← Table of contents
Vlaamsch Belgie sedert 1830

EEN BLIK OP DE GESCHIEDENIS DER VLAAMSCHE GEWESTEN TOT WATERLOO

Reading edition

DOOR

PAUL FREDERICQ

Ruwe volksstammen bewoonden oudtijds Belgiës bodem, alsdan deels moerassig aan de kust en in het lage binnenland, deels heuvelachtig en met bosschen bedekt naar het Zuiden en het Oosten toe. Omstreeks 't jaar 50 vóór Christus' geboorte werden die «Barbaren» ontdekt en onderworpen door Julius Cæsar, den beroemden veldheer der Romeinsche Republiek, die ons in het verhaal zijner krijgstochten het eerste volledig en schilderachtig tafereel leverde van de toenmalige bewoners van ons Vaderland.

Alzoo werden, in de laatste jaren der negentiende eeuw, de negers van Middel-Afrika aan de watervallen der breede Congo-rivier door Stanley en de Belgische officieren van koning Leopold II ontdekt en in den stroom der beschaving getrokken.

Tusschen die twee ontdekkingen in van wilde stammen ligt onze geheele geschiedenis van België, die een tijdverloop van nagenoeg twee duizend jaren omvat.

In zijne gedenkschriften roemt Cæsar den moed dier Belgische volksstammen: Horum omnium fortissimi sunt Belgae (de Belgen zijn de dapperste aller bewoners van Gallië). Maar die Keltische of Gallische Belgen, door Rome veroverd, leerden en spraken weldra Latijn, de taal hunner beheerschers en beschavers, en zij werden de voorvaderen der Walen; terwijl later aangekomen Germanen, vooral Franken, en ook voor een deel Friezen en Saksen, de stamvaders der Vlamingen werden.

Onder die Franken stonden mannen op als Hlodowig (Clovis), koning van Doornik, die het koninkrijk Francia stichtte en zijne hoofdstad naar Parijs overbracht; Karel met den strijdhamer (Martellum), die in 732 bij Poitiers de wassende zee van den aanspoelenden Islam stuitte; en Karel de Groote (Carolus Magnus), die in 800 tot Keizer van 't Westen werd gekroond. Dat waren de eerste groote Vlamingen uit den voortijd.

Het machtig Rijk van Karel den Groote viel aan brokken en de Schelde werd de grens tusschen Francia en Alemania. Aan beide oevers van den kalmen stroom ontstonden het graafschap Vlaanderen (863) en het hertogdom Lotharingen, die beide eerst geheel en al onder den invloed der Germaansche beschaving stonden, zelfs in de Waalsche gewesten, vooral te Luik en te Doornik.

Omtrent 't jaar 1000 werd integendeel de Fransche beschaving overheerschend. Het Duitsche Rijk was verdeeld en onmachtig geworden. De Fransche Kroon begon hare staatkundige, intellectueele en kunstheerschappij in West-Europa. Doch, in 't gebied van Schelde en Maas, waren bloeiende handels- en nijverheidssteden geboren, die een onafhankelijk leven wilden leiden tusschen Duitschland en Frankrijk.

Vooral de Dietsche gewesten streefden naar eene eigene Vlaamsche beschaving en in het midden der 13de eeuw verkondigde een West-Vlaming, Jacob van Maerlant, aan zijn volk in de moedertaal de geheimen van den godsdienst, van de natuurwetenschap en van de wereldgeschiedenis, zooals men ze alsdan slechts in de geleerde taal van den tijd, in 't Latijn op de Hoogescholen in andere landen leeren kon. Brugge, Gent en Ieperen, weldra ook Antwerpen, Leuven, enz., werden brandpunten van nijverheid, handel en stoffelijken welstand, vrijheid, volksverlichting en kunst.

En toen de overmoedige Fransche Koning in 1300 het graafschap Vlaanderen op den impopulairen landheer inpalmde en aldus een begin scheen te maken met de trapsgewijze verovering van ons tegenwoordig vaderland, stonden weldra de Vlaamsche ambachtslieden en boeren op het slagveld der Gulden Sporen, te Kortrijk (1302), om Vlaanderen en de naburige streek voor Fransche annexatie te redden. Breidel en De Coninc, Willem van Gulik, Zannekijn, de twee Arteveldes, Pieter Van den Bossche, Frans Ackerman en zooveel andere helden zijn dan de groote Vlamingen, die «de koningen doen beven» en aan de onderdrukte bevolkingen van Frankrijk en van Engeland tot lichtbaken in de duisternis dienen, zooals de gelijktijdige Waalsche kroniekschrijver Froissart met ontzetting te boek stelde.

De Vlaamsche lakenweverij bevoorraadt geheel Europa. De hallen, belforten en stadhuizen komen prachtig uit den grond te Ieperen, te Brugge, te Gent en in de kleinere gemeenten. De halle van Ieperen is het grootste burgerlijk gebouw der middeleeuwen. De didactische dichterschool van Maerlant en de mystieke prozaschrijvers met den grooten Brabander Jan van Ruusbroec aan het hoofd leveren het geestesvoedsel in de moedertaal aan de Vlamingen, terwijl de verfransching in de hoogere standen reeds aan 't woekeren is.

Standbeeld van Jacob van Artevelde te Gent

Standbeeld van Jacob van Artevelde te Gent
Standbeeld van Jacob van Artevelde te Gent

Halle te Ieperen

Halle te Ieperen
Halle te Ieperen

In de 15de eeuw is er behoefte aan toenadering en eenheid. Een vorstengeslacht uit Frankrijk afkomstig, de vier hertogen van Bourgondië, stichten die eenheid op de puinhoopen der gemeentevrijheden. Onder hunnen krachtigen schepter rijst in 't Westen eene nieuwe mogendheid op, die men eerst met den aarzelenden naam van Landen van herrewaarts over, weldra met dien van Nederlanden aanduidt, naar de «lage landen bij de zee», tusschen Frankrijk, Duitschland en Engeland. Groote bouwmeesters, beeldhouwers en schilders maken den naam van Vlaming vermaard over Europa. De Van Eycks, Memlinc, zooveel anderen behooren tot de schitterende Brugsche schilderschool, wier houten paneelen nu nog het sieraad zijn der kerken en der museums in de geheele wereld. Glansrijk bloeit de bouwkunst in de stadhuizen van Brussel, Leuven, Aalst, enz., terwijl de meesterlijke beeldhouwwerken, waarvan zoovele in den beeldenstorm van 1566 vernietigd werden, nieuwe wegen openen voor die edele kunst in West-Europa. Doch onder de Franschgezinde hertogen wordt de volkstaal niet in eere gehouden. De Vlaamsche letterkunde kwijnt, terwijl eene Fransche hofletterkunde bloeit met Jean le Bel van Luik, Jean Froissart van Valencijn, Georges Chastellain van Aalst en Philippe de Comines van Komen.

Keizer Karel V

Keizer Karel V
Keizer Karel V

Zoo breekt de zestiende eeuw aan. De Duitsche Habsburgers, evenals de Bourgondische hertogen, door een huwelijk in onze geschiedenis getreden, komen op den troon en de derde van hun geslacht, een Gentenaar, vereenigt op zijn hoofd de kronen van de Nederlanden, van Spanje en van het Duitsche Rijk: 't is Keizer Karel of Karel V, die geheel West-Europa tot in 1555 beheerscht. De fraaie kunsten vervolgen hunnen bloei: Quinten Matsijs en zijne Antwerpsche schilderschool zijn de erfgenamen der Brugsche meesters; te Oudenaarde, te Gent, te Middelburg rijzen prachtige stadhuizen op en Erasmus, van Rotterdam, die, eilaas! zijne moedertaal veracht en in het geleerde Latijn schrijft, is de intellectueele koning van Europa, iets als Voltaire tijdens de 18de eeuw. Op œconomisch gebied staan de rijke nijverige Nederlanden aan de spits in 't Westen en Antwerpen wordt de grootste handelshaven, het Londen van den tijd, en tevens de hoofdstad der pas uitgevonden boekdrukkunst in het Noorden.

Marnix van St-Aldegonde

Marnix van St-Aldegonde
Marnix van St-Aldegonde

Doch, naast den ouden strijd voor de staatkundige vrijheid, begint nu een kamp voor de nieuwe vrijheid van denken en gelooven. De volksletterkunde fleurt weer op en weerspiegelt de hartstochten van de godsdienstige twisten: de schoolmeesteres Anna Bijns, van Antwerpen, in hare mannelijke Refereynen tegen Luther en de «vermaledide Luterisce secte» en de Brusselsche edelman Philips van Marnix van Sint-Aldegonde in zijnen Byenkorf der H. Roomsche kercke en in zijn Wilhelmus staan vooraan in de rangen der geusche en antigeusche letterkunde van den tijd.

Onder Philips II, die van Spanje uit, onze Nederlanden op zijn Spaansch wil onderjukken, breken de Nederlandsche beroerten uit (1566). De opeenvolgende bedrijven van dat bloedig heldhaftig treurspel zijn: het Eedverbond der Edelen, de Beeldenstorm, Alva's schrikbewind, de verwoesting van Antwerpen en van andere bloeiende steden door de Spanjaarden, de tijdelijke verzoening van katholieken en protestanten bij de Pacificatie van Gent, hunne spoedige afscheuring in de vijandige Unies van Atrecht en van Utrecht, de moord van den Prins van Oranje, de val van Antwerpen (1585), voorafgegaan door dien van al de Vlaamsche en Brabantsche steden en van het verraad der Waalsche Malcontenten.

Van die scheuring af dagteekent eerst de verdeeling der Nederlanden in twee afzonderlijke Staten, die tot aan den slag van Waterloo naast elkander, doch schier vreemd aan elkander, een afzonderlijk leven hebben geleid. Het is het groote keerpunt, het beslissend uur in onze vaderlandsche geschiedenis.

Willem De Zwijger

Willem De Zwijger
Willem De Zwijger

De handel, de nijverheid, de vrijheid, de letterkunde, de wetenschap verhuisden naar het Noorden met de tienduizenden protestantsche Vlamingen en Brabanders (en ook minder talrijke Walen), die er de wijk nemen, omdat Zuid-Nederland zijne onroomsche kinderen geene plaats meer onder de zon aanbood; en daar stichtten zij, eendrachtig met de Hollanders, de Zeeuwen, de Stichtschen, de Gelderschen, de Friezen en de Groningers de heldhaftige Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden tusschen Schelde en Eems aan de kust der Noordzee. Te gelijk waren de Zuidelijke gewesten, vooral Brabant en Vlaanderen (eens de rijkste en bloeiendste der zeventien provinciën vóór de godsdienstige beroerten) nu diep vervallen tot de verarmde, ontvolkte en uitgeputte Spaansche of Katholieke Nederlanden. Het groote bloeiende Dietsche rijk van de hertogen van Bourgondië en van Keizer Karel was in twee helften van elkander losgescheurd.

Verbazend is het getal der mannen van beteekenis, die, van Zuidelijke afkomst, de grootheid en den roem der Noordelijke Republiek hebben helpen vestigen. Wij noemen slechts de philologen Daniël Heinsius van Gent, Bonaventura De Smet (Vulcanius) van Brugge en Justus Lipsius van Overijsche (bij Brussel), die later tot de Roomsche kerk terugkeerde en het sieraad der Leuvensche hoogeschool werd; den grondlegger der wetenschappelijke plantenkunde Rembert Dodoens (Dodonæus) van Mechelen; den wiskundige Simon Stevin van Brugge, den leermeester van Prins Maurits, zoon van Willem den Zwijger; den boekdrukker Louis Elzevier van Leuven; den zeevaarder Izaäk Le Maire van Doornik, die in 1615 de zeestraat naar hem genoemd bij de Zuidpool ontdekte; de groote financiemannen en kooplieden Balthazar Moucheron en Willem Usselinckx van Antwerpen, beide zoo zeer bemoeid in de Oost- en West-Indische Compagnies; de geografen Joost de Hont en Philips van Lansbergh van Gent en Jan de Laet van Antwerpen; de historieschrijvers Jean le Petit van Bethune (Fransch-Vlaanderen) en Emmanuel van Meteren van Antwerpen; de schilders Gerard de Lairesse van Luik, Frans Hals van Mechelen en Karel van Mander van Meulebeke (bij Tielt); den dichter Jacob van Zevecote van Gent en aller dichtren prins Joost van den Vondel, geboren te Keulen uit Antwerpsche ouders; een leger van godgeleerden en predikanten, waaronder de beroemde Gomarus van Brugge, die eene beslissende rol speelde op de Synode van Dordrecht in 1618; een leger van staatslieden met Willem den Zwijger, te Brussel grootgebracht, en den Brusselaar Marnix van Sint-Aldegonde aan hun hoofd; enz., enz.

De Leidsche hoogeschool, in 1575 gesticht, wordt de eerste van Noord-Europa en hare beste professoren zijn bij den aanvang in meerderheid Zuid-Nederlanders. Openbare liefdadigheid en volksonderwijs worden ingericht als in geen ander land van Europa.

De Hollandsche schilderschool ontwikkelt eene eenige oorspronkelijkheid met Rembrandt, Hals, Ruysdael, Dou, Pieter de Hooch, Jan Steen, Vermeer en zooveel andere onsterfelijke meesters.

De kleine provinciestad Amsterdam is eene wereldstad geworden; de oudere Hollandsche, Zeeuwsche en Utrechtsche steden moeten alle hunne wallen uitzetten en zien hunne bevolking en hunnen welstand verbazend stijgen. De Nederlandsche Republiek wordt de eerste handels- en koloniale mogendheid der wereld in de 17de eeuw.

Intusschen zieltoogt het door geweld katholiek gebleven Zuid-Nederland. In de Vlaamsche en Brabantsche steden, die door de gedwongene protestantsche uitwijking de bloem hunner burgerij en handswerklieden hebben verloren, staan een derde der huizen te koop of te huur en vinden er geene liefhebbers, zoodat de kloosterlingen der plattelandsche abdijen, welke in den burgeroorlog verwoest waren geworden, geheele stadswijken voor een appel en een ei meester worden en zich in iedere stad komen nestelen. Buiten de steden zijn hoeven, stallingen, schuren en kasteelen in puin gelegd; de onbebouwde verlatene akkers groeien vol distels, ginststruiken en ander wild gewas. Wolven loopen het ontvolkte platte land af. De Schelde is gesloten en Antwerpen houdt op eene zeehaven te zijn gedurende meer dan twee eeuwen. De gewetensdwang en de geestelijke censuur op de boeken belemmeren elke ontwikkeling van den menschelijken geest. Het onderwijs der Jezuieten, Augustijnen en nonnen verkwezelt en verfranscht de hoogere standen, en de volksschool ligt in eene erbarmelijke verwaarloozing gedompeld. Terwijl in Holland de gouden eeuw der Nederlandsche letteren schittert met Vondel, Hooft, Bredero, Cats en Huygens, levert de letterkunde in Vlaamsch België niets anders op dan Pater Poirters en Willem Ogier. Alleen op het gebied der fraaie kunsten, ten dienste meestal van kerken en kloosters, leeft een tijdlang nog de oude verbazende kracht van den Vlaamschen stam voort. De prachtige Antwerpsche schilderschool met Rubens, Van Dijck, Jordaens, Teniers, enz. is de laatste glorievonk van het uitdoovend nationaal genie.

P. P. Rubens

P. P. Rubens
P. P. Rubens

Terwijl de Nederlandsche driekleur op alle zeeën en oceanen met glans en eere wappert, terwijl de Nederlandsche Republiek de Europeesche diplomatie beheerscht en door veldheeren als Maurits en Frederik Hendrik, door admiralen als De Ruyter en Tromp, door staatslieden als Oldenbarnevelt en Jan de Wit, door groote schilders en geleerden de bewondering en de afgunst van het buitenland opwekt; terwijl eindelijk de stadhouder Willem III van Oranje, koning van Engeland, als de redder van Europa's onafhankelijkheid optreedt tot fnuiking der Fransche Wereldmonarchie van Lodewijk XIV; — is de zeventiende eeuw voor Vlaanderen het rampzaligste tijdvak onzer gansche geschiedenis. De Spaansche katholieke Nederlanden zijn het bloedig en weerloos slagveld der groote mogendheden geworden. Gedurende meer dan eene eeuw, tot aan den Vrede van Utrecht (1713), werd er op onzen bodem oorlog gevoerd om ons brokstukken van ons grondgebied te ontrooven: in 't Noorden verloren wij aldus Zeeuwsch-Vlaanderen, Noord-Brabant, Maastricht en den rechteroever der Maas ten gunste der Nederlandsche Republiek; in 't Zuiden, Artois, Fransch-Vlaanderen, de helft van Henegouwen en eene strook van Luksemburg, ten gunste van Frankrijk, dat ons land zelfs tijdelijk in zijn geheel had ingepalmd (1700-1706). Ontelbare veldslagen en belegeringen maakten eilaas! den naam onzer steden en onzer onbekende Vlaamsche en Waalsche dorpen bloedig beroemd in de wereldgeschiedenis.

Ons land was op den rand van den afgrond, toen de groote mogendheden het aan Spanje ontnamen om het, buiten onzen wil, aan Oostenrijk over te maken. Als een lakei, die met eenen nieuwen meester ook van livrei moet veranderen, verwisselden onze gewesten hunnen naam van Spaansche met dien van Oostenrijksche Nederlanden. In 't midden der achttiende eeuw kwam eene tweede tijdelijke verovering van Frankrijk onder Lodewijk XV de nationale rampen vermeerderen, waar de Vrede van Aken (1748) een einde aan stelde. Dertig jaren van ongestoorden vrede volgden daarop onder de moederlijke regeering van keizerin Maria Theresia, die eenige verademing brachten. Ook wordt hare nagedachtenis nog in België gezegend; aan zulke rust waren onze zwaargeteisterde voorouders niet meer gewoon. Daarenboven toonde zich de Oostenrijksche regeering milder en verstandiger dan de Spaansche. Het hooger en middelbaar onderwijs werden verbeterd, de landbouw en de nijverheid aangemoedigd, de verschrikkelijke uitbreiding der kloosters werd tegengewerkt, de opheffing der Jezuietenorde (na hare afschaffing door paus Clemens XIV) in ons land in 1773 ook doorgevoerd en de Academie der wetenschappen en letteren te Brussel opgericht (1772).

Jozef II

Jozef II
Jozef II

Maria Theresia's schrandere zoon, keizer Jozef II bezocht in 1781 ons vaderland, kort na zijne troonsbestijging. Sedert Philips II 's vertrek naar Spanje in 1559 was hij de eerste vorst der Zuidelijke Nederlanden, die zich gewaardigde onzen bodem te betreden en hij kwam er opzettelijk om onze toestanden te bestudeeren. De vruchten zijner edelmoedige studiereis bleven niet uit. Tal van hervormingen, uit Weenen naar ons land overgebriefd, verrasten en schokten weldra keer op keer onze ingedommelde voorouders: afschaffing der pijnbank, bedeesde verdraagzaamheid voor de dungezaaide protestanten, opheffing der «onnoodige» kloosters, hervorming der bisschoppelijke seminaries, herinrichting van het gerecht en van de bestuurlijke instellingen en meer andere doortastende veranderingen, meestal heilzame en dringende verbeteringen, die eenige jaren later door de Fransche Omwenteling werden doorgedreven. Maar de katholieke geestelijkheid en al degenen, die leefden van de voorrechten en misbruiken, ruiden het verdwaasde volk op tegen die hervormingen, welke overigens door Jozef II werden afgekondigd zonder acht te slaan op 's lands aloude grondwettelijke waarborgen. De Brabantsche omwenteling, die belachelijke en beschamende clericale naäperij van de groote Fransche van 1789, brak uit. Het Oostenrijksch bewind werd omver geworpen, Jozef II stierf van verdriet, onze voorouders op zijn sterfbed van ondankbaarheid beschuldigende, en gedurende 360 dagen leefde ons land in eenen revolutionnairen staat van potsierlijke onafhankelijkheid en clericale reactie onder den naam van États-Belgiques-Unis, alweer eene onmachtige nabootsing van de vrije Republiek der Vereenigde Staten van Noord-Amerika, die zich eenige jaren vroeger tegen Engeland had vrijgevochten. Na minder dan een volle jaar keerden de zegevierende Oostenrijksche legers terug; doch al de hervormingen van Jozef II werden ingetrokken.

Maar dan begon de strijd tegen Frankrijk, die na een paar bloedige veldtochten leidde tot de inlijving van Zuid-Nederland bij de Fransche Republiek une et indivisible onder de leus: Liberté, Égalité, Fraternité ou la mort (1794). Zuid-Nederland verdween van de kaart van Europa en werd ingedeeld in Fransche wingewesten: Départements de la Lys, de l'Escaut, de la Dyle, des Deux-Nèthes, de la Meuse Inférieure, de l'Ourthe, des Forêts, de Jemmapes, de Sambre-et-Meuse. Dat was het tweede keerpunt in onze vaderlandsche geschiedenis.

De kerkelijke en staatkundige instellingen, die zich sedert de middeleeuwen gaandeweg ontwikkeld hadden, werden plotseling neergehaald en door splinternieuwe vervangen. Al de voorrechten van geestelijkheid en adel werden afgeschaft en door de burgerlijke gelijkheid aller inwoners vervangen, hetgeen een niet genoeg te waardeeren hervorming was, waarvan wij heden nog de zegeningen genieten. Doch, indien al de moderne vrijheden werden afgekondigd, dit was slechts in de woorden en op het papier, want in de werkelijkheid bleef de regeering almachtig; de Republiek en na haar Napoleon I oefenden eene staatkundige dwingelandij uit, die zelden werd geëvenaard. Daarenboven werden onze gewesten door Frankrijk letterlijk uitgebuit.

De inlijving begon in 1794 met eene oorlogsbelasting van tachtig millioen Fransche livres op de steden, waarvan Brussel er vijf, Antwerpen tien, Gent zeven, enz. moesten opbrengen. Al de rijkdommen in goud en zilver van kerken, kloosters, neringen, ambachten en gilden werden aangeslagen, met hamers aan stukken gebroken, in houten vaten gekuipt en naar Frankrijk gezonden. De gedwongen koers van het waardeloos papieren geld (assignats) en de stelselmatige afpersing van alle waren, levensmiddelen, vee, meubels, stoffen, kunstschatten en verdere roerende eigendommen, onder den naam van requisities, brachten eene onbeschrijfelijke ellende teweeg, gevolgd door hongersnood en ziekten. Ondertusschen moesten onze wanhopige voorouders eene officieele feestvreugde aan den dag leggen bij het planten der vrijheidsboomen en hunne Fransche driekleur uitsteken op den decadi, die den afgeschaften Zondag was komen vervangen, evenals de katholieke kerken herschapen waren in tempels der Rede; de kloosters en abdijen waren opgeheven en hunne goederen verkocht. Zoo brak de «gesloten tijd» (1797-98) aan, die gekenmerkt werd door allerlei hatelijke of kleingeestige vervolgingen tegen de priesters, die in 't geheim de mis lazen en de sacramenten bedienden en die zich daardoor aan deportatie naar Cayenne blootstelden. De ruw ingevoerde militaire loting (conscriptie) deed den beker overloopen en den wanhopigen Boerenkrijg uitbreken (1798-1799), die na heldhaftigen tegenstand in het bloed gesmoord werd. Geen tijdvak onzer geschiedenis, buiten de bloedige dwingelandij van Alva, in de 16de eeuw, kan met de laatste jaren der achttiende eeuw onder het Fransche schrikbewind worden vergeleken.

Het consulaat van Napoleon Bonaparte bracht eenige verademing. De vrede met Europa, de inwendige openbare rust en de oude katholieke godsdienst werden hersteld. Doch Napoleon zette de keizerskroon op zijn hoofd (1804) en zijne onverzadelijke eerzucht veranderde geheel Europa, van Spanje af tot aan Rusland, in een groot oorlogsterrein. De conscriptie eischte overal kanonnenvleesch. De dwingelandij van den meester kende geene palen meer. De moedertaal, reeds brutaal aan kant gezet bij den eersten dag der Fransche inlijving, werd onmeedoogend vervolgd en uitgeroeid tot in de dagbladen, straatnamen, uithangborden, testamenten en kwijtschriften. Vertwijfeling en haat tegen de Fransche overheersching waren de alom heerschende gevoelens in ons diep gezonken vaderland.

In al die rampen had Noord-Nederland ook zijn aandeel gehad. Het verzwakte en ingedommelde gemeenebest der Zeven Vereenigde Nederlanden was, door inwendige twisten en onder Franschen invloed, uiteengevallen en tot vassaalstaat van Frankrijk gezonken onder den naam van Bataafsche Republiek (1795). Napoleon veranderde haar in een Royaume de Hollande met zijnen broeder Lodewijk als koning (1806), en, toen deze niet slaafsch genoeg aan zijne ongehoordste eischen gehoorzaamde, stiet hij hem van den troon en lijfde Noord-Nederland bij het Fransche Keizerrijk in (1810). Op hunne beurt waren ook de Hollandsche gewesten tot Fransche departementen vervallen, vijftien jaren na Zuid-Nederland.

De Nederlandsche stam in Noord en Zuid scheen alsdan met eenen onvermijdelijken ondergang bedreigd, toen Napoleon's val een historisch mirakel mogelijk maakte: de verrijzenis der groote mogendheid van de Bourgondische hertogen en van Keizer Karel onder den naam van Koninkrijk der Nederlanden met eenen Oranjevorst, eenen afstammeling van Willem den Zwijger, op den troon.

Naast al hare vernederingen en onheilen had de Fransche overheersching ons toch onloochenbare weldaden aangebracht: de gelijkheid aller burgers vóór de wet met opheffing aller voorrechten van adel en geestelijkheid, de heropening der Schelde (1795) na meer dan twee volle eeuwen, de scheiding der bestuurlijke en rechterlijke machten (1796), waar Jozef II zijnen onverdienden val grootendeels aan te danken had, de afschaffing der al te talrijke en overrijke kloosters, de ernstige inrichting van den burgerlijken stand, de verwereldlijking en verbetering van de openbare liefdadigheid. Maar de vrijheid was onmeedoogend met de voeten getreden; de moedertaal, de nationaliteit, het volksonderwijs en het Nederlandsch karakter verwaarloosd en veracht.

Op het bloedig slagveld van Waterloo (1815) ging de zon der vrijheid en der onafhankelijkheid op voor Europa in 't algemeen en in 't bijzonder voor ons arme vaderland.

Bibliographie

H. Pirenne, Histoire de Belgique. 2 deelen. 1900-1903 (Nederl. vertaling door R. Delbecq, 1904) — P. J. Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche Volk. 6 deelen. 1892-1904. — Eug. Van Bemmel, Patria Belgica. 3 deelen. 1873-1875. — Julius Vuylsteke, Inleiding tot de Korte statistieke Beschrijving van België, 1869, herdrukt in zijne Verzamelde Prozaschriften (1887) en in zijne Historiebladen (1904).

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings