Voorwoord.
Reading edition
Op het verzoek van mijn opdrachtgevers, een album over vogels te schrijven, ben ik niet dan na lange aarzeling ingegaan. Er waren zoovele bezwaren, waarvan het ergste wel was, dat mijn eigen ervaring op dit gebied zich niet verder uitstrekte dan tot de inheemsche vogels. Wat betreft text en illustratie der exoten, dienden dus alle gegevens aan andere bronnen ontleend. Zooveel mogelijk heb ik echter getracht dit bezwaar te ondervangen, door te laten teekenen naar het uitgebreide materiaal in de verzamelingen van het Koninklijk Zoölogisch Genootschap: „Natura Artis Magistra”. Waar het levende ontbrak, werd gewerkt naar ’t opgezette, dat dank zij de welwillendheid van de directie van dit Genootschap, steeds tot beschikking van den illustrator, den heer H. J. Wolff, stond. Schoten deze collecties evenwel beide te kort, dan werd de toevlucht tot boeken genomen.
Dat Brehm, zoowel door den heer Wolff voor de illustraties, als door mijzelf voor de text, herhaaldelijk is geraadpleegd, spreekt haast vanzelf. Doch ook het werk van Livingstone Bull, Lissmann, Gould, Temminck, Schlegel, Meerwardt en Soffel, Thysse, Schillings, Wood en nog zoovele anderen, hebben den illustrator in de voor hem zoo buitengewoon moeilijke taak terzijde gestaan. Bij de indeeling in hoofdstukken en de volgorde der vogels heb ik mij evenwel niet aan Brehm, maar aan de systematiek van Reichenow willen houden.
Voelde ik dit alles van te voren reeds als groote moeilijkheden, bij de arbeid bleek het nog zwaarder te wegen dan ik vermoed had.
Tenslotte helpt dezelfde gedachte, die mij in den aanvang het aanbod deed aanvaarden, mij nu bij de voltooiing ook weer over al deze bezwaren heen: de bedoeling van dit album is slechts, aan kinderen een eenvoudig en onopgesmukt verhaal over vogels te doen.
K. BOEDIJN.
Amsterdam, Mei 1923.

[
Inhoud
]

Heel achter in den mooien ouden Artis-tuin, op een plekje, dat bij de gewone zomerbezoekers niet in trek is, leven een paar vertegenwoordigers van de groep der
Loopvogels (Ratitæ).
Toch is het de moeite waard er een bezoek te brengen. Niet alleen om de mooie hooge boomen, of om de smaakvolle verwildering, die er heerscht, al doet het in deze opzichten zeker niet onder voor vele andere, ongerept mooie plekjes van dezen ouden tuin. Maar vóóral verdienen de grappige en merkwaardige vogels, die er met deftige passen door het hok stappen, een bezoek. Hun kleine vinnige kop met de scherpe heldere oogen steken zij nieuwsgierig boven het hooge hek. Zij kijken of de bezoekers iets in het mandje hebben, dat van hunne gading is en rekken hun langen hals daartoe tot op het uiterste.
Wie wel eens reisverhalen heeft gelezen, weet dat deze Loopvogels thuis hooren in de woestijnen en steppen van Afrika, Australië, en Zuid-Amerika. Zij behooren tot de grootste van alle levende vogels. Ieder van deze werelddeelen bezit een eigen soort. Zoo is de struisvogel karakteristiek voor Afrika, de nandoe voor Zuid-Amerika en de emu voor Australië.
De naam van de groep: „Loopvogels” dankt deze aan ’t feit, dat z’n vertegenwoordigers niet vliegen kunnen, zooals andere vogels, doch met hunne lange pooten verbazend hard loopen. Zóó hard, dat een man te paard soms moeite heeft hen bij te houden. Dat is nog zoo’n wonder niet, want een hardloopende struisvogel kan passen van 2 à 2½ meter maken.
Het jagen van deze dieren is dan ook lang geen gemakkelijk werkje. Juist dáárom is het voor sommige menschen zoo’n groot genoegen, want het geeft de trotsche voldoening iets moeilijks gedaan te hebben.

Dat struisvogel, nandoe, casuaris, emu en kiwi loopen in plaats van vliegen, zooals de gewone vogels doen, wordt van zoo groot belang geacht, dat men deze vogels, die eigenlijk geen familie van elkaar zijn, heeft samengebracht tot één groep, die hier, in tegenstelling met de vijf volgende groepen, een zoogenaamde „biologische eenheid” is. Men bedoelt er mee: een vereeniging van dieren (of planten) met een zelfde merkwaardige levenswijze, waardoor zij opvalland van hunne verwanten verschillen.
Het vermogen om te vliegen, hebben de loopvogels geheel verloren, hoewel hunne voorouders dit ongetwijfeld bezeten hebben en hunne familieleden dit nog bezitten. Hoe het precies gegaan is en waardoor, is moeilijk te zeggen. De makkelijkste manier om het te verklaren, hebben de inboorlingen van Afrika voor hun loopvogel, den struis: zij meenen, dat het een straf is.
Want eens, heel lang geleden, hadden de struisvogels vleugels, even mooi en gaaf en sterk als alle andere vogels. In een vlaag van hoogmoed verbeeldden zij zich met die mooie vleugels naar de zon te kunnen vliegen en ondernamen dien tocht. Steeds hooger vlogen zij, al maar hooger, tot ver boven de hoogste bergen en verder nog. Maar de zon, die boos geworden was over hunne verwaandheid, besloot hen te straffen. Zij verborg zich daartoe achter een wolk en liet de vogels heel dicht bij komen. Plotseling echter kwam zij te voorschijn en scheen met volle kracht. Haar stralen waren zoo heet, dat hen de vleugels verschroeiden en zij terug vielen op de aarde. Door de snelheid van den val en de kracht van de botsing verpletterden zij hunne borst, die daardoor tot op dezen dag plat bleef. Hunne vleugels waren zoo verknoeid, dat zij er nooit meer mee konden vliegen.

fig. 1
Wanneer we een vleugel van een struisvogel bijv., vergelijken met die van andere vogels, valt die ongeschiktheid tot vliegen duidelijk op. Bekijken we de vleugels als geheel, dan zien we, dat die van een gewonen vogel zoo ingericht zijn, dat ze een zeer dicht en stevig geheel vormen. Ze zijn in staat bij iedere vleugelslag de noodige weerstand aan de lucht te bieden. En het is juist die weerstand, die het vliegen mogelijk maakt.
Wanneer men het vliegen vergelijkt met roeien, is dit gemakkelijk te begrijpen. Zooals door de kracht, waarmee de roeiriemen de weerstand van het water overwinnen, de boot vooruit komt, zóó komt de vogel vooruit, die door de kracht van z’n vleugelslag de weerstand van de lucht overwint.
De vleugel van een struisvogel daarentegen is een zeer los en luchtig geheel. De lucht gaat er aan alle kanten doorheen, waardoor het weerstandsvlak aanzienlijk kleiner wordt. Wie wel eens gezeild heeft of met aandacht naar zeilende schepen heeft gekeken, zal mij begrijpen als ik zeg, dat een struisvogelvleugel is als een zeil vol gaten. De vleugels van gewone vogels daarentegen zijn als zeilen van het dichtste, fijnste weefsel, dat nergens de lucht doorlaat en aan den wind het grootst mogelijke oppervlak biedt.
De oorzaak van de geschiktheid van de eene vleugel om te vliegen en de ongeschiktheid van de andere hiertoe ligt in het verschil der veeren, waaruit ze zijn samengesteld.
Neem maar eens een kippe of duiveveer en vergelijk die met de struisveer van moeders hoed. Hoe stevig en vast zit de eerste in elkaar, terwijl de laatste juist zoo mooi is door de zachte losse krullen.
Die stevigheid heeft de kippeveer (fig. 1) in de eerste plaats te danken, aan de sterke schacht, maar ook aan de vlag. Deze heeft n.l. een inrichting, die de samenstellende deeltjes, de baarden, tot een geheel maakt, dat ondoorlaatbaar is voor lucht. Deze baarden dragen daartoe aan weerszijden de baardjes, die op hunne beurt voorzien zijn van haakjes, die in elkander grijpen. (fig. 2)

fig. 2
De veeren van de loopvogels daarentegen, hebben een slappe en buigzame schacht en de baardjes missen de haakjes, waardoor de veer los en haarachtig blijft. Een andere verandering, die het gevolg is van het niet-vliegen der loopvogels, is aan den levenden vogel niet te zien. Maar wel aan zijn geraamte.

fig. 3a

fig. 3b
Vogels, die vliegen, hebben een grooten, naar voren uitstekenden beenigen kam aan het borstbeen. (fig. 3a) Als er eens kip of eend gegeten wordt, moet je er eens op letten. Die beenplaat dient om de groote spieren, die noodig zijn voor de beweging der vleugels, vast te hechten en ’t beste boutje van de kip wordt er door gevormd.
De loopvogels nu missen deze spieren en daarmee den kam. Hun borstbeen is geheel vlak, (fig. 3b) ’t geen hun ook den naam van Vlakborstbeenigen (Ratitæ) heeft bezorgd.

§ 1. DE STRUISVOGEL (STRUTHIO CAMELUS) (No. 1) is wel de meest bekende van alle loopvogels. Een bekendheid, die hij voornamelijk dankt aan de pracht van z’n veeren, welke die zijner groepgenooten in Australië en Amerika ver overtreffen. De losheid en soepelheid van een struisveer is dan ook zonder weerga. Zoowel de vrouwen van tegenwoordig als de prachtlievende mannen uit de middeleeuwen gaven er gaarne veel geld voor.
Hoewel oorspronkelijk te vinden in alle Afrikaansche woestijnen en steppen, waar eenige plantengroei was, is deze vogel uit veel van zijne woonplaatsen verdrongen door de komst der Europeanen. Ook zijn ze schaarscher geworden door de jacht, die zoowel inboorlingen als blanken terwille van hunne kostbare veeren op hen maakten. Al naar de geaardheid van den mensch, die op jacht gaat, zijn de middelen, die hij voor de jacht gebruikt. De Boer van Zuid-Afrika of de Bedouin van ’t Noorden van dit werelddeel gebruikt zijn sterkste en snelste paard en zijn beste geweer op de struisvogeljacht. De kleine zwakke Bosjesman daarentegen, wapent zich met een bundel vergiftige pijlen en.….… list. Hij is door slimheid sterk en weet er de groote vogel mee te overwinnen.
Zoodra een Bosjesman een kudde struisvogels ergens ziet grazen, smeert hij z’n beenen tot aan de heup in met kalk, terwijl hij een struisvogelhuid op z’n rug bindt. In de hals van die huid steekt hij een stok. Nu nadert hij voorzichtig de vogels, steeds zorgvuldig van den wind loopend. Nam hij deze voorzorgsmaatregel niet en naderde hij de vogels zóó, dat de wind zijn geur naar hen toevoerde, dan zouden zij direct vluchten.
Bemerken de vogels z’n komst zonder dat zij iets verdachts ruiken, dan zijn zij toch al onrustig en kijken den vreemden indringer wantrouwend aan. Op een nieuweling in hun kudde zijn zij niet erg gesteld. De Bosjesman, die de vogels in hunne gewoonten goed kent, loopt niet regelrecht op z’n wild af. Hij bootst zooveel mogelijk een echten vogel na. De kop met den stok brengt hij naar den grond en beweegt hem, alsof hij voedsel zoekt. De andere verliezen hun achterdocht en gaan weer rustig met grazen door. Eindelijk, als de zoogenaamde struis dicht genoeg genaderd is, schiet hij z’n eerste pijl af. Wanneer de struizen hun kameraad gewond zien, worden zij woedend en willen den vreemden indringer te lijf. Rennend komen zij naderbij om hem met hunne lange pooten omver te trappen. Zij hebben daartoe kracht genoeg. Een sterke man valt van zoo’n trap al om, zeker dus de kleine Bosjesman. Deze verandert nu gauw van plaats en gaat zoo staan, dat de vogels lucht van hem krijgen. Zoodra deze merken, dat het een mensch is, in plaats van een vogel, waarvoor zij hem hielden, draaien zij regelrecht om en loopen zoo hard weg als zij kunnen. Vliegensvlug gooit de Bosjesman z’n lastig struisvogelpakje af. Deze „geleende veeren” belemmeren zijn bewegingen te veel, hij schiet hen alle pijlen achterna en als geoefend jager, maakt hij op deze manier wel 4 of 5 vogels buit.

Vroeger had vooral het mannetje het zwaar te verantwoorden, omdat zijn groote zwarte veeren zooveel mooier zijn, dan de bruine van ’t wijfje. Sinds men tegenwoordig evenwel over een zeer volmaakte bleek- en kleurtechniek voor veeren beschikt, is het verschil in prijs zoo groot niet meer. De allermooiste zitten evenwel in de staart. Toch worden die der vleugels ook veel verwerkt.
De Zuid-Afrikaansche Boeren zijn begonnen de vogels in gevangenschap te houden, zoo ongeveer als onze voorouders eens met de wilde koeien gedaan hebben. Langzamerhand, door zorgvuldige kruising en het uitoefenen van „teeltkeus”, dat is, het voortteelen met de kalfjes van koeien, die de beste eigenschappen (bijv. ’t geven van veel melk) hebben, verkregen wij onze puike Hollandsche melkkoeien. De Zuid-Afrikaansche Boer doet hetzelfde met z’n struisvogels. Hij laat ’t liefst de eieren uitbroeden van diè ouders, die de mooiste veeren hebben. Vooral in Kaapland is deze teelt een heel aparte tak van bestaan geworden. De struisvogelboeren hebben ’t evenwel lang niet gemakkelijk, daar de waarde van de veeren wisselt met de mode. En van alle grillige en inconstante dingen is zij de meest grillige en inconstante.
Zijn de veeren „mode” en is de vraag er naar groot dan zijn ze veel duurder, dan in de tijden, dat de vrouwen naar iets anders grijpen om zich op te sieren. Toch moeten ook in de slappe tijd de veeren regelmatig „geoogst” worden. Vroeger werden ze daartoe eenvoudig uitgetrokken. Dit was echter te wreed en bovendien te onvoordeelig, daar de vogels na die behandeling vaak aan de bekomen wonden stierven. Tegenwoordig knipt men de veeren dan ook vlak op de huid af. Het stukje schacht, dat nog in de huid blijft zitten, de ziel, valt er na een tijdje vanzelf uit. Gebeurt dat niet dan wordt het er voorzichtig uitgetrokken. Deze bewerking hindert dan niet meer, omdat de veer tegen dien tijd wel „rijp” zou geweest zijn en er met het ruien vanzelf uitgevallen zou zijn. Het is heel verstandig van den Boer om de rui niet af te wachten maar de veeren af te knippen, zoodra ze op het mooist zijn. Veeren, die van zelf uitvallen, zijn lang zoo gaaf niet meer. Ze zijn versleten in al die maanden, dat de vogel hen droeg. De zachte fijne baarden en baardjes zijn dan verdwenen.
Ruien is het periodiek „verveeren” wat vogels doen. Iedere nazomer verliezen zij hunne veeren, die dan oud en versleten zijn. Dan groeien in ’t najaar nieuwe veeren in de plaats van deze oude. Maar vaak genoeg zijn vogels er erg berooid aan toe, wanneer de oude veeren uitgevallen zijn en de nieuwe er nog niet voor in de plaats zijn gekomen of nog niet in voldoende mate groot zijn. Sommige van de later te behandelen vogels kunnen zoo armzalig in hunne veeren zitten, dat zij niet eens vliegen kunnen. Maar als de nieuwe veeren er zijn en ’t „winterkleed” klaar is, zijn zij weer voor een jaar ingespannen. Struisveeren worden leelijker van ’t voortdurend meedragen, doch veel andere veeren worden er mooier van. Want door ’t afslijten van de veeren verdwijnt de vaalheid er van en komen vaak prachtige glanzen over het dier, dat dan in zijn zoogenaamd bruilofts- of prachtkleed is. Als dàt versleten is, is ’t met de veeren gedaan; ze zijn dan op, en de rui gaat beginnen.
1 STRUISVOGEL. (Struthio camelus). 2 NANDOE. (Rhea americana). 3 EMU. (Dromaeus novae hollandiae).



4 KIWI. (Apteryx Mantelli). 5 KEIZERSPINGUÏN. (Aptenodytes forsteri). 6 ALK. (Alca torda).



Het houden van struisvogels in gevangenschap, heeft gelegenheid gegeven hunne levenswijs te bestudeeren. Dit was in de natuurstaat heel moeilijk, omdat de vogels zoo schuw en wild zijn.
Struisvogels leven gewoonlijk in kudden, vaak in gezelschap van zebra’s en antilopen, zij „grazen” van woestijn- en steppenplanten. Echte vegetariërs zijn het evenwel niet. Als zij het krijgen kunnen, vergasten zij zich zelf op vleesch. Menige kikker, jonge vogel en woestijnrat, wordt door hen verschalkt.
Eens in ’t jaar, op bepaalde tijden, breekt er strijd los in de anders zoo rustige kudde. De mannetjes vechten dan, elkaar met hunne lange pooten trappend en krabbend, om de vrouwtjes.
Bij die gevechten gaat het warm toe. Menig mannetje, dat tegen z’n sterken mededinger niet opgewassen is, druipt af, bloedend uit wonden, die de scherpe nagels van z’n tegenstander gemaakt hebben.
Als een haan de uitverkoren hen veroverd heeft, verlaten zij samen de kudde om een plaatsje voor hun nest te gaan zoeken. Zij zijn gauw tevreden. Een stukje grond met wat steenen en struiken er om heen is voor hen al goed genoeg. Het mannetje gaat op zoo’n plek met de borst op den grond liggen en krabbelt met z’n pooten de aarde onder zich weg totdat hij een ondiep kuiltje heeft verkregen. Het vrouwtje, dat vol ongeduld en met levendige belangstelling naar ’t werk heeft gekeken, legt er, zoodra het klaar is, een mooi groot wit ei in. Dit doet zij geregeld om den anderen dag totdat er 15 of 16 eieren zijn. Dan gaat zij aan het broeden. De eerste twee dagen blijft zij onafgebroken zitten zonder aan eten of drinken te denken. Daarna komt het mannetje haar aflossen en in het vervolg broeden zij om beurten. Het vrouwtje zit overdag op de eieren, ’t mannetje ’s nachts. Geduldig blijft de een zitten tot de ander er is om af te lossen.
Onbewegelijk, plat tegen den grond gedrukt, de lange hals recht voor zich uit, zitten zij. En wonderlijk is het, dat het verschil in kleur van zoo groote beteekenis voor hen is in verband met de tijd van het broeden. De grauwe kleur van ’t vrouwtje doet haar lijken op een steen. Overdag is zij van haar omgeving ook moeilijk te onderscheiden, onbewegelijk als zij zit. Het mannetje in z’n pikzwart kleed lost zich geheel op in de schaduwen van den nacht.

In zeer heete streken worden de eieren wel eens onder het warme zand gelegd en door de zon uitgebroed. De vogels houden er evenwel trouw de wacht bij tot de jongen zijn uitgekomen. Na 40 dagen zijn zij er: grappige kleine diertjes, die naar men zegt, meer op een egel dan op een jongen vogel moeten lijken. Hunne veeren zijn niets anders dan breede, platte, driehoekige schachten, die ver van het lichaam afstaan en als stroo ritselen. Na 2 maanden verliezen zij de nestveeren en krijgen zij bruine veeren van dezelfde kleur als die van hunne moeder. Na 2 jaar beginnen de mannetjes hun zwarte veeren te krijgen en na nog eens 2 jaar is hun nieuwe zwarte pak klaar. Vol trots gaan zij daarmee de wijde wereld in om zich een vrouw te zoeken.

§ 2. Andere vertegenwoordigers van de Loopvogels zijn de NANDOES (RHEA AMERICANA) (No. 2), die in de steppen van Zuidelijk-Zuid-Amerika leven. Zij vergezellen daar vaak de kudden herten. De naam „Nandoe” hebben de inboorlingen (Gaucho’s) hen gegeven naar de klank waarmee ’t mannetje z’n wijfje in ’t voorjaar roept. Dat voorjaar in Zuid-Amerika begint evenals in alle landen van ’t Zuidelijk Halfrond als wij op de Noordelijke aardhelft herfst krijgen.
Een nandoe haan leeft evenals de haan van onze kippen met meerdere hennen. Gewoonlijk zijn ’t er een stuk of zeven. Zij hebben te samen een bepaald gebied, waarin geen andere nandoe haan met z’n harem geduld wordt.
Al de 6 of 7 hennen leggen hunne eieren in één gemeenschappelijk nest. Dit is een kuiltje met wat stroo, dat de haan voor hen heeft klaargemaakt. Soms liggen er 40–80 eieren in, maar meestal is het minder. Zijn het er genoeg naar de zin van de haan, dan gaat hij ze bebroeden. Soms leggen de hennen nog wel eenige eieren naast het nest, die rolt de haan er dan voorzichtig in. Daar ’t mannetje van de Nandoe’s alleen broedt, zijn de vrouwtjes niet meer noodig. Als zij geen eieren meer leggen gaan zij weg. Zij blijven evenwel zorgvuldig in ’t gebied, dat aan hun haan behoort.
Na 6 weken broeden komen de eieren uit. Twee dagen blijven de jonge vogels nog lekker warm onder „Vaders vleugels”. De derde dag begint hun maagje te rammelen en gaan zij onder Vaders bescherming het eerste voedsel zoeken. Zij worden dan heel gauw sterk en groot. Na 4 dagen zijn zij zóó vlug, dat geen mensch hen meer in kan halen. Zoodra zij groot genoeg zijn om op zich zelf te kunnen passen, verlaten zij met de ouders hun gebied en vereenigen zij zich met de families uit de naburige streken. Het verband in een dergelijke kudde is veel losser dan in de familie. Allerlei toevallige omstandigheden snijden stukjes van zoo’n kudde af. Maar die stukjes voegen zich weer rustig bij vreemde kudden. Eén van die toevallige omstandigheden is bijv. de jacht, die de Gaucho’s (spreek uit Ka-oe-tsjoos) op hen maken.
Deze Gaucho’s zijn een ruitervolk bij uitnemendheid. Zij komen haast niet van hun paard af en zijn hartstochtelijke jagers. De nandoejacht is dan ook een zeer geliefde sport. Ook al weer natuurlijk, omdat ze moeilijk is en het hun eerzucht prikkelt, die moeilijke dingen te volbrengen. Hun voornaamste wapen is de „bolas”, als men dat tenminste een wapen noemen wil. In ’t gebruik doet een bolas aan een lasso denken, omdat beide weggeslingerd worden. Waar de lasso altijd door de hand van den mensch aan de zadelknop van den jager vast blijft zitten, zoodat het gevangen dier door de kracht van het paard wordt tegengehouden, blijft de bolas los.

fig. 4.
Een bolas bestaat uit 2 of 3 zware ijzeren of steenen kogels (fig. 4) in een leeren zakje gepakt en aan leeren koorden gebonden. Dit werktuig wordt eenige malen snel om het hoofd geslingerd en dan plotseling los gelaten. Met groote vaart vliegen ze door de lucht, regelrecht op hun doel af. Ze vallen en verwarren zich om de pooten van ’t vluchtende dier. Dit struikelt, de jager komt en doodt het hulpeloos slachtoffer met z’n mes. Hoewel, voor zoover het het slingeren van de bolas betreft, het vangen een groote behendigheid vereischt, is dit niet het moeilijkste gedeelte van de jacht.
De nandoes, hebben evenals alle wild levende dieren de gewoonte om met de kop in den wind te grazen. Ze vreezen vijanden—en de wind waarschuwt hen door ’t meevoeren van geuren, wanneer er gevaar dreigt.
De Gaucho’s, die deze gewoonte natuurlijk kennen, doen er hun voordeel mee en besluipen hen van achteren. Een ander gedeelte der jagers verschuilt zich voor de troep, doch zorgt, dat zij zooveel mogelijk uit den wind blijven.
Zoodra de nandoes de hen van achteren besluipende Gaucho’s in de gaten krijgen, loopen zij weg zoo hard zij kunnen. En hardloopen doen zij haast zoogoed als een struisvogel. Zij vluchten, zooals alle levende dieren, in den wind. Plotseling treedt het andere gedeelte der jagers in hun weg. De vogels zijn besluiteloos, weten niet meer, welke kant zij zullen opgaan en loopen in de grootste verwarring door elkaar. De Gaucho’s slingeren nu hunne bolassen en vangen een groote menigte vogels.
Aan deze inboorlingen hebben de nandoes een verschrikkelijken hekel, wat zij toonen door zoover mogelijk uit hunne buurt te blijven. De blanken daarentegen mogen zij graag lijden en toonen hun dit openlijk. Een nandoe, die aan hun woningen om voedsel komt vragen, is geen zeldzaamheid. Sommige worden zelfs zoo tam, dat zij op bepaalde tijden komen, net als bij ons ’t roodborstje of een musch wel gewend is, om na het eten op ’t vensterkozijn kruimels te komen zoeken.
Behalve deze voorkeur van den blanke zelf, toont de nandoe nog een uitgesproken voorliefde voor de gewassen, die uit Europa meegebracht zijn. Op blijken van deze ingenomenheid is de blanke minder gesteld. Want heeft hij ’t ongeluk gehad een gewas te planten, dat bij nandoes in den smaak valt, dan blijft er geen spriet van staan, als de vogels er langs zijn gekomen.
Toch wordt dit wel weer vergeven, als het niet al te vaak gebeurt. De vogels maken zich aan den anderen kant ook weer verdienstelijk. Zij eten n.l. graag de zaden van een lastig onkruid, een soort klit. Deze klitten verwarren zich in ’t haar van ’t vee en zijn er heel moeilijk uit te verwijderen. Hoe meer de nandoe er dus oppikt, hoe liever het den veeboer is.
7 ZEEKOET. (Uria troille). 8 PAPEGAAIDUIKER. (Fratercula arctica).


9 FUUT. (Lophaethyia cristata). 10 ALBATROS. (Diomedea exulans).


11 MANTELMEEUW. (Larus marinus). 12 DRIETEENIGE MEEUW. (Rissa tridactyla).



§ 3. In Australië leeft een loopvogel, ongeveer zoo groot als een struisvogel (± 2 M.)
Vroeger inheemsch op ’t geheele vaste land van Australië en op de omliggende eilanden, houdt de EMU (DROMAEUS NOVAE HOLLANDIAE) (No. 3) zich tegenwoordig alleen nog staande in de groote vlakten van Zuid-Australië. Heel gauw zullen zij ook daar zeldzaam of uitgestorven zijn, want de blanke mensch is hun allergrootste vijand. Het Engelsche gouvernement heeft de vogels in bescherming genomen en het dooden ervan verboden. De Australische kolonisten lachen evenwel om die wet, sinds er in de uithoeken waar de emu leeft, niemand is, om die wetten te handhaven.
Daar emu’s gemakkelijk broeden in gevangenschap, is het niet onmogelijk jonge emu’s te zien te krijgen. De emu-man besteedt meer zorg aan z’n nest, dan de struis of nandoe. De kuil, die tot nest moet dienen, bedekt hij met gras en bladeren, soms zelfs met boomschors. Het eenige vrouwtje, dat de emu-haan heeft, legt in verloop van veertien dagen zes à zeven eieren, die ’t mannetje netjes op een rij schikt. Zoodra het leggen afgeloopen is, is het werk voor ’t vrouwtje gedaan, want ’t broeden houdt het mannetje geheel voor zich. En dat is maar goed ook, daar ’t wijfje ’t broedsel vernielt en de jongen doodt, wanneer zij er kans toe ziet. Na 60 dagen trouw bebroed te zijn, komen de jongen uit het ei. 3 Maanden blijven zij onder de hoede van hunnen vader. Dan zijn zij half volwassen en kunnen voortaan voor zich zelf zorgen. Na een jaar zijn zij geheel volgroeid.
Aan de emu nauw verwant is de CASUARIS, die in de dichte bosschen van Australië en de omliggende eilanden leeft. Hij komt ook voor op Nieuw-Guinea. Uiterlijk onderscheidt hij zich van de emu door de kleurige kop met de haanachtige lellen, de zoogenaamde „bef”. Het is een zeer kwaadaardige vogel. De exemplaren, die in dierentuinen voorkomen, zijn alle zeer jong gevangen en tijdens hun ontwikkeling aan menschen gewend geweest. Een volwassen dier, dat in gevangenschap werd gehouden, zou niet te regeeren zijn.
Typisch, zoowel voor emu als casuaris is ’t verschijnsel, dat bij deze vogels uit iedere spoel van de veeren twee schachten komen. Bij andere vogels is die tweede veer de z.g. „bijveer” meest slechts in aanleg aanwezig. Soms ook is hij veel duidelijker, hoewel hij klein blijft. Nergens elders dan bij emu en casuaris vindt men ’t, dat deze bijveer even lang wordt.

§ 4. De allermerkwaardigste van de Loopvogels is misschien wel de KIWI (APTERYX MANTELLI) (No. 4), die op Nieuw-Zeeland voorkomt. Het is een uitgesproken nachtdier. Overdag heel stil en haast nooit te zien, komt hij ’s nachts te voorschijn om in den maneschijn naar wormen, insecten en insectenlarven te zoeken. Z’n lange snavel graaft hij tot aan den wortel in den grond. Heeft hij beet, dan trekt hij z’n kop met de uiterste voorzichtigheid terug. Het is of hij er zich een eer instelt zoo kunstig te werk te gaan, dat hij de worm niet schaadt. Misschien ook is het alleen, omdat hij voor niets ter wereld iets van de kostelijke versnapering verloren wil laten gaan.
Voelt hij evenwel geen worm, dan trekt hij z’n snavel driftig terug om hem direct daarop weer op een andere plaats in den grond te steken.
De kiwi weet zich goed schuil te houden, zoo zelfs dat de inboorlingen van Nieuw-Zeeland nagenoeg niets van z’n intieme leven weten. Een enkele keer is er tusschen de wortels van een kauriboom een nest met één ei gevonden. De ouders hadden zich dan nog dieper in de holten verscholen en werden er uit te voorschijn gehaald.
Iets is er evenwel van hun broedgewoonten bekend, sinds de kiwi’s in de Londensche dierentuin, waar zij vrij geregeld aanwezig zijn, daar ééns gebroed hebben. Nadat ’t vrouwtje het eerste ei had gelegd, bleef zij er twee dagen lang op zitten. Daarna nam het mannetje dien taak over. 14 Dagen later ging ’t vrouwtje weer op ’t nest en legde er een ei bij. Zoodra zij daarmee klaar was, stond zij de plaats weer direct aan ’t mannetje af.
Jammer genoeg zijn deze eieren niet uitgekomen. Na 6 weken broeden gaf het mannetje het op. De eieren bleken werkelijk bedorven te zijn.
In hun vaderland hebben de kiwi’s een harden strijd om het bestaan te voeren. Een strijd, die zij aan het verliezen zijn. Want de jacht, die inboorlingen met honden en fakkels op hen maken, doet hunne gelederen te zeer dunnen. En ’t eene jong per broedsel, dat groot gebracht wordt, is niet in staat die leemten te vullen.
Zoo is de kiwi tot uitsterven gedoemd. Engelsche natuuronderzoekers zijn daarom naar Nieuw-Zeeland gegaan, om nog zooveel mogelijk van deze grappige en vreemde vogels te weten te komen. Dat een dergelijk onderzoek niet gemakkelijk is, laat zich in verband met de nachtelijke levenswijs, begrijpen.
[
Inhoud
]

Door de geheele wereld gescheiden leven aan de beide Polen der aarde vogels, die opvallend veel op elkander gelijken. Toch zijn zij geen familie, doch de overeenkomstige levenswijs in de koudste en onherbergzaamste streken heeft op hen denzelfden stempel gedrukt en heeft aan de verschillende, groote en kleine pinguïnsoorten van het Zuidpoolgebied hetzelfde merkwaardige uiterlijk gegeven als aan de alken, zeekoeten en papegaaiduikers van het Noordelijke Halfrond. Dit feit, dat men „parallelle ontwikkeling” noemt, is een zeer belangwekkend biologisch verschijnsel, waarvoor men nog geen bevredigende verklaring heeft kunnen vinden.

Toen eenigen tijd geleden heel Nederland de mooie film over de Zuidpool-reis van Sir Ernst Shackleton ging bekijken, heeft iedereen de gelegenheid gehad iets van de wonderlijke fauna van dit ontoegankelijk gebied te leeren kennen. Veel beter dan door het lezen van de mooiste reisbeschrijvingen kan men zich, door het zien van de bewegende fotografiën, een beeld vormen van de wonderlijkste der vogels: de pinguïn.
Hoe koddig veel leken deze vogels op menschen! Vooral wanneer men een troep op een afstand zag, was het of een menigte menschen samenschoolde om naar iets te kijken, dat hunne gemeenschappelijke belangstelling had.
Deze gelijkenis is in de eerste plaats toe te schrijven aan het rechtop loopen der vogels en komt voor een ander gedeelte op rekening van de typische verdeeling van zwart en wit.
De afwijkingen in hunne lichaamsbouw staan in nauw verband met de eigenaardige levenswijs van deze vogels. Ten gevolge hiervan nemen de pinguïns, alken, zeekoeten en papegaaiduikers een eenigszins afzonderlijke plaats in ten opzichte van de overige vogels. Evenals de Loopvogels verleerden zij het vliegen, doch zij specialiseerden zich in het zwemmen. Daar zij, evenals alle gewone vogels een kam op het borstbeen hebben, worden zij ondergebracht tot de groote groep der
Kielborstbeenigen (Carinatæ).
Deze kam of kiel op het borstbeen dient, (zie Hoofdstuk I), tot aanhechting van de vliegspieren. Met ’t oog op de pinguïns is het beter om te spreken van „bewegingsspieren van de voorste ledematen”. Want pinguïns gebruiken hunne vleugels om te roeien. Het zijn hier dan ook meer vinnen dan vleugels, waardoor de pinguïns in een aparte orde, de IMPENNES, in de tweede groep, die der
ZWEMVOGELS (NATATORES) II
ondergebracht worden. Van alle zwemvogels, die voornamelijk gekenmerkt zijn door het bezit van zwemvliezen tusschen de teenen, is er geen één, zoo in het water in z’n element als de pinguïn. Er is er géén, die zoo volkomen de lucht als milieu verlaten heeft; geen één, die z’n lichaam zoo volmaakt in een andere omgeving heeft aangepast, als hij.

Alle zwemvogels hebben hunne pooten meer achter aan het lichaam, dan de overige. Hoe beter de vogel kan zwemmen, des te meer zijn de pooten aan het eind van het lichaam geplaatst. Nergens evenwel is dit zoo ver gegaan als bij de pinguïn. Het voordeel ervan is duidelijk, daar de vogel er meer stuur over z’n lichaam door krijgt.
13 VISCHDIEFJE. (Sterna fluviatilis). 14 SCHAARBEK. (Rhynchops flavirostris).


15 ZONNEVOGEL. (Phaëton aethereus). 16 JAN VAN GENT. (Sula bassana).


17 FREGATVOGEL. (Fregata aquila). 18 PELIKAAN. (Pelecanus onocrotalus).



§ 1. Iedere medaille heeft z’n keerzijde! De PINGUÏN (No. 5), die de beste zwemmer onder de vogels is, is aan land de meest onbeholpene, juist door de eigenschappen, die hem in ’t water tot de eerste maken. Als men hem aan land ziet, is het een stumper. Zijn korte pooten, die zoover naar achteren geplaatst zijn, doet het zware lichaam waggelen. De door de groote zwemvliezen zoo lompe voeten kan hij niet náást, maar moet hij vóór elkander zetten, zoodat hij loopt alsof hij horrelvoeten heeft. Hardloopen is hem dan ook totaal onmogelijk. Moet een pinguïn gauw vooruit komen, als hij bedrijvig is of haast heeft, dan springt hij liever als een zaklooper, met beide pooten tegelijk van den grond.
Maar van alle eigenaardigheden, die hun lichaam aan land zoo ondoelmatig doet schijnen, komen de voordeelen in het water tot hun recht. Men zegt zelfs, dat zij zwemmend een zoo groote snelheid kunnen bereiken, dat zij een stoomschip kunnen bijhouden. Meestal bewegen zij zich onder water, doch om adem te scheppen komen zij iedere 30 M. aan de oppervlakte. Daar springen zij, zooals wij de bruinvisschen in onze zeegaten zoo vaak zien doen, in volle vaart even boven water, om direct daarna weer onder te duiken.
Om bestand te zijn tegen de geweldige afkoeling, die een natuurlijk gevolg is van een langdurig verblijf in het ijskoude water der Poolzeeën, hebben de pinguïns, evenals walvisschen, zeehonden en andere in het water levende zoogdieren, een dikke speklaag onder hunne huid. Zij zijn hierdoor zeer zwaar, ’t geen een merkwaardig verschil is met vliegende vogels. Het lichaam van deze laatsten is er juist op ingericht, zoo licht mogelijk te zijn. De beenderen zijn daartoe hol en met lucht gevuld. Ook lijkt het dier door de losse veerenlaag veel grooter, dan het werkelijk is. Hoe nietig en schriel is een geplukte kip niet, in vergelijking met een levende! Dit maximaal vergrootte oppervlak is verkregen door middel van een minimale gewichtstoename.
Pinguïns daarentegen hebben dikke, zware, harde beenderen, die in plaats van met lucht, met een olieachtig merg gevuld zijn. Van de veeren is niets meer over dan de schachten, die tot driehoekige hoornschubjes zijn geworden.
Hoe moeilijk voor een pinguïn een verblijf op het land ook is, door deze morphologische geaardheden, zij getroosten zich dit gaarne voor het uitbroeden van hun eene ei, en het groot brengen van hun eenig kind. Het liefst zoeken zij voor hunne broedplaatsen plekken uit, waar de bodem niet te hard en rotsachtig is. Deze zijn echter niet altijd te vinden. Als het niet anders kan, schikt de pinguïn zich in de omstandigheden en neemt de dingen, zooals ze zijn. Z’n zorgen voor ’t jong lijden er niet onder. De moeilijke afstand van de broedplaats naar zee wordt zoo vaak afgelegd, als het noodig is.
Hebben de pinguïns een zandige plaats voor hunne nesten, dan graven zij deze vol geulen, die elkaar onder rechte hoeken kruisen. Net zooals de straten van veel van onze moderne stadswijken dat doen. Een enkele plek wordt wat dieper uitgehold. Deze is voor het nest bestemd.
Pinguïns, die samen aan een district van de broedplaats werken, leven in vriendschap met elkaar en schijnen zich als een soort familie te beschouwen. Met de bewoners van een andere wijk leven zij in onmin. Een ongelukkige, die in een verkeerde buurt terecht komt, wordt met onvriendelijke en pijnlijke snavelpikken ontvangen en daarna weggejaagd.
Al zijn deze families tegenover vreemden een geheel, onderling vechten en kibbelen zij voortdurend. Meestal gaat het geschil om versieringen, die aan de nesten worden aangebracht. Sommige vogels zijn ijverig en slepen allerlei steentjes en schelpen aan, die met zorg om den rand van het nest worden geschikt. Andere zijn lui en halen één steentje. Zij zijn, zooals ook bij luie menschen zoo vaak het geval is, heel gauw tevreden over zichzelf. De enkele keer, dat er eens wat gepresteerd wordt, slaan zij zich vol voldoening met de handen op de borst en roepen iedereen naderbij om hun werk te bewonderen. Luie pinguïns zijn ook op een dergelijke manier met zichzelf ingenomen. Het eene onnoozele steentje, dat zij haalden, verschikken en verleggen zij tot in den treure. Met een scheeve kop en vol uitroepen van bewondering beoordeelen zij het effect, dat het op verschillende plaatsen maakt.
Is de begeerte naar een tweede steentje groot en de weg hen te lang, dan trachten zij op oneerlijke manier hun verlangen te bevredigen, door er eentje van de buren te stelen.

Daar de verschillende nesten door de geulen met elkaar in verbinding staan, is de gelegenheid er wel om het nest van een ander te bezoeken. Het stelen gaat evenwel zoo glad nog niet, want er is steeds een van de twee vogels op wacht. Schijnbaar met de beste bedoeling wordt het nest van een vlijtige vriendin bezocht en met vreemde geluidjes geprezen. Op een oogenblik, dat de gastvrouw wat minder oplettend schijnt, wordt de slag geslagen en tracht zij zich uit de voeten te maken. De beroofde merkt ’t evenwel en zet de dievegge achterna. Een slimme derde maakt dan van de gelegenheid gebruik om het onbeheerde nest te bestelen.
Van ernstiger aard zijn de geschillen wanneer deze een ei of een jong betreffen. Daar ieder paartje van dit soort pinguïns nooit meer dan één ei legt, is dit eenige kind de groote zorg en angst der ouders. Moeten zij het nest verlaten dan zijn er pinguïns die hun ei of hun jong op de pooten leggen en het met zich meedragen. Een van de buik afhangende huidplooi verbergt het en houdt het warm. Soms geven zij het ei aan elkander over. Het wordt dan even op den grond gelegd en direct voorzichtig met den snavel op de pooten van de wederhelft geschoven.
Iedere vogel, die het ongeluk heeft gehad ei of jong te verliezen, tracht er een van een ander te stelen. Het berooide paar steelt weer op zijn beurt. Zoo komt het dan ook meermalen voor, dat het jong eenige keeren van ouders verwisselt.
’t Jong, dat blind ter wereld komt en dat in ’t begin ook nog niet loopen kan, wordt door de ouders voornamelijk met garnalen groot gebracht. De ouders visschen deze en bergen ze in hun slokdarm. Zij braken ze voor het jong uit, of deze steekt gedurende 1 of 2 minuten z’n kop in hunne bek en haalt ze zelf uit den krop.

§ 2. Met de grootste der pinguïns, de keizers- en de koningspinguïns (APTENODYTES FORSTERI) (No. 5) kwam de grootste der DUIKERS (URINATORES), de reuzenalk van het Noordelijk halfrond in grootte overeen. De keizerspinguïn is ongeveer 90 c.M., de reuzenalk was ± 70 c.M. lang. Tegenwoordig is deze alk helaas uitgestorven. Vroeger was hij op het Noordelijk halfrond zoo algemeen als de pinguïns nu op het Zuidelijk zijn. De menschen van ’t Noorden hebben hem helaas te intensief vervolgd omdat zij hem als voedsel gebruikten en moeten het al sinds honderd jaar geheel zonder hem doen.
Het huidje van deze vogels is in de museums, die er een machtig zijn, een zeer kostbaar en hoog gewaardeerd bezit. Geen wonder, dat het in „Artis” onder een extra stolp bewaard wordt!
De tegenwoordig nog in groote hoeveelheden in het Noorden voorkomende ALKEN (ALCA TORDA) (No. 6) lijken erg veel op de uitgestorven reuzenalk. Zij zijn alleen veel kleiner. De grootte van een flinke eend halen zij nog niet. Hoewel het puike zwemmers zijn, is hunne aanpassing aan ’t leven in ’t water niet zoover als bij de pinguïns gegaan. Zij hebben nog echte veeren. Hoewel hunne vleugels klein zijn, kunnen zij deze toch nog gebruiken om er mee te vliegen. Graag doen zij het evenwel niet. Alleen in de broedtijd vliegen zij onophoudelijk heen en weer tusschen de hooge steile rotskusten, waar hun nest ligt en de zee, die hen hun voedsel levert.
Voor ’t meerendeel bestaat dit uit krabben. Daar deze gewoonlijk op den bodem der zee rondscharrelen, moeten zij duiken en soms zelfs vrij diep, om hen te bemachtigen. Zij blijven een minuut of drie onder water, komen boven om lucht te scheppen en duiken weer opnieuw. Tot dit lange onder water blijven is de vogel in staat doordat hij een groote hoeveelheid lucht mee naar beneden neemt in een zak onder z’n huid, die daartoe geheel los om hem heen zit. Hij blaast zichzelf op tot een ronden bal, slechts aan kop, staart en pooten kan men dan zien, dat men met een vogel te doen heeft. In gewone omstandigheden ziet men de vogel nooit in dezen toestand. Het was Boie, die een gevangen vogel met een touwtje aan z’n pooten zwemmen liet en hem terughaalde dadelijk nadat hij was ondergedoken, die hem voor ’t eerst in dezen toestand zag. Ook heeft hij na kunnen gaan, dat de vogel onder water een afstand van ca. 60 M. aflegde.
Hoewel ’t ongeloofelijk schijnt, verdrinken alken herhaaldelijk. Na een zwaren storm vindt men hen geregeld aan ’t strand. Een enkele maal worden zij ook nog wel levend gesignaleerd, maar dat behoort tot de uitzonderingen. Zij blijven ook nooit lang, maar trekken weer naar ’t Noorden, naar Helgolands en Groenlands steile kusten. Dáár is hun thuis en broeden zij hun eene ei uit.

Het jong is minder hulpbehoevend dan dat der pinguïns, daar ’t ziende geboren wordt en loopen kan. Zoodra z’n vleugels genoeg ontwikkeld zijn, sporen de ouders hem aan om naar beneden te springen. Dat is een heele durf, want het is geen ongevaarlijk werkje en de jongen vallen vaak te pletter op een uitspringend stuk rots.
Menig jong, dat er in ’t geheel den moed niet toe heeft, tracht langs een omweg naar beneden te komen.
Waagt het den sprong en lukt deze, dan geven de ouders hunne blijdschap te kennen en beginnen direct het van allerlei te leeren. In ’t begin vindt de kleine ’t niets prettig in ’t water. Het went evenwel gauw en leert spoedig voor zichzelf te zorgen.
Evenals vroeger de reuzenalk wordt de gewone alk door de menschen vervolgd. Het is zoowel in ’t belang der vogels, als in ’t belang der menschen, dat de overheid een beperking aan deze vervolging heeft gesteld. Deze maatregel behoedt de vogels voor uitsterven en de bevolking van die Noordelijke landen voor hongersnood.
Samen met de alk broeden de ZEEKOETEN (URIA TROILLE) (No. 7) en de Jan van Gent op de hooge steile rotsen in ’t Noorden en deze moeten een wonderlijken aanblik opleveren, met de miljoenen broedende vogels. Op iederen vooruitspringenden riggel van de rots zitten zij. Mannetje aan mannetje staren zij in zee van af hun natuurlijk amphitheater, hunne witte borsten glinsterend in ’t zonlicht. Dag en nacht schreeuwen en krijschen zij, dat het tot ver in zee te hooren is.
In levenswijs komen de zeekoeten in veel opzichten met de alken overeen. De verzorging van hun eene jong gaat hen misschien wat gemakkelijker af, daar zij iets beter vliegen.
Zij onderscheiden zich uiterlijk voornamelijk door hun snavel, die zwart en smal is, terwijl die der alken mooi donker blauwgrijs en breed is. Een witte band loopt over ’t hoogste gedeelte heen.
Zij komen over ’t algemeen vaker aanspoelen dan de alken. Wie een verzameling van natuurhistorische voorwerpen heeft, verzuime niet zoo’n doode alk en koet mee te nemen, wanneer hij nog gaaf is. Die gaafheid blijkt het best aan den toestand der veertjes onder den staart en rond de oogen. Laten deze los dan loont het de moeite niet het huidje op te zetten. Van de kop kan dan evenwel nog een aardig schedeltje gemaakt worden. Men snijdt het van den romp af en verwijdert thuis de huid en zooveel mogelijk van de vleezige deelen. Dan legt men ’t in een bak met water, die men ergens op een zonnig of warm plekje zet. Na een maand is er niets meer over dan de beenderen van ’t schedeltje. Men kan dit met een tangetje uit het water halen, onder de kraan uitspoelen en in de zon te drogen leggen. Dat dit mascereeren zooals men een dergelijke bewerking noemt een welriekend proces is, kan nu juist niet gezegd worden. Een goed bioloog heeft dat evenwel graag voor z’n verzameling over. Wanneer men een wondje aan de handen heeft, is ’t beter met ’t beetpakken der objecten te wachten, tot het genezen is.
Heel zeldzaam vindt men een PAPEGAAIDUIKER (FRATERCULA ARCTICA) (No. 8) aan ons strand. Dat is wel jammer want deze is ongetwijfeld de mooiste duiker. Het levendig oranje rood van hun vreemd gevormden snavel geeft een verrassend effect met het stemmig zwart en wit van hunne veeren. Snel en rusteloos vliegen zij in kleine troepjes, laag boven het water. Een onvergetelijke herinnering aan vreemd sombere schoonheid, voor ieder, die hen eens in hunne woeste omgeving aan zich voorbij zag gaan.
19 MIDDELSTE ZAAGBEK. (Merganser serrator). 20 WILDE EEND. (Anas boscas).


21 BRANDGANS. (Branta leucopsis). 22 ZWAAN. (Cygnus olor).


23 ZUIDPOOL KIP. (Chionis alba). 24 GOUDPLEVIER. (Charadrius apricarius).


Wèl is het noodig voor hen zoo gauw vooruit te komen. Het voedsel voor hunne jongen, die in gezelschap van alken en uria’s op de vogelrotsen liggen, moet vaak van heel ver komen. Het bestaat uit kleine vischjes, die meestal niet in de onmiddellijke omgeving der vogelrotsen voorkomen. Toch zouden deze snelvliegende vogels nog tijd te kort komen, als zij voor ieder gevangen vischje den heelen weg naar ’t nest weer teruggaan moesten. Een eigenaardige inrichting van hun snavel geeft hen de gelegenheid met een groote massa voedsel tegelijk mee te brengen. In den broedtijd n.l. krijgt de snavel aan de basis een hoornplaat met een scherpen kant, die zich in een hoornachtige huid om de mondhoeken voortzet. Tusschen deze plaat klemt hij ieder gevangen vischje, zonder dat het hem verhindert z’n bek open te doen, als hij er weer een vangen wil. Zoo bergt hij een menigte slachtoffers. Heeft hij er genoeg naar zijn zin, dan vliegt hij naar huis. De bundels vischjes, die aan weerskanten uit iederen snavelhoek hangen, lijken dan op een grooten grijzen snor.
Waar geen van de genoemde vogels zich onze „lage landen bij de zee” tot broedplaats heeft gekozen en we hen dus zelden levend onder oogen krijgen, is dit met de FUUT (LOPHAETHYIA CRISTATA) (No. 9) gelukkig niet het geval en zijn deze vrij gewone vogels op onze plassen. Het kleine dodaarsje komt zelfs in polderslooten en fortgrachten veelvuldig voor. De geoorde fuut daarentegen is een zeldzaamheid, die eerst eenige jaren geleden in ons land broedend is aangetroffen. Gelukkig op een plaats, waar dergelijke zeldzaamheden naar waarde geschat worden en voor de roekelooze hebzucht van veel eierzoekers wordt beschermd.
Dat fuuten door veel menschen als zeldzaam worden beschouwd, zal wel aan hunne levenswijs liggen.
Wie ’s avonds, bij het ondergaan der zon en het liggen van den wind, op een van onze mooie plassen in een schuitje zachtjes voortglijdt, en van het stille wijde water geniet, weet hoe veel er van deze vogels in ons land zijn.
Hoe vaak is de droomerige stemming, waarin we geraakten door den aanblik van het zachtblauwe water, overvloeit door de heerlijkste, gloeiendste tinten van rood, goud en purper en de schoonheid der weerspiegeling van het onbewegelijke riet in den zilveren waterspiegel niet verbroken doordat we onze aandacht plotseling scherp concentreerden op een korten rechten stok, die boven water verschijnt, weer verdwijnt en een eind verder weer te voorschijn komt? Floep, daar duikt hij weer onder. Dat was een fuut. Wat we voor een stok aanzagen, z’n hals.—Wie ziet hem ’t eerst weer boven komen?
Nu je eenmaal gewekt bent uit de mijmering, waarin de zilveren rust van ’t water je bracht, zie je er telkens meer en vermaak je je met hun duiken en onder water zwemmen. Wat ligt hij laag op het water, z’n geheele romp is haast onder! En kijk! ginds komt er een met jongen tusschen het riet vandaan. Zij zwemmen achter de oude aan, zooals jonge eendjes ook achter hunne moeder zwemmen.
In ’t riet heeft de fuut z’n nest gehad. Veel bizonders was het niet, want met een hoopje rottende bladeren, drijvend tusschen het riet, was hij al tevreden. Daar heeft ’t vrouwtje de eieren in gelegd en nooit heeft zij het verlaten zonder ze eerst met modder en rottende bladeren overdekt en verstopt te hebben. De jongen, die ondanks de nattigheid goed door haar uitgebroed worden, gaan direct te water en zwemmen, dat het een aard heeft. Als zij moe worden duikt vader of moeder onder en schept hen, boven komend, op de rug.
Wellicht waren er nog veel meer van deze aardige vogels op onze plassen, als zij niet het ongeluk hadden mooie veeren te hebben, die in den smaak der vrouwen vallen. De borstveeren van een fuut zijn wit en van een teere fijne parelmoerachtige satijnigheid. Geen wonder, dat een vrouw er haar oogen niet van af kan houden en ze bewonderend langs haar vingers strijkt! Wel begrijpelijk, dat een moeder denkt: hoe lief zal dit m’n blonde dochtertje staan!
Maar och, mooier dan ’t mooiste liefste blankste kindje er mee uit zou zien, staat het de fuut.

§ 3. De groote oceanen en wereldzeeën van het Zuidelijk Halfrond zijn het thuis van een van de grootste der STORMVOGELS of LONGIPENNES, van den ALBATROS (DIOMEDEA EXULANS) (No. 10). Daar alleen, tusschen de wijde lucht en het wilde water, treft men hem aan. Rustig, majestueus vliegt hij, hoog boven de golven en recht in den wind. Hoog boven de wereld is zijn plaats. Dáár hoort hij, dáár leeft hij, dáár is hij groot, hij, de koning der vliegers. Onovertroffen is z’n vlucht. Na een paar krachtige rustige slagen beweegt hij z’n vleugels niet meer, maar zweeft en zwenkt met uitgestrekte vlerken. Hij daalt, hij stijgt, zonder z’n vleugels te verroeren. Het is of de zwaartekracht voor hem in die hooge luchten heeft opgehouden te bestaan. Dan opeens eindigt hij z’n doelloos draaien en vliegt weg met sterke kalme slagen den wind trotseerend. Soms vliegt hij zoo snel, dat men hem ’t eene oogenblik in al z’n grootheid kan bewonderen, het volgende is hij al niet veel meer dan een blinkend witte stip in ’t luchtruim. Hoe sterker de wind, hoe sneller en zekerder z’n vlucht er tegen in is.
En deze Heer van de lucht, deze Koning der vliegers, heeft de mensch, in z’n verlangen naar het onderbrengen in vakjes en hokjes, geplaatst in de groep der „zwemvogels”, daar hij zwemvliezen tusschen de teenen heeft. Tot welke eigenaardige consequenties voert de logica soms!
Toch, wanneer de vogel vermoeid is of slapen wil, laat hij zich op ’t water drijven, zooals meeuwen, eenden en ganzen dat doen. Gauw moe of slaperig is een albatros anders niet. Hij is in staat 6 dagen en 6 nachten een snelvarend schip te volgen, zonder ook maar één oogenblik te rusten. Z’n voedsel, dat uit inktvisschen en aan de oppervlakte van het water drijvende zeedieren, zooals kwallen, bestaat, vangt hij tijdens z’n vlucht uit het water. Soms evenwel, bij zwaar en stormachtig weer, moeten zij dagen lang vliegen, zonder aan voedsel te kunnen komen. Zij vliegen dan maar door tot de storm bedaard is en zij uitgeteerd en vermagerd ergens aan land kunnen komen.
De bemanning der schepen vangt hen ook wel na zoo’n storm. Zij zijn dan uitgehongerd en vallen als wilden aan op een stuk ranzig spek, waarin een haak verborgen is. Verwonden zij zich den snavel de eerste keeren en loopen zij de haak nog mis, de honger drijft hen er iederen keer weer heen, tot één keer de laatste is en de gevangen vogel aan boord wordt geheschen.
Buiten z’n element, beroofd van z’n vrijheid levert deze grootsche, koninklijke vogel een jammerlijken aanblik op. Z’n zwakke, kleine pooten kunnen hem nauwelijks dragen, loopen kan hij heelemaal niet. En de manschappen, die de koninklijke grootschheid van z’n vlucht niet begrepen, genieten van z’n hulpeloosheid. Hunne kleinheid van geest stelt hen niet in staat te bewonderen. Grootheid kunnen zij slechts vernielen in hun domme wreedheid. En neergehaald uit z’n grootsch milieu, uit z’n verheven sfeer, wordt de vogel bespot en gehoond, omdat hij niet past in de wereld der menschen.

Iets anders is het en zeer vergeefelijk zelfs, wanneer de bemanning van een schip door den nood ertoe gedwongen wordt albatrossen te vangen. Vooral in vroegere eeuwen was dat nog wel eens noodig. In den tijd dat de stoomschepen er nog niet waren en men nog niet van ’t conserveeren van groenten in blikjes wist, moesten de menschen de heele lange reis van Holland naar Indië om den Kaap heen, niets anders dan gezouten vleesch en groenten eten. Zij kregen hiervan een vreeselijke ziekte, de scheurbuik. Slechts versch vleesch kon dan de genezing brengen. Hoe dankbaar moeten die zieken geweest zijn, als ’t walgelijk smakende vleesch van den albatros hen beter maakte.
Om te broeden moeten de albatrossen wel aan land komen. Zij kiezen daartoe eenzame zandige eilanden, waar zij met duizenden en duizenden te samen hunne broedperiode doorbrengen.
Van de familieleden van den albatros is er niet één, die hem in ’t vliegen evenaardt, al mogen sommige er wezen wat dat betreft. Dat weet ieder, die wel eens op ’t strand naar de zeemeeuwen heeft gekeken. Hun vlucht is zéér sterk aan die van albatrossen verwant. In de stadsgrachten heeft zelfs iedere Amsterdammer in de kokmeeuwen prachtig studiemateriaal en kan men door nauwkeurig en scherp op te letten heel wat aan deze sierlijke lichtgrijze vogels opmerken. Deze kleine meeuwen worden in Amsterdam, wat de duiven in Venetië zijn: zij behooren bij de stad.
Tusschen deze kokmeeuwen ziet men vaak een veel grootere meeuw, die er lang zoo mooi niet uitziet maar overdekt is met lichtbruine vlekjes. Dat is een jonge zilvermeeuw, die z’n jeugdkleed nog niet verruild heeft voor de mooie zacht blauw-grijze veeren van z’n volwassen tooi.
In de havens van Amsterdam vindt men ’s winters geregeld de groote zwarte MANTELMEEUWEN (LARUS MARINUS) (No. 11). ’s Zomers is hij hier niet, dan is hij vertrokken naar z’n broedplaatsen in Schotland. Maar ’s winters is hij aan veel van onze binnenwaters en aan de kusten van Noord- en Zuiderzee geregeld te vinden. Een enkele jonge vogel of een oude, die om een of andere reden niet broedt, kan ook wel ’s zomers in gezelschap van zilvermeeuwen aangetroffen worden.
Zilvermeeuwen en kokmeeuwen broeden wel in ons land. De zilvermeeuwen vindt men broedend in geweldige hoeveelheden op onze Waddeneilanden, Texel en Terschelling en op Grient en de Beers. Kokmeeuwen broeden dikwijls tusschen de zilvermeeuwen of in hunne buurt. Zij komen ook echter op onze plassen voor op plaatsen, waar men de zilvermeeuwen niet aantreft.
Over ’t algemeen maken de meeuwen niet veel werk van hunne nesten. Een kuiltje in ’t duin, beschermd door een bosch helm tegen den heerschenden westenwind, is hen al meer dan voldoende voor hun vier bruin-groene, met donkere spikkels bezaaide eieren.
Een ander meeuwtje, dat ’s winters vaak wordt gesignaleerd aan ons strand is het DRIETEENMEEUWTJE (RISA TRIDACTYLIS) (No. 12). Meest ziet men het vliegend. Dat kan hij, evenals z’n familieleden, buitengewoon goed. Zwemmend neemt men het ook vaak waar, maar loopend heel zelden, want dat doet het niet graag.
Als de winter voor deze vogel voorbij is, trekt hij naar het Noorden, naar IJsland. De bewoners daar begroeten hem met vreugde. Zij weten, dat wanneer het drieteenmeeuwtje gekomen is, de lente gauw volgt en dat de winter voorbij is al liggen de rotsen nog dik onder de sneeuw.
Een vriend van me, die het voorrecht heeft gehad een reis naar IJsland per trawler te maken, heeft deze aardige vogels goed leeren kennen. Zij omzwermen voortdurend het schip en azen op den afval, die overboord gegooid wordt en zijn meest erg mak. Er was er zelfs één, dat voedsel uit de hand kwam halen.
Als zij eenmaal broeden, zijn zij in ongeloofelijke hoeveelheden bij elkaar. Zooals Faber er schilderachtig van zegt: „In Grünsö’s vogelbergen zijn zij er in zoo groote hoeveelheden, dat zij de zon verduisteren als zij opvliegen, de scheeren bedekken als zij stil zitten en de ooren verdooven als zij schreeuwen en de van ’t lepelkruid groene rotsen wit kleuren als zij broeden.”
Daar het drieteenmeeuwtje een gevorkte staart heeft, zou den beginners het hierdoor wel eens voor ’t VISCHDIEFJE (STERNO FLUVIATILIS) (No. 13) kunnen aanzien. De veel slankere bouw van ’t sterntje, de rooie snavel met de zwarte vlek en ’t zwarte kapje op de kop moet hen daarvan terughouden. Ook is de vork in den staart van een stern veel dieper dan die van een Rissa.
’s Zomers broedt het sterntje op onze plassen, of in kleine kolonies in moerassige weilanden, die dikwijls heel dicht bij de woningen der menschen gelegen zijn.
Het is een vreugd om deze sierlijke lichtgrijze en witte vogels gade te slaan. Met een enkele slag zoo nu en dan van hunne slanke vleugels vliegen zij in kringen boven het water. Hun kop buigen zij van tijd tot tijd met een grappig korte beweging naar beneden. En wee! het arme bliekje, dat door de scherpe oogjes opgemerkt wordt. Stil en snel laat de vogel zich vallen en eer het vischje merkt dat er gevaar dreigt, wordt het al beetgepakt en mee naar boven genomen. Het sterntje zorgde er bij het visschen wel voor, dat z’n schaduw niet op z’n prooi kon vallen. Dat zou de visch gewaarschuwd hebben. Zoodra het bliekje naar binnen is gewerkt, begint het aardig spel van zweven en cirkelen weer opnieuw. Soms „staat” hij doodstil in de lucht, de kop spiedend omlaag gebogen, de rooie snavel recht naar het water wijzend. Roofvogels ziet men vaak in een dergelijke houding met hun scherpe oogen de omgeving afzoeken. Ze „bidden” dan zooals de volksmond zegt.

In deze orde der Longipennes of Zeevliegers, waartoe de albatros, de meeuwen en sterntjes behooren, is nog een familielid, dat heel andere gewoonten heeft en zich in verband daarmee door een zeer bizonder uiterlijk onderscheidt. Dit is de SCHAARSNAVEL (RYNCHOPS) (No. 14), een vogel, die overdag meest slaapt in ’t warme zand, zoo dicht en zoo plat mogelijk tegen den grond gedrukt. Vliegen doet hij het liefst in de heldere maanverlichte nachten. Geruischloos scheert hij met z’n groote stille vleugels vlak boven het water, als een sombere zwarte geest van de nacht. Z’n lange dunne snavel, waarvan de onderkant veel langer is dan de bovenkant, steekt hij in ’t water, terwijl hij verder vliegt. Ieder, die wel eens een stok met kracht door het water heeft gehaald of z’n hand buiten boord van een snelvarend schuitje heeft laten hangen, weet, dat het water achter den stok of de hand een geultje vormt. Aan den voorkant staat het er hoog tegen op. Uit dit opstaande water vangt de Rynchops met z’n bovensnavel kleine insecten en vischjes. Ook wordt verondersteld, dat hij de aan de oppervlakte van het water drijvende wiertjes als voedsel zou gebruiken.
Een soort van deze Rynchops leeft aan de Nijl, de andere soorten komen in Amerika en Azië voor. Alle onderscheiden zich evenwel, door hun schaarvormigen snavel, met den vreemden langen ondersnavel. Zij gebruiken deze allemaal op dezelfde, hierboven beschreven, manier.
25 KIEVIT. (Vanellus vanellus). 26 KLUIT. (Recurvirostra avocetta).


27 KANOETSTRANDLOOPER. (Tringa canutus). 28 WATERSNIP. (Gallinago gallinago).


29 WATERRAL. (Rallus aquaticus). 30 KOET. (Fulica atra).



§ 4. Na verwant aan deze Stormvogels zijn de STEGANOPODES of de ROEIPOOTIGEN, waarvan ZONNEVOGEL (PHAËTON ÆTHEREUS) (No. 15), de „Tropische vogel” of de „Zoon der Zon”, zooals Linnaeus hem dichterlijk genoemd heeft, de lieflijkste is. Het zijn betrekkelijk kleine witte vogels, maar over hun witte veeren ligt een roseroode gloed. „’t Is of de laatste stralen van de ondergaande zon zich aan deze blanke wezens hebben vastgehecht, want de glans van ’t avondrood ligt blijvend op hen,” zoo zegt men.
Niet alleen om de fraaiheid van hunne veeren, maar vooral om hun sierlijken bouw zijn deze vogels mooi te noemen. Hoewel hun lichaam kort en stevig is, is de vogel een zeer bizarre verschijning, daar in plaats van een normalen stevigen staart, twee lange linten achter hem aan fladderen. De gewone staart is door de aanwezigheid van deze twee lange en sierlijke veeren tot een verrassend grillige verschijning geworden, waardoor de vogel z’n exotisch uiterlijk heeft verkregen.
Geen mensch, die op zee de Keerkringen passeert is er, die niet in bewondering geraakt voor deze liefelijke vogels. Buiten de Keerkringen komen zij niet meer voor. Zij hebben warmte noodig en de wijde zee, die zij rusteloos doorkruisen. En in de maanlichte nachten komen zij als sierlijke witte schimmen de diepblauwe ruimten doorklieven. Slechts om te broeden gaan zij aan land op enkele der zeer afgelegen eilanden in de Stille Zuidzee. Het wijfje legt één enkel chocoladebruin ei, dat beide om beurten bebroeden.
De inboorlingen der Zuid-Zee eilanden hechten buitengewoon veel waarde aan hunne vreemde staartveeren en getroosten zich de moeite graag, deze op de broedplaatsen te gaan verzamelen. Daar de vogels zeer vast op het nest zitten en dit om geen enkele reden verlaten, grijpen de mannen hen zonder moeite beet en rukken hen de staartveeren uit. Dan laten zij het verschrikte dier weer los. Zoowel ’t mannetje als ’t wijfje moeten zich deze onaangename bewerking laten welgevallen, want beide bezitten de zoozeer begeerde veeren.
’t Jong, dat uit ’t donkerbruine ei komt, is een aardig bolletje zuiver wit dons. Net een poeierkwast, zooals Bennet ervan opmerkt. Hun echte veeren blijven drie jaar lang zuiver wit. Als zij na dezen tijd volwassen zijn, groeien de lange linten aan hunne staart en overdekt hen voor ’t eerst de rose-roode kleur.
Op het Noordelijk Halfrond leeft buiten de Keerkringen de JAN VAN GENT (SULA BASSANA), (No. 16) die een bijna even machtig vlieger is als de albatros. Alleen is hij veel kleiner. Evenals de albatros is hij een stumper aan land en zwemmen doet hij ook al niet met animo. Aan land komt hij alleen om te broeden en te slapen, en in ’t water komt hij, als hij met kracht uit de lucht er in duikt, om een visch achterna te zitten. Zoo diep duikt hij soms, dat hij samen met de visch gevangen raakt in een net, dat wel 35 M., of dieper, onder water heeft gelegen.
Meestal jagen zij op haringen. Deze worden weer door zeehonden of walvisschen opgejaagd. Als visschers de Jan van Genten ergens met het vangen bezig zien, sturen zij het schip die kant op. Zij weten bijna zeker, dat die moeite niet vergeefs zal zijn en dat hunne netten zich met een deel der haringschool zullen vullen.
Een enkele keer na een hevigen storm komt de Jan van Gent aan ons strand. Wie hem in z’n prachtige vlucht heeft kunnen bewonderen en hem dan als een armzalig hoopje ellende in elkaar ziet gedoken, voelt in z’n hart niets dan medelijden. Soms worden zij in dezen uitgeputten toestand gevangen en aan Artis cadeau gegeven. En erger dan van de groote roofdieren, die rusteloos in hun kleine kooien heen en weer loopen, vind ik de triestheid van ’t leven van dezen gekortwiekten vogel.
Soms blijft een Jan van Gent eenigen tijd aan onze kust en zoekt hij z’n voedsel in de buurt van ons land. Beter dan van de beste beschrijving krijgt men een denkbeeld van de kracht waarmee hij in ’t water schiet als men hem ziet visschen. Wie eens een Jan van Gent heeft zien duiken naar z’n prooi, wie eens ’t water hoog in de lucht heeft zien spatten, weet voorgoed wat er onder „stootduiken” verstaan wordt.
Thuis hoort de Jan van Gent eigenlijk op de vogelrotsen van ’t Noorden, waar zij in ongeloofelijke hoeveelheden voorkomen. De nesten liggen er vlak naast elkaar, want de vogels benutten ieder plekje. Uit de verte zien deze rotsen er uit „als een schip met blinkend witte zeilen”. Deze blinkende witte kleur wordt veroorzaakt door de mest der vogels. Op een dergelijke manier hebben in vroegere tijden duizenden vogels de zoo kostbare en hooggeschatte guano-mest geproduceerd.
’t Jong, dat aanvankelijk bruin is en een bruinen snavel heeft, krijgt bij het volwassen worden dezelfde zacht blauw-grijze kleur en den bleeken snavel als zijn ouders.
Eén is er onder de Roeipootigen, die den albatros in ’t vliegen evenaardt, n.l. de FREGATVOGEL (FREGATA AQUILA), (No. 17) die men wel eens „de arend der zee” noemt. Hij komt voor op het Zuidelijk Halfrond en vergezelt, evenals de albatros, de schepen. Waarom hij juist naar een oorlogsschip is genoemd, weet ik niet. De Engelschen geven hem evenwel ook de naam „man of war”.
Z’n tweede latijnsche naam dankt hij waarschijnlijk aan de eigenschap, tijden lang met groot welbehagen hoog in de lucht te cirkelen. Iets, dat ook bij de adelaarsvlucht zoo opvallend is. Misschien ook heeft z’n snavel, die aan ’t eind een felle kromme punt heeft er het zijne toe bijgedragen, om hem „aquila” te noemen.
In z’n orde neemt de fregatvogel een eigenaardige plaats in, daar hij het zwemvlies tusschen z’n vier teenen mist. Alle andere Roeipootigen hadden hun vier teenen door een fraai zwemvlies verbonden. Dat onderscheidt hen juist van de Stormvogels, die slechts drie teenen met een vlies verbonden hebben, terwijl de vierde naar achter staat en vrij is. Alleen bij het drieteenmeeuwtje ontbreekt hij; bij vele andere der Stormvogels is er nog maar een klein stompje van over. ’n Rudiment, zooals men zoo’n miezerig overblijfsel van ’n orgaan of lichaamsdeel in de geleerde wereld noemt.
Bij de fregatvogels nu, is er nog slechts zoo’n rudiment van ’t zwemvlies aanwezig; hij zwemt ook nooit. Niemand heeft het ten minste van hem gezien. En toch: een zwemvogel! Dat vereischt dat kleine stukje zwemvlies nog, waarmee hij z’n afkomst verraadt.
Veel van deze Zwemvogels, waartoe de Stormvogels en de Roeipootigen behooren, hebben we als stumpers aan land leeren kennen. De fregatvogel is evenwel van alle de grootste stumper. Is hij vermoeid van ’t vliegen en komt hij aan land om uit te rusten, dan kiest hij daartoe een hoog gelegen plaats: een hoogen boom, of een steile rotswand. Ze moeten hem ruimte genoeg kunnen geven voor een flinken sprong naar beneden, want eerst tijdens dezen sprong kan hij z’n vleugels uitslaan en weer wegvliegen. Raakt een fregatvogel op een vlak strand verzeild, dan is z’n einde nabij, daar hij niet in staat is, zich van den grond op te richten. Z’n pooten zijn te zwak om hem af te kunnen zetten, z’n vleugels te groot en te lang om ontplooid te kunnen worden.
Hunne nesten bouwen zij natuurlijk ook op dergelijke plaatsen. Zij hebben, als zoo veel van de reeds genoemde vogels, bepaalde eilanden, die zij de voorkeur geven voor deze bezigheid. ’t Jong blijft lang in ’t nest, daar het door z’n zwakke pooten zeer onbeholpen is. Pas wanneer de vleugels ontwikkeld zijn, kan het wegvliegen, de wijde wereldzeeën op.
Het liefst voeden deze „Arenden der Zee” zich met vliegende visschen, die zij tijdens hun sprong boven water grijpen. Komt dit vischje nu op een zoodanige manier tusschen den snavel, dat het voor den vogel moeilijk is het in te slikken, dan laat deze het eenvoudig vallen, vliegt het achterna en weet ’t nog in de lucht te vangen. Dit kunstje herhaalt hij net zoolang tot de gewenschte stand is verkregen en ’t door z’n keelgat verdwijnt.
Een overgang tusschen deze Roeipootigen en de Zwemvogels in engeren zin vormen de PELIKANEN (No. 18). Wie deze wanstaltige vogels met hun vervaarlijken snavel en hunne prachtig zacht-zalmrose veeren kent uit de Artisvijvers, kan zich moeilijk indenken, dat zij vliegen kunnen. Toch doen zij het heel goed; zij vliegen geregeld de Middellandsche Zee over, om van hun winterverblijf aan den Nijl naar hunne broedplaatsen in Zuid-Hongarije te komen.
Er is geen vogel, die het leven zoo makkelijk neemt, als de pelikaan. Zelfs in z’n broedtijd doet hij alles nog op z’n gemak. ’t Eenige wat hij in meer dan gewone mate volbrengt, is eten en slapen. Maar met deze twee bezigheden zijn z’n dag en nacht dan ook juist gevuld op de oogenblikken na, die er voor het toilet maken worden afgenomen. Dit toilet maken is een hoogst belangrijke bezigheid, zooals in het leven van veel nietsdoeners en nietsnutters het toilet een integreerend deel van ’t bestaan is.
Maar, waar de menschelijke nietsdoener z’n nagels politoert of z’n haar pomadeert uit een misplaatst schoonheidsgevoel, dient het tot de eer der pelikanen gezegd te worden, dat hun toilet maken werkelijk een zeer noodzakelijke bezigheid voor hen is. Ze bestaat n.l. uit het invetten van hunne veeren. Het vet krijgen zij van een klier aan hun stuit, die ook bij de eenden en alle andere echte zwemvogels sterk ontwikkeld is. Wanneer de veeren met een vetlaagje bestreken zijn, zijn ze waterdicht en ondervindt de vogel geen nadeel van een langdurig verblijf in het water.
Daar pelikanen hun voedsel zwemmend bemachtigen is een dergelijk invetten zeer noodzakelijk. Als de vogels zich aan hun ontbijt verzadigd hebben, keeren zij weer naar het land. Daar maken zij toilet tot de slaap hen overmant en zij met den leelijken kop tusschen de mooie veeren gestoken, het voedsel verteren. Tegen den avond worden zij weer hongerig en trekken zij er weer in troepjes op uit. Pelikanen liggen heel hoog op het water, door een luchtkussen dat zij onder hunne huid hebben. Dit belet hen ook te duiken. Zij zoeken hun voedsel dan ook meestal op ondiep water en vangen de visschen met hun langen breeden snavel.
De onderkant van den snavel wordt gevormd door een huidzak. De bovensnavel valt er als een deksel overheen. Heeft de vogel te veel water binnen gekregen, tegelijk met de gevangen visschen, dan verzamelt dit zich in die zak. Komt er te veel water in de zak dan wordt de snavel naar beneden gehouden en loopt het water er uit, door de keelzak tegen de hals te drukken.
De jongen, die de gewone rose pelikaan in Hongarije uitbroedt, zijn onoogelijke kleine monsters. Hunne pooten zijn zoo klein, dat men zou denken, dat zij er geen hebben; de snavel daarentegen is opvallend groot.
Moeder pelikaan geldt als een voorbeeld van zelfopoffering om de zorg, die zij aan haar leelijk kroost besteedt. Het is immers een overbekende sage, dat zij zich „de borst open zou rijten” om de hongerige jongen met haar bloed te voeden. Waarmee zij deze vermaardheid verdient, is niet te zeggen. Want voor haar nakomelingschap is de pelikaan zeker niet zorgzamer dan andere vogels. Misschien hebben de eigenaardige standen, die de vogels aannemen wanneer zij zich poetsen, er het hunne toe bijgedragen, dit bijgeloof op te wekken.
31 JASSANA. (Jacana jacana). 32 GROOTE TRAPGANS. (Otis tarda).


33 KRAANVOGEL. (Grus grus). 34 FLAMINGO. (Phoenicopterus roseus).


35 IBIS. (Ibis aethiopica). 36 OOIEVAAR. (Ciconia ciconia).



§ 5. De laatste orde in de groep der zwemvogels bevat wel de het meest als zoodanig bekende: n.l. de eenden, ganzen en zwanen. Zij onderscheiden zich van de vorige groepen voornamelijk door hun snavel, die van een typisch zeefapparaat voorzien is. Dit komt bij geen andere vogel, uitgezonderd de flamingo, voor. De orde dankt er dan ook haar naam aan: LAMELLIROSTRES of ZEEFSNAVELIGEN.
De zeefinrichting bestaat uit een rij hoornplaatjes op de snavelranden, die beide met een zeer gevoelige, zenuwrijke huid overtrokken zijn. Door de groote hoeveelheid tastlichaampjes, die er in zitten is het dier in staat met de grootst mogelijke nauwkeurigheid de eetbare bestanddeelen in het water van de oneetbare te ziften.
De ZAGERS, waartoe de MERGANSER (No. 19) en het nog al eens aan onze kust aangespoeld voorkomende „nonnetje” behoort, hebben een slanken smallen snavel, die in een scherpen haak eindigt. In ons land komen zij niet broedend voor, doch zij worden geregeld waargenomen als diep in den winter het water van hun broedgebied in Noord-Azië en Noord-Europa hen te koud wordt en zij dit verlaten voor het warme water van Zuidelijker zeeën. In Februari trekken zij weer terug naar hun broedgebieden aan de kusten der Noordelijke zeeën en aan de groote meeren, dieper in het land gelegen.
Onze huiseenden, die afstammen van de gewone WILDE EEND (ANAS BOSCAS) (No. 20), onderscheiden zich van hunne stamvader het meest door grootere en breedere lichaamsvorm en door grootere eieren. De Romeinen zijn reeds begonnen met de wilde eend in cultuur te nemen. En hoewel in de kleur der huiseenden zoowel als in de houding, die meer rechtop is, duidelijke verschillen met de wilde eend aan te geven zijn, twijfelt niemand aan hun afkomst. Temeer, daar men zeer vaak onder de gewone huiseenden vormen aantreft, die dezelfde teekening en kleuren vertoonen als de wilde eend. Het mannetje heeft dan denzelfden prachtig glanzend groenen kop, denzelfden mooien blauwen spiegel aan z’n vleugels.
De wilde eend is zeer vraatzuchtig, eet alle mogelijke dieren en planten en is zelfs wel schadelijk door de groote hoeveelheden jonge knoppen en zaden, die zij verorbert. Tegenover deze geringe schade staat het groote voordeel dat zij opleveren, daar zij een buitengewoon heerlijk wild zijn. In het najaar worden zij ook bij ons ten lande veel gevangen, voornamelijk in de eendekooien. Na den broedtijd als de jongen groot zijn, vereenigen de eenden zich tot troepen en vliegen zij samen naar Zuidelijker streken. Brengt de tocht hen nu boven een vijver, waar zij eenden in zien, dan strijken zij daar neer. Het vangen van eenden in de eendekooien berust in hoofdzaak op deze eigenschap. De vijver, die het midden van de kooi vormt, is aan alle kanten door boomen en struikgewas omgeven. Hier leven tamme wilde eenden, die gekortwiekt zijn, de z.g. „lokeenden”. Komt nu een troepje eenden in de vijver, dan mengen de lokeenden zich tusschen hen en drijven langzamerhand de bezoekers naar slooten, die op den vijver uitkomen. Langzamerhand worden die slooten nauwer, aan het eind zijn ze niet veel meer dan een greppel. Zijn de eenden aan het eind van de greppel dan trekt de kooiker, die vanuit z’n schuilhoek alles gezien heeft, z’n slagnet, dat daar was aangebracht, toe.
De wilde eend wordt door den man of een van z’n helpers gedood, het lokeendje wordt losgelaten en zwemt weer naar het midden der vijver, waar het weer een nieuw slachtoffer aanklampt.
Ongeloofelijk is het, voor wie het niet met eigen oogen zag, te hooren hoeveel eenden wel over ons land trekken. Ga maar eens op mooie stille Aprildagen naar de Zuiderzee, bij Valkeveen. En als je ’t treft zul je met eigen oogen ’t wonder van die eendentrek kunnen zien. Bij duizenden zwemmen zij daar op het ondiepe stille water. Van tijd tot tijd opvliegend, als een donkere wolk tegen den helderen blauw-gouden voorjaarshemel. Ieder geeft z’n eigen geluid ten beste, maar boven dit orkest klinken de heldere lange fluittonen van de smienten in onvergelijkelijke zuiverheid.

Broedend hebben wij in ons land een groot aantal verschillende eendesoorten. Wie zich een denkbeeld wil maken van den vormenrijkdom die deze familie in Holland heeft, doet wijs de vijvers van Artis eens met een bezoek te vereeren. Daar zijn zij alle: de eidereend, de toppers, de brilduikers, de witoogeendjes, het zomer- en wintertalingje, de pijlstaarten, de bergeenden, de slobbers, de zagers, de kuifeendjes. Gekortwiekt, wel is waar. Alleen de wilde eenden, die bij de vijvers uitgebroed zijn, vliegen af en aan. Zij broeden op hun beurt weer ergens anders in Amsterdam en bevolken de vijvers in de stadsparken met hun nakomelingschap. Er zijn er zooveel, dat er ’s winters, met vorst, in het Oosterpark soms wel meer dan 300 wilde eenden geteld worden, die in de schemering van alle kanten aan komen vliegen om den nacht in het open water van het wak in den vijver door te brengen.
In een van de andere Artisvijvers, huizen de ganzen. Al is deze collectie niet zoo volledig, men heeft er toch een heerlijke gelegenheid de vogels nauwkeurig gade te slaan. In de natuur komen zij in ons land niet anders voor dan ’s winters op den trek. De BRANDGANS, (BRANTA LEUCOPSIS) (No. 21), die Noordelijk broedt, wordt evenals de eidereend om z’n dons, in halve gevangenschap gehouden. In hun broedplaatsen, zooals Sylt, lokt men hen daartoe in kunstmatige nesten, waar zij graag in trekken. Het dons wordt dan door de menschen weggehaald en de eieren regelmatig gegaard. In dat geval legt de vogel er wel twintig tot dertig. Is hij aan zichzelf overgelaten, dan gaat hij na het zevende, achtste, soms twaalfde ei al broeden. Hun broeddons is heel mooi, minstens genomen even mooi als dat van de eidereend. Merkwaardig is het, (en vrijwel ongelooflijk, voor ieder, die de waarneming niet zelf deed) dat brandganzen vaak in gezelschap van vossen broeden, ja, hun nest zelfs in z’n hol maken. De vos die een van de ergste vijanden is van hunne familieleden, zooals bijv. de wilde eend, schijnt hen volslagen ongemoeid te laten. Een typisch voorbeeld van die treffende sympathieën, die zoo herhaaldelijk aangetroffen worden.
Zeldzamer nog dan ganzen, komen zwanen in ons land. Zij broeden ook nog noordelijker en verlaten hun broedgebied pas met zeer felle koude. In strenge winters worden zij dan ook geregeld aan het open water van onze groote rivieren, of langs het strand gesignaleerd. En wanneer men er een ziet, dan ziet men zeker een tweede, want zwanen blijven hun leven lang hun vrouw trouw. Het zijn aantrekkelijke vogels, daar zij even voorbeeldige vaders als echtgenoot zijn. Zij verzorgen en verdedigen hun kroost met vuur. Onze tamme zwaan heeft deze eigenaardigheden geërfd van z’n wilden stamvader, CYGNUS OLOR (No. 22), die in Noord-Europa en Oost-Siberië broedt.
De fraaie gevormde hals der zwanen, die hen zoo bemind maken als stoffage van vijvers, heeft voor de vogels een groote beteekenis. Zij kunnen met die langen hals tusschen de modder scharrelen en halen zoo hun voedsel van de bodem. Men vindt hen dan ook zelden op diep water, maar treft hen geregeld langs de kusten aan.
Cygnus musicus, die z’n naam verdient om z’n welluidende schallende stem, wordt tijdens z’n rui bij massa’s gedood. Zij zijn dan zeer hulpeloos, daar zij hun groote slagpennen missen en niet wegvliegen kunnen. Daar zij in dezen tijd ook zeer vet zijn, vormen zij een voedselbron van beteekenis.


PELIKAAN.
(Pelecanus onocrotalus).
37 MARABOE. (Leptoptilus crumeniferus). 38 BLAUWE REIGER. (Ardea cinerea).


39 KWAK. (Nycticorax nycticorax). 40 STEPPENHOEN. (Syrrapthes paradoxus).


41 INAMBOE. (Rhynchotus rufescens). 42 MALEO. (Megacephalum maleo).


[
Inhoud
]

„De liefste vogeltjes, die ik ken”, zei een vriend van me, die in Frieslands wijde weiden is geboren, „zijn de steltloopers”. Onze vriend, de medicus, die deze ontboezeming mee aanhoorde, kon zich niet weerhouden, spottend de opmerking te maken: „Dat kan ik me begrijpen. Ooievaars, reigers en maraboes zijn wel de aanvalligste „vogeltjes”, die er te denken zijn.”
Het was een medicus niet kwalijk te nemen, dat hij onze Fries zoo verkeerd begreep; hij verkeerde in ’t algemeene wanbegrip, dat
STELTLOOPERS (GRALLATORES)
heel groote vogels zijn. Dat er vogeltjes onder zijn, zooals bijv. het kleine strandloopertje, dat iets grooter is dan een vink, of dat er een reigertje is, ’t woudaapje, zoo klein als een krielkippetje, wist hij niet.

Fig. 1.
Steltlooper is iedere vogel, die een lang loopbeen, (fig. 1. m. (l)) en geen zwemvliezen of slechts zeer kleine tusschen de teenen heeft. In dit laatste geval spreekt men van waadpooten. Ook zijn de schenen (fig. 1. s.) der steltloopers geheel „naakt”, waarmee bedoeld wordt, dat zij zonder veeren zijn.

Fig. 2.
Het loopbeen wordt bij vogels gevormd door de beenderen, die bij de menschen de middenvoet (fig. 2. m.) vormen. De samenstellende deelen van een ooievaarspoot en een menschenvoet zijn dezelfde. Ze verschillen alleen in grootteverhouding en zijn bovendien met elkaar vergroeid, waar de menschenbeenderen los zijn.
De middenvoet der menschen is kort, en bestaat uit een rij van 5 losse beenstukjes. Ze vormen dat deel der voet, dat gelegen is tusschen de teenen en den enkel. Bij een vogel is de geheele rij van deze beenstukjes met elkaar vergroeid en zeer lang geworden. Hierdoor komt hun enkelgewricht (fig. 1. e.) hoog boven den grond, zoo ongeveer op de plaats waar wij de knie (fig. 2. k.) hebben. Daar het geheele dijbeen (fig. 1. d.) der vogels in den romp is opgenomen, komt ’t eigenlijke kniegewricht (fig. 1. k.) der vogels op de plaats van ons heupgewricht (fig. 2. h.).
Dat de pooten der Steltloopers zooveel langer zijn, dan die der andere vogels, ligt voornamelijk aan hun buitengewoon lang loopbeen.
Een zeer groot aantal van onze inlandsche vogels, behoort tot deze groep. In ons land toch, vinden zij het water en de moerassige gronden, waar zij zich zoo thuis voelen.

Zooals in iedere systematische afdeeling behooren ook in deze groep der Grallatores, een paar vogels, die men op ’t eerste gezicht niet tot de Steltloopers zou rekenen, doch die er om systematische redenen bij ondergebracht moeten. Hier zijn het de Chionis, die meer aan een duif en de trapgans of Otis tarda, die werkelijk meer aan een gans doet denken.
Chionis, een vogel van het Zuid-Poolgebied, waar hij in verschillende soorten voorkomt, hoort tot de eerste orde der steltloopers, n.l. tot de CURSORES. De ZUIDPOOLKIP (CHIONIS ALBA) (No. 23), leeft in ’t Zuiden van Zuid-Amerika. In de pinguïn-kolonies zijn het ware rustverstoorders, want zij rooven van menig pinguïn-paartje het kostbare ei en eten het op. Zij stelen brutaal het voedsel, dat de oude vogels met zooveel moeite voor hun jong gehaald hebben, onder de neus van beide ouders weg. Van hunne luide en verontwaardigde protesten trekken zij zich geen steek aan, maar zien alweer rustig naar een ander slachtoffer uit.
Het minst typisch steltlooperachtig is wel de snavel van deze Zuidpoolkip. Deze is kort en gedrongen en met een hoornkapje overdekt. Onder dit kapje zitten de neusgaten. De beteekenis hiervan is niet bekend.
De steltloopertjes, die aan m’n kalmen Frieschen vriend z’n enthousiaste ontboezeming ontlokten, zijn pittige kleine vogels, zooals de pleviertjes, kieviten, kluiten, grutto’s, wulpen, tureluurs, strandloopertjes, snippen en wat nog meer aan dit langpootig en langsnavelig gevogelte in de orde der Cursores is ondergebracht.
Wie het rijke vogelleven bij de Lemmer en op de Friesche wadden heeft gezien, zal zich dat enthousiasme kunnen begrijpen. Daar zijn zij bij honderden en honderden van allerlei soorten bij elkaar. Er is niets beters dan op een lentemorgen de schorren op te gaan. Telkens vliegen troepjes vogels op, de lucht vervullend met hun melodieuse, weemoedige klanken. Het is een concert van de meest simpele, maar roerend-mooie wijsjes. En, zooals een muziekliefhebber de orkestmuziek ontleedt en uit dien chaos van klanken ieder instrument afzonderlijk tracht te herkennen, zóó probeert de vogelvriend in dit koor de verschillende stemmen uit elkaar te houden. Er is er geen een, die z’n oor ontgaat. Als tusschen het tjú-ū-whi͞et van de tureluur, ’t oé-li͞ep oé-li͞ep van de wulp, ’t geestige getwetter van grŭt’tō, grŭt’tō en ’t hooge ie-wiet van de kiewiet, ’t goudpleviertje met zeldzaam zoete stem z’n lang uitgehaald tlú-i͞eje, tlu-i͞eje laat hooren, ontgaat het hem niet. Zijn geoefend oog weet ’t zeldzame vogeltje wel tusschen de andere uit te halen, zoo goed als z’n geoefend oor de stem herkende.
GOUDPLEVIERTJES (CHARADRIUS APRICARIUS) (No. 24), die ’s winters vaak met andere plevieren en strandloopertjes in ons land langs de zee voorkomen, zijn hier zeldzame broedvogels. Hun thuis, hunne broedplaats ligt veel noordelijker, in de toendra’s van Lapland, Finland en Siberië. Daar zijn zij karaktervogel van die groote moerassen. Daar zijn zij de lenteboden, zooals de kieviten bij ons. Zij zijn er heel den zomer, eerst in paren, later met hunne jongen. In ’t najaar voegen de verschillende families zich bij elkaar. Deze kleine troepen vereenigen zich tot groote, die met de komst der koude wegtrekken. Ver weg ’t Zuiden in, soms wel tot China en Afrika toe.
En de moerassen liggen dan verlaten en doods. Niets dan de wind, die somber en triest er over giert, wordt gehoord.
Hoe moet ’t hart van de menschen, daar, op de toendra’s, van vreugde opspringen, als voor ’t eerst na den langen winter, het helder, melodieus en toch zoo weemoedig klagend tlú-i͞e van ’t goudpleviertje over de velden klinkt. Hoe dankbaar moeten zij die sierlijke kleine vogels zijn, wier komst hun zegt: „Houdt moed, menschen! De lente heeft ons vooruitgestuurd, om te zeggen, dat zij in aantocht is. Weest blij, het is al haast gedaan!”
Een enkele keer broedt een paar goudplevieren in ons land. De stem van het mannetje wordt vroolijker in den paartijd; een triller in z’n klagende roep doet deze haast overmoedig klinken.
De jongen, die direct na het uitkomen het nest verlaten, worden met wormen en insecten groot gebracht. Ook de ouden voeden zich hiermee. Daar er een menigte steekmuggen en larven van Agrostis segetum, de zoo schadelijke aardrups onder zijn, doen zij als verdelgers van deze lastige en schadelijke insecten een nuttig werk.

Het is een opvallend feit, dat ’t mannetje van deze soort in z’n prachtkleed op de borst donkerder is, dan van boven. Een eigenschap, die hij met drie van zijn familieleden, de morinelplevier, ’t bonte strandloopertje en de goudkievit gemeen heeft. Geen van deze is echter zoo glanzend diepzwart als ’t goudpleviertje. In den winter evenwel hebben ook zij een lichte onderkant, evenals andere vogels. Daar een lichte onderzijde zeer groote biologische beteekenis voor de dieren schijnt te hebben, zooals Thayer, een Engelsch schilder, in z’n boekje „Concealing coloration in the animal Kingdom” heeft verdedigd, wordt zoo’n donkere onderkant wel heel merkwaardig.
Het is voor een dier van veel belang niet op te vallen, doch zich te kunnen verschuilen voor z’n vijanden. Voorbeelden hiervan zijn overbekend. Denk maar eens aan de wandelende takken en bladeren, die toch niets anders zijn dan insecten, die door hun uiterlijk en houding op verbluffende wijze een tak of een blad nabootsen. Maar niet alleen onder de lagere dieren, ook onder de gewervelde dieren vindt men iets dergelijks.
De eigenaardige strepen aan de hals van de roerdomp bijv. schijnen ’t dier, als het met uitgestrekte hals tusschen de riethalmen staat, geheel onzichtbaar te maken. Buiten zijn natuurlijke omgeving evenwel, zijn die strepen zeer opvallend. Zeer duidelijk is ditzelfde ook het geval de strepenteekening op een zebrahuid. Hoe fel en scherp lijken die strepen ons, wanneer we de dieren in hun hok in Artis zien. Doch in de Afrikaansche steppen tusschen ’t hooge, breede, verdorde gras, moet de zebra zich even uitnemend verschuilen als onze roerdomp in ’t rietland. Een gewone grauwe ezel evenwel zou daar, in die gele Afrikaansche steppe, geheel uit den toon vallen en scherp tegen zijn omgeving afsteken, waardoor de roofdieren hem eerder op zouden merken.
Thayer gaat zelfs nog veel verder en beweert, dat iedere kleur of teekening van een dier in de natuurlijke omgeving van belang is. Ook de pauw, met zijn schitterend groen en blauwe staart zou zich geheel oplossen in het heerlijk groene oerbosch. De flamingo’s, die tegen ’t ondergaan der zon in ’t blauwe water van de Middellandsche Zee gaan visschen, bootsen de wolken van ’t avondrood na. En, hoewel deze veronderstellingen wel wat te fantastisch zijn voor ’t solide en langzame brein van den gemiddelden bioloog, toch kan niet ontkend worden, dat Thayer een heel aardige verklaring heeft gegeven voor lang bekende feiten.
Het meest geloofwaardig evenwel, is z’n verklaring voor het nut van een lichte onderkant, waardoor het dier zich vervlakt. Van boven toch, ontvangt ieder voorwerp ’t meeste licht, aan den onderkant veel minder, terwijl bovendien de slagschaduw hem nog donkerder maakt. Was nu de vogel aan den onderkant van dezelfde kleur als den bovenkant, dan zou deze toch lichter lijken door de groote hoeveelheid licht, die ze direct ontvangt, terwijl de buik veel donkerder zou zijn.
Is nu een vogel aan de bovenkant grauw en aan de onderkant licht of wit gekleurd, dan wordt het verschil in verlichting genivelleerd door het verschil in kleur.
Wij, in Holland, behoeven de Lappen en Finnen hun goudplevieren niet te benijden. Onze lentebode, de KIEVIT (VANELLUS VANELLUS) (No. 25) is op z’n minst genomen even aardig.

Hoewel de kieviten in Holland en Zeeland altijd een paar dagen eerder gesignaleerd worden dan in Friesland, wordt daar steeds ’t eerste ei geraapt. Dáár, in de vlakke landen, die door hun gemis aan boomen nog veel lager, vlakker en wijder lijken dan onze Hollandsche weiden, vinden kieviten hunne hartsbegeerten. Hun paradijs ligt evenwel in de buurt van de Lemmer, misschien wel het rijkste vogelhoekje van ons land. Een tocht daarheen behoort tot één van die groote vreugden, die voor zoo weinig geld te verkrijgen zijn. Je stapt daartoe ’s avonds op ’t Lemmer bootje, dat je zelf en je fiets voor één gulden over de Zuiderzee brengt. ’s Nachts om twaalf uur vertrekt het van de Ruyterkade en den volgenden morgen, tegen vijf uur, als de zon den hemel achter het stadje Lemmer purper kleurt, stap je aan wal. In de ochtendkilte doet ’t goed flink door te fietsen en als de lentezon hoog genoeg staat, om je met haar stralen te verwarmen, ben je ver genoeg gevorderd, om op een mooi plekje, langs den dijk het vogelleven gade te slaan. Vlak langs den weg zie je, hoe de hupsche kemphaantjes hunne tournooien leveren. Je bewondert „wit-kraag”, „zwart-kraag”, „spikkel-kraag”, „goud-kraag” en hoe je hen verder naar hun, voor ieder mannetje verschillend gekleurde kraag, noemen wilt, terwijl je geniet van hun drukke bewegelijkheid en krijgshaftige standen. En al deze agitatie is voor ’t nietige grauwe vrouwtje, waarvoor zich, na volbrachten strijd, het mannetje in diepen deemoed neerbuigt!
Van kieviten, tureluurs en grutto’s wemelt het daar, zoowel buiten op de schorren als op de weilanden binnen den dijk. Wulpen, plevieren en strandloopertjes, zoomin als verschillende meeuwen en ontelbare leeuweriken ontbreken er en alle vervullen de lucht met hunne stem.
Geen wonder dat in ’t land, waar zooveel vogels zijn, het eierzoeken een sport is die door ieder beoefend wordt, of ten minste in de jeugd, beoefend werd. Het zoeken van kievitseieren is evenwel de meest geliefde tak van dit bedrijf. Niet alleen om het materieele voordeel dat de verkoop van de zoo gezochte eieren oplevert. De moeilijkheid, uit het vliegen van den vogel op te maken, of hij eieren heeft, en wáár hij ze gelegd heeft, maakt het zoeken zoo aantrekkelijk. Zoo is ook de „eer” van het vinden van ’t eerste kievitsei, dat volgens de traditie aan de Koningin wordt gezonden, van nog veel grooter belang, dan de tien gulden, waarmee dit eerste ei altijd betaald wordt.
43 KWARTELKONING. (Crex crex). 44 PATRIJS. (Perdix perdix).


45 LADY AMHERST FAZANT. (Chrysolophus Amherstiae). 46 PAUW. (Pavo cristata).


47 KALKOEN. (Meleagris gallopavo). 48 BANKIVAHOEN. (Gallus gallus).


Al een week van te voren weten de eierzoekers of een kievitenpaartje z’n eerste ei zal krijgen. Zij zien aan ’t gedrag der vogels wanneer het er is, en zoeken dan ’t nest. En als zij ’t vinden met reeds twee eieren er in, schamen zij zich, in plaats van blij te zijn met ’t voordeeltje. Want ieder rechtgeaard eierzoeker beschouwt het als een schande, het zoover te hebben laten komen.
Soms, met een zachte kwakkelwinter, blijven er kieviten in ons land. Waarschijnlijk zijn het dan vogels, die Noordelijker gebroed hebben, terwijl de vogels, die bij ons broedden, het Zuiden ingetrokken zijn. Zeker weet men dit evenwel nog niet.
Met strengere winters verdwijnen zij evenwel allemaal. Een van de vreugden, die het gevolg zijn van een kouden winter is de verrassing, deze pittige sierlijke vogels op een morgen in Februari of Maart over de weide te zien stappen, of te hooren, hoe zij met heldere stem vanuit de blauwe lucht zichzelf aankondigen: „Kievit, we zijn er weer”. Het antwoord is dan een zwaai van m’n hoed, een lachenden groet en met blijde stem roep ik hun toe: „Hallo kievit, ’k ben blij dat je er weer bent. De winter was zoo lang. En al was ’t gezellig, te zitten bij den brandenden haard of met schaatsen onder de voeten de wereld door te vliegen, al was ons Holland prachtig in z’n sneeuwdos, al waren de boomen wonderen van kantwerk, toen de rijp hen bedekte, ik ben blij, dat je er weer bent, om ons te vertellen, dat het Lente wordt.”

Tot in Groenland toe brengen zij hun blijde boodschap. In Afrika worden zij dan gemist, daar beteekent hun vertrek de komst van het natte jaargetijde.
Voordat de groote massa van de kieviten komt, zijn er altijd een paar voortrekkers. Die hebben blijkbaar haast, het terrein te verkennen en de mooie plekjes uit te zoeken. Het liefst nestelen zij op lage landen, in de buurt van water, maar ook in de duinen of op de hei weet de kievit het zich gemakkelijk te maken. Als er water in de buurt is, is hij overal tevreden.
De gewoonten van een kievit zijn zoo geestig en belangwekkend, dat ze daardoor het geheele jaar de vreugde van ieder natuurliefhebber uit maken. Of het de sierlijke vluchten zijn, die hij maakt om z’n wijfje te bekooren, of de deftige buigingen en vroolijke pirouettes, die hij in ’t gras voor haar maakt, of de dolle buitelingen in de lucht, waarmee hij z’n levenslust tracht te uiten, of wel de listige bewegingen en schreeuwen, waarmee een oude kievit een onervaren eierzoeker van z’n nest weet af te houden, altijd is deze vogel den tijd meer dan waard, die we aan hem besteden.
Hoe mooi is hij bovendien! Glanzend zwart-groen zijn de veeren van vleugels en rug. Helder wit schittert z’n borst. Z’n kop draagt ’t kwieke kuifje. Wat trippelt hij pittig over de weiden, telkens met een schok stilstaand. Soms steekt hij dan z’n kop spiedend omhoog en strekt daarbij z’n heele bovenlijf. ’t Is alsof hij op z’n teenen gaat staan. Deze beweging herhaalt hij eenige keeren om dan weer vol strakke bewegelijkheid verder te trippelen. Soms rent hij door de weilanden, alsof hij tot krijgertje spelen uit wil noodigen. In de lucht is hij een eerste acrobaat, daar buitelt en „looping-the loopt” hij dat het een aard heeft. Hel wit flitst dan de blinkende onderkant van z’n vleugels. En deze uitbundige vogel is moedig als weinig andere. Z’n broedsel beschermt hij tegen alle mogelijke vijanden, die vaak veel grooter zijn dan hij zelf. Een buizerd bijv. valt hij in de vlucht aan en al kan hij hem geen baas, hij berokkent hem zooveel last, dat hij het kievitennest opgeeft en ergens anders naar een minder dapper en waakzaam ouderpaar uitziet.
Wie van deze steltloopertjes houdt (en welke Hollander doet dat niet?) weet niet goed te zeggen, welke nu wel de allermooiste en de alleraardigste is. Als je er over vertelt, gaat het je als een kind, dat bloemen plukt. Zooals zij telkens meent, dat er verder een mooiere bloem is dan de vorige, zoo vinden wij telkens de eene vogel weer aardiger dan de andere.
Ik zal dus niets meer zeggen van de grutto’s, de tureluurs, de kemphaantjes, de scholeksters, de ruiters en wat er in ons land nog meer aan dit langpootig en langsnavelig gevogelte valt waar te nemen. Alleen van enkele zeldzame of merkwaardige vogels, zooals de KLUIT (RECURVIROSTRA AVOSETTA) (No. 26) wil ik nog wat vertellen. Hoewel niet zeldzaam, wat het individuen-aantal aangaat, is hij maar op enkele plaatsen te vinden, daar hij zeer speciale eischen aan z’n broedgebied stelt. Hij verlangt, dat het voor menschen moeilijk toegankelijk is en dat er water, slik en zout te vinden zal zijn. Daar zeer weinig streken aan al deze voorwaarden voldoen, is dit de oorzaak dat men hem slechts broedend aantreft langs de kusten der Noord- en Oostzee en in IJsland en langs de zoutmeeren van Hongarije. In ons land broedt hij op drie plaatsen: Texel, de Beers en Schouwen. In Engeland is hij uitgeroeid.
Het is een mooie vogel, wit, met zwarten kop en zwarte vlekken op vleugels en rug. Tijdens z’n vlucht, met de typisch neerhangende vleugels, valt de vreemde teekening duidelijk op. Hierdoor en door de ingetrokken hals en de ver naar achteren uitstekende pooten is hij direct te herkennen. De snavel, die naar boven is omgebogen, schijnt zeer onpractisch. De vogel weet er evenwel goed gebruik van te maken, als hij hem in ’t slik duwt en hier naar voedsel zoekt.