← Table of contents
Vogelalbum No. 1

Voorwoord. (continued 2)

Reading edition

De kluit is één der steltloopers, die goed kan zwemmen, daar hij zwemvliezen tusschen de teenen heeft. Zij komen betrekkelijk pas laat in ons land, want in April wordt zijn melodieus maar klagend: klú-i͞e-ĕ, klú-i͞e-ĕ voor ’t eerst gehoord en in September trekt hij al weer weg, heel ver ’t Zuiden in, tot aan de Kaap toe.

Strandloopertjes.
Strandloopertjes.

Strandloopertjes daarentegen zijn vogeltjes, die ’s winters in ons land komen en in ’t voorjaar naar het Noorden trekken, waar zij hun broedgebied hebben. Aan ons Noordzeestrand ziet men ’s winters, vlak langs de branding, troepen van deze kleine vogeltjes aan het visschen. De KANOETSTRANDLOOPER (TRINGA CANUTUS) (No. 27) is misschien wel de mooiste ervan. Tusschen zoo’n troepje vindt men ook vaak pleviertjes en ’t kleine strandloopertje (Limonites minuta), hoewel deze laatste ook dikwijls zonder vreemden in hun troepje leven. Zoo’n troepje strandloopertjes is aardig om te zien. Deze allerliefste kleine diertjes loopen verbazend vlug, zoo vlug, dat men hunne pootjes niet meer afzonderlijk waarnemen kan en zij niets anders lijken dan rollende bolletjes. Tot zij op eens opvliegen, zachte fluitgeluidjes maken en een oogenblik later weer neerstrijken om hun race, tegen wind in, weer te beginnen.

SNIPPEN (SCOLOPAX) worden door veel menschen in één adem genoemd met patrijzen. Waarschijnlijk, omdat voor de menschen het culinaire genoegen, dat deze beide vogels aan de smulpapen verschaffen, van overwegend belang is. Toch zijn zij in ’t geheel geen familie van elkaar, daar de patrijzen tot de hoenders behooren, terwijl de snippen steltloopers zijn.

Snippen vormen over geheel Europa een zeer geliefd wild en worden, vooral tijdens de najaarstrek druk gejaagd. Zij gelden bij de meest verfijnde lekkerbekken voor een exquise lekkernij.….. mits zij met ingewanden en al gebraden worden. Want het allerfijnste gedeelte van deze vogels vormen juist deze ingewanden, met hunne half verteerde inhoud van insectenlarven en de ± 200 lintwormen (ieder ongeveer 18 c.M. lang) die er in leven. Een fijnproever, die „z’n drekkie” niet in z’n snip vindt, acht zich door z’n poelier bedrogen. Het is toch soms wel heel erg prettig, maar een dood gewoon mensch te zijn en te mogen grillen van dergelijke tractaties.

Houtsnip (Scolopax rusticola).
Houtsnip (Scolopax rusticola).

Hoewel op deze vogel door de jacht, die er op gemaakt wordt, meer is gelet dan op andere, zijn z’n gewoonten niet goed bekend. ’t Is misschien juister te zeggen: niet goed begrepen, daar de groote massa aanteekeningen van betrouwbare waarnemers nog al uiteen loopen.

Soms trekken snippen hoog, soms laag, soms langzaam, soms vlug. Maar waarom zij dat doen en wat de hoogte of de snelheid van hunne vlucht beïnvloedt, weet men niet.

De vogeltrek is wel een van de wonderlijkste en meest merkwaardige verschijnselen die we in de dierenwereld tegen komen; ook is het een van de opvallendste. Geen wonder dan, dat de menschen over dit verschijnsel hebben gedacht en er een verklaring voor hebben trachten te vinden. Toch hebben zij met de eenvoudige verklaring, die lang aanvaard is geworden, groote fouten gemaakt, omdat zij conclusies trokken uit onvolledige waarnemingen. Men had, behalve het regelmatig aan en afwezig zijn van de vogels, ook grootere en kleinere troepen van hen op reis waargenomen. Men hoorde hen ’s nachts, aan de geluiden die zij maakten, men wist, dat zij op hunne tochten vaak de zee over moesten en dat zoowel oude als jonge vogels de reis maakten.

Men stelde zich voor dat de oudere vogels, die al meerdere malen de tocht naar het Zuiden hadden gemaakt, den jongeren den weg wezen. Deze leeren hem goed kennen, en zijn later in staat, anderen dezelfde dienst te bewijzen. Men meende, dat de vogels over zee, zéér, zéér hoog zouden vliegen en dat hun buitengewoon scherpe oogen hen in staat zouden stellen, de heele zee te overzien en dat zij daardoor den kortsten weg naar de meest uitstekende landtong zouden vinden. Als zij ’s nachts vlogen, hielden zij zich bij elkaar door het geven van geluiden. Maar men meende, dat in ’t algemeen het vliegen bij nacht slechts bij uitzondering gebeurde, wanneer de tocht over zee te lang was, om in één dag volbracht te worden.

Nauwkeurige waarnemingen van lateren tijd hebben wel aan ’t licht gebracht, dat het zóó eenvoudig, als men zich vroeger voorstelde, niet is.

Men weet nú, dat veel vogels geheel alleen trekken. Wie heeft hen den weg gewezen, toen zij dat voor de eerste maal deden? Andere vogels trekken slechts in den nacht. Hoe is ’t mogelijk, dat zij in ’t donker den weg vinden? Temeer, daar veel vogels laag over zee trekken en dus niet den geheelen weg kunnen overzien. Ook is de trek over groote afstanden veelal geluidloos en roepen de vogels slechts dan, wanneer zij licht zien.

Hoe men dus de trek verklaren moet? Men weet het niet en heeft er over gedacht of de vogels niet een zeer uitgesproken richtingszin zouden hebben. Die richtingszin is een van de mysterieuze instincten, die men erkennen moet, zonder ze te begrijpen. Er zijn zelfs nog menschen, die eenzelfde onverklaarbare richtingszin hebben en den weg weten te vinden in een voor hen vreemd gebied. Een overblijfsel van instincten, die ons vroeger, als kuddedier eigen geweest moeten zijn. Een overblijfsel dat wij helaas verloren hebben, maar dat nog aan sommigen (o. a. Nomaden-volken) onschatbare diensten bewijst!

49 PARELHOEN. (Numida meleagris). 50 CALIFORNISCHE KWARTEL. (Lophortyx californicus). 51 KROONDUIF. (Goura coronata).

49
49
50
50
51
51

52 ROTSDUIF. (Columba livia). 53 CONDOR. (Sarcorhamphus gryphus). 54 GIER. (Gyps rüppelli).

52
52
53
53
54
54

Die richtingszin verklaren? Het is mogelijk dat er nog eens een vernuft scherpzinnig genoeg is, om ’t te ontleden. Misschien wordt ons daardoor ’t mysterie van deze geheimzinnige kracht geopenbaard. Dan zal hiermee een ander wonder feit tot nuchtere werkelijkheid worden. Dan zal van ’t opgeloste probleem de bekoring geweken zijn. Een bekoring, die ons nu nog gevangen en betooverd houdt.

Met de broedgewoonten van de snip is het al net zoo gesteld: een tegenspraak tusschen de meest betrouwbare waarnemingen maakt het moeilijk iets met zekerheid er over te zeggen.

Houtsnippen (Scolopax rusticola) komen eerst tot leven in de schemering. Overdag houden zij zich schuil. Men ziet hen dan betrekkelijk zelden. Bovendien weet de vogel een uitstekend gebruik te maken van z’n kleur, een prachtig voorbeeld voor de theoriën van Thayer. Want, een houtsnip die „zich dood houdt”, dat is, onbewegelijk op één plaats zitten blijft, is zoo goed als niet te vinden.

Het is me eens gebeurd, een vleugellamme houtsnip te zien, die verdwaald was op een landweg. Het beestje volgde getrouw den raad, die Moeder Natuur hem gegeven had en drukte zich onbewegelijk stil tegen den weg. Ditmaal zonder resultaat natuurlijk, want tegen den grauw-zwarten weg viel z’n warm bruine kleur met de onregelmatige teekening, die zoo aan blaadjes en takjes gelijk is, duidelijk op. Tot vlak bij, liet hij me komen. ’t Was z’n instinct, die meegekregen eigenschap, dat hem zoolang tot stilzitten dwong. Maar de angst van ’t diertje was duidelijk te zien aan z’n oogjes en toen ik m’n hand uitstak om hem te grijpen, was het gevaar hem te groot. Hij vergat alle lessen en vluchtte weg, om, buiten ’t bereik van die hand, een meter of vier, vijf verder zich opnieuw dood te houden. Zoodra dus blijkbaar de angst wat minder was, dwong z’n instinct hem weer tot het onbewegelijk neerzitten. Wéér liet hij me nader komen, wéér liep hij weg toen ik te dicht bij hem was. In een bosch zou deze methode hem ongetwijfeld geholpen hebben te ontkomen. Hier gaf ’t niets. Het eind was dan ook, dat ik hem te vlug was en mee naar huis nam, om z’n vleugel te verbinden.

De snip van onze rietlanden is de WATERSNIP (GALLINAGO GALLINAGO) (No. 28).

Een ander aardig vogeltje van onze rietlanden is DE RAL (RALLUS AQUATICUS) (No. 29).

Het geldt voor een zeldzaam diertje. Misschien is het niet zoo zeldzaam, als men wel geneigd is aan te nemen. Het is alleen weer een diertje met een prachtige schutkleur, dat daardoor weinig in ’t oog valt.

Koeten.
Koeten.

In Brazilië leeft een familielid van hem, dat z’n sprekend evenbeeld is. Het is evenwel wat grooter. In Artis, waar er al sinds jaren een is, is het een van de luidruchtigste vogels en z’n luidruchtigheid is in hooge mate grappig, daar z’n roepen duidelijk: „Och-bewaar-me” is. En zoo duidelijk en zoo vol luide verontwaardiging wordt het geroepen, dat het een glimlach ontlokt aan ieder die het hoort.

Even schuw als de ral is, is de KOET (FULICA ATRA) (No. 30) brutaal. Overal waar maar een beetje water is, vindt men dezen aardigen, plompen, gemoedelijken, zwarten vogel, met de witte bles op z’n kop. Die bles wordt niet gevormd door witte veeren, zooals de bles op een paardekop uit witte haren bestaat. ’t Is hier, bij de koet, de afwezigheid van veeren, die de huid vrij laat en wit doet afsteken tegen de omgevende gitzwarte veeren. Als een koet tusschen eenden en waterhoentjes op een plas drijft, herkent men hem direct, juist door die bles.

’t Opvallendst onderscheidt een koet zich van de andere steltloopers door z’n pooten. Deze zijn n.l. voorzien van gelobde zwemvliezen. Hierdoor wordt het oppervlak van iederen teen zeer vergroot. Door deze vergrooting van z’n draagvlak kan de vogel nu met groot gemak over de waterplanten loopen, terwijl ze hem tevens in staat stellen om te zwemmen.

Men treft de koet, het hooge Noorden uitgezonderd, in geheel Europa aan. In zeer strenge winters wordt ook ons land hem te koud en trekt hij naar het Zuiden. ’s Zomers vindt men hem haast in iedere sloot, waar genoeg riet is. Zijn nest is moeilijk te bereiken, daar het op het water tusschen de rietstengels drijft. Vaak rust het op een basis van oude rietstoppels. De eieren hebben de kleur van het dorre riet en zijn zeer fijn bespikkeld. Deze spikkels, die grootere en kleinere, dikkere en dunnere streepjes zijn, komen zeer sterk overeen met de stippels, die door „roest”zwammen op de doode rietstengels gemaakt worden. De jongen blijven heel lang tusschen het riet; dat zij er zijn, hoort men aan een schreeuw of een gelok van de oude, die zich met hen bezighoudt. ’s Avonds, als het donker wordt, brengt zij hen wel op het open water. Met heel zachte, onderdrukte geluidjes laat moeder dan weten waar zij is. De jongen zorgen dan wel vlak bij haar te blijven.

Waterhoentjes.
Waterhoentjes.

Het waterhoentje is ’t sierlijke donkergrijze familielid van de koet en wordt op precies dezelfde plaatsen aangetroffen. De roode snavel, de sierlijke bouw, de witte streepen over de vleugels en de roode pooten, maken hem gemakkelijk herkenbaar.

De stem van dit mooie vogeltje is buitengewoon leelijk. Ieder heeft deze wel eens gehoord, als de vogel opschrikte en onder het uitstooten van een rauwe schaterlach, half loopend, half vliegend over het water rent, zich omhoog heft, even vliegt en zich met een boog in het riet van den overkant der sloot laat vallen. Waar hij het water met z’n pooten aanraakte, blijft nog een rimpelspoor achter.

De JASSANA (JACANA JACANA) (No. 31) is hun neef uit Zuid-Amerika. Daar is deze even algemeen als de koet of het waterhoentje bij ons. Uiterlijk verschilt hij nog al wat. Dit komt voornamelijk door de zeer lange pooten met de buitensporig lange teenen. Oppervlakkig geoordeeld zou men een dergelijk exces ondoelmatig en dwaas kunnen vinden. Op het land heeft de vogel dan ook veel last van die lange teenen, die hem het loopen zeer moeilijk maken. Maar in de moerassen en vijvers, waar hij hoort, blijkt het gemak ervan. Over ’t wateroppervlak, dat met drijvende bladen van waterplanten overdekt is, loopt het er bliksemsnel mee. Z’n lange teenen verdeelen z’n lichaamsgewicht. Nu veert alleen de bladerenmassa onder hem; had hij kortere teenen, ze zouden waarschijnlijk onder hem wegzinken.

Zoodra deze bizarre vogel onraad merkt, laat hij z’n stem hooren. ’t Is net als van ons eigen waterhoen een lach, doch klinkt veel welluidender.

Dat de TRAPGANS (OTIS TARDA) (No. 32) tot de steltloopers behoort en niet tot de ganzen, zooals de naam, of tot de hoenders, zooals een oppervlakkige blik op z’n uiterlijk doet vermoeden, dankt hij aan z’n loopbeen, dat meer dan tweemaal langer is dan de middenteen. Want dit loopbeen is ’t toch maar, dat voor al deze steltloopers zoo karakteristiek is.

Deze ongeveer een meter groote vogel, was vroeger algemeen in ons land en in Engeland. Dat hij daar tegenwoordig niet meer voorkomt, zal wel in hoofdzaak te wijten zijn aan z’n levenswijze, die hem nu juist niet tot de aangenaamste gasten in de velden maakt. Hij houdt zich bij voorkeur alleen op in de vruchtbare streken, waar graan en groene plantendeelen in overvloed voor hem te vinden zijn.

Het is heel moeilijk een trapgans te zien te krijgen, zelfs in de Russische steppen, waar hij algemeen voorkomt. Zij zijn zoo schuw, dat zij zich overdag haast nooit laten zien, maar standvastig tusschen het hooge koren blijven. Daar zij op open velden slapen en deze niet altijd aan hun voedselterrein grenzen, kiezen zij de na-schemering of den nacht uit, om deze op te zoeken. In den vroegen morgen gaan zij weer terug, met hun waardige, langzame en afgemeten passen den weg afleggend.

Evenals vele andere vogels kent de trapgans verschillende menschen uit elkaar en onderscheidt hij den ongevaarlijken boerenknecht of wandelaar zeer goed van den jager.

De jacht, die begrijpelijkerwijze veel op deze schadelijke vogels gemaakt wordt, levert daardoor eigenaardige moeilijkheden. De menschen dienen de vogel te slim af te zijn. Een jager verkleedt zich als een boer, of een boerenknecht en laat zich in een boerenkar of op een hooiwagen naar het veld brengen, waarin de ongewenschte gasten gesignaleerd zijn.

In Engeland heeft men eenigen tijd geleden moeite gedaan, om deze vogel weer te doen inburgeren. Vijftien stuks werden daartoe tegelijk ingevoerd en aan de zorg van het publiek toevertrouwd. Met het helaas al te vaak voorkomend gevolg, dat het publiek zich van deze verantwoordelijkheid niets aantrok en roekelooze jagers de vogels neerschoten. Nooit heeft men meer iets van hen gezien.

Misschien heeft de KRAANVOGEL (GRUS GRUS) (No. 33) zich vroeger ook in ons land opgehouden. Gegevens hierover zijn me niet bekend. Toch lijkt het niet onwaarschijnlijk, daar de groote moerassen in de buurt van akkers, die door hen als woonplaats uitgezocht worden, wel niet ontbroken zullen hebben. De groote moerassen verdwijnen en worden tot vruchtbare polders. Maar helaas, de vogels verdwijnen ook en niemand neemt hunne plaats in. Of het moest de mensch zijn, die de polders bewoont. Jammer genoeg verdwijnen hierdoor de meer aantrekkelijke dieren.

Trekkende Kraanvogels.
Trekkende Kraanvogels.

In Duitschland heeft de kraanvogel nog streken naar z’n hart. Hij broedt daar dan ook geregeld. Wij zien hem hier alleen nog maar als hij vandaar uit overtrekt naar de warme landen, naar Egypte of Engelsch Indië.

In het laatste land met z’n veel te dichte bevolking, worden zij als uiterst schadelijk beschouwd. Dat is dan ook geen wonder. Want de verwoestingen die zij in de korenvelden aanrichten zijn verschrikkelijk. In Egypte eten zij jaarlijks wel 100.000 H.L. graan op. Daar, in de vruchtbare Nijllanden kan het van de overvloed wel gemist worden. In Britsch Indië waar men op iedere graankorrel zuinig is, is het een ander geval.

Alleen de kraanvogels, die Noordelijk broeden, trekken. Zij vliegen daarbij in grootere en kleinere troepjes, in een rechte lijn achter elkaar. Zij houden zich aan de groote trekwegen, die voornamelijk langs de kusten gaan.

Ieder paartje kiest zich, bij de moerassen aangekomen, een bepaald broedgebied, waarin geen ander nest dan het hunne geduld wordt. Toch begroeten zij overtrekkende vogels met luide vreugdekreten van hunne ongelooflijk sterke stem.

Broedende kranen zijn zeer moeilijk gade te slaan. Zij zijn schuw en weten zich goed te verbergen, daar hunne kleur tijdens het broeden van fraai licht grijs, tot een vieze, vuile, donkergrijze kleur wordt. Niemand kon hiervoor een verklaring vinden, tot eens een zeer goed verborgen waarnemer een wijfje observeerde, dat zonder achterdocht was en zich onbespied waande. Hij zag toen, dat zij haar veeren met modder insmeerde en schoot haar neer. Het bleek toen, dat de modder met speeksel vermengd, zoozeer in de veeren was gedrongen, dat het er niet uit te wasschen was, maar zich slechts met chemische middelen liet verwijderen.

55 SECRETARIS. (Serpentarius serpentarius). 56 HARPIJ. (Thrasaëtus harpyia). 57 STEENAREND. (Aquila chrysaëtus).

55
55
56
56
57
57

58 WITBUIK ZEEAREND. (Haliaetus leucogaster). 59 BOOMVALK. (Falco subbuteo). 60 OELOE. (Ketupa ceylonensis).

58
58
59
59
60
60
Vliegende flamingo’s.
Vliegende flamingo’s.

§ 2. De tweede orde van de groep der Grallatores (Steltloopers) wordt gevormd door de PELOPATIDES, die slechts de FLAMINGO’S (PHOENICOPTERUS ROSEUS) (No. 34) tot haar vertegenwoordigers telt. Wel verdienen deze wonderlijke vogels een plaats alleen in het systeem. Want nergens vindt men meer huns gelijke. Toch doen deze vogels in hunne onderdeelen aan alle mogelijke andere denken. Zij doen aan als een schepping van een kunstenaar met levendige verbeelding, die dieren construeert uit stukken van andere. En al werd het hier geen leeuw met een menschengezicht, die ons met haar sphinxenblikken betooverd houdt, toch doet de grilligheid van deze vogels ons in blanke verwondering naar hen staren.

Wat boeit ons wel ’t meeste? Is het de fijne kleur van het teere roserood der veeren, dat zich in de vleugels even accentueert, als de blos op de wangen van een kind? Of is het het contrast in de lichaamsdeelen? De ooievaarspooten met de eendeteenen, de zwanenhals, die als een slang zich kronkelt of de onevenredig groote, bleekgele snavel, die de kleine kop zoo topzwaar doet lijken? Ik weet het niet. Maar ondanks deze, in kleinigheden zich telkens herhalende grilligheid, wat een harmonisch geheel, wat een sublieme slankheid van lijnen, wat een rustige voornaamheid in bewegingen.

De snavel is wel het merkwaardigste van dezen vogel. Juist om deze snavel werden zij vroeger bij de eenden ondergebracht, want deze is voorzien van een zelfde zeef-apparaat, met dit onderscheid evenwel, dat bij een eend de bovensnavel over de ondersnavel wordt gelegd en dit bij de flamingo juist andersom is.

Een eend neemt, zooals iedereen weet, het voedsel zwemmend tot zich en gebruikt de bovensnavel als deksel over den ondersnavel. De flamingo zoekt z’n voedsel wadend, of staand in diep water. Door de lange pooten wordt hij niet nat en de lange hals stelt hem in staat den bodem te bereiken van de strandmeeren. Het zand of de modder zeeft hij nu met ’t gevoelige zeef-toestel in z’n bek en gebruikt dan de onderkant van den snavel als deksel voor de bovenkant, daar hij z’n hals naar binnen ombuigt en dus de kop onderste boven heeft. En weer verbazen we ons, nu we zien, hoe alles wat ons aan den vogel verwonderde, beteekenis voor hem heeft, in verband met z’n levenswijs.

61 RANSUIL. (Asio otus). 62 SNEEUWUIL. (Nyctea nyctea). 63 VEELKLEURIGE LORI. (Trichoglossus novæ hollandiæ).

61
61
62
62
63
63

64 KAKATOE. (Cacatua Triton). 65 UILPAPEGAAI. (Stringops habroptilus). 66 PARKIETEN. (Conurus cactorum).

64
64
65
65
66
66
Reigerkolonie.
Reigerkolonie.

§ 3. De ibis, ooievaar, maraboe, reiger en nachtkwak zijn enkele vertegenwoordigers van de GRESSORES, de derde en laatste orde der Steltloopers.

In Europa vindt men eenige vertegenwoordigers van de IBIS-familie (No. 35). Over het algemeen evenwel moet men deze vogels in Afrika, Azië en Amerika zoeken. In verhouding tot de andere hierboven genoemde vogels, zijn zij betrekkelijk klein. Zij vallen voornamelijk op door hun naar beneden gebogen snavel. Bij nauwkeuriger onderzoek blijken zij bovendien hunne tong te missen.

In Egypte werd de ibis vroeger als heilig beschouwd en in staat van halve gevangenschap gehouden. De reden voor deze heiligheid lag in hun komst tijdens de Nijloverstroomingen. Ieder jaar brengen deze overstroomingen vruchtbaarheid aan landen, die anders zoo onvruchtbaar zouden zijn als de woestijnen, waaraan ze grenzen. De Nijl was daarom heilig als brenger van leven en vruchtbaarheid. En de ibis, die gelijk met het aangebeden en zegenrijke water kwam, moest zich mede de aanbidding laten welgevallen. Als er een stierf, werd z’n lichaam gebalsemd met evenveel zorg als dat van een Pharao. Van deze ibis-mummies zijn er nog massa’s in de oude Egyptische tempels te vinden.

Terwijl de ibissen in de oudheid zooveel aan de Nijl voorkwamen, vindt men hen tegenwoordig niet meer in Egypte. Een verklaring weet men niet voor dit verdwijnen.

Van de LEPELAAR is het verdwijnen makkelijker te begrijpen. Vroeger vond men hem overal. Nu is hij nog slechts in Holland, waar hij aan een paar van onze plassen nestelt en bij de groote moerassen van Hongarije te vinden.

Het Zwanenwater bij Petten en het Naardermeer vormen zijn tegenwoordige standplaatsen in ons land. Hun kolonies worden er met de uiterste zorg behandeld en tegen iedere rustverstoring beschermd. Nauwelijks 100 jaar geleden, broedden de vogels nog in een groote kolonie in de plassen bij Rotterdam. Toen deze drooggemaakt werden, is de vogel verdwenen.

We kunnen er de „Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten” dan ook niet dankbaar genoeg voor zijn, dat zij het Naardermeer en z’n heerlijke vogelwereld voor dat lot behoed heeft. En het is dwaas, het den eigenaar van het Zwanenwater kwalijk te nemen, dat hij den toegang tot z’n terreinen streng verbiedt. De eenige manier om natuurschoon in ongerepten staat te behouden, is het ontoegankelijk voor de menschen te maken. Want slechts zeer weinigen kunnen liefhebben en bewonderen, om de vreugde van schoonheid alléén.

Vliegende ooievaars.
Vliegende ooievaars.

De meesten verlangen dit schoone ook te bezitten. En de biologen zijn misschien nog de ergste vandalen, hoewel men het van hen ’t minst zou verwachten. Zij bevredigen dit verlangen door het plukken van een zeldzame bloem, die aan hun herbarium ontbreekt, door het plunderen van een nest, waarvan de eieren in hunne collectie mankeeren.

Al is het slechts een enkele, zeer bevoorrechte en vertrouwde natuuronderzoeker, die toegang tot de broedkolonie van de lepelaars in ’t Naardermeer krijgt, het werkelijk belangstellend publiek kan niet dankbaar genoeg zijn. ’t Broeden kunnen zij wel niet zien, maar de lepelaars gaan ver om hun voedsel te zoeken. Zij komen tot onder de rook van Amsterdam, aan de Zuiderzee tot bij Zeeburg, om te visschen.

De verrassing, deze blanke vogel met de zwarte breede en platte snavel op eens te zien, na alle gewone steltloopers, geeft een vreugde, die door de zeldzaamheid zooveel te dieper is. Hoe heerlijk is het niet, op een mooien lentedag aan de Zuiderzeedijk bij Valkeveen of Zeeburg te liggen, te midden tusschen een overvloed van prachtig rose bloeiend Engelsch gras. Je kijkt naar eenden, strandloopertjes, grutto’s, wulpen en tureluurs. Op eens zie je in de zacht-blauwe voorjaarslucht een schitterend witte vlek, die langzaam grooter wordt. Het zijn lepelaars. Met sierlijken langzamen slag, die de vleugels doet blinken in de zon, naderen zij soms twee, soms drie tegelijk, om voor hun middagmaal te gaan visschen op ’t ondiepe, slikkerige water van de Zuiderzee. We zullen veel missen, wij, Amsterdamsche natuurvrienden, als deze eens droog is en den weg op is gegaan van zooveel plassen voor haar.

Maar behalve dergelijke dingen, die door hunne schoonheid en ook om hunne zeldzaamheid een vreugd voor ieder natuurliefhebber zijn, is ons leven nog rijk aan vreugden, door kleine alledaagsche dingen.

Hoe waar is ’t woord van den Duitschen dichter: Auch kleine Dinge können uns entzücken, auch kleine Dinge können zärtlich sein. Hoe rijk en mooi wordt ons leven niet door ’t opmerken en bewonderen van duizend kleine dingen, die aan de jagende en jachtende menigte voorbijgaan.

De lente in Holland, die ons zoo’n massa vogels terugbrengt, geeft ons, bij het weerzien van iedere oud-vertrouwde en bekende vogel, zoo’n kleine, zuivere vreugde. Als ’t half Maart is en de lente nog talmt met komen, verschijnt de OOIEVAAR (CICONIA CICONIA) (No. 36) op z’n nest, op de nok van de boerderij of op de paal in het weiland en kleppert dat het een lieve lust is. Z’n lange hals buigt hij ver naar achter en hij zwaait z’n kop, voortdurend met de snavel klepperend naar voren. Welluidend is het niet, maar toch vinden we het mooi en staan we er graag naar te luisteren en naar de levenmakers te kijken. Het klinkt ons zoo opwekkend in de ooren, want, is niet de ooievaar een nieuwe lentebode, die ons moed inspreekt? De winter was zoo lang en koud. We verlangden zoo naar groene boomen, blauwe luchten en gouden zonneschijn. En de vroolijk-klepperende ooievaar belooft ons dat allemaal. We moeten alleen nog een heel klein beetje geduldig zijn. Klepper dus maar ooievaar, dat houdt er den moed in.

Ooievaarsnest.
Ooievaarsnest.

En klepperend blijft hij staan op ’t nest, dat zoo noodig verzorgd moet worden. Z’n maat is dan ook weg, om er nieuwe takken voor te halen. Dat nest is hun kostbaarste bezit. Zij durven het geen oogenblik alleen te laten. Al eenige jaren hebben zij er op gebroed. Om beurten gaan zij dus op nieuwe takken uit, om beurten houden zij de wacht. Er kon eens een ander komen, die het in beslag nam. Alle verrotte, oude takken worden weggehaald en nieuwe op hunne plaats gebracht.

Jammer genoeg begint het zien van een bewoond ooievaarsnest in Nederland een zeldzaam verschijnsel te worden. Ons land vormt op het oogenblik de uiterste westhoek van het verspreidingsgebied van dezen vogel. In Engeland, waar zij vroeger ook broedend voorkwamen, zijn zij nu niet meer.

Vliegende ooievaars.
Vliegende ooievaars.

Een vliegende ooievaar is gemakkelijk van z’n bloedverwant, de reiger, te herkennen, daar een ooievaar z’n langen hals rechtuit naar voren steekt, terwijl een reiger hem intrekt. Slechts zelden ziet men ooievaars te samen vliegen, want, zoolang het nest versteld of de jongen verzorgd worden, blijft er altijd één van de ouders thuis, om hen te bewaken.

Wat hebben de ouders het druk, om hunne drie of vier naakt in de wereld gekomen jongen groot te brengen en hunne grage magen te vullen. Van alles sleepen zij aan: kikkers, visschen, muizen, hagedissen. Zij treffen het, dat bij ons in den tijd, dat zij het meeste voedsel voor de jongen noodig hebben, juist de weilanden gemaaid worden. Deftig, met hun waardigen gang en afgemeten passen, stappen zij achter den maaier aan. Menige kikker, die in ’t lange gras aan hunne scherpe oogen zou ontkomen, wordt nu ingeslokt en naar ’t nest gebracht. Komt de oude terug, dan zijn hun kleinen al gauw mans genoeg om hen op een verren afstand te herkennen en luide hun vreugde daarover te uiten.

Ondanks de voortdurende goeie zorgen duurt het twee maanden, eer de kleinen er aan denken hunne vleugels eens te probeeren. Hebben zij dat eenmaal gedaan, dan leeren zij het vliegen gauw, al kost het hun moeite, hun angst voor de diepte te overwinnen en den eersten sprong van ’t nest te wagen. Daarna ziet men de ooievaars geregeld te samen. Het is maar goed dat de jongen goed geoefend worden, want in September moeten zij in staat zijn de verre tocht naar het Zuiden te maken. En als zij krukken blijken, mogen zij niet mee. Op de verzamelplaats, waar alle ooievaars komen, voor zij den tocht naar Afrika’s warme landen aanvaarden, worden zij dan met snavelhouwen afgemaakt, naar men zegt.

Vliegende maraboes.
Vliegende maraboes.

In Afrika leeft een zeer na verwant familielid, de MARABOE (LEPTOPTILUS CRUMENIFERUS) (No. 37). Deze broedt in de binnenlanden van Afrika en niemand, behalve Livingstone, heeft ooit z’n nest gezien. Volgens deze ontdekkingsreiziger bestaat het uit een massa doode takken, even als dat van een ooievaar. Als de broedtijd van de maraboe, waarvan begrijpelijkerwijze geen bizonderheden bekend zijn, is afgeloopen, trekken de vogels het Noorden in. Toch gaan zij de 15de breedtegraad nooit te boven. Van Mei tot October is de vogel dan ook in geheel Noordelijk Afrika een gewone verschijning. Overal vervult hij, met de gieren een soort reinigingsdienst, daar hij leeft van gestorven dieren. En deze vogels, die in hun Artishokken zoo plechtig en deftig lijken en er uit zien als oude heeren, met de handen op den rug, onder de slippen van hun pandjesjas, laten bij het „kreng” van een rund of schaap, hun waren aard kennen. Diep steken zij hun leelijke naakte kop met den vervaarlijken snavel in de buikholte van het doode dier, en als zij een der ingewanden te pakken hebben, springen en dansen zij achteruit en winden de darm een heel eind af, eer zij hem naar binnen slokken. Zij zijn afzichtelijk bij hunne maaltijd.

Behalve zijn naakte kop, die hem zoo gemakkelijk is bij het wroeten in de ingewanden van doode dieren, (daar hij z’n veeren nu niet bevuilt), valt aan de maraboe nog de naakte zak onder z’n kop op. Van deze zak, die de vogel naar willekeur grooter of kleiner kan maken, door hem op te blazen, totdat hij er zoo strak en gespannen uitziet als een kermispiepertje, is de beteekenis niet bekend. Het is een eigenaardig gezicht, deze rose zak te zien zwellen en men krijgt er niet genoeg van, er naar te kijken, al geeft het z’n afschuwelijke kop nog een weerzinwekkender aanblik.

67 AMAZONE PAPEGAAI. (Chrysotis Levaillanti). 68 ARA PAPEGAAI. (Ara ararauna). 69 TOERAKO. (Turacus albocristatus).

67
67
68
68
69
69

70 SPOORKOEKOEK. (Centropus). 71 KOEKOEK. (Cuculus canorus). 71 GOUDKOEKOEK. (Chrysococcyx cupreus).

70
70
71
71
71
71

Aan de stuit heeft de vogel wat zacht-fijne veertjes, die bij dames zeer geliefd zijn en voor hen verwerkt worden tot het z.g. „maraboe-bont”. Zou er wel één vrouw wezen, die zich met deze veeren siert, die weet, hoeveel van deze groote vogels er gedood moeten, voor er genoeg veertjes zijn voor haar boa? Om deze veeren wordt er op de vogel druk jacht gemaakt door de inboorlingen, die hen dooden met hun speer.

Een familielid van de maraboe is de „nimmerzat”, die z’n naam eer aandoet, hoewel de maraboe om deze zelfde eigenschap zeker denzelfden naam zou verdienen. Toch, ondanks z’n onaangenaam uiterlijk, z’n vraatzucht en z’n bemoeizucht is de maraboe een aardige vogel, die het hart van de menschen weet te stelen.

Brehm vertelt zelfs, dat hij erg op ’t gezelschap van maraboes gesteld was en hen voortdurend in z’n buurt hield door afval voor hen neer te werpen. Een oude Afrikajager, die eens een maraboe van jongs af had opgefokt, vertelt een verhaal, waaruit dezelfde genegenheid blijkt: De vogel was in veel opzichten lastig, stal groote stukken vleesch, die hij gulzig verslond en volgens deze zegsman in z’n keelzak stopte. (Misschien is dit de beteekenis van de zak, want, volgens het verhaal van den jager, kon men, na zoo’n diefstal de vogel schuldig verklaren, daar dan de proppen vleesch en de botten dikwijls heele uitpuilingen aan de dunne huid van de zak gaven. Met jagersverhalen dient men evenwel wat voorzichtig te zijn en ook deze verklaring moet onder voorbehoud aangenomen worden). Ook was hij buitengewoon nieuwsgierig en haalde alles overhoop. Zoo gooide hij de mandjes met eieren en visch van de venters door elkaar, een kistje sigaren verstrooide hij naar alle windrichtingen, kortom, er moest gezorgd worden, dat alles buiten zijn bereik bleef. Nuttig maakte hij zich evenwel door het verdelgen van slangen en ratten. Eens, toen een groote zwerm sprinkhanen in ’t dorp kwam en iedereen zooveel mogelijk van deze dieren trachtte te vernietigen, hielp hij braaf mee en maakte veel meer slachtoffers dan alle menschen te samen. Het eenige, wat hij daartoe deed, was met z’n groote bek wijd open rond te springen. Zoo nu en dan hield hij even op, om z’n buit door te slikken.

Reigers.
Reigers.

Deze vogel nu, die iedereen in ’t dorp kende, liep vrij overal heen. Eens kwam er een vreemde inboorling. Belust op de veeren doodde deze hem en toonde, vol vreugd over z’n buitenkansje, de huid.

De verontwaardiging van de dorpsbewoners uitte zich op een zoo hardhandige wijze, dat het zes weken duurde, eer de dokter den ongelukkigen vreemdeling buiten levensgevaar kon verklaren.

De REIGER (ARDEA CINEREA) (No. 38) is in twee opzichten het tegengestelde van de maraboe. Deze, die een afschuwelijke kop heeft, was goedaardig van inborst. De reiger daarentegen, die een van de fraaiste vogels onder de steltloopers is, heeft een zeer onaangenaam karakter. Dit blijkt wel voornamelijk in zijn huiselijk leven. In de kolonies, die de reigers op hunne broedplaatsen in hooge boomen vormen, blijkt hunne boosaardigheid op allerlei wijzen. De menschen zijn dan ook niets op hen gesteld en in Duitschland moeten hunne broedplaatsen herhaaldelijk verstoord worden. Gelukkig doet men dat in ons land, voor zoover mij bekend is, nog niet. Wel zullen de boeren het niet prettig vinden, als juist de boomen op hun erf tot nestplaats worden verkozen, want er blijft geen blad aan en ze sterven op den duur. Door al ’t vuil, zien ze er als witgekalkt uit.

Dat de vogel bij ons niet vervolgd wordt en niet als schadelijk wordt beschouwd, ligt er misschien wel aan, dat zij hier niemand direct benadeelen. In Duitschland, waar zooveel zorg aan de fijne zoetwater-visschen, als karpers en forellen, besteed wordt, is dit een ander geval. Daar kan een groote kolonie van deze veelvraten geducht veel schade in de vischvijvers berokkenen. Maar bij ons duldt men hem. De slooten wemelen van allerlei visschen, waar haast niemand, (of ’t moest een ijverig lid van de Hengelclub „Het Vroolijke Baarsje” of „de Lachende Voorn” zijn) zich om bekommert.

En ik ben er blij om, want ik zou dezen prachtigen, sierlijken vogel, niet graag missen. Wie kan ’t nalaten, hem te bewonderen, als hij roerloos staat tusschen het riet, of met statige stappen langzaam langs den waterkant schrijdt? Z’n veeren zijn prachtig blauwgrijs, z’n borst is hagelwit met een enkele zilvergrijze streep en op z’n kop draagt hij een sierlijke pluim. Z’n oogen evenwel zijn beslist onaangenaam, heel lichte, sprille oogen, met een hypnotiseerende uitdrukking zijn het. Buiten heb je evenwel geen last van hun onaangename blik, want de vogel laat zich gewoonlijk niet zoo dicht naderen. Z’n stem, die rauw en krijschend is, laat hij alleen maar tijdens het vliegen hooren.

De NACHTKWAK (NYCTICORAX NYCTICORAX) (No. 39) was vroeger algemeen in ons land. Nu is hij hier heel zeldzaam. Toch is hij overal in Europa nog te vinden, als hij maar moerassen vindt, met boomen er om heen, waarin hij slapen kan. Het is een echte nachtvogel, die eerst met de schemering tot leven komt.

De ROERDOMP (BOTAURUS STELLARIS) is een vrij kleine reigersoort, die om z’n veeren merkwaardig is, juist omdat de teekening van z’n kleed hem aan onze aandacht onttrekt. Dat het hem zoo buitengewoon gelukt zich te verbergen, komt doordat de strepen aan z’n hals en op de borst, zoo geheel overeenstemmen met de stengels van dor riet. Als de vogel z’n hals uitstrekt en in die stand blijft staan, maakt hij zichzelf zoo tot een deel van z’n omgeving, dat slechts een geoefend oog hem weet te herkennen. Dat de vogel zich van ’t voordeel, dat deze houding hem geeft, niet bewust is, blijkt ten duidelijkste uit het feit, dat hij dezen stand ook aanneemt, wanneer hij in eene andere omgeving is. Dreigt hem direct gevaar, dan hurkt hij, met wijd uitstaande veeren en hangende vleugels tegen den grond en schijnt hij een uil na te willen bootsen. De bedoeling van deze stand lijkt ons dus, z’n vijand om den tuin te leiden. Terwijl deze de kleine reiger misschien aan zou vallen, wacht hij zich wel, zich aan een uil te wagen. Doch, zoo weerloos is een reiger ook weer niet, want in z’n groote, naaldscherpe snavel heeft hij een geducht wapen. Al lijken deze en andere standen, die soms door dieren aangenomen worden, ons nog zoo typisch en doelmatig, toch moeten we wat betreft hun biologische beteekenis, zeer critisch zijn. Want, wat ons menschen, met onze menschelijke oogen een prachtige schutkleur lijkt, hoeft aan dieren nog niet zoo voor te komen. Vooral, sinds langs experimenteelen weg is uitgemaakt, dat veel vogels bepaalde kleuren, zooals rood en groen, niet waarnemen en dat dus hun wereld er uitziet, alsof ze door een groen glas kijken.

Hiermee wil ik niet beweren, dat de standen- en strepenteekening der roerdomp geen beteekenis heeft. Integendeel, wanneer men opmerkt dat de gewone blauwe reiger een dergelijke teekening aan z’n hals heeft, en deze gewend is in dezelfde houding met uitgerekten hals, roerloos te staan, is men wel degelijk geneigd aan een bepaalde beteekenis van deze strepen te gelooven. Men moet evenwel zich wachten voor voorbarige gevolgtrekkingen en z’n oordeel slechts met groote terughoudendheid geven. Zekerheid is nergens.

Vliegende ibissen.
Vliegende ibissen.

[

Inhoud

]

Fazanten in de duinen.
Fazanten in de duinen.

Reichenow, de bekende schrijver van het „Handbuch der systematischen Ornitologie, die Vögel”, brengt daarin de roofvogels, te samen met de hoenders, tot één systematische eenheid, zoodat de vierde groep, die der

HUIDSNAVELIGEN (CUTINARES) IV.

5 orden omvat, die, zoowel wat uiterlijk als wat levenswijs betreft, zeer sterk uiteenloopen. Het kenmerk, dat alle evenwel gemeen hebben en op grond waarvan Reichenow hen bij elkander voegde, heeft aan deze groep den naam gegeven. Het is de z.g. washuid, die zoowel roofvogels als hoenders aan hun snavel hebben. Bij roofvogels vooral is deze sterk ontwikkeld, bij hoenders in verhouding minder.

Behalve door deze washuid onderscheiden de Cutinares zich van de Steltloopers en Zwemvogels door pooten, die tot den enkel, soms zelfs nog lager, met veeren bedekt zijn en door het ontbreken van zwemvliezen.

Tot de eerste orde in deze groep, de DESERTICOLAE of STEPPENHOENDERS, behoort het STEPPENHOEN (SYRRHAPTES PARADOXUS) (No. 40). Deze, op duiven gelijkende vogels behooren thuis op de Steppen bij de Kirgizen, de Russen, de Chineezen en de Mongolen. Dat zij karakteristiek zijn in die omgeving, blijkt wel uit ’t feit, dat ieder dezer volken hen een naam gaf. De Mongolen noemen hen „Njüstergrün”, een nabootsing van hun schreeuw tijdens het vliegen.

In ’t midden van Maart verschijnen zij voor ’t eerst weer op de steppen, na een winterséjour in Zuidelijker streken. In de vroege morgenuren trekken zij er op uit, om te drinken aan die weinige plaatsen in de steppen, waar zoet water is. Van alle kanten komen de vogels aangevlogen tot deze morgenreünie. Met luide groeten over en weer van de reeds aanwezige en de nog komende, scharen zij rond het water om hun dorst te lesschen. Al heel gauw vliegen zij dan weer verder, naar de van ’t zout wit-glinsterende plekken, waar de zeekraal groeit. Als zij zich ook daar verzadigd voelen, gaan zij in een heerlijk dolce far niente zonnebaden nemen. Zij hebben dan ook hun voornaamste dagtaak verricht en kunnen zich rustig op ’t heetst van den dag te slapen leggen. Als kippen bedden zij zich in ’t warme zand een ondiep kuiltje, waarin zij zich dan behagelijk met wijd-uitstaande veeren liggen te koesteren. Hunne kleur komt zoo overeen met die van ’t zand, dat zij er niet van te onderscheiden zijn. Zoolang zij zich stil houden, natuurlijk. Een enkele keer slechts, wanneer een roofvogel hen nadert, wordt de slaperige stilte verbroken. Luid schreeuwend vliegt dan een troepje op en over de geheele steppe breidt zich hun onrust uit. Van alle kanten en met ongeloofelijke snelheid komen zij aangevlogen, de lucht vervullend met hun roep. Tot, plotseling zij het vliegen staken, zij zich weer bedden in ’t zand en de steppe weer dommelt in de warmte van den blakenden zon.

Een enkele maal, zooals in de jaren 1860, 1863, 1888, 1889 en 1908, komt een invasie van deze steppenhoenders ’t Noorden in. Zij worden dan in alle duinstreken van Holland en Duitschland aangetroffen en blijven daar een paar seizoenen. Iedereen doet moeite hen te behouden. Doch te vergeefsch. Even ongemotiveerd als hun komst scheen, is ook hun vertrek. Zij verdwijnen weer om op ’t onverwachts weer te verschijnen. Misschien worden zij binnenkort weer gesignaleerd en zullen we hen met eigen oogen kunnen waarnemen. Dan zullen we ons verlustigen aan hun snelle en fraaie vlucht, waarvan Gätke, die hen eens in Helgoland waarnam, vertelt dat zij zelfs in snelheid den edelvalk overtreffen.

Jagoear met tinamoe.
Jagoear met tinamoe.

§ 2. De TINAMOE, of INAMBOE (RHYNCHOTUS RUFESCENS) (No. 41), een na familielid van het steppenhoen is de eenige vertegenwoordiger van de tweede orde, die der CRYPTURI of KORTSTAARTHOENDERS in deze vierde groep, die we hier bespreken zullen. Zij leven in de Pampa’s van Zuid-Amerika en vervullen daar zoo ongeveer de plaats, die bij ons door patrijs en kwartel wordt ingenomen, n.l. die van het meest geliefde wild. Waarom zij dan ook ijverig gejaagd worden. Zelfs de jaguar, het groote, katachtige roofdier van Zuid-Amerika versmaadt hen niet. Gewoonlijk jagen zulke groote roofdieren op edeler wild als herten en andere hoefdieren. Het vleesch van de tinamoe schijnt evenwel van eene dusdanige voortreffelijkheid, dat zelfs de Koning der Zuid-Amerikaansche roofdieren, zich niet gering acht er op te jagen.

Ondanks de intensieve jacht, die door mensch en dier op deze vogel gemaakt wordt, vermindert hij niet in aantal. De soort schijnt over een onuitputtelijke hoeveelheid levenskracht te beschikken. Deze uit zich hier in het leggen van een groot aantal eieren. De groote nakomelingschap, die daarvan het gevolg is, behoedt de soort voor uitsterven ondanks de bestaansmoeilijkheden, waarmee de vogels te kampen hebben.

Een dergelijk evenwicht tusschen het vernietigen van individuen aan de eene kant, en het voortbrengen van hen aan de andere kant noemt men een „biologisch evenwicht”. Overal kan men hiervan voorbeelden vinden. Soorten, die het erg moeilijk hebben in den strijd om het bestaan, omdat door allerlei omstandigheden hun individuen-aantal verminderd wordt, trachten zich het voortbestaan te verzekeren, door een buitengewone productie van nakomelingen. Want, teelt een soort zich moeilijk voort en duurt het lang totdat de dieren volwassen zijn, dan is de ondergang zeker wanneer er veel individuen ten gronde gaan. Dit is dan ook de reden van het uitsterven van veel diersoorten. Helaas draagt de mensch door z’n zonderlinge neiging tot dooden er het zijne toe bij, om het evenwicht in de natuur te verstoren. Want er is tijdens ’t bevolken der wereld vergeten rekening te houden met de geniale moordwerktuigen, die door ’t menschelijk brein uitgedacht zijn. Zooals het evenwel altijd gaat met de wolf, die in een kwaad gerucht staat, krijgt de mensch ook wel eens onverdiend de schuld van het uitsterven van een diersoort. Dat was dan in den loop der dingen en zou zonder z’n inmenging ook gebeurd zijn.

73 TOEKAN. (Rhamphastos ariel). 74 BAARDVOGEL. (Bucco versicolor). 75 HONIGWIJZER. (Indicator indicator).

73
73
74
74
75
75

76 GROENE SPECHT. (Gecinus viridis). 77 MUISVOGEL. (Colius macrurus). 78 SOEROESKOES. (Trogon massena).

76
76
77
77
78
78
Hoenderhof.
Hoenderhof.

§ 3. Van de RASORES of HOENDERACHTIGEN, die de derde orde in de groep der Huidsnaveligen vormen, is een groot aantal om de fraaiheid van hun veeren bij de menschen zeer gezocht. Zij vormen dan ook het sieraad van menige buitenplaats. Iedere boer, die zichzelf respecteert en graag door het tentoonspreiden van schoone zwier wil laten weten dat z’n „spul” in orde is, heeft op z’n erf tenminste een kalkoen. Vaker evenwel zal men er een paar pauwen vinden. Heeft hij werkelijk liefhebberij in gevogelte, dan kan men zeker zijn dat de zilver- en goudfaisanten, de parelhoenders en allerlei bizarre kippenrassen niet zullen ontbreken. Hoenders zijn reeds zeer, zeer lang geleden in de smaak der menschen gevallen om de fijnheid van hun vleesch en het genot van hunne eieren.

Van geen der hoenders worden de laatsten misschien zoo hoog geschat als van ’t HAMERHOEN (MEGACEPHALUM MALEO) (No. 42), dat op Celebes en enkele der omliggende eilandjes leeft. Op andere naburige eilandjes ontbreken de vogels geheel. Een merkwaardig verschijnsel in de biologie! Een van de vele, die hoe eenvoudig ze zijn wanneer men ze als feit alleen beschouwd, een wereld van perspectieven opent, zoodra ze in verband met andere dingen gebracht worden.

Deze groote vogels, die aan een kale ronde knobbel op hun kop, hun naam te danken hebben, brengen het grootste gedeelte van hun leven door in het dichte oerbosch. Slechts in den broedtijd, als het wijfje een ei moet leggen, verlaten zij dit en vertoonen zij zich op de open vlakte van het strand. Hier graaft zij zich een groot, rond gat in de aarde, woelt de bodem er van met haar pooten wat los en legt er haar ei in, dat zij zorgvuldig met zand toedekt. Dan verdwijnt zij weer in het bosch en komt pas na 13 dagen terug, om haar tweede ei te leggen. Te broeden hoeft zij niet, dat doet de zon voor haar, want in de kuilen is de temperatuur geregelt 44.4° C., eenige graden meer dan de omgeving. ’t Jong, dat volgroeit ter wereld komt, is geheel in staat om voor zich zelf te zorgen en loopt dan ook direct het bosch in.

De pasgelegde eieren nu, zijn een zeer geliefde lekkernij. Een van de Radja’s is er zoo dol op, dat hij zich zelf het monopolie van ’t garen heeft verschaft. Bij de legplaats zijn wachten aangesteld, die dieven den toegang tot het strand beletten. Hij doet dus precies als paus Clemens VII, die het champignons plukken verbood, opdat hij ze allemaal door z’n dienaren kon laten rapen en niemand hem één enkele van deze paddestoelen ontnemen zou.

Vliegende korhaan (Lyrurus tetrix).
Vliegende korhaan (Lyrurus tetrix).

De KWARTELKONING (CREX CREX) (No. 43) geniet het voorrecht, den menschen onverschillig te zijn. De eenigen, die belang in hem stellen zijn de natuurvrienden. De belangstelling van dit onschadelijke menschensoort is des te grooter, daar de vogel zich zelden laat zien doch zich daarentegen voortdurend laat hooren. Vooral in den nacht, is z’n rasperige stem geen oogenblik stil. Wie er z’n bed voor uitkomt en tracht met eenen lantaarn de vogel te vinden, kan zich na lang zoeken, wel weer mopperend onder de dekens begeven want onze kwartelkoning verstaat het spelletje van „Je hoort me wel, maar je ziet me niet”, als geen ander. Je weet dat hij ergens in een bepaald stuk van het weiland zit, maar waar? Nu eens hoor je hem links, dan rechts, dan voor, dan achter je en nooit zie je één enkele beweging in de hooge grashalmen, die je aan kan duiden, waar of hij loopt. Dit komt omdat de vogel zich gangen in het gras heeft gemaakt, waar hij nu met een verbazende snelheid doorheen kan loopen zonder zich door bewegingen in de halmen te verraden. Als het gras gemaaid wordt, trekt hij zich terug in ’t koren. Zoodra dit geoogst wordt en hij dus weer z’n dekking kwijt is, zoekt hij deze in ’t kreupelbosch. Lang blijft hij daar niet, want eind Augustus trekken de kwartelkoningen naar het Zuiden.

De naam „kwartelkoning” danken zij aan ’t volksgeloof dat zij de kwartels op de trek vergezellen en aanvoeren. Daar de trektijden van kwartel en kwartelkoning evenwel veel uiteenloopen, is het niet goed te begrijpen, waaraan dit geloof z’n oorsprong te danken heeft.

Van de wilde inlandsche hoenderen, zijn de patrijs, de faisant en het korhoen, standvogels in ons land, d.w.z. zij blijven in den winter in de streek, waar zij gebroed hebben.

De PATRIJS (PERDIX PERDIX) (No. 44), die over geheel Europa verbreid is, is een zeer geliefd wild. Hij leeft het liefst op velden, die in de buurt van bosschen liggen daar hij steeds kreupelhout zoekt om zich te verbergen. Deze eigenschap brengt hem ook vaak op velden, die door dichte heggen van elkaar gescheiden zijn.

Gewoonlijk worden patrijsjes gemakkelijk over het hoofd gezien, daar ook zij uitnemend de kunst verstaan zich neer te drukken op den bodem en zich doodstil te houden. De grauwe kleur van hun veeren maakt hen dan zeer moeilijk te vinden. Dit stilhouden is een van de grootste wijsheden die de instincten aan de dieren meegeven. Alles wat beweegt, valt veel meer op dan dat wat zich stilhoudt. Het is de raad, die William Long in z’n boekje „School of the woods”, zoo aardig weergeeft met de woorden: Whatever you do, keep quiet. (Zie Hoofdstuk III, pag. 42).

Vliegende patrijzen.
Vliegende patrijzen.

Patrijzen vliegen vrij slecht; het vermoeit hen tenminste gauw. Loopen daarentegen doen zij prachtig en buitengewoon snel. Zwemmen kunnen zij ook, hoe vreemd het ook mag lijken. In den winter leven zij te samen in kleine troepjes. Maar in Februari, als de dooi komt, scheiden zij zich twee aan twee van de troep af. In Mei hebben zij evenwel pas eieren, die de hen met de grootste zorg bebroedt, en niet verlaat dan in de uiterste noodzakelijkheid. Na 26 dagen als de jongen uitkomen, heeft zij haast geen veeren meer over.

Patrijzen worden wel eens trekkend waargenomen. Men vermoedt evenwel, dat het een ander soort is, dan de bij ons inheemsche.

Van de faisanten, die zooveel bijdragen tot de fraaiheid van de hoenderhof, is Azië het eigenlijke vaderland. De allermooiste ervan is de diamantfaisant, die ook wel LADY AMHERST FAZANT genoemd wordt (CHRYSOLOPHUS AMHERSTIÆ) (No. 45), omdat Lady Amherst de eerste was, die hem importeerde. Hij komt voor in het bergland van Oost-Thibet, in dezelfde streken waar de goudfaisant wordt aangetroffen. Met dit verschil evenwel, dat de goudfaisant beneden op de bergen voorkomt, terwijl de diamantfaisant 2 à 3000 M. hoog leeft.

Japansche phoenixhaan.
Japansche phoenixhaan.

Onze bosch- of wilde faisant is niet van nature inheemsch, doch verwilderd.

In Engelsch Indië, Ceylon en onze Oost leeft in het wild de PAUW (PAVO CRISTATA) (No. 46), die de bosschen van het tropische bergland als woonplaats boven de vlakten verkiest. Thayer, die zulke merkwaardige en artistieke opvattingen heeft over de kleuren der dieren, meent dat het prachtig schitterend blauwgroen van z’n veeren, het dier onzichtbaar zou maken tegen den achtergrond van het schitterend groene bosch, waaraan licht- en schaduwplekken een zelfde soort patroon geven als de oogen van een pauwestaart. Het klinkt vreemd en onaannemelijk voor ieder, die het dier nooit in z’n natuurlijke omgeving zag. Maar toch geraakt de meest sceptische mensch onder invloed van deze suggestieve verbeelding.

Waarom ook niet? We hebben reeds zooveel voorbeelden gezien, van kleuren, die door hunne overeenkomst met de omgeving, de dieren onzichtbaar schenen te maken. We hebben gezien hoe het schijnbaar opvallende wit aan de borst van een vogel, dat zoo scherp afstak tegen den donkeren of grauwen bovenkant, zoo voortreffelijk dienst deed om de vogel te vervlakken en z’n reliëf weg te nemen. We hebben gezien hoe snippen, patrijzen en roerdompen zich verborgen door hun kleed, dat in overeenstemming met de bruine tinten van hun omgeving gekleurd is. Waarom zou nu ’t fonkelend goud en groen, met de diep-blauwe vlekken van een pauwestaart niet op ’t grillig spel van zon en schaduw op ’t loover van ’t bosch kunnen lijken. Waarom niet?

Een groot bezwaar voor Thayers fantastische opvatting lijkt me hier evenwel, dat van alle andere dieren, die in dezelfde omgeving als de pauw wonen, er geen een is, die zich camoufleert als hij. Een bezwaar, dat voor alle andere reeds genoemde voorbeelden niet geldt. Want in de steppe bijv. valt het duidelijk op, dat alle verschillende dieren, zoowel vogels als zoogdieren, die er leven, zich volgens een zelfde manier verbergen.

Bij de Hindoes geldt de pauw voor een heilig dier, dat nooit door hen gedood wordt. Bij hunne tempels komen zij in groote massa’s in half verwilderden of tammen toestand voor. Zij worden er geregeld door de priesters gevoed. Deze heiligheid danken zij aan ’t geloof dat Indra, de God der Hindoes, toen hij door een vijand achtervolgd werd, de gestalte van een pauw had aangenomen.

De pauw, zooals wij hem kennen, verschilt niet aanzienlijk met den wilde. Hij is alleen wat meer verzorgd van uiterlijk, wat men op de gebruikelijke manier, door teeltkeus heeft bereikt.

Slapen doet een pauw altijd in eenen boom. En wie gesteld is op de mooie gouden veertjes, die z’n hals kleeden of op de prachtig staalblauwe, die aan z’n borst zitten, moet ze onder de slaapplaats gaan zoeken. Ze vallen, als alle veeren, in de ruitijd uit en de vogel verliest de meeste er van als hij z’n toilet maakt en dit doet hij bij voorkeur op z’n slaapboom.

De stem van de pauw is buitengewoon leelijk en lijkt veel op die van eene kat, die geweldig hard miaauwt.

Hoe mooi de blauwe pauw ook is, als hij in z’n fonkelende blauw groen-gouden pracht te pronken staat, een witte pauw is haast nog mooier. Die is als een wonder van ragfijn kantwerk. Het slanke fijne lijfje draagt de ranke hals met het uiterst fijne gekroonde kopje. De wijd uitgespreide staart, als een waaier door feeën gemaakt, vormt er de achtergrond voor. Vol onbewuste coquetterie staat hij in ’t zonnetje, tot hij op eens z’n staart toeklapt en met eene rauwe schreeuw op eenen tak springt. Als de sluier van eene bruid hangt de blanke veerenpracht nu in losse luchtigheid naar beneden.

Van de Noord-Amerikaansche hoenders is de KALKOEN (MELEAGRIS GALLOPAVO) (No. 47) in cultuur genomen. Oorspronkelijk inheemsch in geheel Noord-Amerika is hij in de dicht bevolkte staten uitgeroeid en komt hij tegenwoordig nog maar alleen in afgelegen staten, als Indiana, Arkansas, Kentucky en Ohio in ’t wild voor. Daar leven zij in groote hoeveelheden. Wanneer zij in eene streek geen voedsel meer vinden, trekken zij met z’n allen weg naar eene voor hen voordeeliger plaats. Hun trekken is zeer onregelmatig en treedt niet zooals bij andere vogels op vaste tijden op. Het heeft meer overeenkomst met het trekken van Nomaden volken. Zoolang eene streek voedsel voor hen heeft, blijven zij. Zoodra evenwel de voorraden uitgeput zijn of als het seizoen minder aangenaam wordt, trekken zij weg. Als echte zigeuners blijven zij op ééne plaats, zoolang het hen er goed smaakt. Gaan zij eenmaal weg, dan vereenigen de mannetjes zich en trekken vooruit. De vrouwtjes volgen op eenige afstand met de jongeren. Brengt de tocht hen voor eene rivier of stroom, dan aarzelen zij. Want hoewel zij vliegen kunnen, schijnen zij een tegenzin in deze beweging te hebben. Zij trekken langs de rivier tot zij aan eene hoogen oeverkant komen. Dan wordt er halt gehouden en schijnt er beraadslaagd te worden. Eindelijk is er één die het waagt en de anderen volgen hem op de hielen. Een enkele keer bereikt een jong de overkant niet. Hij redt zich zelf zwemmend en komt er met een nat pak en den schrik af.

Tot Februari leven zij in kleine troepjes. In deze maand gaan de vrouwtjes zich afzonderen en zoeken eene eigen slaapplaats. Zij roepen en lokken van daaruit de mannetjes tot zich. Komen er meerdere mannetjes op de lokroep van ’t zelfde wijfje af, dan geeft dit aanleiding tot hevige gevechten tusschen de hanen. Zij blazen zich op en worden heel rood van drift, „zoo rood als een kalkoensche haan” en zij vechten zoo hevig met elkaar, dat het vaak voor een van hen met den dood eindigt. En, daar iedere haan er meerdere hennen op nahoudt, is er nog al eens strijd te leveren.

Tot in April leggen de vrouwtjes hare 10–15 eieren in een nest, dat zij voor den haan zorgvuldig verborgen houden. Moeten zij tijdens het broeden of gedurende den legtijd het nest verlaten, dan dekken zij het zorgvuldig toe. Voor de kuikens hebben zij niet meer zooveel zorgen. Want deze loopen dadelijk en vliegen al reeds na twee weken.

Het BANKIVAHOEN (GALLUS GALLUS) (No. 48), dat in Indië en de Maleische eilanden voorkomt, is de stamvader van onze kippen. Zij leven in de bosschen en vertoonen zich slechts zelden. Alle verschillende vormen van kippen, die wij kennen, zijn in den loop der tijden uit het Bankivahoen ontstaan. En ’t is al zeer lang dat de mensch hen als huisdier aannam; reeds de Kelten hebben hen gehad, want 600 jaar voor Christus zijn zij al naar Europa gebracht.

Wie nu op een hoendertentoonstelling al deze verschillende vormen ziet van krielkipjes, Bramapoetra, Cochinchina, tot de kemphanen toe, kan haast niet gelooven dat alle uit dat ééne wilde hoen van Indië, ontstaan zouden zijn.

Paarlhoenders.
Paarlhoenders.

’t PARELHOEN (NUMIDA MELEAGRIS) (No. 49) moet als stamvorm van het parelhoen, dat tegenwoordig als huisdier gehouden wordt, beschouwd worden. Z’n eigenlijk vaderland is Afrika. Het houdt zich bij voorkeur op in rotsachtige, rijkbegroeide streken, waar het zich in het dichte onderbosch of in het hooge gras gemakkelijk verbergen kan. In Amerika komt het verwilderd voor en daar is het in sommige streken tot een ware landplaag geworden. In Afrika, waar het zeer vele vijanden heeft is er weer een natuurlijk evenwicht tusschen de hoeveelheid eieren, die geproduceerd worden en de hoeveelheid dieren, die als slachtoffer vallen van leeuwen en andere katachtige roofdieren die de volwassen vogel jagen; van sluipkatten, die de eieren en de jongen eten, ja zelfs van slangen. Waar dan ook deze natuurlijke vijanden ontbreken en de vogel zich ongestoord voortplanten kan, vermenigvuldigen zij zich met een dergelijke snelheid, dat men bijv. in West-Indië al het mogelijke doet om hun aantal binnen de perken te houden. Er wordt zooveel mogelijk jacht op hen gemaakt, maar gemakkelijk gaat het dooden van deze vogels niet. Zij zitten zoo dik in de veeren, dat een geweerskogel hen niet kan dooden en men wel genoodzaakt is met honden op hen te jagen.

De vogels zijn sierlijke hoenders met glanzend zwarte veeren vol grappige, witte spikkels. Volgens sage zouden dit tranen zijn, want de parelhoenders zelf zijn zusters van de Meleagris, die na den dood van hunnen geliefden broer, zoo ontroostbaar waren en zoo vreeselijk schreiden, dat zij in zwarte vogels werden veranderd. Hunne tranen bleven evenwel als witte vlekjes op de zwarte veeren achter.

Het witte hoen van Californië, de CALIFORNISCHE KWARTEL (CALLIPEPLA CALIFORNICA) is in dat land zeer algemeen. ’s Winters vindt men het in zwermen van 1000 en meer. Het graaft zich dan gangen onder den sneeuw en leeft daar, als zooveel dieren in deze sneeuwlanden heerlijk warm. ’s Zomers vindt men het overal waar water en boomen aangetroffen worden.

In Californië is het een standvogel daar er in dat vruchtbare land wel altijd iets voor hem te vinden is dat van z’n gading is, want z’n voedsel bestaat uit vruchten, knollen, zaden en dergelijke plantaardige producten.

Men heeft geprobeerd deze aardige vogels in Europa in te voeren. In 1852 zijn proeven er van in Frankrijk en Duitschland genomen. Het is jammer dat ze mislukt zijn, want met eenig overleg en een weinig goede zorgen, zou men deze vogel wel inheemsch kunnen maken in streken, waar de faisanten het kunnen uithouden.

De merkwaardige korhoenders van onze heide en de Duitsche „Auerhahn” sluiten zich bij de typische hoenders aan.

Auerhaan (Tetrao urogallus).
Auerhaan (Tetrao urogallus).

79 HOORNRAAF. (Bucorax abyssinicus). 80 NEUSHOORNVOGEL. (Buceros rhinoceros).

79
79
80
80

81 LACHENDE HANS. (Dacelo gigas). 82 MOLUKKEN IJSVOGEL. (Halcyon diops).

81
81
82
82

83 BIJENETER. (Merops apiaster). 84 HOP. (Upupa epops).

83
83
84
84
Duiven en duiventil.
Duiven en duiventil.

§ 4. De orde der DUIVEN (GYRANTES), is duidelijk van die der Hoenders te onderscheiden. Vooral hun snavel, die recht en dun is en slechts aan de punten met hoorn bekleed is levert een duidelijk verschilpunt. De rest van dezen snavel wordt door de voor de heele vierde groep kenmerkende washuid gevormd. De pooten onderscheiden zich vooral door ’t kortere loopbeen, waardoor de geheele romp der vogels zooveel dichter bij den grond staat, dan die der hoenders.

Een van de merkwaardigste duiven was de Dodo of Dronthe, die op ’t eiland St. Mauritius leefde en in de 17de eeuw helaas door de zeevaarders is uitgeroeid.

Een dergelijk beperkt zijn tot een bepaald gebied is ook een eigenaardigheid van de grootste der duiven, de KROONDUIF (GOURA CORONATA) (No. 51), die 65 c.M. lang is. Deze komt voor op Nieuw-Guinea en een paar van de omliggende eilandjes. Verder zijn zij nergens op de wereld te vinden. Soorten, die op een dergelijke manier plaatselijk te vinden zijn, zooals ook de dodo op Mauritius of het hamerhoen op Celebes, noemt men endemisch. Vanuit Nieuw-Guinea wordt deze kroonduif nog al eens naar Java en de Soendaeilanden gebracht en vandaar nog al eens naar Holland gezonden, zoodat een kroonduif in onze Hollandsche dierentuin geen zeldzaamheid is.

Tot het begin der 19de eeuw was in Noord-Amerika de trekduif, Ectopistes migratorius zeer algemeen. Plotseling evenwel verminderde het aantal van deze duiven merkbaar en na eenige jaren werd er geen enkele meer gezien. Het trekken van deze vogels gebeurde met zulke hoeveelheden tegelijk en was zoo’n opvallend verschijnsel, dat het plotseling verdwijnen groot opzien wekte. Men meende eerst aan een ziekte of andere natuurlijke oorzaak dit verdwijnen te moeten toeschrijven, doch ’t is gebleken, dat de vogels tijdens hun trek in zulke ongehoorde hoeveelheden gevangen werden, dat de mensch hier zeer zeker als eenige oorzaak van ’t verdwijnen verantwoordelijk moest worden gesteld.

Gelukkig evenwel zijn zij de laatste paar jaren weer hier en daar in Amerika gesignaleerd geworden en zal het aantal zich misschien langzamerhand weer herstellen.

Onze huisduiven stammen af van de ROTSDUIF (COLUMBA LIVIA) (No. 52). In Noord-Europa komt hij als trekvogel voor op verschillende eilandjes van de Schotsche kust en op de Faeröer-eilanden. In Zuid-Europa is het een standvogel, men vindt hem evenwel op de rotsachtige kusten van Italië, Spanje en Frankrijk. Verder Zuidelijk vindt men hem in geheel Noord-Afrika, Klein-Azië, Palestina en Perzië.

Daar deze vogel nooit in boomen nestelt, maar steeds donkere plekjes voor z’n nest uitzoekt, gebeurt het wel dat zij in de huizen der menschen gaan bouwen. Misschien is dit de aanleiding geweest om de vogels in cultuur te nemen. In ieder geval is dit zeer lang geleden gebeurd, want 3000 jaar v. Christus had men reeds tamme duiven in Egypte.

In Azië werden zij zeer gewaardeerd, daar men hen als gasten der Goden beschouwde.

Ook bij ons is de duif zeer gezien. Een werkelijke mode om de duiven te teelen is het zelfs in de vorige eeuw geweest. Overal, maar vooral in Engeland had men toen duivenclubs, die zich bezighielden met het aanbrengen van verbeteringen in deze vogelsoort. De leden van deze duivenclubs letten bij hun teelen meestal op één kenmerk en waren steeds gespitst op ’t zien van een of andere afwijking. Trad deze op, dan trachtten zij die door teeltkeus en kruising te verscherpen, en hierdoor verkregen zij de meest uiteenloopende rassen. Wij kennen ze nu nog: pauwstaart, krobduif, enz. enz. Al deze monstervormen wijzen op ’t succes van hunne arbeid. Darwin, de groote bioloog, die in ’t midden der vorige eeuw z’n beroemd boek over „’t Ontstaan der soorten” uitgaf, stelde in ’t werk van deze duivenclubs zeer veel belang, wat wel blijkt uit het feit, dat hij van ieder van die clubs lid was.

Het aardigste resultaat van deze fokkerij is evenwel de postduif. Hier is de verbetering werkelijk een vooruitgang in meer dan ééne richting. Want, hoewel de postduif uiterlijk het meest van alle rassen op den stamvorm lijkt, is hij scherper geteekend, helderder van kleur, grooter van lichaam, maar vooral veel sneller van vlucht dan de wilde vorm. Deze duiven hebben vaak goede diensten bewezen met het overbrengen van berichten. Een postduif heeft n.l. zeer sterk de eigenschap, met buitengewone zekerheid z’n woonplaats terug te vinden, waar hij ook heen gebracht mag zijn. Neemt men dus een duif mee op reis en wenscht men aan de achtergeblevenen z’n behouden aankomst op de plaats van bestemming mee te deelen, zonder van de moderne communicatiemiddelen als post, telephoon of telegraaf gebruik te maken, dan heeft men slechts een briefje tusschen de veeren te stoppen en de duif dan vrij te laten. In werkelijk ongeloofelijk korten tijd is zoo’n bericht door eene goede postduif overgebracht. Soms evenwel vergissen de duiven zich en verdwalen zij, zoodat het dagen duurt, eer zij terechtkomen.

85 SCHARRELAAR. (Coracias garrulus). 86 KIKKERBEK. (Batrachostomus auritus). 87 GEITENMELKER. (Caprimulgus europaeus).

85
85
86
86
87
87

88 SALANGAAN. (Collocalia fuciphaga). 89 GIERZWALUW. (Apus apus). 90 KOLIBRI. (Topaza pella).

88
88
89
89
90
90
Middeleeuwsche valkenjacht.
Middeleeuwsche valkenjacht.

§ 5. De merkwaardige washuid, die ook ROOFVOGELS (RAPTATORES) aan den snavel hebben, is de reden waarom zij met zulke vreedzame vogels als hoenders en duiven tot één groep zijn samengebracht.

Zij onderscheiden zich evenwel duidelijk van de andere orden in deze groep door hunne sterk omgebogen scherpe klauwen en hun kromme scherpe bovensnavel, die als een haak over den ondersnavel grijpt. Bovendien is de geheele lichaamsbouw van de vertegenwoordigers dezer orde krachtiger: zij hebben een breede borst, die een groote aanhechtingsplaats is voor de vliegspieren en sterke, krachtige pooten, met korte voet, doch zeer lange teenen, met formidable klauwnagels. Hunne geheele bouw duidt op snelheid en kracht. Het zijn dan ook deze eigenschappen, die de mensch telkens weer met bewondering vervullen, wanneer hij een roofvogel in de kloeke rustige vlucht waarneemt of hem pijlsnel ziet neerschieten op z’n prooi, of hem aanschouwt als hij voor ons oog onbewegelijk in de lucht stilstaat. Dit laatste is het zeer typische „bidden”. Tijdens dit bidden geeft hij z’n oogen goed de kost en er is geen beweging op ’t veld, die aan z’n oog ontsnapt. En als deze beweging een dier verraadt waarop hij graag jaagt, dan is deze vrijwel onherroepelijk verloren en wordt dezen roofvogel ten prooi.

De CONDOR (SARCORHAMPHUS GRYPHUS) (No. 53) is de typische roofvogel van het Zuid Amerikaansche hooggebergte. Hij vliegt buitengewoon hoog, hooger dan de hoogste toppen naar men zegt. Volgens sommigen moet hij wel tot 7000 M. kunnen komen. De meest geliefkoosde hoogte-zône van dezen vogel schijnt evenwel tusschen de 3000 en 5000 M. te liggen. Het moet een onvergelijkelijk fraai gezicht zijn, als men eenige van deze vogels vliegen ziet.

Slechts tijdens de broedtijd zijn de vogels in paren. Later als de jongen groot zijn, vereenigen zij zich tot gezelschappen. Zij voeden zich het liefst met aas. Zelf dooden doen zij niet. Wel gebeurt het dat zij herten zoo lang najagen en vervolgen, tot deze uitgeput neerstorten. De condor daalt dan op z’n slachtoffer neer en scheurt hem, na hem de oogen, de ooren en de tong uitgeplukt te hebben, bij de buik open daar hij de ingewanden het liefst eet en er dus steeds mee begint.

Is soms een dier op een of andere manier gewond geraakt en kan het zich niet meer verweeren, dan komen de condors er op af, pikken het vleesch rond de wond weg, tot zij eindelijk een gat gemaakt hebben, waardoor zij bij de ingewanden kunnen komen. Het arme dier is dan gauw uit zijn lijden.

Volgegeten zijn de vogels traag. Zoo traag zelfs, dat zij hun voedsel weer uit moeten braken als zij genoodzaakt zijn om op te vliegen.

Gieren.
Gieren.

GIEREN (GYPS RÜPPELLI) (No. 54) zijn in Europa slechts in de landen rond de Middellandsche Zee te vinden. Noordelijker komen zij als regel niet voor. Hoewel zij wel eens in Duitschland geschoten worden, moeten zij daar als verdwaalden beschouwd worden. In Zevenburgen en Hongarije vindt men hen evenwel vrij talrijk. Daar gieren in „kolonies” broeden en niet zooals de condors zich tijdens de paartijd afzonderen, ziet men gewoonlijk een aantal van deze vogels te samen, daar zij ook samen het voedsel zoeken.

Hebben zij ergens een dood beest gevonden dan houwen zij met enkele slagen van hun forsche snavel een gat in de buik, steken de naakte kop en de lange naakte hals zoo diep zij kunnen in de buikholte en zoeken daar de edele organen. Pas als zij er een gevonden hebben, trekken zij de kop terug, die dan overdekt is met bloed en slijm. ’t Is maar gelukkig, voor beesten met een dergelijke levenswijs, dat zij geen veeren aan hun hals en kop hebben. Zij zouden deze nooit van alle vuil kunnen reinigen en massa’s ongedierten en bacillen een welige broedplaats bieden.

De kolonies, waarin deze vogels broeden, zijn soms wel 200 nesten rijk. Deze liggen in rotsholten en overhangende rotsblokken. Ieder paar heeft slechts één groot ei, dat gemeenschappelijk bebroed wordt. Na een maand komt het jong, dat er als een onoogelijke klomp wol uitziet, uit het ei. Het is uiterst hulpeloos en kan eerst na 3 maanden vliegen.

Daar gieren eigenlijk nooit een levend dier aanvallen (of zij moeten door vreeselijke honger er toe gedreven worden) leven zij in Zuidelijke streken, die veel kudden van hoefdieren en dergelijke herbergen. In het Noorden, waar het individuen aantal, dat deze koude streken bevolkt, zooveel geringer is, zouden zij onmogelijk hunne kost kunnen ophalen. In de warme landen, zijn gieren, samen met maraboes, tot de zeer nuttige vogels te rekenen, daar zij als vrijwillige reinigingsdienst onschatbare diensten verrichten.

Men heeft langen tijd gemeend, dat gieren hun voedsel zouden vinden door hun reuk. Maar, daar zij vaak op een pas gestorven dier aangetroffen worden en zij bovendien een reeds eenige dagen gestorven dier, dat op een verborgen plaats ligt, niet opmerken voordat de raven er om heen zwermen, neemt men tegenwoordig aan dat gieren hun voedsel op het gezicht vinden.

Een andere, zeer nuttige roofvogel van Afrika is de SECRETARIS (SERPENTARIUS SERPENTARIUS) (No. 55), daar deze vogel een slangendooder bij uitnemendheid is. Zelfs de giftigste slangen eet hij met kop en al op, zonder dat hij eenig nadeel van het gif ondervindt. Ook schijnen de tanden hem niet inwendig te verwonden. Toch kan, ondanks al deze feiten, niet met zekerheid gezegd worden dat de secretaris immuun is voor slangebeten.

Op het eerste gezicht heeft een secretaris al heel weinig van een roofvogel. Z’n lange naakte pooten doen hem meer op een steltlooper lijken. Vliegen doet hij gewoonlijk niet. Meestal ziet men hem met buitengewone waardigheid door de Afrikaansche velden schrijden. Deze waardigheid van gang, gevoegd bij het grappig aanzien, dat z’n kop door eenige uitstekende veertjes krijgt en die wel aan achter het oor gestoken penhouders doen denken, hebben hem waarschijnlijk de naam „secretaris” doen krijgen. De waardigheid van dezen vogel wordt nog grooter, wanneer hij een gevecht gaat leveren. Dan heeft hij z’n grootst mogelijke voorzichtigheid noodig. Want een gevecht met een slang van 1 M. is zelfs voor onze secretaris geen kleinigheid. Zoodra een slang bijt, of bijten wil, draait hij hem de uitgestoken vlerken toe en laat hem in de veeren happen. Maar gewoonlijk komt de slang zoover niet, daar de eerste sprong van dezen dapperen vogel hem meestal reeds tot slachtoffer maakt en de geweldig sterke klauwen van den vogel hem al in den rug te pakken hebben. Met den staart te beginnen wordt een slang dan in eenige minuten verslonden.

Condor.
Condor.

Behalve de Condor, die zich slechts met doode dieren voedt, leeft er in de warme streken van Zuid-Amerika, onder meer, de HARPY (THRASAËTUS HARPYIA) (No. 56) een van de mooiste en grootste roofvogels, die er bestaan. Hoog op de bergen, waar het kouder is, komt hij niet meer voor, maar in de bosschen in de buurt van water wordt hij geregeld, hoewel niet overvloedig, aangetroffen. De Indianen uit die streek jagen hem voortdurend, omdat zij zijn veeren zeer op prijs stellen. Zij houden er de vogels zelfs in gevangenschap voor. Hiertoe halen zij de jongen uit de nesten, die hoog in de boomen gelegen zijn. Zij fokken deze diertjes dan op en maken hen zeer tam. Twee maal per jaar plukt men hen alle staart- en vleugelveeren uit. Men versiert er dan de pijlen mee of zet ze op de veerendos, die aan ’t hoofd van een Indiaan zoo’n krijgshaftige uitdrukking geven. Zoo hoog geschat zijn deze harpy-veeren, dat ze als ruilmiddel dienst doen.

De harpy is een buitengewoon sterke vogel. En zooals het meer gaat, wanneer een dier zich door een of andere eigenschap onderscheidt, wordt deze door de menschen nog overdreven. Er zijn dan ook allerlei sagen over z’n kracht in omloop. Zoo zou hij b.v. in staat zijn, om met een snavelhouw de schedel van een mensch te klieven!!

Met den grootsten der Europeesche roofvogels, de AREND (AQUILA CHRYSAËTUS) (No. 57) is het in sommige opzichten al net als met de harpy en alle andere groote vogels. Hunne kracht neemt de verbeelding van de menschen zoodanig in beslag, dat deze haar weer gaan overdrijven en grooter maken. Zij kozen den arend daarom als zinnebeeld van kracht op hunne wapenschilden. Toch schijnt het waar te zijn, volgens sommige verhalen althans, dat een arend lammeren steelt en wel eens kinderen rooft. Het behoort echter, dat wordt er dan altijd wel bij verteld, tot de zeldzaamheden. Met deze vertelsels gaat het als met zoo veel andere dingen: men moet ze zelf gezien hebben, om ze te gelooven.

Vroeger kwam de arend in Zwitserland veel algemeener voor dan tegenwoordig. Nu verkiest hij andere hooggebergten en boschrijke streken van Zuid-Europa en Midden-Azië voor z’n broedplaatsen. Het nest bouwen zij van vrij dikke takken, die zij van de boomen breken. Zij laten zich daartoe, met de vleugels aan het lijf gesloten, van uit de hoogte neervallen en komen met groote vaart neer op een tak, die zij met de klauwen vast pakken. Tegen het gewicht van den vogel en de vaart waarmee hij neerkomt, is de tak niet bestand. Hij breekt af en de vogel neemt hem mee naar ’t nest, dat op de meest ontoegankelijke plaatsen van de steile rotsen is gelegen. Toch is ook in een gebied, waar de arenden geregeld broeden, de vogel nooit talrijk te noemen. Dit zal wel in hoofdzaak komen, doordat zij zoo’n groot jachtgebied noodig hebben om voldoende voedsel te vinden. Zij jagen geregeld en zeer zorgvuldig en vliegen daartoe te samen met rustigen majestueuzen vleugelslag systematisch hun gebied door en er is geen wild, dat hunne „arendsoogen” ontgaat. Is de buit gevangen, dan eten zij deze gezamenlijk op. Zoo’n adelaarsmaaltijd is een langzaam en plechtig feest. Niets herinnert daarbij aan de gulzigheid, die de gieren en raven aan den dag leggen. Maar van ’t eten zelf laat hij niets over. Veeren en haren, zoowel als de beenderen worden opgegeten. Na den maaltijd wordt gedronken en rustig een uurtje of wat aan de spijsverteering gewijd. De veeren en andere onverteerbare dingen spuwt de vogel als ballen haar en wol weer uit. Ze schijnen dan hunne dienst verricht te hebben, daar men meent, dat ze behulpzaam zijn bij het reinigen der maag.

91 KLOKVOGEL. (Procnias nudicollis). 92 COTINGA. (Cotinga mayana).

91
91
92
92

93 KONINGSVOGEL. (Tyrannus tyrannus). 94 PITTA. (Pitta cyanonota).

93
93
94
94

95 BOERENZWALUW. (Hirundo rustica). 96 ZWARTGRAUWE VLIEGENVANGER. (Muscicapa atricapilla).

95
95
96
96

Een van de allermooiste arenden is de ZEEAREND (HALIAETUS LEUCOGASTER) (No. 58), die wat veerenpracht betreft, veel gelukkiger bedeeld is dan de arend der Alpen. Prachtig wit zijn z’n kop en borst, warmbruin z’n buik en glanzend zwart de veeren van z’n vleugels. „Een waar sieraad voor de streken waarin hij voorkomt”, zegt Brehm van hem. In tegenstelling met de andere arenden valt hij nooit kleinere roofvogels of andere vogels aan. Deze zijn dan ook in ’t geheel niet bang voor hem. Met een soort rustige goedmoedigheid verdraagt hij zelfs hun kleine plagerijen. Een enkele keer verjaagt hij wel eens vogels, die een visch gevangen hebben en ontsteelt hun den buit. Want visschen, kikvorschen en waterslangen vormen z’n voedsel. Hij vangt hen, door met kracht diep onder water te duiken.

Zoo majestueus en koninklijk als de arend is in z’n vlucht, wanneer hij loopen moet, levert hij evenals de albatrossen, de jammerlijke aanblik op van een stuk uit de spheer gerukt leven. Nergens in Artis is dan ook zooveel triestheid en dringt de tragedie van gevangen dieren zich zoo duidelijk aan ons op als bij de hokken der groote roofvogels. De groote roofdieren, hoe onrustig zij ook hunne drie passen langs de wanden van hun hok mogen doen, hoe jammerlijk zij ook mogen schijnen, deze meest geperfectioneerde der dieren, nu zij beroofd zijn van ’t leven waartoe hunne lichaamsbouw hen zoo geschikt maakt, zij zijn minder jammerlijk dan deze groote roofvogels. Want, hoewel hunne hokken ruim en groot zijn, hebben zij nog niet eens de gelegenheid om één slag met hunne vleugels te doen. Als trieste hoopen ellende zitten zij verslagen op hunne stokken; een deerniswekkend schouwspel. Met een halven vleugelslag wippen zij er af, op den grond onhandig en dwaas lijkend. Een enkele keer treft een zeer trouw Artis-bezoeker het, iets van de hen zoo eigen felle kracht te zien, die gewoonlijk gedwongen is van verveling te slapen. Dat is, wanneer een muis of een rat zoo onvoorzichtig is om door het hok te loopen. Dan ontwaakt eensklaps de ware geest van den vogel en zoo plotseling, dat men zich nauwelijks rekenschap kan geven van wat gebeurde, is de rat in de machtige klauwen van den vogel geklemd en wordt langzaam met zorg naar binnen gewerkt.

Valken, die wel de meest geperfectioneerde der roofvogels te noemen zijn, stelen nooit de jacht van andere; een vergrijp waaraan zelfs de arenden zich nog wel eens schuldig maken. Zij leven geheel van wat eigen kracht, eigen snelheid, eigen zekerheid hen oplevert. Zooals de katachtige roofdieren de meest volmaakte lichaamsbouw („de meest geperfectioneerde physiologische machines zijn”, zooals een vriend van me zegt, die alles wat leeft, beweegt, voelt en denkt, tot materie terug wil brengen) onder de zoogdieren hebben, zoo zijn de valken de meest volmaakte der roofvogels. Nergens ziet men zoo’n slanke, krachtige lichaamsbouw, zulke fraaie vleugels, zoo’n doelmatige staart, zoo’n kleine gedrongen kop, zoo’n felle snavel, zulke scherpe oogen en zulke krachtige klauwen.

Nergens vindt men die snelheid en schoonheid van vlucht, die zekerheid van treffen. Geweldig is de stoot, die zij hun slachtoffer toebrengen. De hoogstaande valkensoorten zijn zoo snel en zeker in het vangen van hunne buit, dat zij dit in volle vlucht doen. Geen wonder dan ook, dat menschen, met zuiverder sportinstincten dan ons tegenwoordig voetballend en boksend publiek, in verrukking raakten over ’t schouwspel van een valk, die in de lucht een gevecht leverde met een veel grooteren vogel, als een reiger bijv. Geen wonder, dat de Edelen zich geen kosten spaarden om zich een dergelijk genot te verschaffen en de valkenjacht als de edelste hunner vermaken beschouwden.

Jachtvalken.
Jachtvalken.

Het vangen en africhten van valken voor de jacht was een zeer moeilijk en zorgvuldig werk. In ons land werd het vroeger op verschillende plaatsen bedreven. ’t Dorp Valkenswaard dankt er z’n naam aan; daar was zelfs een school, waar aan de „Valckeniers” het vak geleerd werd.

De herfst was de tijd, waarin de jonge of éénjarige wijfjes gevangen moesten worden. Oudere kan men tot het africhten niet meer gebruiken, daar zij nooit goed de dressuur leeren aannemen.

De valkenier bouwt in ’t najaar z’n „tophut” op een plek, in de groote uitgestrektheid der heidevelden. Dat niet iedere willekeurige plaats daartoe geschikt is, blijkt wel uit het feit, dat steeds de meest eenzame en verlaten streken, mits ze in de buurt van een meer gelegen zijn, ervoor uitgekozen worden.

Klapeksterheuvel.
Klapeksterheuvel.

De „tophut” zelf is een uiterst primitieve schuilplaats, die bestaat uit een kuil die 2 M. middenlijn en 80 cM. diep is. Zes palen worden nu in ’t rond geslagen, even schuin naar binnen hellend en heeft van boven een groot wagenrad te dragen. Als dit wagenrad met plaggen is bedekt vormt ’t het dak. Tusschen de zes palen worden nu takken gevlochten en als ten slotte dit netwerk ook onder plaggen is verstopt, lijkt ’t geheel net op een klein heideheuveltje. Een opening, zoo klein, dat een volwassen man er slechts in gebukte houding door kan, dient tot ingang. De kijkgaten zijn eveneens zoo klein mogelijk, maar daar er naar iedere windrichting één is, kan de valkenier als hij binnen is, toch alles zien wat buiten op het terrein gebeurt.

In de buurt van deze tophut worden, op ongeveer vijftien M. afstand ervan, twee heuveltjes gemaakt voor den onmisbaren kleinen helper van den valkenier, ’t aardige klapekstertje.

Vlak bij deze z.g. „klapeksterheuveltjes” worden op een afstand van tien M. van elkaar twee dennestammen, van zeven M. lengte, in den grond geslagen. Aan den top van ieder van deze palen wordt een touw gespannen, waarvan de uiteinden in de hut van den valkenier uitkomen. Aan de eene lijn heeft men een looze duif, dat is een houten vogelvorm met duivevlerken, aan den andere een lokvalk bevestigd. Voor lokvalk gebruikt men een oude valk, die voor de jacht ongeschikt is gebleken. Als men met deze beide touwen tegelijk slingert, dan maakt het op een afstand den indruk, alsof een valk bezig is een duif te achtervolgen.

Rondom de hut worden nu nog 3 slagnetten neergezet, ieder op 300 M. afstand ervan. Zoo’n slagnet bestaat uit twee helften, waarvan de eene met pennen in den grond is gestoken, de andere bewegelijk is en van een dun sterk touw voorzien, dat naar de hut loopt. Midden onder de vaste helft van dit net is een pen met een oog in den grond geslagen. Van hieruit loopt weer een lijntje naar de hut, waar het aan de pooten van een levende duif wordt vastgebonden, die in een klein, met plaggen bedekt duivenhokje opgesloten is. Door één enkele ruk aan dit lijntje kan de valkenvanger z’n levende duif te voorschijn brengen en, al naar gelang hij het touw meer aantrekt, de duif precies onder het slagnet brengen.

Als al deze toestellen in orde zijn en goed werken, wordt getracht een klapekstertje te vangen. Dank zij dit kleine moedige vogeltje met de scherpe oogen, worden wel tien maal meer valken gevangen dan de valkenier alleen zou kunnen bemachtigen. Al op een uur gaans, als de oogen van een mensch nog lang niet in staat zijn een valk waar te nemen, ziet het klapekstertje deze reeds en waarschuwt hij de valkenier met z’n gekrijsch. Zelf verbergt het zich dan. Dit was zoo z’n gewoonte toen hij in vrijheid was en de valkenier heeft hem nu ook op z’n heuveltje een kuiltje gegraven, waarin ’t kruipen kan. Het weet veel te goed, dat een valk voor hem geen partij is, om zich mee te meten.

Om een klapekstertje te vangen, maakt de valkenier gebruik van een andere eigenaardigheid van dit diertje. Het duldt n.l. geen tweede klapekster in ’t gebied, dat hij als het zijne beschouwt. De valkeniers hebben dit opgemerkt en maken er op slimme manier gebruik van. Op de tophut steekt hij een stokje met vogellijm, waarnaast hij een opgezette klapekster zet. Zoodra ’t vrije vogeltje een vermeende indringer opmerkt, komt het nieuwsgierig naderbij en springt tijdens z’n studie van die onbewegelijke soortgenoot eens op het stokje en is door de lijm gevangen. Voorzichtig neemt de valkenier hem er af en knipt zorgvuldig 6 à 8 slagpennen uit de vleugel van het diertje, waarna het op z’n klapeksterheuveltje wordt vastgebonden. Later, als de vangst is afgeloopen, worden deze veeren weer zorgvuldig met fijne zilverdraadjes aan den vleugel bevestigd. Gekortwiekt als ’t was, zou ’t vogeltje aan z’n vrijheid niet veel hebben. Nu kan ’t weer vliegen en als met de rui de veeren er uitvallen en door nieuwe vervangen worden, is er niets meer dat aan z’n dienst bij den valkenvanger herinnert.

Als nu alles voor de vangst gereed is, heeft de valkenier niets anders te doen dan in z’n hut te kruipen en daar pijpjes te rooken. ’t Klapekstertje zal hem wel waarschuwen, wanneer hij z’n zoo listig in elkaar gezette apparatuur in werking moet stellen.

En schreeuwt dit kittige kleine vogeltje, dan is de tijd van handelen daar, van snèl handelen zelfs. De lijn met de lokvalk en de looze duif slingeren zoo natuurlijk mogelijk zoodat deze jacht-vertooning gauw de opmerkzaamheid van den komenden valk trekt, en deze met ongeloofelijke snelheid nadert. Valkenvangers schatten deze snelheid van vliegen tijdens den jacht op één minuut per uur gaans. Geen kleinigheid voorwaar, want het beteekent een snelheid van 60 × 5 K.M. = 300 K.M. per uur. De normale vliegsnelheid is 3 min. per uur gaans of 100 K.M. per uur, wat altijd toch nog een behoorlijk vaartje genoemd kan worden.

Is de aandacht van den valk getrokken en komt deze naderbij, dan wordt aan de lijn met de levende duif getrokken. Deze fladdert even op, de valk schiet toe, grijpt hem en laat niet meer los. Zoo worden zij samen tot onder het slagnet getrokken. Eenmaal daar, dan wordt de bewegelijke helft vlug over hen gehaald en de valk is gevangen. De lijn wordt stevig vastgezet, om te voorkomen dat de valk de klep op zou lichten en voorzien van een linnenzakje, de z.g. „sok”, gaat de valkenier den valk uit het net halen. Het dier wordt stevig bij de pooten gepakt, waardoor het zoo goed als niets meer kan doen, de sok wordt hem over de vleugels geschoven en onder aan de pooten met een leeren riempje vastgemaakt. Voorloopig wordt hij in de tophut bewaard, ’s avonds pas wordt hij mee naar huis genomen om getemd te worden. Want eerst als de vogel geheel tam is, kan er met het africhten begonnen worden.

Het temmen begint met een hongerkuur. Met een leeren kapje op z’n kop, door leeren riemen, de z.g. „valkenschoenen”, aan een paal bevestigd, zit de vogel 24 uur zonder voedsel. Dan komt ’s avonds de valkenier, trekt een sterke leeren handschoen over z’n rechterhand en zet de valk op z’n vuist. Zoo brengt hij hem in een, slechts door één lamp spaarzaam verlicht vertrek en gaat zeer rustig met den valk op een stoel zitten. Alle gerucht en alle schielijke bewegingen laat hij achterwege. Voorzichtig neemt hij den vogel de kap van den kop en houdt hem een stukje vleesch voor. In ’t begin is de valk niet aan het eten te krijgen, maar langzamerhand komt hij meer op z’n gemak en krijgt den honger de overhand over den angst. Uren achtereen is de valkenier met hem bezig, want telkens weer moet de vogel z’n vrees overwinnen. Ongeveer 14 dagen wordt hiermee doorgegaan, dan begint de valk z’n meester te kennen en naar den avond te verlangen. Want dat zijn de eenige uren van den dag, waarop hij van de kap bevrijd is en hij te eten krijgt. In deze 14 dagen leert de vogel ook op de hand van den meester te springen.

Valkenier met tophut en klapeksterheuveltjes.
Valkenier met tophut en klapeksterheuveltjes.

97 PESTVOGEL. (Ampelis garrulus). 98 KLAPEKSTER. (Lanius excubitor).

97
97
98
98

99 FLUITVOGEL. (Gymnorhina tibicen). 100 BONTE KRAAI. (Corvus cornix).

99
99
100
100

101 KITTA. (Urocissa erythroryncha). 102 PRIEELVOGEL. (Amblyornis inornatus).

101
101
102
102

Als de vogels geacht worden genoeg getemd te zijn, begint de eigenlijke dressuur. Met een lange lijn aan de pooten gebonden wordt hij op eene hoogte gezet en met vleesch op verren afstand gelokt. Ook als de valkenier te paard zit, moet de vogel leeren op z’n vuist terug te komen. Doet hij dit in alle omstandigheden, dan begint het eigenlijke africhten voor de jacht pas. Dit doet men, door een doode duif in de lucht te gooien en de valk er op af te laten schieten. Later laat men kippen door honden opjagen en moet de valk leeren deze te vangen. Kent hij dit ook, dan is ’t laatste stadium van z’n opvoeding genaderd en wordt hij op reigers en kraanvogels afgericht. Eerst gebruikt men hiervoor reigers die men een buis over den snavel heeft gebonden, anders mocht hij de valk eens te erg verwonden. Zelf wordt deze van een leeren hulsel voorzien, om hem tegen de beten van den valk te beveiligen. Ten slotte is het dier volleerd en kan men er mee jagen gaan.

De gevechten, die de valk dan met de reigers leverde, vervulde de harten der Edelen met verrukking.

Een wreed vermaak, zegt ge. Misschien. In ieder geval is ’t een stuk natuurstrijd, dat men nu door het gedresseerd zijn van den valk ten allen tijde gade kan slaan, terwijl het anders tot de zeldzaamheden in het leven van een vogelvriend blijft. Een wreed vermaak—misschien. Maar oneindig edeler toch, dan ’t vermaak in een bokswedstrijd.

Steenuil (Athene noctua).
Steenuil (Athene noctua).

Scherp omschreven, zooals wel haast geen andere groep zijn de uilen. „Roofvogels” in de gewone zin van ’t woord, schijnen zij toch niet van de gewone roofvogels af te stammen, zelfs niet met deze een gemeenschappelijken stamvader gehad te hebben. Führinger, een bekend onderzoeker naar de mogelijke afkomst der vogels, meent op grond van anatomische kenmerken (eigenaardigheden in skelet, enz.) een verwantschap met de nachtzwaluwen te moeten aannemen. Reichenow vindt dat deze theorie niet te bewijzen of te bestrijden valt, daar ’t bewijsmateriaal ontbreekt en de vogels in geen geval met de tegenwoordig levende nachtzwaluwen in verband gebracht kunnen worden. Zij hebben bepaalde eigenschappen, zooals de kortheid van de kootjes van de vierde teen, de groote klauwnagel aan de tweede teen, de washuid en de snavelvorm, met de dagroofvogels gemeen. Daarom brengt hij ze bij deze in ’t systeem.

Dat uilen nachtvogels zijn, is van algemeene bekendheid. Immers daaraan danken zij het, dat zij werden tot ’t symbool der wijsheid, dat de Godin Minerva als attribuut was toegevoegd, omdat, evenals een uil ziet in ’t duister, ziet de wijsheid in ’t donker der problemen. Daar, waar gewone oogen geen enkelen lichtindruk ontvangen en hopeloos in de nacht-zwartheid staren, weten zij vormen en feiten te onderscheiden.

Uilen brengen den dag slapende door in de ruïnes van oude kasteelen, in holle boomstammen, in oude boerenschuren en in kerktorens. Deze plaatsen, die door hun duisternis overdag al reeds op de verbeelding der menschen werken, worden door de vleermuizen en uilen, die elkander daar gezelschap houden, nog griezeliger en spookachtiger. En als er ’s avonds leven komt in dit geheimzinnig gespuis, de vleermuizen als donkere schaduwen door de lucht vliegen, de uil z’n sombere stem laat hooren, dan verschrikt het diepe lugubere geluid den eenzamen mensch, die laat nog door de velden loopt. Ons kleinste inlandsche uiltje is ’t aardige steenuiltje, terwijl de kerkuil misschien wel de algemeenste is.

De INDISCHE UIL of KETUPA (No. 60) is berucht om die sombere stem. In de donkere zwaarmoedige omgeving van ’t dichte tropische oerwoud, waar het licht gedempt groen door het zware loof der bladeren dringt, waar geheimzinnigheid den angstigen mensch omgeeft en men zich beklemt gevoelt en gedrukt door die geluidlooze stilte, die men vol van ongeweten leven voelt, kan plotseling een luid krijschende helsche lach gehoord worden. Vol boosaardigheid klinkt het, als ’t gelach van een waanzinnig oud wijf. Een kinderlijke verbeelding gaat aan heksen en toovenaars denken, de plaats vermijdend waar dat vreeselijke geluid vandaan schijnt te komen.

De natuuronderzoeker evenwel overwint de beklemming die het vreeselijk gelach ook op hem heeft gemaakt en loopt in de richting van waar het geluid gehoord wordt. Hij komt bij een poeltje en daar op een overhangende tak, strak loerend in ’t water ziet hij de Ketupa, een prachtige uil. Zij is bezig haar honger te stillen en vangt daartoe visschen, doch nog liever krabben uit het water. Hoe prachtig is dit uiltje en met wat een diepe vreugd zal onze natuuronderzoeker haar bekijken! En vol goedhartigheid beklaagt hij z’n schuwe vriend, die niet mee gegaan is op zoek naar de oorzaak van ’t vreeselijk geluid, maar angstig de werkelijkheid heeft ontvlucht. En deze, die wanneer hij ver genoeg is om ’t vreeselijke gelach niet meer te hooren en z’n angst heeft overwonnen, droomt door over ’t sprookje van den toovenaar, dat hij zichzelf vertelde en vermeidt zich in z’n droomen van schoonen schijn. Zoo ver gaat hij voort op den weg van z’n eigen gedachten, dat hij ten slotte vol diepe deernis den bioloog beklaagt, die uit is gegaan om de nuchtere werkelijkheid te zoeken en hèm niet kan volgen in ’t wonderland van z’n droomen.

Kerkuilen (Strix flammea).
Kerkuilen (Strix flammea).

Of zijn vreugd in z’n droomenland grooter is, dan de blijdschap om de werkelijke schoonheid van de Ketupa, die de ander met een schok ontwaarde? Het is moeilijk uit te maken. Want de eene mensch is gelukkig, diep vol gelukkig met dingen, die een ander onverschillig zijn. Laat ieder mensch voor zich zelf uitvinden wat hem gelukkig maakt en daarnaar leven. Maar wij, laten wij voorzichtig zijn en nooit trachten de illusies van een ander te verstoren.

Dat uilen evenwel gauw op de verbeelding der menschen werken, blijkt wel uit het bijgeloof, dat ook in onze streken o. a. de RANSUIL (ASIA OTUS) (No. 61) omgeeft. Een doode uil met uitgespreide vlerken tegen de schuurdeur gespijkerd, zou bijv. tegen brand beveiligen. En jammer is ’t dat dit bijgeloof heerscht, want de uil is een zeer nuttig dier, die vele muizen verdelgt. Dat er met deze schadelijke knaagdiertjes wel eens een nuttig insectenetertje, als ’t spitsmuisje is, in z’n maag verdwaalt, spreekt haast van zelf, maar dat moet de uil maar niet te zwaar aangerekend worden, want over ’t geheel is hij meer nuttig dan schadelijk te noemen.

Uit het leven van een ransuil blijkt, dat uilen niet zoo uitsluitend nachtdieren zijn als men gewoonlijk wil doen voorkomen. Het is hen zelfs een levensbehoefte zich te zonnen, zonder zon gaan zij dood, zegt Brehm. Als het ’s winters te koud wordt, trekken zij dan ook weg, ’t zonnige zuiden in.

De SNEEUWUIL (NYCTEA NYCTEA) (No. 62) daarentegen is niet zoo bang van de kou en komt veel noordelijker voor en dan nog wel hoog in de bergen bovendien. Z’n kleur is voor deze koude omgeving prachtig beschuttend en wordt nog witter naarmate zij ouder zijn. Het donskleed van de jonge vogels is geheel grauw-bruin, het echte veerkleed heeft nog een tijd lang bruine vlekken en de volwassen vogels hebben slechts een enkele bruine vlek.

Wanneer ’t voedsel ’s winters in de bergen te schraal wordt, komt de vogel lager, of trekt zij het zuiden in. Daar de lemming haar liefste voedsel is, volgt zij deze vaak op z’n tochten. Toch voedt zij zich ook wel met eekhoorntjes en hazen, en wanneer het wild erg schaars is, berooft zij de vallen, die de jagers uitzetten om pelsdieren te vangen.

103 PARADIJSVOGEL. (Paradisea minor). 104 DRAADHOP. (Seleucides ignotus). 105 WIELEWAAL. (Oriolus oriolus).

103
103
104
104
105
105

106 BEO. (Eulabes religiosa). 107 MADENHAKKER. (Buphagus erythrorhynchus). 108 GLANSSPREEUW. (Lamprocolius purpureus).

106
106
107
107
108
108

[

Inhoud

]

Papegaaienlaan in Artis.
Papegaaienlaan in Artis.

Eindelijk is de lang verwachtte dag aangebroken. Helder straalt de zon uit den blauwen hemel en de kinderen springen juichend hunne bedjes uit. Zij wekken hunne ouders met: „’t Is goed weer! Vader, Moeder, ’t is goed weer! Gaan we?” Slaperig nog, wakker geschrokken door ’t luidruchtige jonge goed, kijkt Vader eerst naar de lucht en dan op z’n horloge. Vol spanning wordt op ’t antwoord gewacht: „Maak je maar klaar jongens, met de eerste de beste trein gaan we.” Joelend loopen zij weg om zich aan te kleeden. „We gaan! Hoera we gaan!”

Vader en Moeder lachen eens tegen elkaar. Zij hebben schik in de vreugd van hun kroost. ’t Is voor een kind dan ook heerlijk om naar „Artis” te gaan. Artis, ’t tooverwoord, ’t levend geworden prentenboek. Een tuin vol met vreemde dieren, met leeuwen en tijgers, olifanten en nijlpaarden, met adelaars, met papegaaien.…..!

Ara’s met nest.
Ara’s met nest.

Geen oogenblik staan de monden stil. En als Moeders lieve oogen geen scherp toezicht hielden op de aankleederij, zou een enkele in alle vreugd van ’t uitgangetje nog wel vergeten de tanden te poetsen, het haar te borstelen of de nagels te schuieren. Wat heeft Moeder ’t nog druk! De boterhammetjes moeten gemaakt, koekjes en nootjes ingepakt. Eindelijk dan toch zijn zij in den trein. Onophoudelijk babbelen zij maar door over de te verwachten wonderbaarlijkheden. Maar als zij ten slotte voor de ingang staan en Vader de toegangsbewijzen koopen gaat, worden zij stiller en bedaarder. Nog een oogenblik en dan komt ’t! „Zie je ginder die papegaaien wel,” fluistert Frank tegen Mirjam. Wat een mooie kleuren, hè? En wat schreeuwen zij!

Die stilte duurt niet lang. Want eenmaal bij de vogels, kent de pret geen grenzen meer en hollen zij uitgelaten van den eenen vogel naar den anderen. Maar diep onder al die pret schuilt een wezenlijke en levendige belangstelling. Met wat een aandacht staan zij stil en luisteren zij naar wat de vogels zeggen willen. Maar als zij er ten slotte een aantreffen, die kan fluiten kent hun bewondering geen grenzen meer. Vol stille, gespannen aandacht luisteren zij naar de zachte, fluitende toonen. Zij meenen er een straatdeuntje in te herkennen. Hoe wonderlijk het ook was, dat de vogels praten konden, het gefloten liedje spant de kroon.

Hoe leuk nemen zij de koekjes aan met hun poot, hoe handig pellen zij de nootjes met hun snavel! Zij zien wel, dat die snavel heel anders is dan van een andere vogel en veel bewegelijker aan de kop verbonden is. En dan die gekke tong, zoo’n raar dik zwart stompje. Daar kan hij vast mee proeven merken zij op, want ’t nootje houdt hij in z’n bek over en de doppen laat hij vallen.

Ook valt het hun met hun scherpe oogen ook al heel gauw op, dat een papegaai z’n teenen anders heeft dan andere vogels, n.l. twee naar achteren en twee naar voren gericht. Deze eigenaardigheid is typisch voor hunne orde en voor die der klimvogels. Dit is dan ook de reden waarom zij gezamenlijk in de groep der Fibulatores of Gepaard-teenigen ondergebracht worden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings