M.
Overmoedig, overmoediger, overmoedigst.
Overmonsteren, monsterde over, heeft overgemonsterd.
Overmorgen.
Overmouw, V., overmouwen; overmouwtje, O., overmouwtjes.
Overnaaien, naaide over, heeft overgenaaid.
Overnachten, overnachtte, heeft overnacht.
Overnauwkeurig.
Overnemen, nam over, namen over, heeft overgenomen.
Overneming, V.
Overnommeren, nommerde over, heeft overgenommerd.
Overoud.
Overpad, O., overpaden; overpaadje, O., overpaadjes.
Overpakken, pakte over, heeft overgepakt.
Overpakking, V., overpakkingen.
Overpassen, paste over, heeft overgepast.
Overpeilen, peilde over, heeft overgepeild.
Overpeinzen, overpeinsde, heeft overpeinsd.
Overpeinzing, V., overpeinzingen.
Overpersen, perste over, heeft overgeperst.
Overplaatsen, plaatste over, heeft overgeplaatst.
Overplaatsing, V., overplaatsingen.
Overplakken, plakte over, heeft overgeplakt; ook overplakte, heeft overplakt.
Overplakking, V., overplakkingen.
Overplamuren, plamuurde over, heeft overgeplamuurd.
Overplanken, overplankte, heeft overplankt.
Overplanten, plantte over, heeft overgeplant.
Overplanting, V., overplantingen.
Overpleisteren, pleisterde over, heeft overgepleisterd; ook overpleisterde, heeft overpleisterd.
Overpleistering, V., overpleisteringen.
Overpletten, plette over, heeft overgeplet.
Overploegen, ploegde over, heeft overgeploegd.
Overpoetsen, poetste over, heeft overgepoetst.
Overpolijsten, polijstte over, heeft overgepolijst.
Overpond, O., overponden.
Overpoten, pootte over, heeft overgepoot.
Overprachtig.
Overpraten, praatte over, heeft overgepraat; ook overpraatte, heeft overpraat.
Overprikkelen, overprikkelde, heeft overprikkeld.
Overprikkeling, V., overprikkelingen.
Overraken, raakte over, is overgeraakt.
Overreden, overreedde, heeft overreed.
Overreding, V.
Overredingskracht, V.
Overreiken, reikte over, heeft overgereikt.
Overreiking, V.
Overrekenen, rekende over, heeft overgerekend.
Overrennen, rende over, is overgerend; ook overrende, heeft overrend.
Overrijden, reed over, reden over, heeft en is overgereden; ook overreed, overreden, heeft overreden.
Overrijp.
Overroeien, roeide over, heeft en is overgeroeid; ook overroeide (zich), heeft (zich) overroeid.
Overroepen, riep over, heeft overgeroepen.
Overrompelen, overrompelde, heeft overrompeld.
Overrompeling, V., overrompelingen.
Overruim.
Oversausen, oversauste, heeft oversaust.
Overschaduwen, overschaduwde, heeft overschaduwd.
Overschaduwing, V.
Overschatten, overschatte, heeft overschat.
Overschatting, V.
Overschaven, schaafde over, heeft overgeschaafd.
Overschenken, schonk over, heeft overgeschonken.
Overschepen, scheepte over, heeft overgescheept.
Overscheping, V., overschepingen.
Overscheren, schoor over, schoren over, heeft overgeschoren.
Overscherp.
Overschetsen, schetste over, heeft overgeschetst.
Overschieten, schoot over, schoten over, heeft en is overgeschoten.
Overschijnen, overscheen, overschenen, heeft overschenen.
Overschilderen, schilderde over, heeft overgeschilderd; ook overschilderde, heeft overschilderd.
Overschildering, V.
Overschitteren, overschitterde, heeft overschitterd.
Overschoen, M., overschoenen.
Overschoon, overschoone.
Overschot, O., overschotten; overschotje, O., overschotjes.
Overschreeuwen, overschreeuwde, heeft overschreeuwd.
Overschrijden, overschreed, overschreden, heeft overschreden.
Overschrijding, V., overschrijdingen.
Overschrijven, schreef over, schreven over, heeft overgeschreven.
Overschrijver, M., overschrijvers.
Overschrijving, V., overschrijvingen.
Overschrobben, schrobde over, heeft overgeschrobd.
Overschudden, schudde over, heeft overgeschud.
Overschuieren, schuierde over, heeft overgeschuierd.
Overschuimen, schuimde over, heeft en is overgeschuimd.
Overschuiven, schoof over, schoven over, heeft overgeschoven.
Overschuren, schuurde over, heeft overgeschuurd.
Overseinen, seinde over, heeft overgeseind.
Overseining, V.
Oversjouwen, sjouwde over, heeft overgesjouwd.
Overslaan, slaat over, sloeg over, heeft en is overgeslagen.
Overslag, M., overslagen; overslagje, O., overslagjes.
Oversleepen, sleepte over, heeft overgesleept.
Overslenteren, slenterde over, heeft en is overgeslenterd.
Overslibben, overslibde, heeft overslibd.
Overslibbing, V.
Overslijpen, sleep over, slepen over, heeft overgeslepen.
Overslingeren, slingerde over, heeft en is overgeslingerd.
Overslingering, V.
Oversloof, V., overslooven.
Oversluipen, sloop over, slopen over, is overgeslopen.
Oversmeden, smeedde over, heeft overgesmeed.
Oversmelten, smolt over, heeft overgesmolten.
Oversmelting, V.
Oversmeren, smeerde over, heeft overgesmeerd; ook oversmeerde, heeft oversmeerd.
Oversmijten, smeet over, smeten over, heeft overgesmeten.
Oversneeuwen, oversneeuwde, heeft oversneeuwd.
Oversnellen, snelde over, is overgesneld.
Oversnoeien, snoeide over, heeft overgesnoeid.
Overspannen, spande over, heeft overgespannen; ook overspande, heeft overspannen.
Overspanning, V., overspanningen.
Oversparen, spaarde over, heeft overgespaard.
Oversparing, V.
Overspatten, overspatte, heeft overspat.
Overspeelster, V., overspeelsters.
Overspel, O.
Overspeler, M., overspelers.
Overspelig.
Overspijkeren, spijkerde over, heeft overgespijkerd.
Overspikkelen, overspikkelde, heeft overspikkeld.
Overspinnen, spon over, sponnen over, heeft overgesponnen; ook overspon, oversponnen, heeft oversponnen.
Overspitten, spitte over, heeft overgespit.
Overspoeden, spoedde over, is overgespoed.
Overspoelen, spoelde over, heeft overgespoeld; ook overspoelde, heeft overspoeld.
Oversporen, spoorde over, heeft en is overgespoord.
Overspreiden, overspreidde, heeft overspreid.
Oversprenkelen, oversprenkelde, heeft oversprenkeld.
Overspringen, sprong over, heeft en is overgesprongen; ook oversprong (zich), heeft (zich) oversprongen.
Overstaan, staat over, stond over, heeft overgestaan.
Overstaan, O. (Ten overstaan).
Overstag (bijw.).
Overstandig.
Overstapkaartje, O., overstapkaartjes.
Overstappen, stapte over, heeft en is overgestapt; ook overstapte (zich), heeft (zich) overstapt.
Overstapping, V.
Overste, M., oversten.
Oversteeksel, O., oversteeksels.
Overstek, O., overstekken; overstekje, O., overstekjes.
Oversteken, stak over, staken over, heeft en is overgestoken.
Oversteking, V.
Overstelpen, overstelpte, heeft overstelpt.
Overstelping, V.
Overstemmen, stemde over, heeft overgestemd; ook overstemde, heeft overstemd.
Overstemming, V., overstemmingen.
Overstempelen, stempelde over, heeft overgestempeld.
Overstempeling, V.
Overstijven, steef over, steven over, heeft overgesteven.
Overstoomen, stoomde over, heeft en is overgestoomd; ook overstoomde, heeft overstoomd.
Overstoppen, stopte over, heeft overgestopt.
Overstorten, stortte over, heeft overgestort; ook overstortte, heeft overstort.
Overstorting, V.
Overstralen, overstraalde, heeft overstraald.
Overstreng.
Overstrijden, overstreed, overstreden, heeft overstreden.
Overstrijken, streek over, streken over, heeft en is overgestreken; ook overstreek, overstreken, heeft overstreken.
Overstrompelen, strompelde over, heeft en is overgestrompeld.
Overstrooien, overstrooide, heeft overstrooid.
Overstroomen, stroomde over, heeft overgestroomd; ook overstroomde, heeft overstroomd.
Overstrooming, V., overstroomingen.
Overstudeeren, studeerde over, heeft overgestudeerd.
Overstuiven, stoof over, stoven over, is overgestoven; ook overstoof, overstoven, heeft overstoven.
Oversturen, stuurde over, heeft overgestuurd.
Oversturing, V.
Overstuur.
Oversuikeren, oversuikerde, heeft oversuikerd.
Overtal, O.
Overtappen, tapte over, heeft overgetapt.
Overtapping, V.
Overteekenen, teekende over, heeft overgeteekend.
Overteekening, V.
Overtelegrapheeren, telegrapheerde over, heeft overgetelegrapheerd.
Overtellen, telde over, heeft overgeteld.
Overtelling, V., overtellingen.
Overtent, V., overtenten.
Overtillen, tilde over, heeft overgetild.
Overtimmeren, overtimmerde, heeft overtimmerd.
Overtocht, M., overtochten.
Overtogen (deelw.).
Overtollig, overtolliger, overtolligst.
Overtolligheid, V., overtolligheden.
Overtonnen, tonde over, heeft overgetond.
Overtoom, M., overtoomen.
Overtopt.
Overtreden, trad over, traden over, is overgetreden; ook overtrad, overtraden, heeft overtreden.
Overtreder, M., overtreders.
Overtreding, V., overtredingen.
Overtreedster, V., overtreedsters.
Overtreffen, overtrof, overtroffen, heeft overtroffen.
Overtrek, O., overtrekken; overtrekje, O., overtrekjes.
Overtrekken, trok over, trokken over, heeft en is overgetrokken; ook overtrok, overtrokken, heeft overtrokken.
Overtreksel, O., overtreksels; overtrekseltje, O., overtrekseltjes.
Overtroeven, overtroefde, heeft overtroefd.
Overtuigen, overtuigde, heeft overtuigd.
Overtuigend, overtuigender, overtuigendst.
Overtuiging, V., overtuigingen.
Overtuin, M., overtuinen; overtuintje, O., overtuintjes.
Overuur, O., overuren.
Overvaart, V.
Overval (aanval), M., overvallen.
Overval (toeval), O., overvallen; overvalletje, O., overvalletjes.
Overval (sluitwerk), M., overvallen.
Overvallen, viel over, is overgevallen; ook overviel, heeft overvallen.
Overvaren, voer over, heeft en is overgevaren, ook overvoer, heeft overvaren.
Overvegen, veegde over, heeft overgeveegd.
Oververfijnd.
Oververfijning, V.
Oververnissen, verniste over, heeft overgevernist.
Oververstandig.
Oververtellen, vertelde over, heeft oververteld.
Oververven, verfde over, heeft overgeverfd.
Oververzadigd.
Overvet, overvette.
Overvijlen, vijlde over, heeft overgevijld.
Overvlechten, vlocht over, heeft overgevlochten.
Overvleugelen, overvleugelde, heeft overvleugeld.
Overvleugeling, V.
Overvlieden, vlood over, vloden over, is overgevloden.
Overvliegen, vloog over, vlogen over, is overgevlogen.
Overvlieger, M., overvliegers; overvliegertje, O., overvliegertjes.
Overvlieten, vloot over, vloten over, is overgevloten.
Overvloed, M.
Overvloedig, overvloediger, overvloedigst.
Overvloedigheid, V.
Overvloeien, vloeide over, heeft en is overgevloeid.
Overvloeiing, V.
Overvluchten, vluchtte over, is overgevlucht.
Overvlug, overvlugge.
Overvoeden, overvoedde, heeft overvoed.
Overvoederen en Overvoeren, overvoederde, heeft overvoederd; en overvoerde, heeft overvoerd.
Overvoeding, V.
Overvoeren (overbrengen), voerde over, heeft overgevoerd.
Overvoeren (overvoederen). Zie Overvoederen.
Overvoering, V.
Overvol, overvolle.
Overvolledig.
Overvormen, vormde over, heeft overgevormd.
Overvouwen, vouwde over, heeft overgevouwen.
Overvracht, V., overvrachten.
Overvragen, vraagde over, heeft overgevraagd en vroeg over, ook overvraagde, heeft overvraagd en overvroeg.
Overvriendelijk.
Overvruchtbaar, overvruchtbare.
Overwaaien, waaide over, is overgewaaid; ook woei over, woeien over.
Overwaarde, V.
Overwaardig.
Overwaggelen, waggelde over, is overgewaggeld.
Overwal, M.
Overwalsch.
Overwalsen, walste over, heeft overgewalst.
Overwandelen, wandelde over, heeft en is overgewandeld.
Overwarm.
Overwasemen, overwasemde, heeft overwasemd.
Overwasschen, wiesch over, wieschen over, heeft overgewasschen.
Overweek, overweeke.
Overweeken, weekte over, heeft overgeweekt.
Overweg, M., overwegen; overwegje, O., overwegjes.
Overweg (overweg kunnen).
Overwegen, woog over, wogen over, heeft overgewogen; ook overwoog, overwogen, heeft overwogen.
Overwegend, overwegender, overwegendst.
Overweging, V., overwegingen.
Overweldigen, overweldigde, heeft overweldigd.
Overweldiger, M., overweldigers.
Overweldiging, V.
Overwelfsel, O., overwelfsels.
Overwelven (ook Overwulven), overwelfde, heeft overwelfd.
Overwelving, V.
Overwerk, O.
Overwerken, werkte over, heeft overgewerkt; ook overwerkte (zich), heeft (zich) overwerkt.
Overwerking, V.
Overwerpen, wierp over, heeft overgeworpen.
Overwicht, O.
Overwichtig.
Overwichtigheid, V.
Overwijs, overwijze.
Overwinden, wond over, heeft overgewonden.
Overwinnaar, M., overwinnaars en overwinnaren.
Overwinnares, V., overwinnaressen.
Overwinnen, won over, wonnen over, heeft overgewonnen; ook overwon, overwonnen, heeft overwonnen.
Overwinning, V., overwinningen.
Overwinst, V., overwinsten.
Overwinteren, overwinterde, heeft overwinterd.
Overwintering, V.
Overwippen, wipte over, heeft en is overgewipt.
Overwitten, witte over, heeft overgewit.
Overwonneling, M. en V., overwonnelingen. V. ook overwonnelinge.
Overwrijven, wreef over, wreven over, heeft overgewreven.
Overwulven. Zie Overwelven.
Overzaaien, zaaide over, heeft overgezaaid; ook overzaaide, heeft overzaaid.
Overzakken, zakte over, is overgezakt.
Overzakking, V., overzakkingen.
Overzeesch.
Overzeggen, zeide over, heeft overgezegd en overgezeid.
Overzeilen, zeilde over, is overgezeild; ook overzeilde, heeft overzeild.
Overzeiler, M., overzeilers.
Overzeiling, V., overzeilingen.
Overzenden, zond over, heeft overgezonden.
Overzender, M., overzenders.
Overzending, V., overzendingen.
Overzetster, V., overzetsters.
Overzetten, zette over, heeft overgezet.
Overzetter, M., overzetters.
Overzetting, V., overzettingen.
Overzicht, O., overzichten; overzichtje, O., overzichtjes.
Overzieden, zood over, zoden over, heeft overgezoden.
Overzien, zag over, zagen over, heeft overgezien; ook overzag, overzagen, heeft overzien.
Overzienbaar, overzienbare.
Overzijde en overzij, V.
Overzijdsch.
Overzilveren, overzilverde, heeft overzilverd.
Overzindelijk.
Overzingen, zong over, heeft overgezongen.
Overzitten, zat over, zaten over, heeft overgezeten.
Overzolderen, overzolderde, heeft overzolderd.
Overzouten, zoutte over, heeft overgezouten.
Overzuinig.
Overzulks.
Overzwaar, overzware.
Overzwalpen, overzwalpte, heeft overzwalpt.
Overzwemmen, zwom over, zwommen over, heeft en is overgezwommen.
Overzwikken, zwikte over, is overgezwikt.
Oxydatie, V., oxydatiën en oxydaties.
Oxyde, O.
Oxydeeren, oxydeerde, is geoxydeerd.
Ozon, O.
Ozonwater, O.