Voorwoord. (continued 3)
Reading edition

§ 1. Papegaaien zijn verbazend aardige vogels. ’t Is geen wonder, dat de menschen hen graag in kooien houden en zich met hen vermaken. Want de papegaaien, die men ’t liefst als kooidier heeft, dat zijn de gewone groene AMAZONE (CHRYSOTIS LEVAILLANTI) (No. 67) uit Amerika en de grijs met roode Lorre uit Afrika, geven dikwijls staaltjes te aanschouwen van meer dan gewoon „verstand”. Ieder, die een papegaai heeft, weet wel een „wonder” van de slimheid en ’t verstand van zijn vogel te vertellen. Dat dat „verstand” geen verstand is, d.w.z. dat zij niet beredeneerd handelen en hunne handelingen niet logisch doordacht uitgevoerd worden, dringt tot de menschen meestal niet door. Evenmin wordt beseft, dat ’t spreken geen redelijk spreken is en dus de klanken, die de vogel uit, geen inhoud of zin voor hem hebben. Dit verstand en dit spreken zijn niet meer dan een eenvoudig reageeren op een ervaringsdressuur.
Want niet waar, een papegaai zegt zoo vaak „rake” dingen, die een situatie zóó volkomen weergeven of verscherpen, dat men wel gelooven moet, dat het dier de omstandigheden heeft begrepen.
Uit allerlei waarnemingen en proeven van zeer kritische onderzoekers is evenwel gebleken, dat papegaaien geen verstandige, d.i. geen redelijk denkende dieren zijn. Toch zijn zij boven andere vogels begiftigd met opmerkingsgave en geheugen, waardoor zij in staat zijn zeer veel dingen te „leeren”.
Dit „leeren”, dat is ’t „opdoen van ervaringen”, kan op verschillende manieren plaats vinden. Zoo is ’t „leeren vliegen” niets anders dan ’t oefenen van een vliegbeweging, zoo is ’t „leeren zingen” van een vogel niets anders dan een instinctieve klanknabootsing, zoo is ’t „leeren jagen” niets anders dan een soort van zelfdressuur door middel van „zintuigelijke ervaringen”. Deze manieren van „leeren” zijn ieder dier eigen, maar ze hebben met verstandelijk leeren niets gemeen. Verstandelijk leert een dier pas, wanneer het „vroegere ervaringen in nieuwe verhoudingen toepast” of „wanneer het door middel van de taal (teekens of geluiden, die uitdrukking zijn van begrippen en voorstellingen), intelligent onderricht krijgt.”
Deze twee laatste manieren van leeren zijn het, die de mensch bij uitstek en eenige der hoogere apen in mindere mate eigen zijn en die als de basis van een verstandelijk leven beschouwd moeten worden.

De drie eerstgenoemde vormen van „leeren” berusten op niets anders dan het vormen van associaties. Buytendijk, aan wie al de hier gebruikte termen ontleend zijn, noemt dit het „associatief geheugen” en meent er mee een geheugen, „waardoor waarnemingen en handelingen voor het dier een bepaalde beteekenis krijgen”.
Het opzetten van een hoed door de baas kan voor een hond een beteekenis hebben, omdat hij bij het opzetten van die hoed het uitgaan verbindt („associeert”). ’t Hooren van een bepaalde klankenreeks als bijv. „wil Lorre een klontje”, krijgt voor een papegaai beteekenis, omdat hij aan die klankenreeks ’t genot van ’t klontje, dat hem daarna telkens wordt gegeven, verbindt. Door een heel eenvoudige dressuur kan men dan de papegaai „as-sje-blieft” terug laten zeggen. Maar dan blijkt nog uit niets, dat het dier begrijpt wat die woorden beteekenen. In plaats van „as-sje-blieft” had men ’t dier ook kunnen leeren „nee, dank je” of ’t lompe „dat lust ik niet” te zeggen. En dan zou men de vogel op een „domheid” kunnen betrappen. Want terwijl hij dan „nee, dank je” zegt, steekt hij gelijktijdig z’n poot uit om de lekkernij te grijpen.
Als men, tijdens het kriebelen op z’n kale schedelplek, voortdurend „kopje-krauw” zegt, gaat de vogel die klank verbinden aan de voor hem zoo aangename liefkoozing en z’n nabootsingsinstinct doet hem die klank herhalen, zoogoed als hij z’n eigen naam „Lorre” of andere woorden die hij zeggen hoort, herhaalt. En als Lorre opmerkt, dat wanneer hij de klank „kopje krauw” laat hooren, de mensch naar hem toe komt om hem te streelen, dan associeert hij die klank met de er op volgende liefkoozing. Op een andere keer kan hij deze dan zoolang herhalen, tot aan z’n „verzoek” gehoor is gegeven. Door ervaring heeft ’t dier dan geleerd. Gedacht, „z’n verstand gebruikt”, heeft het niet.
Dat een papegaai een grooter leervermogen heeft dan andere vogels, is waar. Er zijn zelfs onder de papegaaien bepaalde soorten, die meer kunnen leeren dan de andere. Hoe jonger zij zijn, hoe meer zij leeren kunnen en als men een papegaai het spreken wil leeren, doet men ’t beste een jonge daarvoor uit te kiezen. Oude vogels leeren het nooit zoo goed.
De lories, die men vaak in kooien ziet, worden niet om hun spraak, maar voornamelijk om de pracht van hun veeren gehouden. Deze is dan ook ongeëvenaard. Hoe schittert de veelkleurige LORI (TRICHOGLOSSUS NOVAE HOLLANDIAE) (No. 63) niet in werkelijk alle kleuren van den regenboog. Hoe fraai moet een troep van deze kleine levenmakers niet aandoen in hunne natuurlijke omgeving, ’t grauw-grijze oerbosch van Australië. Want dit werelddeel is het thuis van de lories, zoowel als van de KAKATOE (CACATOUA TRITON) (No. 64) en de UILPAPEGAAI (STRINGOPS HABROPTILUS) (No. 65).
Niet alleen is Australië het thuis, het is zelfs de bakermat van alle papegaaien en vandaar uit hebben zij zich over de wereld verspreid. In Europa zijn zij evenwel niet. Want daar papegaaien van oorsprong tropenvogels zijn, overschrijden zij op een enkele uitzondering na een bepaalde warme-zône (40° N.Br. en 55° Z.Br.) niet.
De lories behooren tot de kleinere papegaaisoorten, doch zijn op verre na de kleinsten nog niet. Er zijn papegaaitjes niet grooter dan een musch.
De fraai-gekuifde kakatoes beperken zich, op één uitzondering na, eveneens tot het Australisch gebied. Zij leven in zeer groote troepen te samen en zijn daardoor vaak zeer schadelijk, wanneer zij in plantages komen, en zich daar te goed doen aan zaden en noten. Geen wonder dus, dat de kolonisten hen jagen en dat de inboorlingen van Australië hen met den boemerang te lijf gaan.
De wonderlijkste van alle papegaaien is wel de STRINGOPS of UILPAPEGAAI (No. 65), die slechts met één soort z’n familie vertegenwoordigt. Deze uil, de Stringops Habroptilus of Kakapo komt alleen maar voor in Nieuw-Zeeland en beperkt zich daar nog tot het Zuid-Westelijk deel van het eiland. De naam „uil-papegaai” danken zij aan hunne nachtelijke levenswijs, tengevolge waarvan de vogel ook lang onbekend is gebleven. Eerst een 60 jaar geleden is de eerste huid van dezen vogel naar Europa gekomen, hoewel men reeds veel langer wist, dat zich ergens in Nieuw-Zeeland een nog onbekende vogel op moest houden, daar de Maori’s zich vaak met z’n prachtig groene veeren versierden.

Doch niet alleen tengevolge van zijn nachtelijke levenswijze is de vogel zoo moeilijk te bestudeeren geweest, hij heeft ook het gebruik van zijn vleugels verleerd en vliegt nooit meer. Hij loopt over den grond zijn voedsel, dat uit jonge plantendeelen en mossen bestaat, te zoeken. Slechts als hij hard loopt, gebruikt hij z’n vleugels om z’n evenwicht te bewaren. De kam op het borstbeen, die als aanhechting dient voor de vliegspieren is dan ook zeer gereduceerd en er is niets meer dan een kleine lijst van over.
Van de papegaaien buiten het Australisch gebied, zijn de Zuid-Amerikaansche wel de meest algemeen bekende, want de leuke PARKIETJES (CONURUS CACTORUM) (No. 66) broeden haast in iedere volière, en de mooie ara’s kiest men graag als kooivogel, ter wille van hun prachtige veeren en de groene AMAZONE PAPEGAAI (CHRYSOTIS LEVAILLANTI) (No. 67) om z’n bevattelijkheid. Toch, hoewel deze kortstaartige amazone papegaai zeer aardige en zeer mooie vogels zijn om in een kooi te houden, staan zij in begaafdheid ver achter bij de rood-grijze jako van Afrika en in fraaiheid van veeren steken de ara’s hen de loef af, want de fraaiheid van deze ara-veeren is welhaast onovertroffen.
De Indianen van Zuid-Amerika schatten deze veeren dan ook zeer hoog en jagen de BLAUW MET GELE ARA (ARA ARARAUNA) (No. 68) de roode ara’s en de prachtig blauwe hyacinth-ara’s graag om die prachtige veeren te bemachtigen. Ook hebben zij vaak papegaaien als huisdier zoodat deze af en aan vliegen, zooals bij ons de duiven.
Daar ara’s de gewoonte hebben, altijd weer in denzelfden boom te nestelen, worden deze boomen het eigendom van den Indiaan, die ze het eerst vond. Een eigendom dat erfelijk is en steeds van vader op zoon overgaat. Juist zooals bij ons in oude tijden de „honingboomen” van vader op zoon overgingen en slechts één familie het recht had de in de loop der zomer er door de bijen ingebrachte honing te zamelen.
109 SPREEUW. (Sturnus vulgaris). 110 KOEVOGEL. (Molothrus ater).


111 WEVERVOGEL (Ploceus abyssinicus). 112 VUURWEVER. (Pyromelana franciscana).


113 ZEBRAVINK. (Taeniopygia castanotis). 114 RIJSTVOGEL. (Munia orizivora).



§ 2. Terwijl de vertegenwoordigers der eerste orde in de groep der Fibulatores, de papegaaien, grijpvoeten hadden, hebben die der tweede orde, de SCANCORES of KLIMVOGELS, de voor hen zoo typische klimvoeten.
In de eerste plaats dient daarvan genoemd te worden de TOERAKO of HELMVOGEL (TURACUS ALBOCRISTATUS) (No. 69), die zoo genoemd wordt om de helm van veeren, die van af zijn korten driehoekigen snavel den geheelen kop bedekt. Zij leven in de dichte acacia-bosschen der Afrikaansche keerkringen.
Merkwaardig is het, dat hun veeren van een ander soort groen zijn, dan gewoonlijk bij vogels aangetroffen wordt. Groene veeren of alle andere kleuren bij vogels worden veroorzaakt door bepaalde structuren in de baarden en baartjes. Deze structuren hebben een lichtbreking tengevolge en van het gebroken licht worden slechts bepaalde stralen teruggekaatst. Bij groene veeren kan hierdoor die glanzende weerschijn ontstaan.
’t Groen van toerakoveeren evenwel wordt veroorzaakt door een bepaalde groene kleurstof, die er in aanwezig is. Zoo is het ook met de purperen vlek aan hunne vleugels. Deze is niet eens waschecht en geeft kleur af als de vogel zich baadt. Later, als zij droog worden, kleuren zij weer bij.
In de familie van de koekoeken daarentegen vindt men in de GOUDKOEKOEK (CHRYSOCOCCYX CUPREUS) (No. 72) een van de mooiste voorbeelden van groene kleur door lichtbreking. Deze vogel, die in Afrika, Azië en Australië voorkomt, streeft de pauw nabij in z’n schitterende, metaalglanzende groen met gouden pracht. En deze „Didrik”, zooals de Zuid-Afrikaansche Boeren hem noemen, heeft de eene echte eigenschap der koekoeken van onze streken: zij laat n.l. haar eieren uitbroeden door de kleinere zangvogeltjes.
Weinig vogels hebben zoo de belangstelling van onze Noordelijke volken opgewekt, als de gewone KOEKOEK (CUCULUS CANORUS) (No. 71). Waren het de zwanen, die de verbeelding der dichters gevangen hielden, de koekoek heeft tot minder verheven gestemde geesten gesproken en zich gedrongen in ’t leven van ’t volk. In ’t sober alledaagsch bestaan van de menschen op het land zijn het simpele en eenvoudige dingen, die kleur brengen in de eentonige sleur der jaren. En deze simpele dingen waren schatten van de natuur. Zij hebben deze rijkdommen opgemerkt en tot een deel van hun leven gemaakt, lang voor dat de natuurlijke historie een bron van studie voor geleerden, heel lang voordat het een mode voor Jan en Alleman was. De eigenaardige levensgewoonte van de koekoek maakten een dusdanige indruk op de menschen, dat zij invloed gehad hebben, ook op onze taal en ’t bijgeloof in onze streken.

Hoewel er vogels genoeg zijn waaraan onze taal beelden en uitdrukkingen ontleent, is er geen één, die er zoovele geleverd heeft als de koekoek. Men mag hooren: domme gans, uilskuiken, „als een kip zonder kop”, „van een uil, die men acht een valk te zijn”, „zoo rood als een kalkoensche haan”, de koekoek heeft er legio, die hem in verband staan. Ieder kent ze wel: bijv. „’t is alles koekoek één zang”. „Loop naar de koekoek”. „Dat haalt je de koekoek”. „Een koekoeksei uitbroeden”. „Een koekoeksjong groot brengen”.
En dan ’t bijgeloof! In sommige streken van ’t land meent men, dat de koekoek voorspelt, wanneer men sterven zal. Men heeft daartoe maar te tellen, hoe vaak de koekoek achtereen z’n naam roept, dan kent men ook ’t aantal jaren, dat men nog te leven heeft. In andere streken zijn ’t jonge meisjes, die met kloppend hart de roep tellen, want dan weten zij hoe lang ’t duurt eer zij trouwen zullen. Ook kan in bepaalde omstandigheden ’t aantal malen dat men ’t „koekoek” hoort de hoeveelheid jaren aangeven, waarop een wensch in vervulling zal gaan. Maar dan dient men die wensch te uiten als men de eerste roep hoort en bovendien moet men dan tusschen twee zusters loopen, met de oudste aan de rechterhand. Uit al dergelijke feiten blijkt wel ten duidelijkste, hoe ’t volk de koekoek heeft opgemerkt en toch is ’t bij ons niet zoo’n vreeselijk algemeene vogel, zooals bijv. in de Skandinavische landen, waar hij zoo algemeen moet zijn als bij ons de spreeuwen.
Maar waar een koekoek is, wordt hij opgemerkt. Dit komt wel voornamelijk door de roep, die altijd van het mannetje is. Deze heeft een bepaald gebied, waar hij in huist. Een eigen vrouwtje heeft hij nooit. Ieder vrouwtje dat z’n gebied doortrekt, is hem welkom en als hij weet dat er een in de buurt is, koekoekt hij nog harder dan te voren. Soms hoort men de koekoek de halve nacht door, andere keeren komt hij op een bepaald uur op een bepaalde plaats, ja dikwijls zelfs op een bepaalde tak van een boom en roept daar maar. Als er een vrouwtje in de buurt is, verandert hij z’n rustig en gelijkmatig koe-koek in een haastiger en zenuwachtig klinkend koe-koe-koek, koe-koe-koek.
Als het vrouwtje een ei moet leggen, kan zij dit niet in haar eigen nest doen. Zij heeft geen eigen mannetje, dat er een met haar bouwde en legt nú in ’t gebied van het eene mannetje, dan weer in dat van een ander, maar altijd kiest zij als legplaats een nest van een of ander klein zangvogeltje. Die bebroeden dat vreemde ei trouw en geduldig en als dan eindelijk ’t koekoeksjong uitgekomen is, slepen zij aan wat zij kunnen om z’n grage maag te vullen. Die indringerige, sterke vogel spert z’n mond zoo wijd open en duwt z’n pleegbroertjes en -zusjes zoo in een hoekje, dat deze haast niets te eten krijgen en haast niet groeien.
De jonge koekoek daarentegen groeit als kool en al heel gauw wordt het hem te benauwd ’t kleine nest met de andere vogeltjes te deelen en hij woelt net zoolang tot zij er uitvallen en sterven. De oude vogels merken niet eens dat hun eigen kinderen weg zijn, zoo druk hebben zij het met ’t voeren van ’t ongevraagde pleegkind. Z’n eigen moeder trekt van ’t eene mannetje naar ’t andere, legt een ei hier, een ei daar en trekt zich van „moederplichten” geen steek aan. De vader weet van z’n bestaan niet af, maar koe-koe-koekt lustig een volgend vrouwtje toe.
En de menschen die ’t zien, veroordeelen de koekoek. Dat is dwaas. Een koekoek kan ’t niet helpen, dat hij zoo is, daar is hij nu eenmaal een koekoek voor. Zij zouden niet eens een broedsel groot kunnen brengen, want ’t vrouwtje legt haar eieren met zulke groote tusschenpoozen, dat zij niet in staat is ze zelf uit te broeden.
De SPOORKOEKOEK (CENTROPUS) (No. 70) daarentegen is er wel toe in staat en de twee à drie eieren die zij hebben, worden zoowel door den man als door de vrouw ijverig bebroed. Het is even als onze koekoek een levendige en bewegelijke vogel met ’t echte koekoek-uiterlijk, ’t zelfde lange slanke lichaam, dezelfde krachtige korte snavel. Z’n achterteen evenwel heeft een lange nagel „de spoor”, waaraan hij z’n naam te danken heeft.
In tegenstelling met onzen koekoek en den Didrik voedt hij zich met bessen en zaden, in plaats van met insecten.
Van den TOEKAN (RAMPHASTOS ARIEL) (No. 73), een zeer algemeenen vogel in Brazilië, weet men, ondanks z’n veelvuldig voorkomen, zeer weinig van het voedsel, dat hij gebruikt. Men verschilt zelfs van meening of het plantaardig dan wel dierlijk zal zijn. In gevangenschap zijn de vogels alleseters, in de vrijheid, als zij hoog in de toppen van de Braziliaansche boomen van kruin tot kruin zweven, is het moeielijk na te gaan waarmee zij zich voeden. Eigenaars van bananenplantages zijn evenwel niet op hunne bezoeken aan de tuinen gesteld, daar deze er zeer merkbare schade van ondervinden.
Voor de inlandsche bevolking van Brazilië zijn de vogels van belang, omdat zij hen in het droge jaargetijde een uitnemende voeding opleveren en er dan ook op deze dieren gejaagd wordt.
De mooie gele veeren, die de vogel aan de keel en aan de stuit heeft, worden door de inboorlingen veel gebruikt als versiering van hunne kleeding. Zij maken er zelfs mantels van. Daar zij er begrijpelijkerwijze zeer veel veeren voor noodig hebben en zij zelf inzien, dat de vogel tot uitsterven gebracht zou worden als zij gedood werden, hebben zij een ander middel bedacht om die veeren te bemachtigen. Zij schieten daarom de vogels met zeer licht vergiftigde pijlen, zoodat zij slechts door ’t gif bedwelmd worden en neervallen. De verlangde veeren worden nu uitgerukt en bijgekomen vliegen de dieren weg, om misschien in hun verdere leven éénmaal per jaar dezelfde bewerking te ondergaan.
De snavel van deze pepervreters lijkt ons onevenredig groot toe en schijnt buitensporig zwaar te zijn. Het tegendeel is waar, daar deze geheel uit een zeer poreuse massa bestaat en juist buitengewoon licht is.
De BAARDVOGELS (BUCCO VERSICOLOR) (No. 74) onderscheiden zich door hun snavelaanhangsels, want de veeren aan de snavelbasis zijn tot talrijke borstels geworden, aan welke merkwaardigheid hij zijn naam van baardvogel te danken heeft. Het zijn prachtige, in allerlei bonte kleuren prijkende vogels; hun voedsel, dat uit insecten bestaat, is er in overvloed, zij doen dan ook niet veel moeite het te vangen. ’t Zijn trage, domme en luie vogels. Deze eigenschappen gevoegd bij hun stille roerlooze houding en geestelijke starheid heeft hen waarschijnlijk aan den bijnaam van „Woudrechters” geholpen.

In Afrika komt in sommige streken de HONINGWIJZER (INDICATOR INDICATOR) (No. 75) voor. Daar waar zij zich ophouden zijn zij gauw genoeg aan iedereen bekend om hun eigenaardige gewoonten de menschen te brengen bij de dingen, die om de een of andere reden hunne opmerkzaamheid trokken. En die zijn vele. Leeuwen, tijgers, luipaarden, bijenzwermen brengen hen dikwijls in opwinding en doen hen roepen. De inboorlingen, die graag honig uit de raat verorberen of een bijenzwerm mee naar huis willen nemen, volgen de roepstem van het beestje in de hoop iets van hunne gading te vinden. Door dit voor hen zoo voordeelige feit hebben zij over ’t hoofd gezien dat de vogel hen ook even vaak brengt bij een kreng—zoo noemt men een dood dier—een leeuw of een luipaard of zelfs wel bij olifanten.
De meeningen, zooals die ons uit reisbeschrijvingen bekend zijn geworden, loopen dan nogal eens uiteen op dit punt. Het is een feit, dat de honig in Afrika overvloedig voorkomt en dat de inboorlingen als zij honig gaan zoeken, op het gedrag van deze vogel letten. En ook al was de oorspronkelijke bron van agitatie een andere, al „gidsende” wordt de aandacht van deze dieren vaak afgeleid en brengen zij de Hottentot toch bij een bijennest.
115 PARADIJSWEDUWVOGEL. (Steganura paradisea). 116 GOULD’S AMADINE. (Poëphila gouldiae).


117 HUISMUSCH. (Passer domesticus). 118 REPUBLIKEIN. (Philetairus socius).


119 KARDINAAL. (Cardinalis cardinalis). 120 GEELGORS. (Emberiza citrinella).


Wel een eigenaardig instinct! In enkele reisbeschrijvingen vindt men de eigenaardigheid van den vogel, dat hij de menschen zoo „lokt” aangegeven als „dienstijver” of „slimheid”. ’t Spreekt wel haast vanzelf dat dit niet zoo is. Want niet alleen de mensch volgt het roepen van den vogel; de honigdas, die in die streken voorkomt, geeft daar ook gevolg aan. ’t Waarschijnlijkst is het evenwel dat de vogel als hij een bijenzwerm ziet, daarop reageert door te roepen; dat de honigdas en de mensch op dit roepen weer reageeren met nieuwsgierigheid, die tot volgen dwingt en dat ’t vinden en plunderen van de bijenstaat, de vogel weer de ervaring geeft, dat mensch en das de honig kunnen bemachtigen en.….. dat er dan ook altijd iets voor de vogels op over schiet n.l. het broed. Hottentotten geven echter nooit heel veel hiervan weg. In de eerste plaats niet, omdat zij het zelf ook niet versmaden en in de tweede plaats niet, omdat de vogel wanneer zijn honger niet gestild is, doch de lekkere smaak van ’t beetje afval „hem naar meer smaakt”, zoodat hij hen nog bij andere bijennesten brengt.
In ons eigen land zijn het de spechten, die samen met de koekoeken de klimvogels vertegenwoordigen. De GROENE SPECHT (GECINUS VIRIDIS) (No. 76) is aan ieder bekend, die wel eens in bosschen gewandeld heeft. In boschrijke streken hoort men bijna overal zijn lach, die luid begint en langzaam zachter wordt. Ook kan men hen vaak hooren kloppen en hameren tegen de boomen. Met krachtige, korte slagen wordt met de sterke snavel tegen de boomen gehakt; ’t resultaat van die pogingen kan men dikwijls genoeg aan de splinters zien, die beneden aan de voet van den boom in het zand liggen. Met dit hakken onderzoekt de specht of de boom, die hij onderhanden heeft, geschikt of niet geschikt is tot ’t maken van zijn nest. Van alle boomen, die hij tot zijne beschikking heeft, kiest hij daartoe ’t liefst diegene uit, die door een zwam of schimmelziekte zijn aangetast en dus binnen in den stam hol of vermolmd zijn. Het is de specht vaak verweten, dat hij door ’t hakken in de boomen zeer schadelijk zou zijn; sinds men evenwel weet dat hij slechts dàn gezonde boomen neemt als er geen zieke zijn, is die grief tegen hem erg vermindert. Men kan nu andersom redeneeren en afgaande op ’t spechtengat in een boom tot de conclusie komen, dat de boom, hoe gezond hij op ’t oog ook leek, toch ziek was.
Het aardigste laantje met spechtennesten, dat ik ken, is in de buurt van Castricum. Daar is iedere boom van minstens twee of drie gaten voorzien.

’t Is de moeite waard om een specht aan ’t werk te zien. Hij klimt van onderen af tegen den stam op, de nagels van zijn teenen in de schors geklemd en steunend op zijn staart. Deze laatste is wel haast even onontbeerlijk voor zijn klimpartijen als zijn klimvoeten. Daarom zijn de schachten tot aan het einde heel dik en sterk en aan de stuitkant juist veel dunner en elastischer, zoodat de staart bewegelijk is en in een hoek met ’t lichaam geplaatst kan worden om tot steun te dienen. Trouwens de geheele lichaamsbouw van dezen vogel is merkwaardig practisch voor zijne levenswijze. Z’n snavel is beitel en hamer gelijk. De bevestiging van den kop aan den romp is zoodanig, dat de vogel zijn kop buitengewoon gemakkelijk bewegen kan en door zijn zeer sterke halsspieren in staat is de noodige kracht uit te oefenen.
De tong van den specht is ook een merkwaardig instrument en uitermate geschikt voor het verwerven van voedsel. De specht eet graag insecten of insectenlarven. Deze insecten, kevers bijvoorbeeld boren zich vaak in ’t jarige hout. Een specht nu, steekt zijn heele lange, dunne tong in die gang en spiest er de vette keverlarf mee vast aan de punt, die scherp en hoornachtig is en van weerhaken voorzien. De larve kan hierdoor niet verloren gaan als de specht hem door de nauwe gang trekt. Bovendien is de tong zoo buigzaam dat hij alle kronkelingen en bochten van die gang volgen kan.
Van die bewegelijkheid maakt de specht nog op een andere manier gebruik, n.l. om mieren mee te vangen. Evenals de draaihals, een van z’n familieleden, is onze specht dol op mieren. Van de beten en de besproeingen met mierenzuur, waarmee deze kleine diertjes zich voornamelijk verdedigen, trekt hij zich niets aan. Op zijn dooie gemak hakt hij een mierennest in stukken en zoekt de poppen, die hij met smaak verorbert. Als de oude mieren dan in drommen er op af komen om den inbreker te bestraffen, steekt hij rustig zijn geheele tong uit. Deze is geheel omgeven door een laag kleverig slijm, waar de mieren aan vastplakken, als vliegen aan een gompapiertje en door er een kronkelige beweging mee uit te voeren werkt hij hen vliegensvlug naar binnen.
De MUISVOGEL (COLIUS MACRURUS) (No. 77) komt slechts voor op het vaste land van Afrika. Muisvogels wijken nog al erg van andere vogels af, daarom veranderen zij nog al eens van plaats in het systeem. Zij leven in troepen in buitengewoon dichte boschjes van groote doornstruiken, die bovendien nog met slingerplanten doorvlochten zijn. Voor een mensch is het onmogelijk zich er een weg doorheen te banen, zelfs met bijl en jachtmes niet, zoo dicht omstrengelen die doornige takken zich. De muisvogel trekt zich daar niets van aan. Grauw-grijs als een muis en even vlug en behendig vinden zij hun weg door allerlei nauwe gaatjes en gangetjes. Een onderzoeker, die aan den rand van deze dichte bosschages zit, kan niet vlug genoeg wezen om te zien of het een vogel was of wel een ander dier, dat daar zoo vlug als een schaduw weg vluchtte.

[
Inhoud
]

Van alle vogels, die zoo in het algemeen de belangstelling en de opmerkzaamheid van de leeken trekken, omvat de zesde en laatste groep, waarvan de vertegenwoordigers zich van die der vijfde groep vooral door de stand der teenen onderscheiden, die der
BOOMVOGELS (ARBORICOLÆ) VI
wel verreweg de meeste soorten. Niet in de eerste plaats, omdat deze groep zooveel rijker aan individuen is, verheugt ze zich in deze bekendheid. Hoewel de hoeveelheid van vormen, die haar vertegenwoordigen, in numeriek aantal ver dat van de andere groepen overtreft, (ja, zelfs nog het aantal vogels, dat in al de vijf overige groepen is ondergebracht, te boven gaat), is dit toch niet de voornaamste reden van hunne populariteit. Hiermee wil ik niet ontkennen, dat dit groote aantal de kans de opmerkzaamheid der menschen te trekken, niet verhoogen zou. Integendeel! Doch bovenal vallen zij op door hun zingen. En dan zijn het nog voornamelijk de vertegenwoordigers van de laatste orde in deze groep, de zangvogels, die dit in hoofdzaak doen, want veel van de vogels in de eerste drie orden der Boomvogels, maken er maar wat van als het op zingen aankomt.

De zangvogeltjes zijn en blijven nu eenmaal de lievelingen van het publiek. Al wemelen onze weiden van de steltloopertjes, al ontbreken de meest verschillende zwemvogels, hoenders, roofvogels en klimvogels in ons land niet, zangvogeltjes staan boven aan en hebben de eerste plaats in ’t hart der menschen. Zij spreken met hun zang direct tot het gemoed en gevoelig en ontvankelijk hiervoor gestemd door de idyllische omgeving van een loofbosch en de heerlijke rust van de zomervacantie, herdenkt de mensch hen in dankbare herinnering en noemt hen „de liefste vogeltjes”.
Toch, als de mensch niet oppast, zal het aantal van deze bekoorlijke diertjes snel verminderen en zullen er slechts weinig soorten overblijven, die in de dagelijksche omgeving zijn vreugde uitmaken.
Want de beschaving dringt zich overal in en neemt bezit van de plekjes, die reeds sinds eeuwen het eigendom waren van de kleine zangers. De oerbosschen zijn al lang uit ons land verdwenen, omdat de menschen de grond en het hout gebruikten. Tegenwoordig verdwijnen zelfs de laatste schuilplaatsjes hoe langer hoe meer.
Midden door een heerlijk rustig bosch wordt een tram aangelegd en voor goed is de rust weg, die de vogels voor hun broeden noodig hebben. Drommen menschen komen op de mooie voorjaarsdagen en genieten van het heerlijk buiten zijn. De natuurmenschen voelen zich evenals de vogels verdrongen en trachten ergens anders hun stille geneugten te vinden. Zij moeten steeds verder trekken met tram en trein en boot om plaatsen te vinden, die de horden der stadsmenschen nog niet ontdekt hebben.
Ook de vogels doen dat. Toch kan men heel veel voor de zangvogeltjes doen en het hen aangenaam maken, waardoor zij in onze stadsparken blijven. Want al heeft een vogel haast nergens meer zijn rustige omgeving, hij wil ook wel broeden als zijn nest maar ongestoord gelaten wordt en went wel aan de wandelaars. Een der beste manieren om de vogels te helpen is door het ophangen van broedkastjes.
121 GOUDVINK. (Pyrrhula pyrrhula). 122 KRUISBEK. (Loxia curvirostra).


123 KANARIE. (Serinus canarius). 124 DISTELVINK. (Carduelis carduelis).


125 TANAGRA. (Ramphocelus brasilius). 126 WITTE KWIKSTAART. (Motacilla alba).



§ 1. Opvallend door de hardheid van hun snavel en hunne zeer kleine voeten zijn de INCESSORES. Vooral bij de HOORNRAAF (BUCORAX ABYSSINICUS) (No. 79) en de NEUSHOORNVOGEL (BUCEROS RHINOCEROS) (No. 80) is de harde snavel wel heel typisch. Deze lijken erg zwaar en geven ’t gevoel, dat de vogel topzwaar moet zijn met zoo’n zwaarte aan z’n kop. In werkelijkheid zijn ze echter zeer licht, daar ze bestaan uit een zelfde sponsachtig hoornweefsel, waaruit ook de snavels van de pepervreters waren samengesteld.
De hoornraaf, die in Afrika een zeer bekende vogel is, wordt door de Engelsche kolonisten „wilde kalkoen” genoemd, omdat het mannetje als het opgewonden is, zich in veel opzichten als een kalkoensche haan gedraagt. Het spreidt z’n staart waaiervormig uit en blaast zich op, terwijl het een eigenaardig brommend „boe” laat hooren. Daar de hoornraaf zeer vaak roept, voordat het gaat regenen en de regen in deze warme landen wel eens langer op zich laat wachten dan de menschen aangenaam is, hebben de kaffers in hunne bijgeloovigheid gedacht, dat de vogel den regen aanriep. Zij meenen dat het gauwer regenen zal als zij een vogel dooden en in ’t water werpen. „Want”, redeneeren zij, „sinds er blijkbaar een verband is tusschen den vogel en het water en de vogel een zeer onaangename reuk heeft, zal de regen ’t niet kunnen verdragen, dat het water op aarde „ziek” wordt door zoo’n stinkenden vogel. Dan zal de regen wel komen om het „zieke” water weg te spoelen.”
De NEUSHOORNVOGELS, die in Afrika, Azië en Oost-Indië in verschillende soorten voorkomen, hebben een zeer merkwaardige levenswijs. Tijdens de broedtijd is het vrouwtje ingemetseld in een grooten hollen boom, waar het nest met de eieren in verborgen is. Slechts haar snavel steekt er uit en ’t mannetje voert haar door het spleetje. Zoo intensief broedt het vrouwtje, dat zij al haar veeren verliest en zij, als de jongen uit het ei gekomen zijn, vooreerst niet vliegen kan en haar echtgenoot nu de zorgen voor haar en ’t kroost dragen moet. Tegen den tijd, dat het vrouwtje haar veeren terug heeft en de jongen mans genoeg worden om voor zich zelf te zorgen, is de vader niet veel meer dan vel over been. Een toonbeeld van plichtsbetrachting en een beschamend voorbeeld voor vaders, die klagen over de last van kinderen groot brengen!
En, zooals de neushoornvogel en z’n harde levenstaak ons een les leeren, zoo leert de REUZENIJSVOGEL (DACELO GIGAS) (No. 81), die onverbeterlijke lachebek uit Australië ons een andere. Hij lacht daar als ’t avond wordt, hij lacht als de nacht weer plaats maakt voor den morgen en zoo aanstekelijk is zijn lachen, dat zoodra de eerste van deze vroolijke vogels er mee begonnen is van alle kanten de vriendjes invallen, totdat de omgeving schatert en de mensch er door aangestoken wordt en mee lacht. Waarom ook niet, waarom niet blij te zijn met iedere verandering? Van onze inlandsche ijsvogeltjes (Alcyon) onderscheidt hij zich evenals de HALCYON DIOPS (No. 82) van de Molukken en de andere Halcyonsoorten zeer sterk in levenswijs. Want, waar de gewone ijsvogeltjes zich voeden met visschen, die zij duikend uit het water vangen, hebben de Halcyon’s maar bij hooge uitzondering visch op tafel. Gewoonlijk voeden zij zich met insecten en kleinere werveldiertjes, waaronder veel reptielen zijn. De reuzenijsvogel is zelfs als reptielen-verdelger van belang, daar hij de allergevaarlijkste en giftigste kleine slangetjes doodt en opeet.

MEROPS APIASTER, de BIJENETER (No. 83) is een typische vogel voor de tropische landen der oude wereld. Z’n verschijning is zeer opvallend en spottend met iedere mimicry en camouflage dringt hij zich, vliegend zoowel als zittend op aan de aandacht der menschen door zijn bonte hoeveelheid van de prachtigst gekleurde veeren. Vooral in den broedtijd, als zij groote koloniën vormen, leveren zij een fraaien aanblik als men hen alle tegelijk te zien krijgt. Zij graven hunne nesten in steile wanden, waardoor men ze heel moeilijk bereiken kan. Hierin maken zij heele lange gangen en aan ’t einde er van graven zij een holte. Het vrouwtje legt daar de eieren en slechts gedurende den nacht en in den broedtijd trekken zij zich in deze appartementen terug om te slapen. Gedurende den zomer komt deze bijeneter wel eens in ons land en in Duitschland. Hij moet echter als zeer zeldzaam beschouwd worden, evenals HOP (UPUPA EPOPS) (No. 84), die in ons land in het begin van September of in de laatste dagen van Maart wel eens op de trek waargenomen wordt. In Duitschland komt hij iets algemeener voor, maar zijn eigenlijke vaderland is Noord-Afrika en Zuid-Europa. In deze landen, waar de reiniging geen probleem is van officieele zorgen, heeft de hop zich vrijwillig met de hygiënische diensten belast en heeft hij daar de taak overgenomen die bij ons in minder moderne streken door den tonnenman wordt verricht. Op de mesthoopen van menschelijk vuil zal men in deze zuidelijke streken de hop dan ook geregeld aantreffen en de „hoed-hoed” (zoo noemt men hem) goedmoedig verdragen. De vogel is daar in ’t geheel niet schuw, wel een groot verschil met zijn gedrag in Duitschland. Daar mijdt hij de menschen zorgvuldig. Hij huist in muren of boomholten en is zóó in hooge mate onzindelijk op zijn nest (het vuil van de jongen wordt nooit weg gedragen), dat zelfs de katten er vies van zijn en nooit aan de jongen komen. Waar onreinheid al niet goed voor is, zou men geneigd zijn te denken.
Eveneens een zeer zeldzame gast in ons land is de prachtige SCHARRELAAR (CORACIAS GARRULUS) (No. 85), die bij ons niet broedt, doch hiervoor het liefst de tropische streken van den Ouden Wereld uitkiest. Zij willen dikke holle boomen om hun nest in te maken en streken waar weinig menschen zijn. Een rustige omgeving met een verwaarloosde boom, is in ons menschenrijke Midden Europa helaas een utopie. In ’t najaar trekt de vogel zeer ver ’t zuiden in tot zelfs in Natal toe is hij gesignaleerd. Maar hoever de reis ook is, de vogel, die niet bezeten is door de moderne snelheidskoorts, reist op z’n dooie gemak en toeft op iedere plaats, die voedsel genoeg voor hem heeft.
De laatste familie in deze orde vormt de overgang tot de volgende, zooals dit zoo vaak in een systeem het geval is. De BATRACHOSTOMUS AURITUS, DE KIKKERBEK (No. 86) doet n.l. zeer sterk aan den geitenmelker denken, vooral door zijn breede en platte kop, groote oogen en weeke veeren. De kop lijkt vooral zoo breed door den vlakken snavel, waarom dan ook in den Latijnschen naam en in de Hollandsche vertaling er van, duidelijk de gelijkenis met een kikker aan gegeven is. Het vaderland van dezen mooien, warmbruinen vogel is Sumatra en Borneo.

§ 2. In de tweede orde is de NACHTZWALUW of GEITENMELKER (CAPRIMULGUS EUROPAEUS) (No. 87) weer een prachtig voorbeeld van camouflage, want z’n kleur en z’n meegekregen instincten beschutten hem in hooge mate en maken hem haast onherkenbaar van den tak, die hij zich tot zitplaats kiest. Daar het instinct van dezen vogel hem in de lengte op den tak doet plaats nemen, lijkt hij buitengewoon veel op een knoest. Het is dan ook maar heel zelden, dat men een nachtzwaluw dwars op een tak ziet zitten. Horizontale takken hebben een speciale bekoring voor deze vogels, omdat ze de meest geschikte, d.w.z. de meest beschuttende, zijn. Daar horizontale takken betrekkelijk zeldzaam zijn, vindt men den vogel slechts op speciale plaatsen. Bij ons in de duinen zijn dat vaak de berkenboschjes. Maar ook op andere plaatsen kan men hem aantreffen. Naumann, de bekende ornitholoog, vertelt zelfs dat hij van één zelfden horizontalen tak van een appelboom in z’n tuin meermalen een nachtzwaluw wegschoot.
Is er evenwel geen horizontalen tak te vinden, die naar den zin van den vogel is, dan neemt hij ook wel genoegen met een platten steen op den grond. Als hij daar onbewegelijk zit, schijnt het of hij slaapt. Zijn oogen houdt hij slechts een kiertje open en door dit spleetje neemt hij alles waar, wat in zijn omgeving gebeurt, zonder dat hij zelf opgemerkt wordt. Had hij zijn groot mooi oog open gehouden, het zou hem verraden hebben meent Heinroth, iemand, die er zeer oorspronkelijke denkbeelden over vogelinstinct en mimicry op nahoudt. Hij gaat zelfs zoover, om in de langzame, haast onmerkbare overgangen, waarmee deze vogel van de eene beweging in een andere overgaat, een beschuttingsinstinct te zien. Als de vogel vóór hij gaat vliegen, eerst met ingetrokken kop z’n bovenlijf langzaam heen en weer wiegt, dit dan voortdurend sneller en krachtiger doet, lijkt hij, volgens dezen auteur, op een door den wind bewogen blad.
De Vaandel-nachtzwaluw van Afrika, die zoo genoemd wordt om twee vaandelachtige veeren, die van uit z’n vleugels wapperen, is een van z’n mooiste verwanten.
Andere familieleden van deze nachtzwaluwen zijn de zoozeer bekende SALANGANEN (COLLOCALIA FUCIPHAGA) (No. 88), de vogeltjes, die de beroemde eetbare vogelnestjes, waarop de Chineezen zoo dol zijn, bouwen. Lang heeft men in ’t duister verkeerd omtrent de herkomst van de stof, waaruit deze nestjes gemaakt zouden zijn. Vroeger meende men, dat de vogeltjes (Sarong-burong, zooals de Javanen hen noemen) uit de wieren in zee het materiaal zouden putten. Zooals later door Bernstein is aangetoond, is dit een dwaling; want in werkelijkheid bestaan de nestjes uit speeksel van de salanganen. In den tijd van den nestbouw zwellen bij deze diertjes de speekselklieren sterk op en scheiden eene taaie, kleverige substantie af, die aan de lucht verhardt. Al vliegend drukken zij deze taaie massa tegen de rotsen aan en verwerken het tot de nestjes, die den bekenden vorm van een in achten gesneden bal hebben. In de donkerste en meest ontoegankelijke plaatsen, aan steile rotswanden van nauwe bergspleten vindt men de broedplaatsen.

GEITENMELKER.
(Caprimulgus europaeus).

SALANGAAN.
(Collocalia fuciphaga).

De lichtere plekken aan den rand van de spleten worden door een verwant bewoond, de COLLOCALIA LINCKI. Om gegeten te worden zijn de nesten van deze soort ongeschikt, daar er grashalmen en strootjes in verwerkt worden, hoewel de grondsubstantie ervan eveneens speeksel is.
Het oogsten van de nesten is door de ontoegankelijkheid van de plaatsen, waar de vogels ze bouwen, een zeer gevaarlijk werkje maar, daar het voordeelig is, hebben de mannen het er graag voor over. Voor een pond van de beste witte vogelnestjes gaf men eenige jaren voor den oorlog in Hong-Kong grif honderd twintig gulden. Als men bedenkt dat er zeventig nesten in een pond gaan en er drie nesten noodig zijn, om één bordje soep voor één persoon te kooken, is het een aardig werkje uit te rekenen, wat voor dat bordje soep betaald moet worden.
Het „oogsten” van deze nestjes gebeurt drie maal per jaar, want drie maal per jaar bouwen de vogels nieuwe nesten. Het beste en lekkerste zijn de nesten, die het vlugst worden afgebouwd, dus die gemaakt worden als de speekselafscheiding het overvloedigst is. Dat is in de tijden dat er het meeste voedsel is, n.l. in April. Met buitengewone zorg worden de nesten geplukt en in de schoone linnen zakjes gepakt, waarin ze verzonden worden. Gebroken of bevuilde nesten verliezen veel van hunne waarde. Daarom zijn die van de andere oogsten zooveel goedkooper, want deze worden gebouwd in een periode, dat de vogels het veel kariger hebben en krap in hun voer zitten, waardoor de speekselafscheiding veel geringer is en de nesten veel langzamer afgebouwd en gauwer vuil worden.
Ten onrechte noemt men de salanganen in Indië vogelnest„zwaluwen”. ’t Zijn geen echte zwaluwen, evenmin als de GIERZWALUW (APUS APUS) (No. 89) er een is, al doen zij in hun uiterlijk aan onze bekende zwaluwen denken. Regelmatig verschijnen deze vogels den eersten Mei in ons land en maken hunne komst dadelijk bekend door hoog in de lucht gierend rond te cirkelen.
Eigenlijk hooren de gierzwaluwen in de bergen thuis. Tegenwoordig hebben zij zich aan de menschen en hunne steden en dorpen aangepast en nestelen zij geregeld in torens en in hooge gebouwen. Bij gebrek aan deze vergenoegen zij zich zelfs wel met een hollen boom of de dakgoot van een gewoon huis. Zij kunnen niet al te kieskeurig zijn. Hun aantal breidt zich snel uit en daar de woningnood ook onder hen nijpend is, hebben zij geleerd te nemen wat zij krijgen kunnen. Dat in den nood om zich een nestplaats te veroveren, niet altijd gewettigde middelen gebruikt worden, laat zich, den vechtlustigen en onstuimigen aard van deze vogels in aanmerking nemende, gemakkelijk begrijpen. Menigmaal wordt dan ook een vreedzaam musschen- of spreeuwenpaartje van de goten verjaagd, omdat de gierzwaluw meent, voor zich van den nood een wet te mogen maken.
Deze vogels, die door hunne levendigheid ’s zomers de stad opvroolijken, houden zelf ook van gezelligheid. Altijd ziet men hen in troepjes rondvliegen. In troepjes houden zij hun Mei intocht, in troepjes trekken zij eind Augustus weer weg. Een enkele keer, met ongewoon warme voorjaars, komen zij wel eens voor Mei; ook gaan zij wel eens later dan Augustus weg, wanneer de zomer koud was en de jongen zich dientengevolge niet snel genoeg ontwikkelden om mee op reis te gaan.
’t Zelfde, wat we al eerder opmerkten voor de meest tot vliegen aangepaste vogels (zie Hoofdstuk II), zien we hier bij de gierzwaluw weer. Ook deze, die een uitnemend vlieger is, is een stumper op z’n pooten. Er op loopen kan hij niet, er op zitten evenmin. Hij kan er zich slechts mee tegen een muur aanklampen; een houding, die hij aanneemt als hij niet vliegt. Met alle vier teenen naar voren gericht, hangt hij zich te slapen gedurende de paar uurtjes dat de zomernacht duurt.
De allerkleinste vogeltjes, de kolibri’s, zijn nauw verwant aan de gierzwaluwen en salanganen. Toch loopen zij nogal uiteen en wijken vooral in snavelvormen van hunne familieleden af. Doch ook onderling verschillen de kolibri’s zeer veel in dit opzicht, daar zij alle honingzuigende vogels zijn en elke snavelvorm is aangepast aan de bepaalde bloemsoort, waaruit de kolibri het liefst z’n voedsel haalt. Al honing zuigende brengen zij het stuifmeel van de eene bloem op de andere van dezelfde soort en bevorderen op deze manier de kruisbestuiving, die in vele gevallen zoo noodig is voor de ontwikkeling van het zaad. Het moet een ongewoon fraai gezicht zijn deze sierlijke, met schitterende metaal-glanzende kleuren prijkende vogeltjes, den snavel diep in de bloem gestoken, honing te zien zuigen. „Als edelsteenen fonkelend in de zon”, blijven zij al vliegend op dezelfde plaats.

Menschen, die voor het eerst in Amerika reizen, vallen sommige van deze vogeltjes in de eerste plaats op door hunne kleinheid en zij houden hen voor buitengewoon groote hommels of bijen, waarvoor zij dan natuurlijk erg bang zijn. Doch slechts de allerkleinste kolibri’s geven aanleiding tot deze vergissing. Er zijn er ook, die door hun lange staart en vleugelveeren een vrij aanzienlijke lengte krijgen. Zoo meet bijv. de TOPAAS KOLIBRI (TOPAZA PELLA) (No. 90), van staart tot kop wel 20 c.M., waarom hij tot de grootste der kolibri’s gerekend moet worden. Dit sierlijke vogeltje is beperkt tot Guyana, waar het orchideën bestuift. Bij voorkeur vertoeft het bij water en vaak vindt men z’n nestje in een vork van dunne twijgjes, die over een vijver hangen. Die kolibrinestjes zijn teere, fijne dingetjes, „als door elfen gemaakt”. Van plantenpluis worden ze met wat speeksel bij elkaar gekleefd. Vaak vindt men ze aan den buitenkant overkleed met korstmossen, waardoor ze minder in ’t oog vallen.
De kolibri’s komen in geen ander werelddeel dan Amerika voor, maar daar treft men hen dan ook overal aan waar bloemen zijn, tot zelfs in Vuurland tot aan de sneeuwgrens komen zij voor. Iedere kolibrisoort heeft z’n eigen streek, waarvoor hij kenmerkend is. Daar buiten komt hij niet, daar leeft dan weer een andere vertegenwoordiger van dit zoo vormenrijke geslacht.
127 GRASPIEPER. (Anthus pratensis). 128 LEEUWERIK. (Alauda arvensis).


129 BULBUL. (Pycnonotus). 130 HONIGZUIGER. (Acanthogenys rufigularis).


131 HONIGVOGEL. (Nectarinia metallica). 132 BOOMKLEVER. (Sitta europaea).



§ 3. In de derde orde van deze groep, die der CLAMATORES, vinden we langzamerhand duidelijke overgangen tot de laatste orde, die der zangvogels (§ 4). Vooral treft ons dit in het stemorgaan, de syrinx, die in z’n bouw al reeds een aanwijzing geeft van de volmaking, die wij bij de zangvogels aan zullen treffen.
Toch, al is de KLOKVOGEL (PROCNIAS NUDICOLLIS) (No. 91) nog geen eigenlijke zangvogel te noemen, heeft hij een buitengewoon liefelijk stemgeluid, dat ieder, die ’t hoort, met verrukking vervult. Wie eens van een gevangen vogel dit buitengewoon welluidende klokkengeluid gehoord heeft, kan zich voorstellen, hoe betooverend mooi het moet klinken als in het Braziliaansche oerwoud, hoog uit de toppen der Moraboomen, ’t gelui van glazen klokken in volle harmonische toonen naar beneden ruischt. Wat verder op klinkt uit een anderen boom het antwoord. Waar dit geluid vandaan komt, wie het maakt, blijft den meesten verborgen, want de vogel houdt zich schuil in het dichte gebladerte en laat zich zelden zien. Wie volhardend genoeg is en zich eenige moeite geeft, z’n weetgierigheid te stillen, kan een eenvoudigen witten vogel, zoo groot als een duif, te zien krijgen.
Ook de cotinga’s zijn Zuid-Amerikanen. Het zijn prachtige gekleurde vogels. COTINGA MAYANA (No. 92) heeft z’n verbreidingsgebied van Zuid Mexico tot Noord Argentinië. ’t Zijn vruchteneters, die zich ook wel met dierlijk voedsel voeden.
De KONINGSVOGEL (TYRANNUS TYRANNUS) (No. 93) is slechts ’s winters in Zuid-Amerika, tot Ecuador en Amazoniën, zuidelijker komt hij niet. ’s Zomers trekt hij naar Noord-Amerika. Hij verschijnt er midden Maart en is in z’n broedgebied een zeer geziene vogel. Dit dankt hij misschien wel aan de eigenschap de menschen niet te schuwen, doch juist z’n nest in hunne onmiddellijke omgeving te maken, zooals lijster en merel dat zoo vaak bij ons doen. Hierdoor ook is men ruimschoots in de gelegenheid z’n gewoonten te bestudeeren en weet men heel wat meer van zijn levenswijs, dan van die der klokvogels of cotinga’s.
Als zij van hunne verre reis komen, zijn zij de eerste dagen moe en stil en vallen nauwelijks op. Maar later, als zij uitgerust zijn, dan komt hun ware aard voor den dag en zijn het levendige vroolijke vogels, die ijverig beginnen met het bouwen van hun nest. Het liefst kiezen zij daarvoor een plaats in tuinen of langs oevers van rivieren. De dichte gedeelten van het binnenste bosch vermijden zij zoo veel als mogelijk is. Als het legsel voltallig is, gaat het vrouwtje het bebroeden, terwijl het mannetje de wacht houdt. Wat een baas hij is, toont hij duidelijk als een ongewenschte bezoeker zich in de buurt van het nest vertoont. Voor niets deinst hij terug, als het geldt z’n gezin te verdedigen. En zoo hevig is z’n aanval, dat een kat, die eenmaal zoo roekeloos was zich in de buurt van een broedenden koningsvogel te wagen, voor goed z’n les geleerd heeft en voortaan zorgvuldig uit de buurt van dezen vogel blijft en elders aan de kost tracht te komen. Valken gaat het net zoo. Ook vogels, die veel grooter zijn dan hij zelf, valt onze koningsvogel aan. Zelfs gieren en adelaars, die in de buurt van zijn broedend vrouwtje komen, tracht hij op den rug te komen en als hij daar eenmaal zit, deelt hij hen venijnige snavelhouwen toe.

Naar alle waarschijnlijkheid had zoo’n adelaar geen enkele kwade bedoeling, ten opzichte van onzen koningsvogels broedende vrouw. Doch, de trouwe wachter duldt hen nu eenmaal niet, ver of nabij. Zoodra hij hen opmerkt, vervolgt hij hen eenige kilometers ver en maakt het hen lang niet gemakkelijk.
De vertegenwoordigers van de PITTA’S (No. 94), de vierde familie in deze orde, zijn te vinden in de Oude Wereld, in Indië, Australië en Afrika, maar voor het meerendeel leven zij in onze Archipel, met Borneo en Sumatra als middelpunt.
133 KOOLMEES. (Parus major). 134 PEKING NACHTEGAAL. (Leiothrix lutea).


135 SNIJDERVOGEL. (Sutoria sutoria). 136 GRASMUSCH. (Sylvia communis).


137 GOUDHAANTJE. (Regulus regulus). 138 RIETZANGER. (Acrocephalus schoenobaenus).



§ 4. ZANGVOGELTJES! Als we de naam van deze orde uitspreken, dan denken we in de allereerste plaats aan ’t kleine levendige goedje, dat in den zomer onze bosschen, onze tuinen, de heggen langs de weilanden en heivelden en het kreupelhout bevolkt; aan tjif-tjaf, groenling, vink, roodstaartje, roodborstje, winterkoninkje, tuinfluiter, merel, lijster, leeuwerik. Doch bovenal aan den nachtegaal, den koning der zangers, den dichter der vogels, die in z’n armzalig grauw pakje zich niets aantrekt van pracht en praal en schittering, maar in z’n eenvoud zingt, zooals hij alleen te zingen weet. Zoodat de menschen, die het hooren, stil worden en in zich zelf keeren en zich schamen om den ijdelen schijn, die zij in ’t leven najagen, terwijl het hen misschien gegeven was om als deze nachtegaal in eenvoud groot te wezen, als geen andere.
Niet iederen zangvogel is het gegeven te zingen als een nachtegaal. Er zijn er genoeg onder, die hun naam geen eer aandoen want kraaien, roeken, gaaien, eksters enz. zouden beter „krassers” kunnen heeten. Zij maken zelfs heel wat leelijker geluiden, dan de schreeuwers die in de vorige paragraaf een plaatsje kregen.
Niet alleen in stem, maar nog in verschillende andere eigenschappen loopen de zangvogeltjes sterk uiteen. In den bouw van den snavel vooral zijn verschillen waar te nemen. De zaadeters, zoo als vinken, hebben een dikken knotsvormigen snavel, terwijl de insectenetende vogeltjes een snaveltje hebben als een priem zoo fijn en scherp. Deze onderscheiding kan men evenwel niet al te streng doorvoeren. Een BOERENZWALUW (HIRUNDO RUSTICA) (No. 95), die toch uitsluitend insecteneter is, heeft een korten breeden, vrij vlakken snavel, die aan zijn kop een typisch ronde vorm geeft. Ook de oeverzwaluw heeft een dergelijk kopje.
Zoodra vliegen en muggen zich wat rijkelijker beginnen te vertoonen, hebben de zwaluwen hier genoeg te eten en verlaten zij het zuiden, om bij ons te komen broeden. De menschen merken hunne komst dadelijk op, hebben er zelfs al een paar dagen van te voren naar uitgezien want zwaluwen zijn zeer geliefde vogels, die men graag een plaatsje voor hun nest inruimt. In vele boerenschuren wordt expres een gat boven in de deuren gezaagd, waardoor de zwaluwen ten allen tijde in en uit kunnen vliegen. Hierdoor is het hen mogelijk gemaakt in het binnenste der schuur, tegen de balkenzoldering te nestelen. Dat doen zij wat graag, deze vogeltjes, omdat zij daar best beschut zijn voor den regen. Zij boetseeren vlijtig de klei tot een sikkelvormig kommetje, dat zij tegen de wand aanplakken. Al gauw worden er eitjes ingelegd en worden de jongen uitgebroed. Wat hebben de ouders het nu druk! Onafgebroken trekken zij er op uit en geven ons ruimschoots gelegenheid hun snelle, krachtige en fraaie vlucht te bewonderen terwijl we met genoegen naar het zacht knisterend geluid luisteren, dat zij maken. Soms als zij stil zitten, maar dat gebeurt in de broedtijd haast niet, laten zij een zacht fluitend „wiet-wiet” hooren.

In geheel Europa broeden de zwaluwen en overal staan zij even hoog in de gunst der menschen. Wel een bewijs, dat de menschen naar den aard, toch overal dezelfden zijn en iedereen verteederd is als dit sierlijke slanke vogeltje een stil beroep doet op hunne gastvrijheid en bescherming. Dat zij nuttig zijn, heeft op deze verbroedering geen invloed gehad, want het ZWARTGRAUWE VLIEGENVANGERTJE (MUSCICAPA ATRICAPILLA) (No. 96) is minstens genomen even nuttig en geniet geen tiende van de populariteit, die de zwaluw ten deel valt. Al vliegende vangt het ook een macht van insecten voor zich en z’n broedsel. Z’n liedje is bovendien ook veel aardiger, zacht, weemoedig een beetje, klinkt ’t ons toe. Dat doet dubbel vreemd aan, we hadden een uitbundiger liedje van deze buitengewoon levendige vogeltjes verwacht. In de noordelijke landen van Europa broeden de vliegenvangertjes niet, want koude kunnen zij slecht verdragen. Hun verblijf bij ons is ook vrij kort. Reeds betrekkelijk vroeg in ’t najaar trekken zij al naar Klein-Azië en Noord-Afrika. De regenachtige dagen, die voor ons menschen ’s zomers ook zoo naar zijn, lijken voor deze vogeltjes nog veel erger, zoo triest en stil worden zij er van.
De PESTVOGEL (AMPELUS GARRULUS) (No. 97) daarentegen, kan heel wat meer kou verdragen. Deze prachtige vogel broedt in Siberië en komt alleen in koude jaren of na het mislukken van den oogst, ’s winters bij ons. Van alle kanten stroomen dan de berichten naar de kranten, dat men hen gezien heeft. ’t Is dan ook werkelijk een opvallende verschijning. Als in vroeger jaren de vogel opgemerkt werd, kwam hij, evenals nu, als het voedsel in zijn eigen land op was: een bode dus van hongersnood.
Honger vermindert altijd het weerstandsvermogen tegen ziekten. In vroegere tijden, toen de algemeene levenstoestand veel onhygiënischer was dan tegenwoordig, braken in een tijd van hongersnood allerlei vreeselijke ziekten uit, waarvan pest wel de ergste was. In de jaren dat de vogel gezien werd, volgde deze afschuwelijke ziekte hem gauw, want waar geen voedsel voor de vogel was, leden ook de ratten honger en ook deze trokken weg en brachten, zooals we nu weten, de besmetting mee. De mensch alleen bleef waar hij was om te sterven. Zoo werd het verband tusschen den vogel en de pest gezien en hieraan dankt hij zijn naam waarschijnlijk wel. Nu in de laatste jaren is de vogel weer druk gesignaleerd, een bewijs te meer van den honger in Rusland en Siberië.
De KLAPEKSTER (LANIUS EXCUBITOR) (No. 98) kennen we al. Het is ’t aardige vogeltje, dat de valkenier zulke goede diensten bewijst (zie Hoofdstuk IV). Zijn eigenaardigheid te schreeuwen en uit alle macht te keer te gaan als hij een valk ziet, is zoowel voor de kleine zangvogeltjes als voor den valkenier de aanwijzing, dat er een valk in aantocht is. Toch ondanks deze goede eigenschap moet hij als een echte „Judas” beschouwd worden. Zelf een zangvogel, verkeert hij onder zijns gelijken in vrede en vriendschap; plotseling verandert z’n aard, hij vliegt op, pakt een van z’n argelooze kameraden op en worgt hem met z’n pooten. Honger drijft hem daar niet toe, want hij eet hen dikwijls niet eens dadelijk op. Vaak spiest hij, volgens klauwieren gewoonte, zijn slachtoffer aan doornen of prikkeldraad. Daar kan men ze dan vinden in gezelschap van muizen en insecten, andere slachtoffers van onze klapeksters, die op dezelfde manier bewaard worden.
Een andere vogel, die hoewel hij hoofdzakelijk van insecten en sprinkhanen leeft en toch niet geheel ongevaarlijk is voor z’n soortgenooten, is de FLUITVOGEL (GYMNORHINA TIBICEN) (No. 99), want deze eet nog wel eens jonge vogels. Het lied, dat deze vogel zingt, kan buitengewoon mooi zijn. Semon, in z’n voortreffelijke reisbeschrijving: „Im Australischen Busch”, geeft er een heel aardige beschrijving van. Niet alle vogels van deze soort zingen echter even mooi. Toch is van alle de klank van hunne stem buitengewoon vol, aangenaam, melodieus en diep. In volières en dierentuinen vindt men hen dan ook vaak. Soms zijn er onder deze vogels eenige, die brokstukken uit straatdeuntjes fluiten. Dat zijn de meest begaafden onder hen, behept met een goed geheugen voor klanken en een zeer sterk ontwikkeld nabootsingsinstinct.
Ook onze kraaien bezitten dit instinct, waardoor het mogelijk is hen te leeren praten, hoewel vrij gebrekkig, dat dient erbij gezegd te worden. „Gerrit” alleen leeren zij gauw en menig kind, dat een tamme kraai gehad heeft, heeft hij verrukt door het uitspreken van z’n naam.
BONTE KRAAIEN (CORVUS CORNIX) (No. 100) zijn de mooie vogels, die we „somber” vinden omdat zij onze wintergasten zijn en zij door hunne komst de treurmare brengen, dat de zomer onherroepelijk voorbij is. In de sombere grauwe regendagen van November wanneer we hem voor ’t eerst zien komen als levend deel van de regengrauwheid, vergeten we op te merken hoe mooi deze vogel is, eigenlijk veel mooier dan de „Gerrit”, die ’s zomers bij ons broedt en ’s winters als ’t streng vriest, het Zuiden intrekt. Toch gebeurt het, dat op de plaatsen waar overvloed van voedsel is, zooals op vuilnisbelten en mesthoopen, de zwarte en bonte kraaien den geheelen winter door samen worden aangetroffen. In ’t voorjaar trekken evenwel alle grijze kraaien weg, om in ’t Noorden te gaan broeden. Vanuit het Zuiden dagen langzamerhand de zwarte kraaien weer op, om weer bezit te nemen van de slordige takkennesten in de toppen der iepen en als ’t weer een beetje goed is, zien we door de nog bladerlooze boomen een kraaienkop over den rand van het nest uitsteken en broedt de vogel haar eerste eitjes reeds uit.
Wat of de kraaiachtigen in hun uiterlijk of levenswijs hebben, dat de aandacht der menschen heeft gevat, weet ik niet, maar evengoed als wij kraaien, eksters en gaaien voor „verstandige” vogels houden, beschouwen de Chineezen de KITTA (UROCISSA ERYTHRORYNCHA) (No. 101) als een „wijze” vogel, die in staat is andere vogels raad te geven. Waarin dit raadgeven bestaat, is moeilijk te zeggen. Misschien is het hunne eigenaardige gewoonte, op luidruchtige wijze de groote en kleine roofdieren, die op jacht gaan, te volgen. Hierdoor bederven de kitta’s de vangst van deze dieren totaal, want het lawaai dat zij maken, geldt iedere andere vogel als waarschuwing. Groote en kleine dieren passen nu op hun tellen, zijn meer dan gewoonlijk waakzaam en zullen nu niet licht onverwacht door het sluipende luipaard besprongen kunnen worden.
Hoewel zweefkitta’s veelkleuriger zijn dan eksters, lijken beide in de vlucht sterk op elkaar. De een zoowel als de ander zou den uitvinder van een vliegmachine geïnspireerd kunnen hebben, de aereoplaan z’n bekende vorm te geven.
Eksters bouwen een voor onze oogen heel merkwaardig nest, omdat zij er een dak op zetten. Dit is evenwel niets vergeleken bij het kunstwerk, dat de PRIEELVOGELS (AMBLYORNIS INORNATUS) (No. 102) van Nieuw-Guinea er van maken. Zij danken er dan ook ten volle hun hollandschen naam aan, want inderdaad, hun nest lijkt meer op een prieel dan op iets anders.
Aan den voet van een kleinen boom maakt hij z’n huis; buigzame sterke stengels, die dooreen gevlochten worden, vormen het materiaal er voor. In het midden van den voorkant, waar de ingang komt, wordt een soort pilaar of pijler gebouwd. Maar, waarom dit nest, nog meer dan om z’n kunstige bouw, de naam van prieel zoo ten volle verdient, is om de „tuin”, die de vogels er voor maken. Het „gazon” dat vrij groot in omvang is, wordt gevormd door mooi groen mos. De vogels versieren deze open groene plek voor hun nest met allerhande kleurige voorwerpen, steenen, bloemen en vruchten. Als deze beide laatste verleppen of hunne kleur verliezen, brengt de vogel ze weg, op een soort mesthoop, die hij achter z’n tuin heeft en ze worden dan door andere vervangen. In hun verlangen naar mooie dingen, vergrijpen zij zich wel eens aan het eigendom van de inboorlingen. Deze weten het wel en gaan als zij iets missen, eerst bij de nesten der prieelvogels zoeken. Vaak is hun achterdocht dan niet ongegrond geweest en vinden zij het verloren eigendom in den „tuin” van dezen vogel terug.
Slechts op Nieuw-Guinea komen deze vogels voor; zij zijn er in 3 soorten. Weer een voorbeeld dus van „endemische” vormen.
139 WINTERKONING. (Anorthura troglodytes). 140 SPOTLIJSTER. (Mimus polyglottus).


141 WITKUIF LIJSTERGAAI. (Garrulax leucolophus). 142 MEREL. (Turdus merula).


143 TAPUIT. (Saxicola oenanthe). 144 ROODSTAARTJE. (Phoenicurus phoenicurus).


Trouwens, Nieuw-Guinea is rijk aan merkwaardigheden. Daar geven de KLEINE PARADIJSVOGEL (PARADISEA MINOR) (No. 103) en de DRAADHOP (SELEUCIDES IGNOTUS) (No. 104) en hunne familieleden duidelijke voorbeelden van. De kleine paradijsvogel lijkt veel op de Paradisea apoda, doch deze is wel bijna viermaal zoo groot en dan ook van deze beide de meest om z’n veeren begeerde. Paradijsvogels worden door de Papoea’s geschoten met een stompen pijl, omdat dan de huid minder beschadigd wordt en deze meer waarde heeft voor een Europeesche dame, die de afgrijselijke wansmaak heeft, met een heele paradijsvogel op haar hoed te gaan wandelen. Vol trots steekt zij haar neus omhoog, in ’t poenige besef, dat zij voor een kapitaal op haar hoed draagt. En ondertusschen worden de vogels om haar vermoord en uitgeroeid!

Om den draadhop te vangen gaat een Papoea anders te werk. Eerst zoekt hij onder de boomen naar de uitwerpselen van dezen vogel. In den boom, waaronder hij deze vindt liggen, is de vogel gewend te slapen. Dan wacht hij af tot de vogel komt en let hij op den tak waarop deze gaat zitten, want iederen avond wordt vast denzelfden als slaapplaats gekozen. Den volgenden nacht, als de vogel in diepen rust verzonken is, klimt hij geruischloos naar boven en vangt den vogel door een doek over hem heen te werpen.
Begrijpelijker dan het zich optooien met veeren van doode vogels, is het genoegen dat de menschen vinden in het in kooien houden van gevangen vogels. Want als zij behalve door hun mooie veeren ook nog mooi zingen, verschaffen zij dubbel genot. Toch is dit een surrogaat van het genoegen, dat een ornitholoog in vrij levende vogels vindt, want geen vogel zingt zoo mooi of is zoo mooi als in zijn natuurlijke omgeving.
Wie eens de WIELEWAAL (ORIOLUS ORIOLUS) (No. 105) z’n korte roep (waarvan z’n naam slechts een povere nabootsing is), in de bosschen heeft hooren roepen, beantwoord door een ander, weet wel, dat het in een kooitje nooit zóó mooi kan klinken.
Al is de BEO (EULABES RELIGIOSA) (No. 106) door z’n buitengewoon sterk nabootsingsinstinct, in staat liedjes te leeren fluiten, de menschelijke spreekstem na te bootsen of zelfs de menschelijke zang te imiteeren, er gaat voor een echten natuurvriend niets boven een vrijen vogel, die het liedje zingt dat z’n hart hem ingeeft. ’t Is zoo jammer om de natuurlijke zang van een vogel op te offeren aan clownskunstjes, want in de kern is al dat aangeleerde nadoen toch niets anders.
Onze inlandsche imitator is de SPREEUW (STURNUS VULGARIS) (No. 107). Dat hij onovertroffen is op dit gebied kan ik niet zeggen, daarvoor is z’n stem niet rijk genoeg. Maar amusant is hij als hij op het randje van de dakgoot in z’n prachtig gespikkeld voorjaarspak, z’n uiterste best doet een merel na te fluiten of de roffel van het winterkoninkje na te slaan. Al vroeg in het voorjaar kunnen wij zijn eerste zachte fluittonen hooren. Want hoewel de meeste spreeuwen wegtrekken tot in Noord-Afrika, is het meestal niet voor lang en komt hij al gauw terug om te broeden. In zachte winters kan men in dorpen en boerderijen voortdurend spreeuwen vinden, daar is voedsel genoeg voor hen te halen. In het vroege najaar, in September, vereenigen zich massa’s van deze jonge vogels tot de z.g. spreeuwenvolken. Die schijnen dan vliegoefeningen te houden en kiezen als rustplaats een bepaald punt, een boschje hakhout of zoo iets dergelijks.

In Afrika leven een paar zeer bekende familieleden van hen, de buitengewoon fraaie GLANSSPREEUW (LAMPROCOLIUS PURPUREUS) (No. 108) en de om zijn eigenaardige levenswijs zoo beroemde ROODSNAVELIGE MADENHAKKER (BUPHAGUS ERYTHRORHYNCHUS) (No. 109). Overal in de Zuidelijke en Oostelijke steppen van Afrika, waar koeien, paarden, buffels, antilopen, neushoorns en nijlpaarden aangetroffen worden, is deze vogel ook te vinden, want waar deze groote zoogdieren zijn, kunnen zij hun kostje ook ophalen. Dat bestaat uit vliegenlarven, die leven in de huid van deze dieren en zich daar ten koste van hun gastheer voeden. Die vliegen zijn een ware plaag, want als de larven volwassen zijn en op hunne beurt weer eieren leggen, doen zij dat ook weer in de huid van een of ander groot zoogdier. De madenhakkers nu, hakken de knobbels, die zich vormen op de plaats waar zoo’n vliegenlarf zit, open en eten de larf op. Deden zij niets meer, zij zouden als een voortreffelijk en nuttig vogeltje beschouwd moeten worden. Helaas, voor de arme viervoeters is de remedie erger dan de kwaal, want de vogels zijn ware kwelgeesten, die het dier veel erger pijnigen dan alle vliegen en larven te samen. Zij zijn zelf, net als het ongedierte, dol op zoogdierenbloed en krabben om het te bereiken korsten van wonden, die beginnen te heelen of hakken de made dieper uit dan noodig is. De wond, die zij maken, moet flink diep zijn en sterk bloeden; zij zijn niet eer tevreden vóór zij hun dorst aan rijkelijk vloeiend bloed goed kunnen lesschen.
De KOEVOGEL (MOLOTHRUS ATER) (No. 110) van Amerika, kwijt zich van dezelfde taak op een betere manier. Voor zoover mij tenminste bekend is, gaat hij niet buiten zijn boekje. Dat wil hier dus zeggen, dat hij zich bij de larven houdt en zich niet voedt met het bloed der koeien en paarden. In levenswijs komen deze vogels in zeker opzicht overeen met de koekoeken, ten minste zij zijn ook polygaam, d.w.z. dat de mannetjes niet trouw zijn aan één vrouwtje (of de vrouwtjes aan één mannetje). Zij leven in gezelschappen en trekken zich van zorgen om jongen groot te brengen of eieren uit te broeden, niets aan. Van tijd tot tijd verdwijnt een vrouwtje uit deze troep, om in het nest van een ander zangvogeltje een ei te gaan leggen en dit daar uit te laten broeden. Evenals bij de koekoek, zou men geneigd zijn te zeggen, dat zij er te „lui” voor waren, als we nu niet beter wisten, dat de vogels er evenmin als de koekoek toe in staat zijn.
De wevervogels (No. 111–117), die in tal van soorten in Afrika (waar zij voor het landschap karakteristiek zijn) doch die ook in Azië en Australië voorkomen, onderscheiden zich juist door het tegenovergestelde. Men zou hen, van menschelijk standpunt af beschouwd, buitengewoon vlijtig kunnen noemen. Zij besteden tenminste meer dan gewone zorg aan hun nest, waarvan de vorm voor de verschillende soorten nog al uiteen loopt.
PLOCEUS ABYSSINICUS (No. 111), een van deze wevervogels, is zoo’n hartstochtelijk nestbouwer, dat hij van geen ophouden weet en er nog mee doorgaat terwijl het niet meer noodig is. Als ’t eerste nest, dat het mannetje geheel alleen gebouwd heeft af is en door het vrouwtje in beslag is genomen om er eieren in te leggen, gaat hij een tweede en daarna een derde, soms nog wel eens een vierde nest maken in de onmiddellijke nabijheid van het eerste. Zij hangen allemaal aan een lange van stroo gevlochten steel. Deze „vertakt” zich aan het uiteinde tot een tweelobbige knots. Ieder van deze vertakking is bolvormig van buiten en hol van binnen. Een er van heeft een gat voor ingang, de andere is het eigenlijke nest, waarin de eieren gelegd en de jongen groot gebracht worden. Aan de binnenbekleeding, die van veel fijner gras gemaakt is, had ’t wijfje, in de peuterige zorgzaamheid, die vrouwen zoo eigen is, nog een en ander te veranderen en te verschikken voor het naar haar zin is.
Daar deze wevervogels allemaal van gezelligheid houden en steeds de buurschap van huns gelijke zoeken, levert een boom vol met deze eigenaardige nesten, een wonderlijken aanblik. Maar niet alleen met het bouwen zoeken de vogels elkander, zij houden elkaar voortdurend gezelschap: zij zingen samen, zoeken gezamenlijk hun voedsel en gaan te samen drinken. Dit drinken, waarvoor zij zich natuurlijk naar open plaatsen moeten begeven, is voor hen een gevaarlijk werkje daar zij zich dan blootstellen aan hunne vijanden. Aan den rand van ’t bosch zitten zij door de bladeren beschut, te wachten. Opeens schieten zij pijlsnel naar beneden, drinken „vliegensvlug” een slok en gaan weer naar hun vorige rustplaats om, als zij het oogenblik gunstig vinden, weer naar beneden te schieten. Deze schielijkheid is wel noodig, omdat hunne vijanden op hen loeren en van elk oogenblik, dat zij zich bloot geven, gebruik maken hen te vangen.
De VUURWEVER (PYROMELANA FLAVIROSTRUS) (No. 112) en de PARADIJSWEDUWVOGEL (STEGANURA PARADISEA) (No. 115) zijn wevervogels, die in het hooge gras der steppen leven en daar hun nest tusschen de grashalmen vlechten. De nesten zijn ovaal; de ingang wordt zijdelings van boven aangebracht.
De prachtvinken en AMADINEN, (No. 113, 114 en 116) weven eigenlijk niet meer, maar pakken fijn gras vrij slordig te samen tot een bolvorm met een zijdelingsche opening.

RIJSTVOGELTJES (MUNIA ORIZIVORA) (No. 114), leuke kleurige vogeltjes met vuurroode snaveltjes, zijn in de rijstvelden erger dan de spreeuwen bij ons in de kersenboomgaarden. Want, al doen de spreeuwen veel schade en berokkenen zij een enkele kweeker veel last, als men de rijstvogeltjes hunne gang liet gaan, zouden zij een aanzienlijk deel van de rijstoogst opeten en waren zij de oorzaak dat er door veel menschen misschien honger geleden werd. Want rijst is in Aziatische landen, zooals onze Indië, het hoofdvoedsel der bevolking. Men neemt dan ook wel degelijk maatregelen om deze vogeltjes binnen de perken te houden. Zoo lang de rijstvelden nog onder water staan, doen de vogels geen kwaad en zoeken zij hun voedsel overal elders. Zoodra men evenwel de sawah’s (zoo heeten de rijstvelden) droog laat loopen en dit doet men als de aren rijpen gaan, komen de vogeltjes in dichte drommen opzetten en pikken zij zoo veel zij kunnen van de kostelijke korrels weg, zich aan de halmen vastklemmende als hangende meezen aan de twijgjes.
De inlanders, die niets op de zwermen van deze schooiertjes gesteld zijn, bouwen stellages op verschillende plekken in de sawah. Deze stellages zijn niet veel meer dan vloertjes, door palen hoog boven den grond gebracht en met een bladeren dak bedekt. Op de meest verschillende plaatsen heeft men bovendien in de sawah’s palen gezet, die met de uitkijktorens (want dat is de bedoeling van de afdakjes op stelten) verbonden zijn door touwtjes, waaraan men allerlei rommel heeft gehangen. Zoo iets in de geest van „de sleep”, waarmee de Zaansche kinderen hun stadgenooten op Luilaknacht uit de slaap houden. Met die sleep van rinkinkende rommel rinkelen zij voortdurend, waardoor de vogels geen oogenblik rustig aan de maaltijd kunnen blijven. Een heel doelmatige vogelverschrikker dus.
Als de rijst gesneden is en de onkruiden welig opschieten op dit vochtige, vruchtbare land en ze door de snelle ontwikkeling der planten in deze tropische oorden gauw zaad dragen, mogen de rijstvogeltjes zich naar hartelust hieraan tegoed doen. Zij eten zich dik en rond, maar als zij er op hun voordeeligst uitzien, vangt de inlander hen weer en eet hen op.
Van de eigenlijke vinken onderscheiden deze wevervogels zich uiterlijk haast niet. Het hoofdverschil ligt in de nestbouw, waarbij vinken, zooals we dat bijv. van de MUSCH (PASSER DOMESTICUS) (No. 117) kennen, werkelijk niets bizonders aan te vinden is. Of het moest zijn, dat hij er zoowat het geheele jaar mee bezig is, er zoowat het heele jaar door eieren in heeft en meer broedsels per jaar groot brengt dan eenig andere vogel doet. Dat de musch zoo in staat is, het heele jaar door te broeden, komt voort uit dezelfde eigenschap, die hem over de geheele wereld vertegenwoordigd doet zijn. Een musch kan zich zoo gemakkelijk aanpassen. Warm of koud, het schijnt hem om ’t even. Z’n kostje weet hij altijd wel te vinden, want hij zorgt er voor, steeds in de buurt van de menschen te blijven.

WEVERVOGEL.
(Ploceus abyssinicus).
De menschen zelf schijnen ook op hen gesteld te zijn, tenminste, kolonisten hebben zich de moeite gegeven, hen mee naar Amerika te nemen, denkt Brehm. Misschien ook, zijn zij per ongeluk met graanschepen of dergelijke meegekomen. In ieder geval zijn zij er nu, terwijl zij er vroeger niet waren, dat weten de Amerikanen maar al te goed, want in sommige streken zijn zij zoo talrijk geworden, dat zij even als de konijnen in Australië een ware plaag werden. Zóó bont maken zij het bij ons nog niet. De meeste musschen vindt men in de steden. Daar is altijd nog wel een warm en beschut plaatsje te vinden, terwijl in het vuil en afval op de straten voedsel in overvloed is.
De musch is ook een vogel, die buitengewoon veel van gezelligheid houdt. Nooit ziet men hem alleen maar steeds in gezelschap van meerdere van z’n luidruchtige kameraden. De drukste gezelschappen vormen zij evenwel ’s winters, tegen het vallen van den avond. Dan komen groote troepen bij elkaar in bepaalde boomen en trekken den aandacht door hun druk getjilp en gesjilp. Overdag kan men deze boomen gemakkelijk herkennen, omdat ze als het ware wit gekalkt zijn door de uitwerpselen.
Een aardig muschje, dat buiten veel voorkomt, maar zich niet in de stad laat zien, is de ringmusch. Gewoonlijk wordt hij evenals de gewone musch door ons weinig kunstzinnig volk voor een leelijk grauw diertje gehouden. Een Japanner weet beter de schoonheid te vinden, ook waar deze niet luid sprekend is in schitterende kleuren. Een ringmusch te zien, zooals een Japanner hem teekent, is een openbaring van schoonheid. Van schoonheid, die overal te vinden is voor ieder, die zich de moeite geeft er op te letten.
Nog veel sterker dan de musschen het verkeer met huns gelijke zoeken, doen de REPUBLIKEINEN (PHILETAIRUS SOCIUS) (No. 118) dat, want deze brengen zelfs hun nestmateriaal bij elkaar en verwerken dit tot een grooten in een boom hangenden „hooiberg”. Ieder paartje heeft er z’n eigen hokje voor een nest, ’t „dak” hebben allen gemeenschappelijk.
Als het broeden afgeloopen is en de jongen groot genoeg zijn om voor zichzelf te zorgen, dan wordt weer met bouwen begonnen en wordt er een étage ondergebouwd, want de republikein broedt nooit tweemaal in hetzelfde nest. Telkens wordt hun gemeenschappelijk huis vergroot, tot eindelijk deze massawoningbouw den tak, waaraan deze honderden nesten hangen, te zwaar is geworden en deze breekt. Dan kunnen zij weer opnieuw beginnen.
Van alle vinken is de KARDINAAL (CARDINALIS CARDINALIS) (No. 119) wel de grootste en in ’t oog van een liefhebber van felle kleuren, zeker wel de mooiste. Inheemsch is deze vogel in de Oostelijke Vereenigde Staten, waar hij in koude winters trekvogel is, in zachte winters evenwel op z’n broedplaats blijft, net als onze gewone vinken dat doen.
Onze inlandsche vinken prijken lang niet in zulke schitterende kleuren als de kardinaal, hoewel de GOUDVINK of BLOEDVINK (PHYRRULA PHYRRULA) (No. 121), ’t PUTTERTJE (CARDUELES CARDUELES) (No. 124), die beide in ’t Oosten van ons land of de KRUISBEK (LOXIA CURVIROSTRA) (No. 122) die sporadisch wordt waargenomen, toch als fraai gekleurde vogels zeer zeker in aanmerking mogen komen.
De kruisbek is behalve mooi, ook nog merkwaardig door den gekruisten snavel, die z’n geslacht kenmerkt. Dit is een buitengewoon practisch instrument voor het bewerken van de denne- en sparreappels, die het liefste voedsel van de kruisbekken vormen. Al naar gelang een kruisbek zich de zaden uit een hard schubbige denneappel of uit de meer buigzame dunne schubben van een sparreappel pelt, is z’n snavel zwaar hoornachtig of lichter gebouwd.
Eigenaardig is het, dat de hars uit deze zaden zoo geheel het lichaam van deze vogel doordringt, dat het hen na hun dood voor bederf bewaart. Zij drogen dan eenvoudig tot mummies in. Als een kruisbek zich langen tijd met insecten gevoed heeft, wat zij wel eens doen als er niets anders voor hen te eten is, dan zijn zij als zij gestorven zijn net als iedere andere vogel aan bederf onderhevig. Het liefste voedsel voor deze mooie vogel blijft evenwel het dennezaad. Waar geen dennen zijn, komen zij niet voor. Ook trekken zij vaak van het eene gebied naar het andere. Welke motieven den vogel daar dan toe dwingen, is niet bekend.

REPUBLIKEIN.
(Philetairus socius).
Zaad is het meest geliefde voedsel voor een vink. Dat maakt dat zij gemakkelijk in volières te houden zijn. Want al eet het puttertje bij voorkeur distelzaden, andere zaden versmaadt het niet.

Een andere geliefkoosde inlandsche vink voor volières is de goudvink of appelvink. Want behalve dat zij prachtig gekleurd zijn, kunnen zij erge aardige liedjes leeren zingen, als een mooi-fluitende man het hun voordoet en het hun zoo met veel geduld leert. Zij hechten zich erg aan de verpleger en schijnen gauw aan hunne gevangenschap gewend. Het is heel dikwijls noodig om deze mooie en aardige, maar lastige en schadelijke vogels, onschadelijk te maken. Aangenamer dan het doodschieten van deze mooie diertjes lijkt het me, hen te vangen met vogellijm en hen in kooien te houden, vooral omdat deze vogels geen bezwaren tegen het kooileven schijnen te hebben.
Het doodmaken van iets levends is altijd een naar werk en als het dan nog mooi is ook, valt het dubbel zwaar. De dieren kunnen het toch niet helpen, dat zij van appel- en perenbloesems houden!
Beroemd om z’n mooie zang, die reeds in de natuurstaat opvallend is, is de vink van de Canarische eilanden, de KANARIE (SERINUS CANARIUS) (No. 123). Zij worden daar tegenwoordig nog veel gevangen en verkocht. Reeds sinds 1478 bestaat deze handel. Want, toen in dat jaar de Spanjaarden de Canarische eilanden veroverden, heeft de zang van dit vogeltje in de menschen de begeerte gewekt, het als „huiszanger” aan te nemen.
Zooals ’t met zooveel dieren is gegaan, die de mensch uit het wild onder z’n bescherming heeft genomen, ondergaat ook deze vogel een verandering. Al heel gauw verliezen ook de tegenwoordig uit het wild gevangen kanaries hun groenige kleur en worden zij geel, maar langzamerhand door kruising en teeltkeus, veranderen zij ook iets in bouw, gaan soms beter, soms minder goed zingen. Tegenwoordig onderscheiden de kanariekenners tal van variëteiten, die in drie rassen, ’t Hollandsche, Engelsche en Duitsche onderverdeeld worden.
Onze inlandsche sijsjes zijn nauw aan kanaries verwant. In de zang van deze vinkachtige vogels is iets typisch, dat hun alleen eigen is, de z.g. „slag”. Onze gewone vink kent niet anders dan die „slag”, al varieert deze voor de vinken uit de verschillende streken. De kanarie zingt verschillende wijsjes, maar in z’n voordracht ervan is toch altijd die slag te herkennen, zoo goed als in het aardige, eenvoudige liedje van de GEELGORS (EMBERIZA CITRINELLA) (No. 120).
In Duitschland wordt deze vogel veel gegeten door ’t volk en de tuingors, Emberiza hortulanis, de ortolaan geldt bij fijnproevers als een eerste lekkernij. ’t Is een sympathieke eigenschap van ons volk, dat bij ons deze en andere zangvogeltjes niet of nagenoeg niet gegeten worden.
De TANAGRA (RHAMPHOCELUS BRASILIUS) (No. 125) is zoo groot als een musch en zoo rood als een kardinaal. „Zomerrood”, de naam die de Amerikanen hem geven, is dan ook een heel goeie, temeer daar hij slechts gedurende de vier zomermaanden in Oostelijk en Midden Amerika vertoeft. Als half September het broedsel groot is, gaan zij in paartjes het Zuiden in, waar zij het zelfde stille, ingetogen leven leiden, dat ook in de broedtijd zoo typisch voor hen was. Zoo stil leven zij, dat zij, ondanks hun opvallende kleur, nauwelijks opgemerkt worden.
Onze KWIKSTAART (MOTACILLA ALBA) (No. 127) ’t algemeen bekende grijs-zwarte vogeltje en de graspieper, in z’n eenvoudig grauw pakje, schijnen er anders over te denken. Men hoort en ziet hen tenminste waar zij zijn. Vooral de kwikstaartjes zijn coquette, levendige vogels. Kwiek trippend met hun fijne pootjes, pittig wippend met hun staartje, maken zij voortdurend kleine tjilpende geluidjes, die overal gehoord worden en steeds de aandacht op hen vestigen. De vlucht is mooi, met groote golven.
In de wintermaanden missen we deze levendige vogeltjes, maar al heel vroeg komen zij weer terug. Als de tuinder eind Januari of begin Februari begint met het bewerken van z’n grond, dan is het kwikstaartje er al heel gauw om hem gezelschap te houden en in den omgespitten grond naar voedsel te zoeken. Nooit zal die tuinder meer dan twee kwikstaarten tegelijk zien, want ieder kwikstaartenpaartje heeft een eigen gebied, waarin geen andere kwikstaart komt, dan de jongen, die zij zelf groot brachten. Broeden doen zij op alle mogelijke plaatsen, want zij bouwen hun nest in alle mogelijke holletjes. Ik vond het tusschen gekapt hakhout, dat op hoopen lag, zoo goed als in gaten langs het wallekantje van een sloot.

Net als ’t kwikstaartje vindt de GRASPIEPER (ANTHUS PRATENSIS) (No. 127) z’n voedsel op den bodem. Ook maakt hij daar z’n nest van grashalmen in een ondiep kuiltje. Het is moeilijk te onderscheiden van een leeuwerikennest.
Ook de vogels zelf lijken op elkander, doch de LEEUWERIK (ALAUDA ARVENSIS) (No. 129) wint het aan beminnelijke eigenschappen. Sinds Frederik van Eeden deze ontdekte en van een zoo buitengewone hoedanigheid vond, dat hij er een vers over maakte, waarin hij de leeuwerik z’n „lievelingsvogel” noemde, kan men geen opstel over dezen vogel van een Nederlandsch journalist, die zich zelf respecteert, in handen krijgen of één of meer regels of soms zelfs het geheele vers wordt aangehaald. Wel een bewijs, dat dit in een dringende behoefte voorzag. Hoewel ’t, naar me voorkomt, niet precies de bedoeling van den dichter geweest zal zijn.
Al deze aanbidding heeft de vogel zelf gelukkig niet geschaad en hij is er even aardig om gebleven. Als hij jubelend omhoog stijgt en de parelende tonen van z’n lied als kristallijne druppels op ons neervallen, dan kunnen we niet anders dan luisteren en hem nastaren, tot hij onzichtbaar wordt in de strakke blauwe lucht.
Al van het eerste begin af, als in Februari de leeuwerik komt, is hij te hooren. Het hoogtepunt van z’n zang komt pas in de warme maanden. Dan zingt hij van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. En gek is ’t, maar ’t zelfde lied dat ons in den frisschen ochtend een opwekking was, is op het heetst van den dag, als alles dommelt onder de zengende warmte der zon, zoo vermoeiend en maakt zoo slaperig, dat we ons er door in slaap laten vallen, zonder weerstand te kunnen bieden.
De eenige zanger, buiten Europa, die zich met onze beste zangers, de leeuwerik en de nachtegaal kan meten, is de BULBUL (PYCNONOTUS SPEC) (No. 129). Zij komen voor in het Indische en Aethiopisch gebied. In Indië wordt deze vogel heel veel in gevangenschap gehouden, niet zoo zeer om z’n zang als wel om zijn ongeëvenaarde vechtlust. Zoodra een broedsel ver genoeg gevorderd is om de mannetjes te herkennen, worden deze uit het nest genomen en gedresseerd. De kunstjes, die hij leeren moet zijn nog al eenvoudig. Men verlangt dat hij leert op de hand van zijn eigenaar terug te komen. Acht men hem tenslotte in staat om een gevecht te leveren, dan bindt men hem een touwtje aan de pooten en laat hem bij een andere vechtersbaas. Iedere eigenaar houdt zorgvuldig z’n touwtje vast. De vogels vechten zoo hevig, dat zij elkaar zouden dooden als men hen ongestoord hun gang liet gaan.
Bloembestuivende vogels zooals de kolibri’s komen niet alleen in Amerika voor. Ook in Afrika en Australië zijn er. Deze hebben dezelfden eigenaardig gekromden snavel, die voor sommige kolibri’s opvallend was. Ook hunne tong is merkwaardig; deze is een z.g. „penseeltong”. De naam is goed gegeven, want het uiteinde van hun tong lijkt werkelijk op een penseel, door de herhaalde keeren dat de punt ervan zich in steeds fijner wordende takjes splitst.
De HONIGZUIGER (ACANTHOGENYS RUFIGULARIS) (No. 130) die in Australië leeft, vindt z’n voedsel voornamelijk in de bloeiende gummiboom (Eucalypthus). De HONINGVOGEL (NECTARINIA METALLICA) (No. 131) die in Afrika voorkomt haalt z’n kostje uit de Aloe’s en Strelitzia’s.

Evenmin als de kolibri’s verwant zijn aan deze honingvogels, hoewel in uiterlijk, lichaamsbouw en eenige andere bijzondere eigenaardigheden, sterke overeenkomsten te vinden zijn, is de BOOMKLEVER, (SITTA EUROPEA) (No. 132) familie van de specht, hoewel deze twee vogels weer door dezelfde levenswijs een uiterlijk hebben gekregen, dat hen zeer veel op elkander doet lijken. In werkelijkheid, d.w.z. volgens systematische geldende kenmerken behoort de boomklever tot de meezen, hoe hij er uiterlijk dan ook van verschilt. Om deze dubbele natuur wordt hij door de Duitschers „spechtmees” genoemd. Klimmen doen de boomklevers minstens even goed als een echte klimvogel. Zij gaan een boom net zoo gemakkelijk op als af. Tusschen de schors zoeken zij daarbij steeds naar insecten en spinnen en maken zich bovendien nuttig door het verdelgen van schadelijke schorskevers. Nestelen doen zij graag in door spechten verlaten gaten.
Ook de meezen, waarvan de KOOLMEES (PARUS MAJOR) (No. 133) de grootste inlandsche is, maken zich verdienstelijk door het verdelgen van insecten. Het zijn de sierlijkste en levendigste vogeltjes die wij hebben en zij vervroolijken vooral de winterdagen met hun gezelligheid. Als ’s winters in de kruinen der dennen een troep meezen bij elkaar is en de wandelaar, die op hunne aanwezigheid opmerkzaam gemaakt wordt door hunne kleine tjilpgeluidjes, zich de moeite geeft eens wat langer onder de boomen stil te staan, kan hij dikwijls veel soorten aantreffen. De koolmees en het fijne pimpelmeesje zijn er wel haast altijd bij, maar ook de zwartkopmeesjes, de kuifmeesjes zijn er. Een enkele maal is zelfs de veel zeldzamere zwarte mees wel tusschen hen te vinden.
Het is evenwel niet iedereen gegeven, ’s winters onder de denneboomen te kunnen wandelen. Menschen in de stad, die het verlangen voelen meezen in hunne dagelijksche omgeving te zien, kan ik niet anders raden, dan spekzwoerd, kokosnoot en apenootjes op te hangen. Ook is het aardig in een beetje dikke tak eenige gaten boven elkaar te boren zoo groot als een gulden en 1½ c.M. diep. Deze gaten vult men dan met een likje plantenboter of spekvet. En nooit zullen zij berouw hebben van de kleine uitgave, die zij deden. De vreugde, die zij ervoor terug krijgen kan heel groot zijn, dat hangt maar van het plezier af, dat men zelf in deze vogeltjes heeft. Als de menschen van vogels houden, zullen zij het wel kunnen verdragen, dat de musschen het grootste aantal van hunne gasten vormen. De vinken, ’t roodborstje en de meezen zullen ook wel komen, evengoed als de merel, de lijster en het winterkoninkje. Als men de vogels eenmaal aan een vaste plaats gewend heeft en zij weten, waar zij voedsel kunnen vinden, is het niet onmogelijk, dat zij het nestkastje zullen opmerken, dat u voor hen heeft opgehangen en krijgt u misschien wel een vinkenpaartje of koolmeezenpaartje aan het broeden in uw stadstuintje of aan uw balcon.
De laatste familie in de orde der zangvogels zijn pas de eigenlijke zangers. Hoewel al de andere families in deze orde, waarvan we reeds een of meer vertegenwoordigers behandelden, zingen konden, zooals de zwaluwen, de vliegenvangers, de worgers, de paradijzen, de wielewalen, de wevers, de vinken, de tanagra’s, de leeuweriken en de meezen, zijn het nergens zangers in den echten zin van het woord. Daartoe alleen behooren wel 25.000 soorten, waarvan de PEKING NACHTEGAAL (LEIOTHRIX LUTEA) (No. 134) er slechts één is. Deze leeft in de Himalaya, geheel in hetzelfde gebied waar ook de SNIJDERVOGEL (SUTORIA SUTORIA) (No. 135) aangetroffen wordt. Deze snijdervogel is vooral aardig om het nest dat hij maakt. Tusschen twee bladeren, die hij met een zelf gesponnen katoenen draad aan elkaar naait, brengt hij katoen, paardehaar en andere vezels en vormt daarvan het nest. Een heerlijke, zacht schommelende wieg voor z’n kleintjes.

SNIJDERVOGEL.
(Sutoria sutoria).
GRASMUSSCHEN (SYLVIA COMMUNIS) (No. 136) komen half April bij ons vanuit midden Afrika. Zij trekken tot in Skandinavië om te broeden. ’t Zijn pittige levendige vogels, met een druk, onstuimig liedje, die we heel ongaarne zien vertrekken, evenals de RIETZANGER (ACROCEPHALUS SCHOENOBAENUS) (No. 138), die hem een maand later naar Afrika volgt, om eind April weer terug te komen. Dan bouwt hij z’n nest op de hoogste plaatsen in het moeras, tusschen opschietende wilgenboschjes. Daar is het altijd droger dan op de andere plekjes en heeft hij minder last van den wisselenden waterstand. Hoewel een zanger in de systematische zin, is z’n zang niet veel bizonders, evenmin als die van z’n verwant, de sprinkhaanrietzanger. Deze maakt zoo’n raar roffelend geluid, dat zóó laag is, dat het buiten het gehoor van sommige menschen valt, evenals het hooge, ijle geluidje, dat het GOUDHAANTJE (REGULUS REGULUS) (No. 137) maakt. Dit overschrijdt de gehoorgrens van sommigen weer aan de andere kant. In het voor- en najaar zijn deze kleinste van onze vogeltjes bij massa’s in ons land, op de voor- en najaarstrek. Want hoewel zij ’s zomers en ’s winters altijd in de sparren en dennen te vinden zijn en er altijd eenige bij ons broeden in de leuke bolvormige nesten, zooals die ook bij andere familieleden, als staartmeezen en winterkoninkjes in gebruik zijn, is hun aantal in den trektijd het grootst. ’s Winters treffen we de goudhaantjes veel in meezentroepen aan, want als deze vogeltjes niet broeden, zoeken zij het gezelschap van andere, die op dezelfde terreinen hun voedsel zoeken. Kwiek scharrelen zij tusschen de dennetakjes door, wippend van ’t eene takje op het andere, bengelend aan de dunste twijgjes, voortdurend pikkend en snappend met hun fijne snaveltje. ’t Fijne kopje, met het gouden kammetje draait en wendt het naar alle kanten, de scherpe kraaloogjes spieden in ieder kiertje en spleetje naar kevertjes en spinnetjes.

Klein Jantje, het WINTERKONINKJE (ANORTHURA TROGLODYTES) (No. 139), geldt bij het volk algemeen voor ons kleinste vogeltje, doch is toch grooter dan het goudhaantje. Zoo klein als hij is, dringt hij zich overal op den voorgrond en zet een vervaarlijke stem op. Overal hoort men zijn eentonig, maar niettemin heel grappig en karakteristiek liedje. ’t Klinkt zoo echt „parmantig”, deze kleine rakker z’n roffel te hooren slaan en z’n paar tonen te hooren fluiten. Onafgebroken kan hij er soms mee doorgaan en overal hoort men z’n tjū-tjū tjū tjrrrrrrrrrrr, tjuu′ tju′ tju′ tju′ tju′ tju′ ū ē. In de hardnekkigheid waarmee hij z’n weinig melodieuse zang laat hooren, evenaardt de groenling (Chloris chloris), een familielid van het puttertje hem slechts, die z’n nog minder kunstzinnig geblèèr nog halstarriger ten gehoore blijft geven.
Ondanks deze eentonigheid in hun zang vervelen zij ons nooit, omdat hun volharding zoo aardig is. „Ieder vogeltje zingt zooals het gebekt is” en nog meer dan de zang zelf interesseert ons de drang tot zingen, die juist bij deze leuke schreeuwleelijkjes zoo duidelijk is.
Heel wat „meer nooten op zijn zang” heeft de SPOTLIJSTER (MIMUS POLYGLOTTUS) (No. 140), die z’n naam met eere draagt en aan een buitengewoon nabootsingsinstinct een prachtig vol geluid paart, zoodat het resultaat van zijn imitatieproeven werkelijk verrassend is. De Amerikanen zijn dan ook verbazend trotsch op dezen vogel en noemen hem de meest volmaakte en voortreffelijkste der zangers, zooals nu eenmaal alles wat uit Amerika komt de overtreffende trap is van ’t geen Europa voortbrengt. Brehm evenwel vindt dit echte opsnijderij en neemt de verdediging van onze nachtegaal op zich. ’t Geen me vrijwel een onbegonnen werk lijkt, daar bij den strijd om het kampioenschap voor deze twee vogels, de Amerikanen zeker op z’n Amerikaansch den grootsten mond zullen opzetten en de voorvechter voor onze zanger het daar wel tegen af zal moeten leggen.
Zooals de „doofste” mensch de nachtegaal wel hooren moet, zoo moet de „blindste” mensch die in de Himalaya komt de WITKUIF LIJSTERGAAI (GARRULAX LEUCOLOPHUS) (No. 141) wel zien. Want niet alleen dat zij in troepjes leven en een geweldig kabaal maken, zij zijn, ondanks hun betrekkelijk eenvoudige kleuren zeer in ’t oog loopend. Dit komt wel voornamelijk door hunne levendigheid en bewegelijkheid.
Heel wat stillere vogels zijn onze MERELS (TURDUS MERULA) (No. 142), want hoewel hunne stem sterk en vol is en men de zang en tegenzang van twee vogels, als zij op een hooge ijle tak aan het zingen zijn, op grooten afstand hooren kan, ’t lied zelf klinkt ons altijd zoo sereen in de ooren. Het meest op z’n plaats doet deze merelzang mij aan in de bloeiend blanke pracht van een kersenboomgaard. Als zuilen van een kathedraal staan de mooie stammen. Tegen het blauwe gewelf van den hemel splitsen zich de slanke bogen van wit bloeiende takken. Daar klinkt van uit een hoek de reine orgeltoon van het merellied, een ander antwoord. De mensch zit stil en luistert.
Maar ook in minder idyllische omgeving is merelzang heerlijk om te hooren en gelukkig is dat haast overal mogelijk, want de merel is overal. In stadstuintjes nestelt hij zoo goed als buiten en menigeen, die klimop langs z’n huis heeft groeien, zal verrast worden door een bouwend merelpaar. Op één bepaald puntje van de dakgoot, op een bepaalde windwijzer, op de kroonlijst, op de schoorsteen, overal vindt de merel een plaatsje, dat hem hoog en vrij genoeg is om z’n lied te fluiten. Wegtrekken doet hij niet. Wel is hij ’s winters met de korte dagen een tijd lang stil en missen we z’n zang. Hoe anders, hoeveel levendiger, hoeveel zonniger lijkt ons de dag, als in ’t heele vroege voorjaar de eerste aarzelende tonen van de merel gehoord worden. Als een goed nieuwtje, roepen we met lachende oogen onzen vrienden toe: Ik heb vandaag de merel gehoord!!
Zoo gaat het ook in de duinen, als de TAPUITEN (SAXICOLA OENANTHE) (No. 143) weerom komen. Saai en doodsch en verlaten lijken onze duinen zonder hen. Maar nauwelijks zijn zij er weer of we zien hen en het duin leeft weer voor ons. De tapuit in het duin, dat is de lente, die komt.
Langzamerhand gaat dan het orkest der zomermuzikanten voltallig worden. Tjif-tjaf, merel, groenling, vink, lijster, roodborstje, fitis, nachtegaal, zij doen allemaal hunne best en oefenen zooveel zij kunnen. De zachte stem van het ROODSTAARTJE (PHOENICURUS PHOENICURUS) (No. 144) gaat haast te loor tusschen al deze andere. Toch weet ook hij z’n fijne, zéér melodieuse liedje naar voren te brengen en doet hij z’n uiterste best, ons z’n wijsje in het geheugen te prenten. En als ten slotte de laatste trekkers, de Meivogels komen, is het koor voltallig en staat de zomer voor de deur.

[
Inhoud
]