← Table of contents
Weggeloopen!

NEGENTIENDE HOOFDSTUK. Brand!

Adona translation

Illustration from Weggeloopen!

„En wat moet er nu van jelui worden, ongelukkige jonge beren?” riep de Markies, toen hij bezig was alles voor de groote avondvoorstelling in gereedheid te brengen.

„Beren kan ik niet meer van je maken en voor natuurwonderen zijn jelui ook totaal ongeschikt. Laat eens zien... Mij dunkt ik moest jelui beiden op sterkwater zetten en je dan aan 't publiek vertoonen als twee natuurwonderen uit den grijzen voortijd, dat zal een ongeëvenaard succes zijn!”

„Ben je bang om te verdrinken, Dick? Nu, dat zou anders nog zoo kwaad niet zijn, dan was ik meteen op een fatsoenlijke manier van je af. Maar als je geen aardigheid aan de sterkwatervertooning hebt dan gelukt ze toch niet.”

„Dus maar weer wat anders bedacht. Koorddansen! Dat is 'n idee.”

„We kunnen toch geen koorddansen als we het nooit geleerd hebben!” zei Paul.

„O jawel dat kan een pasgeboren kind, we volgen dan maar dezelfde leermethode als met de klarinet. Je zult eens zien hoe prachtig het gaat! Misschien breek je bij de eerste oefening een arm of been, maar daar zal minder op gelet worden. Het publiek ziet zoo iets wel graag. Een zaal is nooit beter bezet dan wanneer de een of ander een levensgevaarlijk waagstuk gaat ondernemen.”

„Wat zei je daar? Heb je ook al geen lust in koorddansen? 't Kost vanavond moeite om 't je naar den zin te maken.”

„Maar nu weet ik dan toch wat. Vuur zul je eten, allebei. Je mag me wel erg dankbaar zijn, dat ik je dit toesta, want 't zal voor eeuwig jelui namen wijd en zijd bekend maken door de geheele wereld. Dus nu zijn we er: Vuureters zal ik van je maken.”

„Ja je hebt goed praten,” zei Paul, „maar ik laat geen vuureter van me maken,” en Dickie stond met een sufferig gezichtje in 't rond te kijken en dacht dat hij wel nooit zijn ouderlijk huis terug zou zien.

„Wat ik zeg dat gebeurt,” zei de Markies.

„Wat geef ik er om wat jij zegt,” riep Paul, die zijn brutaliteit niet verloren had.

„Dat zullen we dan nog eens beter moeten leeren jongetje; 't schijnt dat al de vorige lessen niet gebaat hebben.” De Markies wierp kalm zijn eindje sigarette weg en gaf het woord aan het rietje om een proeve van zijn onderwijsmethode af te leggen.

De voorstelling had het gewone verloop tot aan de pauze. Na de pauze zouden, zooals het programma zeide, „Cacus en Cuculus optreden, twee zonen van Vulcanus, die bij een uitbarsting van de Etna met de kokende lava naar boven waren geworpen.”

„Kom Cacus en Cuculus,” zei de spellebaas, „laat me jelui even leeren hoe je als waardige zonen van Vulcanus zult kunnen optreden. Je hebt niet anders te doen dan een hoopje boomwol net zoo lang te kauwen tot het heelemaal doortrokken is van vocht. Als je dan genoeg hebt om je mond geheel mee vol te proppen, zet je in 't midden een stukje smeulend zwam, stopt alles in je mond en dan blaas je maar. Je zult dan zien, dat er een vurige tong uit je mond te voorschijn schiet. Denk er om dat je alleen door den neus moogt inademen. Ik heb op 't oogenblik ongelukkig geen boomwol, maar dit uitgeplozen touw is net zoo goed.”

De jongens rilden van angst alleen bij de gedachte aan die vurige tongen, maar ze durfden zich niet verzetten uit vrees voor het rietje.

Toen nam de Markies een stuk roodaarde en wreef daar het gezicht, de beenen en de armen van de jongens zoo lang mee in tot ze er uitzagen als geboren Indianen. Hij deed hen een paar roode doeken om en ging toen haastig weg om de voorstelling verder te leiden. Daarna bracht de Koningin de beide vuureters op het tooneel.

Illustration from Weggeloopen!

... hoog door de lucht in zee geworpen.

„Dames en heeren,” zoo sprak de Markies, „zooals ge op het Programma kunt zien, staan hier voor u twee echte zonen van Vulcanus: Cacus en Cuculus. Bij eene uitbarsting van de Etna werden ze uit hunne vuurwoning hoog door de lucht in zee geworpen. De kapitein van een voorbijvarend schip zag dit, redde beide uit de golven en bracht hen behouden op zijn vaartuig. Voor deze heldendaad ontving hij de medalje van verdienste van de Academie van Kunsten en Wetenschappen. Bijna had hij zijn dood in de golven gevonden, want de hitte die de monsters rondom zich verspreidden, was zoo groot, dat het schip er door in brand geraakte. Gelukkig wist men het vuur te blusschen en de beide ontvlambare passagiers werden gedurende de geheele reis in groote tobben met water gezet, die elk oogenblik op nieuw gevuld moesten worden, want als het water met hunne lichamen in aanraking kwam veranderde het in damp. (Groote verbazing bij het publiek). Sedert dien tijd is de hitte van hunne lichamen wat verminderd, maar men dient nog altijd zeer voorzichtig met hen om te gaan.”

„Ik zal u een klein staaltje laten zien van de wijze waarop ze ademhalen.”

In 't volgend oogenblik vlamden twee vurige tongen uit de monden der beide knapen.

Een daverend applaus en kreten van verwondering volgden op dit kunststuk.

Doch wat was dát?

Het uitgeplozen touw in de monden der jongens was zeker niet goed toebereid... het vatte plotseling vlam! In radeloozen angst liepen de vuureters op het tooneel heen en weer, scheurden en trokken de brandende massa uit hun mond en smeten die links en rechts over de planken.

Het vuur kwam dicht bij den planken wand, waartusschen zooals ik zei, bossen stroo waren geplaatst. Het stroo begon te branden!!

Tot overmaat van ramp gooide een van de verschrikte toeschouwers nog een petroleumlamp omver, zoodat alles op eenmaal in lichtelaaie stond.

Illustration from Weggeloopen!

Cacus en Cuculus.

Er ontstond een paniek, kinderen gilden, vrouwen vielen flauw, mannen vluchtten. Allen drongen naar den uitgang onder een angstig gegil. Ieder wilde de eerste zijn. Sommigen stikten bijna in het gedrang en kermden en jammerden; en het stroo kraakte en knapperde, de vlammen stegen hooger en hooger, de rook werd al dichter.

Wanneer het publiek wat kalmer was geweest en den Markies had geholpen om het brandende stroo te blusschen toen het pas vuur vatte, dan was er zoo goed als niets gebeurd, want in zulke gevallen kunnen moed en tegenwoordigheid van geest ons leven meestal eerder redden dan een overhaaste vlucht.

Eerst dacht men, dat allen levend en ongedeerd uit het brandende gebouw waren gekomen, toen men op eenmaal midden tusschen rook en vuur, twee kleine roode lichamen boven in de hanebalken van de schuur zag zitten. Het waren onze beide ongelukkige zonen van Vulcanus.

Door angst en schrik geheel van hun stuk gebracht, hadden ze boven op de dwarsbalken van de schuur een goed heenkomen gezocht.

Een kreet van schrik ging uit de menigte op. De jongens waren verloren, niemand durfde, uit vrees voor eigen leven, een poging tot redding te wagen.

Daar drong zich iemand door de menschenmassa heen, vloog de schuur binnen en was in een ommezien in den dikken rook verdwenen.

Wie was het? Niemand kende hem. „Het was een groote man,” zei de een. „Ja, met dikke, zwarte knevels,” zei een ander.

Algemeen was men van gevoelen, dat hij 't er niet levend zou afbrengen en reeds schepte men er een droevig vermaak in lofspraken te houden op hem die men veronderstelde dat zoo treurig aan zijn einde kwam, want gewoonlijk is het groote publiek erg gul met loftuitingen als iemand dood is.

Maar de „Zwarte” was niet dood. Het duurde niet lang of men zag hem weer te voorschijn komen, zwart van den rook, met verbrande haren en bijna onherkenbaar. Zegevierend droeg hij onder elken arm een kleinen vuurduivel.

Hij werd omringd en bestormd door alle omstanders. Ieder prees hem, elkeen wilde hem de hand drukken. Maar hij stoorde zich niet aan al de toegestoken handen, hij maakte zich ruim baan en was spoedig in de duisternis verdwenen.

Illustration from Weggeloopen!
Illustration from Weggeloopen!
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings