← Table of contents
Vlaamsch Belgie sedert 1830

BELGIE IN VOGELVLUCHT

Reading edition

DOOR

G. D. MINNAERT

De Bodem: Vorming en Invloed op de Bewoners

Niets oefent zoo grooten invloed uit op de vorming van een volk, op zijn wijze van leven, op zijn bedrijf en karakter, op zijn kunst en zijn taal, dan de bodem, waarop het zich vestigt. Klimaat, vorm en ligging, hoogte en laagte, geologische bouw, minerale voortbrengselen, richting en rijkdom van water, nabijheid der zee, insnijding der kusten, duizenden betrekkingen van grond, lucht en water, planten en dieren, heel de omringende natuur met haar verschijnselen, haar duizenden vormen en kleuren, de eindelooze wisseling van haar leven, dit alles grijpt voortdurend en diep in het menschelijk organisme in, en bepaalt voor een groot deel het type en het karakter, de ontwikkeling en de toekomst der bewoners.

Maar ook die bodem ondergaat op zijn beurt den invloed van den mensch. Waar zijn nasporende geest zijn natuur onderzoekt, ontsluiert hij hem zijn duizendjarige verborgenheden, zijn schatten en krachten. Die kennis heeft hem er toe geleid, om den grond naar zijn behoeften te plooien, zijn heerschappij er over uit te breiden, zijn kracht van voortbrengen te vermeerderen.

De grond, dien wij ons vaderland noemen, getuigt van menigvuldige omwentelingen, die zijn gedaante voortdurend hebben gewijzigd. Overal, in steen en in zand, vinden wij daarvan de duidelijkste sporen, die elkeen, bij een weinig nadenken, in staat stellen, zich min of meer een voorstelling te vormen van die oude vóórhistorische tijden.

In dit verre, donker verleden — hoeveel duizenden jaren liggen reeds achter ons — was een groot deel van België, evenals Nederland en de heele noordsche vlakte, door de wateren van den Oceaan overdekt. Het Waalsche bergland, de keten der Ardennen en de noord-westelijke hoogten van Duitschland vormden als een soort van schutsmuur tegen het verder doordringen van den Oceaan.

Aan de eene zijde stond die berggordel bloot aan het volhardend geweld der baren, aan de andere zijde aan den sterken aandrang der gezwollen wateren van rivier en beek, van gletscher en landijs, aan de verwoestende krachten des tijds, aan regen en wind, aan hagel en vorst, aan gloeiende hitte en strenge koude; aangegrepen en ontbonden door het scheikundig vermogen des dampkrings, verweerd en verbrokkeld, uit- en inwendig afgeknaagd, uitgespoeld en gesloopt door de oplossende kracht van het stroomende water, alles mederukkend wat het op zijn tocht ontmoette: verweerd gesteente, afgeknaagde rotsen, geslepen en gepolijst tot keien, verbrijzeld tot grint en zand, tot leem en allerlei puin. Laag op laag van al dat meegevoerd puin werd door de rivieren, vooral bij hun monding in den Oceaan neergeworpen. Rijn[7], Maas en Schelde, die in een vorig tijdperk, vooral in den ijstijd, een veel grootere kracht bezaten, veroorzaakt door overvloediger regen- en sneeuwval, door grooten omvang van gletschers, die ons land met een dikke ijskorst bedekten, als een gevolg van het koelere klimaat, werkten onophoudelijk mede tot vorming van dien bodem door meerderen aanvoer van grooter steenen en grover zand, tot ophooging en uitbreiding der beddingen. Zoo werden de rivieren de scheppers van het land. Later werden die aangeslibde gronden door onderaardsche werking opgeheven tot hun tegenwoordige hoogte.

In dit aardkundig tijdperk, dat de geleerden het quaternaire of in meer beperkten zin diluvium[8] noemen, had een groote omkeering plaats in het klimaat onzer streken. Een groot deel van Europa werd met een dikke ijskorst bedekt, waardoor groote veranderingen in de samenstelling en de verdeeling van land en water ontstonden.

De viervoetige dieren, die toenmaals het noorden bewoonden, verhuisden naar zuidelijker streken; ook de vroegere plantengroei stierf weg onder de strenge koude. Die voortdurende veranderingen, die de bodem van ons land onderging, zijn zeker wel oorzaak, dat er van de menschen, die toen reeds een deel van ons land bewoonden, zoo weinig sporen zijn overgebleven. In de spelonken en grotten der kalkbergen langsheen de Maas en de Lesse, waarin zij waarschijnlijk huisden, heeft men in onzen tijd, na duizenden jaren, hun gebeente teruggevonden, alsmede allerlei wapenen en gereedschap van vuursteen, als pijl- en lanspunten, bijlen, beitels en messen, zelfs voorwerpen tot opschik, vervaardigd uit tanden van dieren, en dit alles vermengd met scherven van gebakken aardewerk en de beenderen van den holenbeer, het rendier en de hyena, van den mammoeth en andere dieren uit de poolstreken afkomstig, maar welke gedurende den ijstijd onzen bodem bewoonden.

Mammoeth (Elephas Primigenius) gevonden te Lier in 1860 (L. 4,50 m., H. 3,25 m.)

Mammoeth (Elephas Primigenius) gevonden te Lier in 1860 (L. 4,50 m., H. 3,25 m.)
Mammoeth (Elephas Primigenius) gevonden te Lier in 1860 (L. 4,50 m., H. 3,25 m.)

Hoe lang de vorming van deze diluviale gronden met hun geplooide opeengestapelde lagen voortduurde, valt niet te berekenen. Daarna ontstonden de moderne formaties, de gronden van het alluvium[9] die nog altijd gevormd werden, doch van het diluvium niet altijd te onderscheiden zijn. Het begin van dit tijdperk is al vele duizenden jaren van ons verwijderd. De toen op onzen bodem levende volken zijn zonder twijfel getuige geweest van die geweldige omkeeringen, mogelijk gevolgd van een hevigen strijd om bewoonbare streken, toen in noordelijke richting uitgebreide oppervlakten verdwenen.

Nog altijd duurt het strijden voort van zee en stroomen tegen het vasteland, dat in den bewoner der lagere deelen met zijn geestkracht en taai geduld een verdediger heeft gevonden. Slechts stap voor stap, en eerst na eeuwen langen strijd behield deze hier op het water de bovenhand. Ook nu nog, evenals in vroegere dagen, knagen water en dampkring gestadig aan de vaste aardkorst, verwoesten en verweeren het hardste gesteente, lossen een deel er van op en voeren het overige verre weg, om het op andere plaatsen neer te leggen als vruchtbare aarde, valleien en vlakten er mee te overdekken; nog immer groeien de humuslagen, de waterplanten in verbazend groote getalen in vochtige en moerassige streken, die telken jare een nieuwen groei boven de overblijfsels der afgestorvene stapelen, welke allengs door verkoling, onder gedeeltelijke afsluiting der lucht, in turf overgaan.

Zulke turfbeddingen of veenlagen zijn als een geschiedboek van de oppervlakte, die zij beslaan, niet zelden van de naast omliggende streek. Dikwijls vindt men daarin beenderen, tanden of haarbossen van dieren uit een vroeger tijdperk, die duizenden jaren geleden hier leefden en stierven.

Reliëfkaart van Belgie

Reliëfkaart van Belgie
Reliëfkaart van Belgie

Het Land. — Hoog en Laag

Ons land, zoowel in opzicht van aardrijkskunde als klimaat, behoort voor een groot deel tot de noordsche vlakte, die zich uitstrekt van aan Kaap Gris-nez, in Frankrijk, tot aan Rusland. In België is de grenslijn van dit uitgestrekte gebied scherp getrokken door de Noordzee en ten zuiden door de hooggeplooide heuvels der Ardennen.

Onze zeekust evenals die van Nederland, is overal laag en tegen het geweld der baren beschut door een duinenrij, die zich uitstrekt van Kales tot aan het Skagerrak. Bij deze jongste vorming van het alluvium, die waarschijnlijk niet veel ouder zijn kan dan duizend jaren, is het de kracht van den wind, die de belangrijke rol speelt in de wordingsgeschiedenis onzer zeekust.

Echter is die duingordel op sommige plaatsen onderbroken door overstrooming of het geweld der hooge vloeden, zooals tusschen Wenduine en Heist. Op die punten is de mensch, zooals we gezien hebben, tusschen beide en de natuur te hulp gekomen. Al vroeg moest hij de kusten en rivieren door het maken van dijken en het versterken der duinen beschutten; het zeewater terugdringen, om zandbanken en aangeslibde gronden op den Oceaan te veroveren; ook het binnenwater door het droogmaken van meren, moeren en poelen binnen de noodige grenzen houden, en tevens den grond vruchtbaar maken. Hoeveel strijd is hier niet gevoerd en hoe dikwijls is die niet hervat, eer de mensch overwinnaar bleef. Twintig eeuwen duurt die kamp onafgebroken voort, met evenveel moed en volharding, als vastberadenheid.

Aangaande de hoogte van den bodem, onderscheiden wij in België drie bepaalde deelen, die, hoewel in elkander overgaande, toch duidelijk door verschil van uiterlijk kenbaar zijn: het hoogland of de Ardennen in het zuid-oosten, tot aan de Samber en Maas, een lager heuvelland, dat er onmiddellijk voor ligt, en het verder verwijderd laagland, ten noord-westen, dat aan den zeekant door duinen wordt begrensd.

I. — De Ardennen vormen in ons land een bergmassa van nagenoeg 60 Km. breedte; het zijn de oudste gronden van België: zij bestaan grootendeels uit lei- en kalksteen, of uit rotsen van het hardste graniet; zij bevatten een rijkdom van mijnstoffen, vooral ijzer en lood, marmer en ander gesteente. Door verweering en wegvoering van stroomend water zijn ze sedert den tijd van hun bestaan reeds merkelijk lager geworden.

Drie gordels van aanzienlijke heuvels, afgewisseld door schilderachtige dalen, loopen min of meer evenwijdig aan elkander. De eerste, waarvan de hoogste kruin de «Baraque Michel» is, een moerassige hoogvlakte of hoogveen (Hautes-Fagnes)[10], verheft zich tot 674 M.; de daarop volgende hoogste punten zijn de «Baraque de Fraiture» (626 M.) en St.-Hubert (549 M.). Een tweede gordel van minder belang, doch met den eersten samenhangend, is ongeveer 20 Km. lang, terwijl de derde slechts een deel van ons land, ten zuid-oosten van de twee voorgaande beslaat. Het hoogste punt van deze twee stijgt niet boven de 537 M.

Door spleten en kloven zijn de rivieren in deze bergreeks op verscheidene plaatsen doorgedrongen, en hebben er hun beddingen dieper in uitgeslepen. Een groote kloof, het Maasdal, van Fumay in Frankrijk tot aan Namen, splitst haar in een westelijk en oostelijk deel, waarvan het eerste 286 M. en het tweede 383 M. hoog is.

Het eigenlijk bergland der Ardennen bevat bijna heel de provincie Luksemburg, een kleine brok van Henegouwen en het grootste deel van de provinciën Namen en Luik.

Een dicht en onafzienbaar woud (Arduenna Sylva) overdekte ten tijde van Julius Cesar, niet alleen een groot deel dezer bergstreek, maar zelfs van Middel-België. De boschrijke zoom, waar hij in de kleilaag verdween, maakte naar alle waarschijnlijkheid de scheiding uit tusschen de oude Keltische bewoners en de later invallende Germaansche, bepaaldelijk Frankische stammen, die in ons land de plaats der verdwenen oudere bevolking kwamen innemen, en zich vooral met landbouw bezighielden.

II. — Ten noorden van Samber en Maas begint Middel-België, een zacht glooiend land, dat naar de zeezijde ongevoelig afhelt. Zijn gemiddelde hoogte is ongeveer 150 M. Een deel van Henegouwen, Zuid-Brabant, een klein stuk der provincie Namen en een deel van de provincie Luik vormen Middel-België, waar de zacht golvende oppervlakte, de breede, ondiepe dalen, die door een groot getal beken en rivieren worden bespoeld, de rijke velden, afgewisseld door bosch en groene weiden, aan het landschap een zeer bekoorlijk uitzicht geven.

Middel-België is bedekt met een zeer vruchtbare laag diluviale klei, die door het water van de Ardennen is meegevoerd en Haspengouwsche klei (limon Hesbayen) wordt genoemd.

In werkelijkheid maken de hoogere Ardennen en het heuvelland, dat er onmiddellijk aan grenst, beide deel uit van de samenhangende bergformatie. Inderdaad, het is voldoende, dat in Henegouwen en Zuid-Brabant de kleilaag door overstrooming der rivieren gedeeltelijk wordt weggespoeld, om het oudere gesteente van den ondergrond, die uit de bezinking der krijtzee[11], als sporen van haar tijdelijk verblijf, als lei- en krijtlagen, hier zijn overgebleven, alsook het arduin, porfier en andere minerale rijkdommen te zien te voorschijn treden, welk gesteente op zijn beurt de kolenbeddingen[12], die er onder bedolven liggen, overdekt.

Iguanodon gevonden te Bernissart in 1878 (L. 10,50 m., H. 7,50 m.)

Iguanodon gevonden te Bernissart in 1878 (L. 10,50 m., H. 7,50 m.)
Iguanodon gevonden te Bernissart in 1878 (L. 10,50 m., H. 7,50 m.)

Het dichtbevolkte en goed bebouwde land, zoo druk door handel en door nijverheid, vormde reeds vóór den tijd der groote rijksbanen een zeer geschikten weg tusschen de ruwe Ardennen en het toen moerassige noord-westelijk lagere land. Geen wonder dat Middel-België, zoo rijk aan levensmiddelen, doortrokken werd door talrijke legers en er zoo menige slag geleverd werd. Hier is een historische grond bij uitmuntendheid: bijna geen klomp aarde, die niet omgewoeld is door oorlogstuig, niet doorweekt is van het bloed van landgenoot en vreemdeling.

III. — Belgische Vlakte. — Op Middel-België volgt de eigenlijke vlakte, die grootendeels uit de zee is bezonken. De bouw of samenhang van dien grond wijzigt het uitzicht, naarmate de slib of klei, het zand of het aangevloeide steengruis er overheerschen. De oostelijke helft is het Kempenland, de streek van het diluvium, met zijn schrale zandige heide, zijn mageren plantengroei, zijn venen en wouden van sparren en dennen. Te midden van het stuifzand vindt men reeds talrijke oazen met welige akkers.

De westelijke helft van de Belgische laagvlakte zijn de beide Vlaanderen, die groote overeenkomst met Nederland vertoonen, ook wat de grondgesteldheid aangaat. Van natuur is de bodem er niet overal vruchtbaar, slechts een klein deel bestond uit klei, het overige uit zand, moeras, laagveen en meren. Hoe verder men naar het noorden gaat, hoe meer de grond vermagert. 't Is slechts ten prijze van inspannenden en langdurigen arbeid, dat men er toe gekomen is hem te verbeteren, Vlaanderen in een vruchtbaar land te herscheppen, waar land- en tuinbouw de heerlijkste opbrengsten leveren. Indien het Land van Waas tegenwoordig den indruk maakt van een grooten en volkrijken tuin, is het te danken aan een heele vervorming, de vrucht van eeuwen arbeids. Zonder de stalen vlijt van een taai, volhardend en geduldig ras, zou die magere grond een heide zijn, de voortzetting der Kempen.

Er is nog een ander deel van Vlaanderen, dat der polders en der dijken, het jongste in aardkunde als in geschiedenis. Deze streek was in vroeger tijd aan gedurige overstroomingen blootgesteld, en op vele plaatsen bedekt met stilstaande poelen en moerassen, uit welker ondiepe kommen bies en riet, naast wilg en esch en ander boomgewas in dichte boschjes opschoot.

Een belangrijke factor in de wordingsgeschiedenis van Vlaanderen zijn de zandafzettingen, die reeds in het diluviale tijdperk begonnen mede te werken aan het vormen van zandbanken op eenigen afstand van de kust. De zeevloed wierp daarna het zand met ander door de rivieren aangevoerde stoffen uit zijn schoot omhoog en voerde het landwaarts in, eeuwen achtereen, tot het werd een heuvelreeks, een duingordel, die de geheele kust omzoomde, en langzaam glooiend in een breed, vlak strand overging, meer geschikt voor de vestiging van bad- en visschersplaatsen dan voor havensteden. Achter deze duinen lag het land met zijn veen- en moerasgrond, thans in vruchtbare polders herschapen.

Schelde, Lei en Dender, Rupel, Dijle en Demer hebben overal rivierklei langs hun boorden neergelegd. Door middel dezer aanslibbingen van zee en binnenwaters, bouwt de mensch zijn polders en zijn marken, zijn velden en zijn weiden, omgeven door slooten, omzoomd met wilgen.

Werken van den eenen kant de opbouwende krachten van zee en stroomen, van den anderen kant zijn die zelfde waters door verzanden als ter dood veroordeeld. Langs onze geheele zeekust kan men dit verschijnsel waarnemen, vooral bij de monding der rivieren. Om slechts een voorbeeld te noemen, wijzen wij op het Zwin, in de XIIIe eeuw nog een machtige zeearm, thans een moerassige kreek. Doch niet alleen aan de monding, ook hooger op, hadden verzandingen plaats, deels uit oorzaak der geringe snelheid van den stroom, deels onder den invloed van sterke ebbe en vloed. Die verzanding heeft de scheepvaart groote bezwaren in den weg gelegd. Belette die ongunstige gesteldheid onzer kusten het ontstaan van zeehavens, ook de bloei van belangrijke handelsplaatsen aan den benedenloop van rivieren werd sterk bedreigd.

Ligging. — Omvang. — Klimaat

Ligging. — België is het gedeelte van Europa, dat begrensd is door de Noordzee, die het van Engeland scheidt en begrepen is tusschen Nederland, Duitschland (Rijnsch Pruisen), het groothertogdom Luksemburg en Frankrijk. Een natuurlijke grens heeft ons land alleen ten noord-westen in zijn 67 Km. lange kustlijn, ten zuid-westen aan West-Vlaanderen door de Lei en ten oosten aan Limburg door de Maas.

Het strekt zich uit tusschen 49°,30′ en 51°,30′ N.B. en tusschen 0°,16′ en 3°,43′ W.L. van den meridiaan van Parijs. Neemt men Brussel als eersten meridiaan, dan ligt het tusschen 1°46′ W.L. en 1°,41′ O.L.

Ons land heeft nagenoeg den vorm van een rechthoekigen driehoek met een omtrek van 1330 Km., waarvan 67 Km. kustlijn, 328 Km. ten noorden langsheen de Nederlandsche grens, 321 Km. aan den oostkant, te weten 103 Km. voor Nederland, 98 Km. voor Duitschland en 120 Km. voor 't groothertogdom Luksemburg, terwijl de zuidelijke en westelijke grenslijn, die het van Frankrijk scheidt, 614 Km. bedraagt.

Omvang. — De geheele oppervlakte van ons land is van 2.945,589 Ha., nagenoeg drie millioen. De grootste afstand van het noorden naar het zuiden, tusschen Hoogstraten en Chimay, is 170 Km., de grootste lengte van Oostende tot aan Aarlen, meet 280 Km. In uitgestrektheid is het een der kleinste landen van Europa.

Klimaat. — Het klimaat van België, hoewel veranderlijk en vochtig, is over het algemeen zacht en gematigd, en mag als een der gezondste van westelijk Europa gerekend worden. In het hoogere bergland is het droger, scherper, bestendiger en gezonder dan in het lager gedeelte of poldergewest; de lucht is er ook zeer helder en zuiver.

De gemiddelde warmtegraad is voor het geheele rijk ongeveer 10°,5′c.; het is die der schoone Meidagen of van de zachte helft van October. De grootste hitte, meestal bij het einde van Juli, klimt soms tot 35°, de strengste koude, gewoonlijk na de eerste helft van Januari, daalt wel eens bij uitzondering tot 20°c. beneden het vriespunt.

De heerschende winden zijn die van het Z.W. en N.O. De eerste, die zich vooral in den herfst doen gevoelen, brengen overvloediger regen en dikwijls storm mee. Onze koude voorjaren worden veroorzaakt door de N.O. winden, die in April en Mei de overhand hebben. In den zomer wordt de lucht voortdurend ververscht door de van de zee waaiende winden, die de ongezonde uitwasemingen verdrijven. Tijdens dit seizoen heeft het geheele laagland van Veurne tot Maastricht een nagenoeg gelijkmatig klimaat.

In België regent het op de 365 dagen zoowat 190, dus meer dan de helft van het jaar. Bleef al het regenwater staan, dan zou het den bodem van ons land jaarlijks met een hoogte van ruim 700 m.m. bedekken. De jaarlijksche neerslag bedraagt voor het westelijk gedeelte van 700 tot 800 m.m., terwijl de hoeveelheid regen ten oosten van de Maas toeneemt met de hoogte van den grond, waar zij soms tot 1200 m.m. beloopt. Het aantal heldere dagen is hier niet groot. De maand September brengt gewoonlijk het bestendigste mooie weder aan.

In de bergstreek begint de winter vroeger en duurt hij ook het langst. Het verschil voor de hoogste punten der Ardennen is gewoonlijk 3°c. lager dan in Vlaanderen. Aan den oostkant is dus het klimaat meer continentaal, aan de west- of zeezijde meer maritiem.

De snelle afwisseling van warmte en koude, gevoegd bij de groote vochtigheid, veroorzaken licht verkoudheid, borst- en keelziekte en rhumatisme. De schadelijke uitwasemingen van gedempte poelen en moerassen zijn oorzaak van koortsen.

Gebied van Maas en Schelde

Bijna geheel België behoort tot het gebied van twee stroomen en van een zeerivier, de Maas, de Schelde en den IJzer.

Geen van deze rivieren ontspringt in het land zelf; alle drie hebben hun oorsprong in Frankrijk; de laatste alleen heeft haar monding in ons land. Een klein hoekje van Zuid-Henegouwen en de oostelijke helft van Luksemburg behooren tot een ander stroomgebied.

In hun loop vertoonen onze hoofdrivieren een zekere overeenkomst. Beide richten zich, zoodra ze België binnenkomen, naar het noorden: de Maas tot aan Namen, de Schelde tot aan Gent. Te Namen ontvangt de eerste de Samber, welke bijrivier haar de richting aanwijst, die ze thans te volgen heeft. De Lei valt te Gent in de Schelde, welke van hier mede naar het oosten loopt. Later hernemen de beide stroomen hun weg naar het noorden, totdat ze België verlaten, om door Nederland in een westelijke richting naar de Noordzee te vloeien. Uit oorzaak van de helling van den bodem ontvangen Maas en Schelde hun meeste bijrivieren van de oostzijde.

De Maas is de stroom van het bergland. Afkomstig van de hoogvlakte van Langres, wordt zij reeds bevaarbaar te Verdun, breekt verder door de harde rotskloof der Ardennen te Fumay, die ze uitdiept en verbreedt, en valt in België. Van hier tot boven Luik loopt zij schier gestadig in een rotsbed, beboord met scherpe en steile hoogten van grauwe leisteen en van kalk, door de lichtbruine kleur van ijzererts en andere aarde als 't ware verguld.

Een menigte rivieren werpen zich in de Maas: rechts de Semoi, bekend om haar verrukkelijke oevers, de Lesse, om haar schilderachtig dal en haar beroemde grotten en holen, de Hoyoux en de veel bezochte Ourthe, die reeds de Amblève met haar mooien waterval en de Vesder heeft opgenomen; links de Samber, de Mehaigne en de Jaar of Jeker. Van Luik tot Maastricht is een kanaal langs de Maas gegraven, zoodat men er in geslaagd is, haar van Sedan door heel haar loop bevaarbaar te maken. Bezuiden Maastricht, bij het dorp Eisden, treedt de Maas op Nederlandsch grondgebied en vormt de grensscheiding met België, tot voorbij Maaseik, dat zij bespoelt, waarna ze voor goed ons land verlaat, om zich bij den Briel in de Noordzee te werpen.

De Schelde is de stroom van 't vlakke land en de belangrijkste van België. Haar geheele loop van aan Kamerijk, waar ze bevaarbaar is, tot aan haar monding in de Noordzee, bedraagt ongeveer 430 Km., waarvan 107 in Frankrijk, 233 in België, de overige 90 in Nederland.

Ontsprongen op een hoogvlakte van 110 M. ten noorden van St.-Quentin, bespoelt ze achtereenvolgens Kamerijk, Valencijn en Condé in Frankrijk, treedt even boven Antoing in België, stroomt door de provincie Henegouwen naar Oost-Vlaanderen. Van Doornik baant ze zich een weg door den rotsgrond, strijkt verder door krijt- en kleilagen langs 't golvend heuvelland tot voorbij Oudenaarde, om van hier als een breede glanzende streep te kronkelen door de groene vlakte naar Gent, waar ze met verscheidene belangrijke kanalen in gemeenschap is, met dat van Brugge, Zeebrugge en Oostende door de Lei, met het groote zeekanaal van Terneuzen. Te Gent neemt ze de Lei op, die haar stroom, in oostelijke richting stuwt tot voorbij Dendermonde, om verder met een bocht zich naar 't noorden te wenden en als scheidslijn te dienen tusschen het Land van Waas en de provincie Antwerpen. Vóór de stad van denzelfden naam vormt de Schelde een der schoonste havens van Europa. Een groot gedeelte van zijn levenskracht is België aan zijn hoofdstroom verschuldigd. Zijn diepte en breedte is zoo groot, dat hij niet alleen de reusachtigste stoombooten, maar zelfs de zwaarste oorlogsschepen ontvangen kan.

De Schelde voor Antwerpen

De Schelde voor Antwerpen
De Schelde voor Antwerpen

De Schelde dankt haar belangrijkheid aan den invloed der getijden. Ook in den Rupel en zelfs in de drie bijrivieren, die hem vormen, de Nete (tot Lier), de Dijle (tot Mechelen) en de Zenne (tot Vilvoorde) is de werking van den vloed nog duidelijk waar te nemen.

Te Antwerpen heeft de Schelde bij ebbe een breedte van 500 M.; de vloed duurt er gemiddeld 5 u. 38 m.

Kalm en rustig glijden al de bijrivieren door het vlakke land, om hun water naar den hoofdstroom te brengen: de Hene, die haar naam schenkt aan de provincie, de schilderachtige Lei, de Dender, de Durme en meer andere, welke ieder op haren weg kleinere stroompjes hebben opgenomen.

Is de aanblik van de breede Schelde indrukwekkend, deze wordt nog verhoogd door het grootsche tooneel van beweging en leven, door de talrijke schepen en stoombooten, die haren vloed doorklieven.

Even voorbij Doel verlaat de Schelde ons grondgebied, splitst zich, drie uren beneden Antwerpen, in twee armen, waarvan de zuidelijke, de Hont of Wester-Schelde geheeten, voorbij Terneuzen en Vlissingen naar de Noordzee loopt. De noordelijke arm of Ooster-Schelde, door een afdamming sedert 1868 van haar tweelingzuster gescheiden, begint meer en meer te verzanden.

De Scheldemonden bij Vlissingen en Zieriksee hebben een aanzienlijke diepte (van 37 tot 40 M.) en een breedte, die afwisselt volgens ebbe en vloed van 4200 tot 4800 M.

De Hont of Wester-Schelde, thans de groote handelsweg voor Antwerpen en geheel België, vormde in de middeleeuwen een uitgebreide delta, waardoor bij storm en hoogen waterstand de gansche streek beneden Antwerpen, tot zelfs een deel van 't Land van Waas, regelmatig onder water werd gezet.

Van de XIe eeuw af begonnen de bewoners aan haar oevers de schorren of aangeslibde gronden in te dijken. Sedert de XIIIe eeuw werden aldus, volgens Em. De Laveleye[13], in België alleen meer dan 50,000 Ha. ingepolderd, en sedert 1815 bedraagt de aanwinst van grond reeds meer dan 8000 Ha. en nog is er meer land door indijking te winnen.

Het waterveld tusschen Zeeuwsch-Vlaanderen, Zuid-Beveland en Walcheren, dat als 't ware het voorplan is van het grootsche drama «den Strijd tusschen Water en Land», werd in de tweede helft der XVIe eeuw, opnieuw het tooneel, waar een nog bloediger strijd geleverd werd tegen de Spaansche dwingelandij voor de vrijheid van het geweten. Liever dan hun land aan den bloeddorstigen vijand prijs te geven, staken de inwoners de dijken door, en vernielden op één dag het werk van vier eeuwen. Na de bevrijding van Nederland begon men als van vorenafaan het water grenzen te stellen en riep men de hulp in van de waterbouwkunde voor het droogmaken der gronden.

De IJzer ontspringt in het Fransch Noorderdepartement, ten oosten van St.-Omaars, stroomt als een zelfstandige rivier door West-Vlaanderen, ontvangt de Ieperlee in de nabijheid, waar vroeger het fort Knokke zich verhief, ten Z.W. van Diksmuide, en werpt zich na een loop van 78 Km., waarvan 50 in België, beneden Nieuwpoort in zee. Het nut van deze rivier, niet alleen voor het drooghouden van den grond, maar ook voor de scheepvaart, wordt verhoogd door verscheidene kanalen, dat van Loo, van Veurne en van Plasschendale, die den loop van het rivierwater regelen en deels de wateren onderling verbinden.

Natuurlijke Landschappen

Behalve de negen provinciën, waarin ons land bestuurlijk is verdeeld, bezit het bepaalde streken, die hun eigenaardig karakter en ouden naam hebben bewaard, welke zij aan de geschiedenis, aan hun ligging of grondgesteldheid of wel aan hun uiterlijk danken. Hoewel soms bijna in elkander overgaande, onderscheiden ze zich meestal door verschil van uitzicht, van rijkdom des bodems of van daarmee gepaard gaande volksdichtheid.

Hoog-België

In het hooge gedeelte van België heeft men:

I. — De Ardennen. — Zooals we gezien hebben beslaat deze bergstreek bijna den heelen zuid-oosthoek van ons land, van de boorden der Semoi tot de steile oevers der Maas, Amblève en Vesder. Zij is een geliefkoosd verblijf van toeristen en jagers. Nu eens stout en wild, dan liefelijk en zacht, met heerlijke vergezichten, schilderachtige dalen, grillige rotspartijen, bekroond met bouwvallen van oude kasteelen. Overal leven volkssagen van overoude tijden onder het volk voort. Holen en grotten, evenals de opgeheven steenen zijn als zoovele geheimzinnige gedenkteekenen van lang verdwenen rassen.

II. — De Hooge Venen (Hautes Fagnes) liggen tusschen de Amblève en de Vesder in het zuid-oosten der provincie Luik. Ze beslaan een oppervlakte van 50 Km. lengte en 20 Km. breedte. Deze kruinen der Ardennen zijn licht afgeronde vlakten, die nog het uitzicht hebben van een woeste en maagdelijke natuur. De vochtige bodem, met zijn ondoordringbaren ondergrond van klei, verkondigt de aanwezigheid van veen. Donkere bosschen en heidevelden wisselen elkander af. Niets evenaart de sombere treurigheid dezer streek.

III. — Klein-Provence of Belgisch Lorreinen. — Deze bekoorlijke vallei tusschen Aarlen en Virton, gevormd door de Semoi en beschut door de hooge Ardennen, wordt aldus genoemd, om haar zacht klimaat, haar lachende heuvels met weelderigen plantengroei.

IV. — De Famenne. — Een bijzonder ondankbaar gewest van Luksemburg met de kleine stad Marche als hoofdplaats. De schrale bodem is hier en daar bedekt met magere roggevelden en pijnbosschen.

V. — De Condroz. — Heel anders is het voorkomen van dit land, dat zich uitstrekt over een deel der provincies Luik en Namen, tusschen de Ourthe en Maas, ten zuiden van Hoei, en de Lesse. Het is aldus genoemd naar den volksstam der Condruzen, die tijdens de Romeinen hier woonde. Het is een koude, open vlakte, met breede golvingen, bijna zonder boombeschutting.

VI. — Tusschen Samber en Maas. — Dit gedeelte van de provincie Namen heeft, zoowel wat de gesteldheid van den grond betreft als de wijze om er nut uit te trekken, veel overeenkomst met de Condroz. Sedert jaren is men begonnen de bosschen, een overblijfsel van het groote kolenwoud (Sylva carbonaria), uit te roeien en door landerijen te vervangen.

VII. — Klein Zwitserland. — Zoo noemt men het gedeelte van het Maasdal tusschen Dinant en Namen, bekend om zijn verrukkelijke schoonheid. Ingesloten tusschen de hooge schilderachtige rotsen, die langs de beide oevers omhoog rijzen, kronkelt de heldere stroom voorbij marmergroeven, prachtige bosschen, lachende tuinen en nijverige dorpen. Moeilijk kan men een punt op den geheelen weg aanwijzen, dat den reiziger niet aantrekt en boeit.

Middel-België

VIII. — Het land van Herve. — Onder de landschappen van Middel-België noemen we eerst het land van Herve, in het noord-westen der provincie Luik, tusschen den rechteroever der Maas en de Vesder. In het midden ligt de kleine stad Herve, die haar naam geeft aan het oord, dat haar omringt. Het is een lachend heuvelland, waar de veeteelt nagenoeg uitsluitend wordt uitgeoefend. Boter- en kaasbereiding, evenals het inzamelen van het fruit der rijke boomgaarden is de voornaamste bezigheid der inwoners.

IX. — Haspengouw. — Dit rijk distrikt, in het land der oude Eburonen en Tongeren, bevat een deel der provincies Luik, Namen en Brabant, langs den linker oever van de Maas tusschen Luik, Hoei, Tongeren en Tienen. De stad Borgworm (Waremme) ligt zoo wat in het midden van dit vruchtbare deel van België. Deze zoo wel bebouwde en dichtbevolkte streek is de minst schilderachtige van het land; zij levert overvloedig koren, aardappelen en beeten.

X. — De Borinage. — Aldus noemt men een deel van het rijke kolengebied in de omstreken van Bergen, ten zuiden van de rivier de Hene. Het bevat een dertigtal gemeenten, die zich bijna uitsluitend bezighouden met de ontginning der kolenmijnen.

Het is hier de plaats om een woord te zeggen over het Belgisch kolengebied, gevormd door een breede en diepe inzinking van den bodem, die België doorsnijdt van het noord-oosten naar het zuid-westen. Dit uitgestrekte bekken met zijn opeengestapelde lagen, splitst zich, aan weerszijden van Namen, in twee voorname beddingen, de eene loopende naar 't oosten, de andere naar 't westen.

De laatste, ook de belangrijkste, richt zich langs de vallei van de Samber naar Charleroi, waar ze haar grootste ontwikkeling bereikt. Van hier loopen de lagen ter breedte van nagenoeg twee mijlen naar Bergen, vervolgens over de Fransche grens naar Dowaai. Ze hebben een uitgebreidheid van meer dan 90,000 Ha.

Het oostelijk bekken volgt de vallei der Maas, terwijl het voortdurend wijder wordt tot voorbij de stad Luik. Van hier zet het zich voort door Hollandsch Limburg naar de Roer, met een sedert 1901 ontdekte vertakking in de Belgische Kempen. De lengte van het ontgonnen bekken is 13 mijlen, waarvan 11 in de provincie Luik. De gansche oppervlakte schat men op 4,400 Ha. Het gansche kolendistrict in ons land bedraagt zoo wat het twintigste van de oppervlakte van 't Rijk. 120,000 menschen vinden hun bestaan in den kolenbergbouw, waarvan de voornaamste middelpunten zijn de Borinage, het Centrum in de omstreken van Mariemont en La Louvière, dat van Charleroi en van Luik. De gezamenlijke opbrengst bedraagt jaarlijks meer dan 200 millioen ton (1000 Kgr.), voor een waarde van ruim 2000 millioen frank. België is tegenwoordig het vijfde kolenland der aarde. De dikte der lagen evenals de diepte van dit kolenbekken is zeer verschillend: sommige dalen tot 1000 M. beneden de oppervlakte.

In de nabijheid der kolenmijnen treft men gewoonlijk overvloedig ijzererts aan, in de omstreken van Namen, Hoei en Luik, langsheen de oevers der Maas, ook in de provincie Luksemburg. De geheele vallei van Samber en Maas, tusschen Charleroi en Luik, is als bezaaid met hoogovens en ijzerfabrieken.

Zink- en looderts vindt men meestal in dezelfde streken, de grootste hoeveelheid langs de oevers van de Vesder aan de Pruisische grens, in het onzijdig gebied van Moresnet, de bekende Vieille Montagne of Altenberg[14].

XI. — Het Hageland in het noord-westen van Brabant, vroeger een deel van de onvruchtbare Kempen, omzoomd en besproeid door de Dijle, de Demer en de groote Gete, tusschen de steden Diest en Aarschot, Tienen en Leuven, is thans in een vruchtbare gouw herschapen met malsche weiden, mooie boomgaarden en vruchtbare velden.

Belgische Vlakte

XII. — De Kempen. — Hoe geheel anders dan de vruchtbare bodem van Middel-België is het voorkomen der zandige vlakte der Kempen, die zich over een groot deel der provincies Antwerpen en Limburg uitstrekt. Eens was deze streek het bed van een groote zee, vandaar dat deze vloedgrond den stempel draagt der onvruchtbaarheid. Zij heeft een omvang van meer dan 200,000 Ha. Haar gemiddelde hoogte bedraagt zoowat 15 M., terwijl haar toppunt in Limburg 80 M. bereikt. Een diepe ernst ligt over de geheele vlakte, die het gemoed beklemt, ondanks het plantenkleed, dat de natuur er over gespreid heeft. De paarsche erica en de gele brem wisselen er af met schrale jenever- en hulststruiken, berken en mastboomen. Waar het insijpelende water niet weg kan vloeien, daar is de grond moerassig en vormen zich met den afval der planten veen- of turfgronden. Elders treft men op een diepte van 1 M. ongeveer, leem aan, dat, aan de oppervlakte gebracht en met zand vermengd, een goeden bouwgrond oplevert. Duizenden hectaren schralen heigrond heeft men aldus in vruchtbare beemden en akkers herschapen.

In de 12e eeuw waren de Kempen nog weinig bevolkt; de monniken der abdijen van Tongerloo, van Averbode en van Postel waren waarschijnlijk de eersten, die het werk der ontginning begonnen, doch het is vooral sedert de vereeniging met Nederland in 1815, dat men beproefde een beter gebruik van den bodem te maken. Ook de Trappisten droegen in latere jaren krachtig bij, om de woeste gronden te doen verminderen.

XIII. — Klein-Brabant ligt in den zuid-westhoek der provincie Antwerpen tusschen de Schelde, den Rupel en de Zenne. Het is een vreedzaam en verrukkelijk oord met een vruchtbaren klei- en zandgrond, die met zorg is bewerkt en de kundige hand van den Vlaamschen landbouwer bewijst.

XIV. — Het Land van Aalst, aldus genoemd naar de stad, die er het middelpunt van uitmaakt, is een vruchtbare kleistreek met malsche weiden, waardoor de Dender kronkelt. Schoone velden met koren en koolzaad wisselen af met voortreffelijke moestuinen; doch het is vooral bekend door de rijke hopakkers.

XV. — Het Land van Waas. — Indien dit heerlijk land, liggende aan den linker oever der Schelde, tusschen Antwerpen en Gent en de vaart van Terneuzen, tegenwoordig den indruk maakt van een grooten volkrijken boomgaard, dan is dit alles de vrucht van eeuwen arbeids. Dit mooi gewest, met zijn idyllisch voorkomen, met zijn rijke en vriendelijke landouwen, was eenmaal een treurige zandwoestijn, de voortzetting der Antwerpsche Kempen.

De vroege ontwikkeling der Vlaamsche steden met hun talrijke bevolking, bracht de noodzakelijkheid mee, om het omliggende woeste land te maken tot een der meest voortbrengende gewesten van Europa. Hoeveel arbeid en taai geduld, hoeveel bedrevenheid en kunde is er noodig geweest, om uit die dorre vlakte met poel en moeras, een waren lusthof te doen ontstaan!

Nu zou men allicht denken, dat zulk een streek, waar de eene akker naast den anderen als in een meetkundig mozaïek zich uitstrekt, van alle bekoorlijkheid is ontbloot. Doch onze eenvoudige landman met zijn scheppend vermogen bezat een diep gevoel voor natuurschoon, waardoor zoovele Vlaamsche dichters en schilders bezield en in verrukking zijn gebracht.

Lees De Laveleye[15], den ouden Sanderus[16], of den Florentijn Guicciardini[17], of liever doorwandel het Waasland van Gent in welke richting ook, alom bezaaid met volkrijke dorpen, en zeg of bij die kalme, frissche natuur, onder het heerlijk lommer der boomen uw hart niet opengaat van louter natuurgenot? Wat uw oog ontmoet, is slechts één kleur, maar in een reeks van schakeeringen met een onvergelijkelijke bekoorlijkheid en innige poëzie! Hier leent de akkerbouw zijn nooit vermoeide hand aan de kracht der natuur, om beide vereenigd, hun gouden horen des overvloeds uit te storten. Met recht heeft men het Waasland genoemd «den tuin van België.»

Andere deelen, niet minder lief en bevallig, vormen de lachende oevers der Lei, met hun zacht bewogen vlasakkers, als het vleiend windje er over strijkt, met hun weiden van groen fluweel, zoo teeder rustig en betooverend schoon. Gaan we naar het zuidelijk deel, waar de bodem met zijn golving en kleine verhevenheden, zooveel er toe bijdraagt, om de schoonheid nog te verhoogen, dan genieten we overal van de verrukkelijke gezichtspunten, die de ziel boeien en verheffen. Doch er is nog een ander Vlaanderen, dat van het Meetjesland en dat der polders en dijken, het jongste in vorming als in geschiedenis.

XVI. — Het Meetjesland herinnert door de gesteldheid van zijn mageren bodem aan de Kempen, waartoe het vroeger behoorde. Het kenmerkt zich door een zekere eentonigheid, door zijn boekweitvelden en sparreboschjes.

Het strekt zich uit rondom de stad Eekloo en meer bepaaldelijk in de richting van 't noord-oosten, tusschen de Lieve, de vaart van Schipdonk en het kanaal Leopold, dat door het Polderland loopt.

XVII. — De Polders. — Van Duinkerke langsheen de Noordzee tot aan de monden der Schelde en verder waar ze zich vereenigt met den Rupel, de Durme en den Dender, strekken zich lage kleivormingen uit, in vorige eeuwen door den Oceaan bedekt, maar thans in voortbrengende gronden herschapen. Die breede zoom van 10 tot 15 Km., door aanslibbing van zee en stroomen neergelegd, is door de bewoners op de wateren veroverd, ingedijkt en drooggemaakt, en eindelijk in vruchtbare polders veranderd. Het water van rivier of zee moest men eerst door afdammen terugdringen, het overtollige binnenwater uit poel en moer verwijderen, daarna de gronden droogleggen door een kunstmatig en met zorg onderhouden stelsel van afwatering, door middel van slooten, ringgrachten en kanalen, die het naar de zee voeren; want overal is water aanwezig: het borrelt en vloeit door de oppervlakte of op een geringe diepte onder den grond. Heel dit ingewikkeld netwerk van kleine wateren met zijn sluizen, dat, als een gedwee werktuig in de hand van den mensch, dienen moet, om de kostbare oppervlakte te behoeden tegen overstrooming of doorzijging van den ondergrond, draagt den naam van watering.

Op groote afstanden verheffen zich, als een weinig hooger liggend wandelpad, bijna onmerkbare dijken, waaraan niet minder zorgen zijn besteed, en die onze voorouders eeuwen arbeids en opofferingen hebben gekost, niet enkel om ze te leggen, maar om ze te behoeden tegen de herhaalde aanvallen der geduchte elementen.

De polderstreek, die ten minste 80 Km. lang is, met een omvang van nagenoeg 100,000 Ha. in ons land, gaat van boven Antwerpen evenwijdig met de Schelde over Zelzate en Damme, dan zuidelijk over Oudenburg naar Diksmuide en Veurne.

XVIII. — Veurne-Ambacht. — Het is onder dezen naam dat men de rijke gouw aanduidt, die in den omtrek der steden Diksmuide en Veurne, zich voortzet tot aan de Fransche grens, tusschen den IJzer en de duinen van de Noordzee. Zij heeft een oppervlakte van 350 Km2. Op den aangeslibden grond groeit een kort en stevig gras, dat door de zilte zeelucht gevoed, een krachtig voedsel oplevert voor de paarden- en de veeteelt. Sedert meer dan drie eeuwen geniet deze streek een welverdiende vermaardheid om haar zuivelbereiding, waaraan zij ook het beste deel harer welvaart verschuldigd is.

XIV. — De Duinen. — Verlaten wij de groene vlakte, dan ontmoeten we ten noorden den voet van den duingordel, die als een aaneenschakeling van golvende zandheuvels met een gemiddelde hoogte van 10 M. en een afwisselende breedte van 60 M. tot 3 Km. zich voortzetten langsheen de zeekust. Die gansche duinwal schat men op 3000 Ha. Op sommige plaatsen komen ze dieper in 't land te liggen, in breedere en smallere rijen, min of meer evenwijdig met elkander, tusschen wier hoogten zich pannen of kleine dalen vormen. Nabij de dorpen Koksijde en de Panne liggen de hoogste duintoppen, waarvan een, de Hooge Blekker, 32 M. bereikt.

Deze aeolische vormingen zijn het eigendom der zee, de zandbanken, die de hooge vloed uit haar schoot opwerpt boven het strand, waar de fijne, beweeglijke zandkorrels spoedig op hun beurt de speelbal worden der heerschende winden, die van den zeekant komen, en ze over de duintoppen voortdurend het land injagen.

Door beplanting met helmgras, duindoren en kruipwilg is men er in geslaagd de duinen meer vastheid te geven. Merkwaardig is de rijkdom van water in de duinen, zoodat men bij behoorlijke leiding sommige steden van uitstekend drinkwater zou kunnen voorzien.

Taal en Volk

Van de zeven millioen inwoners, die België bewonen, zijn er vier millioen, die behooren tot den Nederlandschen stam, en die, behalve een paar honderd duizend, Nederlandsch spreken, terwijl slechts drie millioen het Waalsch of Fransch als moedertaal gebruiken.

De Belgische stammen, die vóór meer dan twintig eeuwen ons land bewoonden, waren Kelten, behoorende tot het ras, dat ook geheel Frankrijk bevolkte. Naar alle waarschijnlijkheid waren deze voorafgegaan door een nog oudere bevolking, wier overblijfselen men gevonden heeft in de grotten langs Maas en Lesse, in de streken langs Hene, Schelde of Rupel.

De Keltische stammen in 't zuiden van ons land en die met de Romeinen steeds in aanraking waren, ondergingen meer en meer hun invloed. Weldra doorsneden de heirbanen het bijna ondoordringbare kolenwoud. De Latijnsche taal drong langzamerhand in het Keltische leven, waardoor het Waalsch is ontstaan. Toch valt het niet te loochenen, dat ondanks zijn Romaansche afkomst, het een groot getal Germaansche elementen in zich heeft opgenomen, vooral het Luikerwaalsch. De oorzaak daarvan ligt waarschijnlijk in het langdurig verblijf der Austrasische Franken in de omstreken der Maas. De uitdrukkingen «Waal en Waalsch» zijn de benamingen door de Germanen aan de Romanen gegeven.

Sedert het Karolingische tijdvak heeft het Waalsch zijn grenzen weinig veranderd. Wel is de naam van Luik oorspronkelijk Germaansch evenals Herstal, maar dit is geen bewijs dat het Germaansch of Nederfrankisch vroeger zuidelijker werd gesproken en het Waalsch vooruitgeschoven is. Daar tegenover staan vele Waalsche namen van plaatsen, die altijd door een Vlaamsche bevolking zijn bewoond geweest.

Taalgrens. — Trekt men van St.-Omaars in Frankrijk nagenoeg een rechte lijn tot aan Maastricht, dan wijst deze vrij juist de taalgrens aan tusschen de Nederlandsch sprekende en Waalsche bevolking, en komt nagenoeg overeen met den Romeinschen steenweg van de zee over Bavaai naar Keulen en den noordelijken zoom van het uitgestrekte Kolenwoud, dat België in vroeger tijden van het westen naar het oosten doorliep. Ten noorden van dien zoom woonde de rustig landbouwende Frankische stam, waarvan de overgroote meerderheid der Vlamingen afstamt. Soms in een en hetzelfde dorp maakt de straatweg de scheiding tusschen het Waalsch en het Vlaamsch element. Eeuwen reeds wonen de beide volksstammen naast elkander. Zij hebben hetzelfde lot ondergaan, vreedzame en woelige tijden met elkander doorleefd, en toch heeft dit alles niet geleid tot verwisseling van taal.

In de eerste en tweede eeuw onzer jaartelling was het grootste deel van laag-België naar alle waarschijnlijkheid nog bewoond door Keltische stammen, doch toen de Germanen van den beneden-Rijn in de vierde eeuw er verschenen, waren de eersten verdwenen, misschien ten gevolge van zware overstroomingen, die in de IIIe eeuw plaats hadden, en er bijna alle sporen der Romeinen hadden weggevaagd. Wat er hier en daar wellicht van overbleef, loste zich op in den Frankischen bond.

Een ander Germaansche volksstam, de Friezen, had zich van uit het noorden allengs langs de zeekusten uitgebreid tot voorbij de monding der Schelde, tot het Zwin in Vlaanderen, doch waren door Pepijn van Herstal en Karel Martel teruggedrongen. Toen later Karel de Groote talrijke familiën van Saksen in Vlaanderen overplaatste, versmolten zij spoedig met de Frankische stammen. Laag-België bleef dus Germaansch gebied en de taal door de bevolking gesproken was zuiver Nederfrankisch. De oud-Germaansche liederen, die Karel de Groote liet opteekenen, waren waarschijnlijk in dien oud-Vlaamschen tongval geschreven. Van de laatste helft der XIIe eeuw dagteekenen de eerste tot ons gekomen producten onzer Nederlandsche Letterkunde, waartoe Limburgers, Vlamingen en Brabanders het meest bijdroegen. Ze zijn in het Middelnederlandsch, de omgangstaal van de lage landen, ten zuiden van den Rijn tot aan de grenzen van het groote Kolenwoud in België gesproken.

In de XIIIe eeuw, te zamen met de toenemende macht der burgerij, bereikte die letterkunde, vooral in Zuid-Nederland, haar hoogsten bloei. Jacob van Maerlant van Damme († omstreeks 1300), «de Vader der Dietscher Dichtre algader», evenals de luimige zanger van het meesterlijk gedicht van «den Vos Reinaerde» (1270), gaven uitdrukking aan de burgerlijke gedachten en gevoelens van dien tijd.

Het Nederlandsch in België bevat vier dialecten: het zoetluidende West-Vlaamsch, dat meer op de taal der middeleeuwen gelijkt, en dat ook in Zeeland wordt gehoord; het Oost-Vlaamsch; het Brabantsch, dat in de Kempen het zuiverst klinkt; het Limburgsch, dat in meer dan een opzicht het Middelfrankisch nadert. Doch daarnaast is voor heel Vlaamsch-België het beschaafde Nederlandsch de schrijftaal, die ook met elken dag door den ontwikkelden Vlaming zuiverder wordt gesproken en geschreven. Naast de groote aantrekkelijkheid, die het verleidende Fransch hier op de menigte uitoefent, is het hardnekkig doordrijven der taalparticularisten een groot gevaar voor het behoud onzer taal. Hier geldt geen kinderlijke bewondering en gehechtheid aan een gewestspraak, hoe zoet ze ook moge wezen, maar wel de kracht, de eenheid van onzen stam. Daarom zorge men dat overal onze taal zoo zuiver mogelijk worde gesproken en zich ontwikkele tot een rijk, welluidend, helder en beschaafd Nederlandsch.

Behalve in Nederland en in Vlaamsch-België wordt het Nederlandsch in een deel van het Noorder-departement in Frankrijk, in Zuid-Afrika en in de Nederlandsche koloniën in Oost- en West-Indië gesproken, te zamen door nagenoeg tien millioen menschen.

Karakter der Vlamingen

Naast geest en gemoed, in hun eigenschappen en gebreken toonen de Vlamingen zich de afstammelingen van hun Germaansche voorvaderen.

Het beeld, dat Tacitus[18] van het karakter, de zeden en de gewoonten dier oude Germanen heeft geteekend, maakt zeker geen ongunstigen indruk. Hun rijzige, forsche gestalte, hun open gelaat, hun heldere blauwe oogen, de rossig-blonde lokken, die over hun schouders golfden, hun onbevangen blik, hun mannelijke houding, 't getuigde alles van fierheid en rustige kracht. Hoewel ruw en onbeschaafd, waren ze niet wreed noch ongevoelig voor zachtere indrukken. Hun zeden, vergeleken bij die der Romeinen, waren eenvoudig en rein; hun huwelijkstrouw en eerbied voor den ouderdom en de vrouw, hun kinderlijke openhartigheid waren algemeen bekend en staken gunstig af bij het gelijktijdig zedenbederf der meer beschaafde Grieken en Romeinen. Vrijheid was hun boven alles lief, gastvrijheid een kenmerk van den Germaan; zelden werd een vreemdeling afgewezen of hem de toegang tot het erf ontzegd.

Jammer dat dit sterk gevoel voor vrijheid zoo dikwijls oversloeg in afkeer voor gezag en tucht, in gebrek aan eensgezindheid, zelfs bij dreigend gevaar. Belust op buit door krijg en veete, maakte hij zich dikwijls schuldig aan misbruik van sterken drank; zijn verregaande hartstocht voor het dobbelspel werd hem soms verderfelijk. Dronkenschap hebben helaas! zijn nakomelingen van hem overgeërfd.

Naast den man vertoont zich de Germaansche vrouw in een schooner licht: haar ranke edele gestalte, haar kuische ingetogen blik, waaruit hare reine inborst sprak, dwong eerbied af. Als eene trouwe gade stond zij haar echtgenoot ter zijde. Niet alleen droeg ze zorg voor huis en have, maar volgde hem dikwijls in den strijd, bracht hem lafenis en verkwikking, en wist zijn moed en dapperheid aan te vuren. In de heldenzangen van dien tijd, in de algemeene vereering, die zij later onder de Ridderschap genoot, zien wij het bewijs van haar waardigheid en reinen glans.

Ondanks al de lotwisselingen van het Vlaamsche volk in de verschillende tijdperken van zijn bestaan, heeft het veel van zijn Germaansche vaderen behouden. In de rechtstreeksche uiting van zijn verstand en gevoel ligt nog altijd die zelfde vrijmoedigheid, die ruwe rondborstigheid, iets dat getuigt van zorgelooze vroolijkheid, die zoo licht uitbundig wordt. Over het algemeen is de Vlaming voorkomend, gezellig en deelnemend. Gaarne vertoeft hij buitenshuis, en verheugt zich in vriendenkring; houdt daarbij van boert en schalken spot. Van natuur is hij bijzonder muzikaal, kunst- en prachtlievend. Toegevend en dienstvaardig voor vreemdelingen, is hij steeds bereid, om zich aangenaam en nuttig te maken. Evenals zijn Waalsche landgenooten, is hij gastvrij; zonder omslag of plichtplegingen wordt ge vriendelijk ontvangen. Op den buiten begroeten de landlieden u met een hartelijken «goeien dag.» De Vlaming heeft niet die nuchterheid van verstand, niet die koele terughouding, maar ook niet die taaie wilskracht en volharding, dien zedelijken ernst, die het kenmerk is van zijn Noorderbroeder. Een warmer opbruisend bloed maakt hem beweeglijker, geestdriftiger en zet zijn hart gauwer in gloed.

Doch laten we liever het woord aan Prof. H. Kern[19], waar hij zijn oordeel over ons aldus neerschrijft:

«De Zuid-Nederlanders: Vlamingen, Brabanders, Antwerpenaars, hebben veel karaktertrekken met hun stamgenooten in 't Noorden gemeen. Ze zijn even vrijheidslievend, en overschrijden even licht de grens, die vrijheid van bandeloosheid scheidt. Zij zijn minder stijf en stroef in den omgang, levendiger, rumoeriger; minder bezadigd en lichter geraakt; minder peuterig, minder omslachtig en minder zwaartillend, doch ook minder nauwgezet; handiger, meer artistiek van aanleg, meer gesteld op uiterlijke praal, niet vrij van ijdelheid. Zonder zeer hartstochtelijk te zijn, geraken ze toch eerder in vuur. Daar zij minder zwaartillend zijn, zien zij er minder tegen op het initiatief te nemen.»

Kan dit oordeel van den grooten Nederlandschen geleerde als de lichtzijde van ons karakter gelden, ook op de schaduw er van behooren wij te wijzen; en in de eerste plaats op het gebrek aan geloof in ons zelven, ons zwak gevoel van eigenwaarde, onze geringschatting voor eigen taal. Onze vaderlandsliefde is alleen nog verpersoonlijkt in onze historische monumenten en kunstschatten, in onze gehechtheid aan veel wat van den roem van het voorgeslacht tot onze zinnen spreekt. Na de verschrikkelijke crisis der zestiende-eeuwsche beroerten, die ons van het puik onzer bevolking beroofde, heeft een geest van verslapping, van lamlendigheid en onverschilligheid zich langzamerhand van ons meester gemaakt. En wat werd er toen van het vroeger zoo fiere Vlaamsche volk, bestemd voor de heerlijkste toekomst? Verlaten door de krachtige leiders, de edelste zonen van onzen stam, die bij duizenden en tien duizenden de wijk naar het Noorden hadden genomen, lieten wij onzen geest meer en meer verkwezelen, zonken in armoede en machteloosheid weg, om gedurende bijna drie eeuwen overgeleverd aan vreemde willekeur en geweld, uit de rij der natiën te worden weggevaagd. Bloed en zweet mochten wij ten offer brengen voor belangen, die ons heelemaal vreemd waren. Ziedaar het loon van eigen dwaasheid en verblinding, het lot, dat alleen de standvastigheid onzer Vaderen van ons had afgewend.

De vereeniging met Nederland in 1815 schonk den Vlaming de gelegenheid de zware fout der XVIe eeuw te herstellen, alles bezittend wat noodig was, om een bloeienden, rijken Staat te vormen. Helaas! uit de school der beproeving was hij even arm aan wilskracht, aan zelfbeheersching te voorschijn getreden. Opnieuw liet hij zich eerst door een opruiende geestelijkheid, dan door de oproermakende Walen verleiden, om tegen zijn eigen taal te protesteeren, met de vijanden van zijn stam te heulen en de hereeniging plotseling te verbreken, die door stijgende welvaart en voorspoed zooveel van zich verwachten liet en een voorwerp was geworden van bewondering, maar ook van afgunst voor anderen. Opnieuw scheidde hij zich af van zijn Noorderbroeders, om zich te krommen onder het juk van Waalsche bureaucratie, en een langen lijdensweg op te gaan van geestelijke verstomping en stoffelijken achteruitgang, van miskenning zijner heiligste rechten.

Wat zou er in die drie vierden van een eeuw van ons volk zijn geworden zonder de Vlaamsche Beweging, die weinig jaren na de Omwenteling van 1830 zich reeds deed gevoelen; zonder de toewijding der trouwste zonen van 't Land, die steeds voor de verwaarloosde stamgenooten in de bres sprongen, om hun miskende rechten met moed en klem te verdedigen, en aldus machtig bijdroegen tot Vlaanderens zedelijke herleving? Zal ons volk dien weg blijven opgaan? Zal het hem mogelijk zijn met de aanmoedigende leeringen en voorbeelden van het verleden voor oogen, tot een betere toekomst te geraken, zijn vorige kracht en glorie te herwinnen? Dat zal in de eerste plaats afhangen van ons zelven, van onze geestkracht en toewijding, van den adel onzer handelingen, van ons gemeenschappelijk gevoel en eensgezindheid. In het heden ligt wat worden zal!

Algemeen overzicht der Steden en Monumenten

Vlaamsch-België is een historisch gewest bij uitmuntendheid. Weinig landstreken bezitten zooveel geschiedkundige herinneringen, zooveel fraaie steden, zooveel natuurschoon en kunstschatten, zooveel bekoring voor hart en geest. Al vroeg werd het een machtig midden van druk verkeer, van handel en nijverheid, een soort van onafzienbaar marktplein, waar Noord en Zuid, de kooplieden van Engeland, Frankrijk en Italië, de Venetiaansche en Hanzeatische zeelieden elkander ontmoetten. De vreemdelingen, die onze landstreek bezochten, stonden verbaasd over de talrijke bevolking, die zich overal verdrong. In de XIVe en XVe eeuw wekten onze steden de bewondering van gansch Europa. Hun oude luister is thans verdwenen of sterk afgenomen; sommige zijn schier uitgestorven, doch andere hebben zich uit den staat van verval tot welvaart en bloei weer opgewerkt, om tot haar vorige glorie terug te keeren. Er is bijna geen stad, die niet een of ander roemrijk feit te vertellen weet; zelfs de doode steden met hun ruime pleinen en markten, geschikt voor volksvergaderingen, roepen menige merkwaardige gebeurtenis voor den geest. In dezen tijd wordt er oneindig veel gedaan voor het behoud dier eerwaardige monumenten en voor de kunst in 't algemeen. Geen kerk of raadhuis of welk ander belangrijk gebouw, of het wordt met zorg hersteld, om de schade of den wansmaak, door vandalisme aangebracht, te doen verdwijnen. Dit is een gevolg van den eerbied, dien de Belg in 't algemeen gevoelt voor de overblijfselen van zijn verleden, van zijn dankbaarheid voor 't roemrijk voorgeslacht. De prachtige kathedralen met hun hooge torens, de rijkversierde raad- en gildehuizen, de zware steenen belforten en uitgestrekte hallen, zijn het niet als zoovele sprekende getuigen van zijn kunst- en godsdienstzin, van de macht en den rijkdom onzer steden? Elk van hen stelde er een eer in, haar schepenhuis te bouwen naar een eigen zelfstandig plan. Het is als burger van een stad, als lid van de eene of andere gilde, dat de Belg bewust is van zijn gehechtheid aan zijn land.

De eerste groote steden, die de reiziger ontmoet als hij, komende uit Duitschland, de Belgische grens overschrijdt, zijn het nijverige Verviers (52,500 inw.) met talrijke laken- en wolfabrieken, en Luik (171,000 inw.), het middelpunt der steenkool- en ijzerindustrie, en in bevolking de derde stad van 't rijk. De omstreken nemen een belangrijk deel aan haar groote bedrijvigheid, o. a. Seraing (40,000 inw.), met zijn grootsche inrichtingen en machtige ijzerfabrieken, evenals zijn kristal- en glasblazerijen van Val St-Lambert. Die ontzaglijke metaal-industrie, waarvan de gebroeders Cockerill de scheppers waren, dankt ons land aan koning Willem I, die hun het domein, het vroegere zomerverblijf der prins-bisschoppen van Luik, voor dit doel afstond (1817). In 1821 trad te Seraing de eerste hoogoven in werking, die de stuwkracht werd onzer ijzerindustrie, welke in onzen tijd zulke ontzettende uitbreiding heeft genomen.

Spoedig verlaten we het Waalsch gebied. Ten noorden in de provincie Limburg liggen de oude Vlaamsche steden Tongeren en St.-Truiden, verder Hasselt en Maaseik. Tongeren (9,000 inw.) ontleent zijn naam aan den Germaanschen volksstam, die zich hier kwam vestigen op de plaats der Aduatieken en Eburonen, die Caesar had doen uitroeien. Het standbeeld van Ambiorix op de Markt herinnert ons aan een der glorierijkste feiten van het begin onzer geschiedenis. Evenals Tongeren had St.-Truiden (13,700 inw.) veel te lijden en werd herhaaldelijk verwoest. Men beweert dat zij de geboorteplaats is van Gerhard van Rile, den eersten bouwmeester der statige domkerk te Keulen, dit onvolprezen meesterstuk der middeleeuwsche bouwkunst. Hasselt (15,000 inw.), de hoofdstad der provincie, is bekend om haar stokerijen, terwijl Maaseik (4,700 inw.) doorgaat voor de geboorteplaats van de twee beroemde broeders Hubert en Jan Van Eyck, de stichters der Vlaamsche schildersschool in de XVe eeuw.

Intusschen zetten we onze reis voort over Tienen naar Leuven. De eerste (17,700 inw.) is een voorbeeld van netheid, met suiker- en ijzerfabrieken en een zeer bezochte graan- en veemarkt. In 1213, bij den inval van den prins-bisschop van Luik, werd de stad ten gronde vernield, benevens 32 dorpen en andere steden, waaronder Zoutleeuw, welks oud stadhuis en kerk, maar vooral haar keurig tabernakel als een wonder van bevalligheid zijn bekend. De kerk van Zoutleeuw is de eenige, die in de 16e eeuw door de beeldstormers niet werd verwoest; zij geeft alleen een beeld van hetgeen onze bedehuizen waren vóór de kerkhervorming.

Romaansche Kloostergang te Tongeren

Romaansche Kloostergang te Tongeren
Romaansche Kloostergang te Tongeren

Ten noord-oosten van 't Hageland liggen de steden Diest (8,900 inw.) en Aarschot (7,000 inw.). Diest met een rijk archief van merkwaardige oorkonden der XIIIe eeuw, hield in den strijd tegen Spanje het langs de zijde van Willem den Zwijger. In de kerk van St.-Sulpicius rust Oranje's oudste zoon Filips (†1618).

Thans vraagt Leuven onze aandacht, de voormalige rijke hoofdstad van het hertogdom Brabant, gedaald tot den rang van gewone provinciestad. Gelegen aan de Dijle, waar keizer Arnold in 892 de Noormannen een geduchte nederlaag bracht, telde de stad in de XIVe eeuw niet minder dan 4000 weefgetouwen voor het vervaardigen van laken, en een bevolking, beweert men, van 80,000 zielen, nu slechts 42,000. Inwendige onlusten tusschen edelen en ambachtslieden, woeste partijschap en burgerkrijg deden haar nijverheid ten onderen gaan. Hertog Jan IV, een bevorderaar van letteren en wetenschap, trachtte de stad voor dit verlies schadeloos te stellen, en begiftigde haar in 1426 met een hoogeschool, een eeuw later een der meest bezochte van gansch Europa. Een groot getal beroemde mannen: Erasmus, Justus Lipsius, Paus Adriaan VI van Utrecht werden er gevormd.

Vervallen van haar vroegere grootheid, bezit ze nog belangrijke fabrieken en brouwerijen, alsook een goed bezochte Kath. Vrije Universiteit, gesticht in 1834. Het stadhuis is een juweel en een der schoonste monumenten van België. Dit meesterstuk van den Leuvenschen bouwmeester Matheus Layens, begonnen in 1448 en voltooid in 1463, oefent door zijn bevallige evenredigheden en zijn rijkdom van versiering een blijvende bekoring uit. In die steenen geciseleerde rijve heeft de burgerlijke gothiek haar toppunt van kunst bereikt. De St.-Pieterskerk van den Diestenaar Sulpicius van Vorst, met haar grootsch portaal en statigen middelbeuk, bezit een schat van schilderijen en beeldhouwwerken.

Stadhuis van Leuven (Bulletin officiel du Touring Club de Belgique)

Stadhuis van Leuven (Bulletin officiel du Touring Club de Belgique)
Stadhuis van Leuven (Bulletin officiel du Touring Club de Belgique)

Halverwege tusschen Leuven en Antwerpen ligt Mechelen aan de Dijle. In de Middeleeuwen telde deze stad 12,000 lakenwevers, en voorzag de Nederlanden met haar voorwerpen van metaal en met haar klokken; haar goudlederen behangsels waren heinde en ver bekend en haar kanten zijn nog overal beroemd. Mechelen telt heden 56,000 inw. Het is de zetel van het rijksarsenaal voor den bouw en de herstelling van het materieel der spoorwegen; zijn meubelfabrieken, tapijten en gobelins, zijn mis- en kerkboeken worden veel gevraagd. Tijdens Margareta van Oostenrijk en Karel V, en later in de godsdienstige woelingen der XVIe eeuw heeft Mechelen een belangrijke rol gespeeld. Sedert Filips II is het de zetel van den aartsbisschop, primaat van België. Behalve nog een groot getal mooie huizen, bezit de stad in haar St.-Rombouts-kathedraal, een der schoonste en rijkste kerken. Haar zware toren, niet ongelijk aan een gebeitelde granietrots, is het werk van den beroemden bouwmeester Rombout Keldermans. Begonnen in 1452, bereikte hij zijn tegenwoordige hoogte (97m30) in 1515; hij bevat een der welluidendste beiaarden van 't land. Onder de vele groote mannen, die Mechelen heeft voortgebracht, noemen we slechts Rembert Dodoens, den beroemden kruidkundige, die tijdens de 16e eeuw de wijk naar Holland moest nemen.

St-Romboutskerk te Mechelen

St-Romboutskerk te Mechelen
St-Romboutskerk te Mechelen

Noord-oostelijk van Mechelen ligt Lier (22,300 inw.) aan den samenvloed der beide Neten. In de IXe eeuw werd zij door de Noormannen geplunderd en verwoest. Zij bezit een der prachtigste kapittelkerken van België met een keurig gebeiteld doksaal. Het is de geboorteplaats van den Nederlandschen schrijver Anton Bergmann en van kanunnik J. B. David, professor te Leuven.

Te midden der Kempen ligt Turnhout (20,600 inw.) met fabrieken van linnen, meubelpapier en speelkaarten, kantwerk en andere nijverheden. In 1789 overwonnen er de Brabantsche patriotten, onder generaal Van der Meersch, het Oostenrijksche leger.

Langs de spoorlijn Leuven-Brussel zijn we thans de prachtige hoofdstad van België, den zetel van 's lands regeering, genaderd.

Brussel telt 184,000 inw., met haar mooie voorsteden Laken(koninklijke verblijfplaats), Schaarbeek, St.-Joost-ten-Oode, Etterbeek, Elsene, St.-Gillis, Anderlecht, St.-Jans-Molenbeek en Ukkel meer dan een half millioen. Gelegen deels in de Vlaamsche laagvlakte, deels nabij het opklimmende heuvelland, het Waalsche gewest, is zij in meer dan een opzicht het echte centrum des lands. In de nieuw gebouwde bovenstad met het heerlijk park, haar vorstelijke woningen en paleizen, spreidt zich rijkdom en weelde ten toon: daar heerscht de Fransche taal. In de benedenstad, het oudere Vlaamsche deel, tevens het middelpunt van arbeid en nijverheid, spreekt het volk vrij algemeen Vlaamsch. Nog onder de Oostenrijksche regeering, op het einde der XVIIIe eeuw, werden meestal de akten te Brussel in het Vlaamsch opgesteld.

Het valt niet te loochenen, dat de gegoede burger van Brussel, evenals die van andere Vlaamsche steden meer en meer verfranscht is; de hoogere standen en de adel waren het sinds geruimen tijd; doch van den anderen kant is het Nederlandsche stambewustzijn bij een groot deel der bevolking levendiger geworden, en is het Vlaamsch in kracht, samenhang en waardigheid vooruitgegaan.

Doksaal van de St-Gommaarskerk te Lier

Doksaal van de St-Gommaarskerk te Lier
Doksaal van de St-Gommaarskerk te Lier

Stadhuis te Brussel

Stadhuis te Brussel
Stadhuis te Brussel

Door haar aangename ligging, door haar inrichtingen op allerlei gebied, haar kunstschatten en nijverheid is zij een der schoonste hoofdsteden der wereld. Bij het binnenkomen valt onmiddellijk de mooi gelegen Kruidtuin in het oog; verder op, in het midden der Koningstraat, heeft men de hooge Congreskolom, waar een heerlijk panorama van de geheele benedenstad zich ontrolt. Onuitwischbaar is de indruk van dit prachtig tafereel met de grootsche Goedelekerk en den slanken St.-Michielstoren van 't stadhuis. Langsheen de Wetstraat zijn de Ministeries en de Wetgevende Kamers, alsook de Warande of het Park met zijn herinneringen aan 1830; aan de overzijde staat het Koninklijk Paleis, het ruiterstandbeeld van Godfried van Bouillon, den held van den eersten kruistocht; links de Rijksbibliotheek met 250,000 boekdeelen en 23,000 kostbare handschriften; daarnaast het algemeen Staatsarchief en het prachtig Museum van moderne schilderstukken. Het Museum van natuurlijke historie met zijn gevulde zalen van allerlei voorwerpen uit het steenen en bronzen tijdperk, en zijn reusachtige geraamten van vóórhistorische dieren, bevindt zich thans in een ander lokaal in de nabijheid van het Wiertz-museum. In de monumentale Regentiestraat heeft men op het einde een verrukkelijk gezicht op het Justitiepaleis, dat als een reusachtige Babylonische godentempel in volle majesteit omhoogrijst. Behalve het paleis van den graaf van Vlaanderen treft men langs den overkant een ander aan, waar de schatten onzer oude schilderschool, meer dan 400 doeken, bewaard en bewonderd worden. Verder komt men aan den Kleinen Zavel met zijn schoone herstelde Gothische kerk, en in den daaroverliggenden tuin de martelaarsgroep van Egmond en Hoorn. Op het kunstig gesmeed hek, dat den tuin omringt, staan op granietkolommen de 48 verschillende neringen der XVIe eeuw door bronzen figuren afgebeeld, terwijl rondom de hoofdgroep in nissen van levend groen, tien marmeren standbeelden zijn geschaard, voorstellende even zooveel beroemde mannen uit die merkwaardige eeuw, waaronder Willem den Zwijger en Marnix van St.-Aldegonde. Daarnaast bevindt zich 't Muziekconservatorium; hoogerop het vermelde Justitiepaleis van den bouwmeester Poelaert, dat door zijn grootsche afmetingen een machtigen indruk teweegbrengt, evenals het verrukkelijk uitzicht op de benedenstad, die thans onze belangstelling wekt. Wat het eerst in het oog valt is de statige Goedelekerk, een weinig verder de Groote Markt, de rijkste en schoonste van Noord-Europa. Met haar keurig Stadhuis en zijn edelen slanken toren, ter hoogte van 96m63, de nieuw herbouwde broodhalle of Broodhuis naar het oorspronkelijk plan van 1515, en zijn krans van rijk versierde gildehuizen van omstreeks 1700, dwingt zij elken vreemden bezoeker tot bewondering. Het is majesteit, bevalligheid en weelde. Busken Huet[20] noemt het «breed kantwerk, goudsmederij, een zonnestraal op den weg der bouwkunst». Onder de moderne gebouwen der benedenstad vermelden wij verder de Beurs, het Postkantoor, de Anspach-fontein, benevens de heerlijke boulevards met de rijke hotels en magazijnen, een uitstalling van 't kostbaarste en 't meesterlijkste der nijverheid, al de verleiding van kunst en verfijnde weelde, die verbluft en verrukt.

Paleis van Justitie te Brussel

Paleis van Justitie te Brussel
Paleis van Justitie te Brussel

Ten zuiden der hoofdstad in de richting van Henegouwen ontmoet men de kleine stad Halle (12,000 inw.), een druk bezochte bedevaartplaats, en dicht bij de taalgrens, aan de Romeinsche heirbaan van Bavaai naar Atrecht, Edingen (Enghien), in de buurt van een der schoonste parken van Europa.

Volgt men van hier met het spoor nagenoeg den loop van den Dender, tot aan zijn monding in de Schelde, dan ontmoet men langs dien weg de steden Geeraardsbergen (12,000 inw.), Ninove (7,500 inw.), Aalst (30,000 inw.), met grooten handel in hoppe, vlas en koolzaad, met fabrieken van linnen, katoenen, wollen en zijden weefsels. In de prachtig onvoltooide St.-Maartenskerk te Aalst met een schoon doksaal en een meesterlijke schilderij van Rubens, is het graf van Dirk Martens, die in 1473 het eerst de boekdrukkunst in België bracht. Hij was een der geleerdste mannen van zijn tijd.

Dendermonde (10,600 inw.). De collegiale kerk bevat merkwaardige schilderijen en beeldhouwwerken van groote meesters. Het is de geboorteplaats van den beroemden toonkundige Jan Ockegem(†1430) en van de Vlaamsche dichters Prudens van Duyse, die er zijn bronzen standbeeld heeft, en Em. Hiel.

Lakenhalle, Belfort en Stadhuis te Gent

Lakenhalle, Belfort en Stadhuis te Gent
Lakenhalle, Belfort en Stadhuis te Gent

Gent (163,000 inw., met zijn voorsteden meer dan 200,000). Hoe verschillend moet de indruk zijn, dien de reiziger ondervindt, als hij voor het eerst hier binnenkomt en een moderne stad meent te zien. Nog is hij de Vlaanderenstraat niet door, of de illusie verdwijnt bij het zicht van een reeks oude gebouwen, waarin zich de luister dier trotsche stad van weleer zoo duidelijk afspiegelt. Het eerste gebouw, dat ons treft, is het Geeraard-duivelsteen (13e eeuw), daarnaast de statige kathedraal van St.-Baafs met haar hoogen toren, de oude Lakenhalle met het nog oudere Belfort, welks zware klokken bij feestgetij hun machtige tonen doen hooren. Die trouwe wachter en die bronzen stem onzer aloude gemeentevrijheden behooren onafscheidelijk bij elkaar. Geen dertig meter verder verrijst het prachtige stadhuis, dat uit twee ongelijke deelen bestaat: de jongste gevel in Renaissancestijl der 17e eeuw, de oudere in Gothiek naar het plan van Domien De Waghemackere en Rombout Keldermans(1481-1517). Moest het opgebouwd en voltrokken zijn, het zou nergens zijn weerga hebben. Ook de oude Romaansch-Gothische kerken van St.-Nikolaas en St.-Jakobs staan in de onmiddellijke nabijheid. Plaats u slechts vijftig meter verder met het zicht op de schilderachtige Graslei, vroeger de stapelplaats voor de granen van Artois, rechts hebt ge de grauwe massa der St.-Michielskerk, vóór u het nieuwe Gothische postkantoor met zijn drie torens, waarboven in de blauwe lucht de klokketoren der St.-Nikolaaskerk en de spits met vergulden draak van het Belfort zich afteekenen; bemerk die rij van oude gebouwen, het «vrije Schippershuis», een der fraaiste Gothische woningen der XVe eeuw, het oude Stapelhuis der XIIIe eeuw in Romaanschen bouwtrant; links, waar de Lieve zich met de Lei vereenigt, den ouden slottoren van 't Gravensteen, en zeg, of het mogelijk is zich een tafereel voor te stellen, zoo keurig en rijk, zoo schilderachtig door samenvoeging van vormen en lijnen, en dit alles op een betrekkelijk kleine ruimte, in het centrum der stad? Doch 't is vooral de St-Baafskerk, die den kunstminnenden reiziger in zoo hooge mate aantrekt. Reeds bij het binnenkomen is de indruk overweldigend. Haar verheven hoogaltaar, dat bijna tot aan het gewelf reikt, het weidsche koor met zijn marmeren praalgraven, de talrijke kapellen met de kostbare gedreven koperen deuren, ieder van deze is op zich zelve een kunstheiligdom. In de eene bewondert men het meesterstuk van Hubert en Jan van Eyck «de Aanbidding van 't Lam Gods» (1411-1432), zoo verheven en dichterlijk van opvatting, zoo volmaakt van samenstelling en techniek, zoo rijk van koloriet; in de andere een der heerlijkste doeken van Rubens «de aanvaarding van den H. Bavo in 't klooster»; in den middelbeuk den zeldzamen schoonen predikstoel van Laurens Delvaux (18e eeuw); aan den ingang links de doopvont, waarin Karel V in 1500 werd gedoopt, en meer andere gewrochten van onschatbare waarde. Wie van karakter en oorspronkelijkheid houdt, begeve zich naar Gent, het Venetië van 't Noorden, door zijn rivieren (Lei en Schelde, Lieve en Moere) en vaarten in verscheidene eilanden verdeeld, die door 65 bruggen met elkander gemeenschap hebben.

Hub. en Jan Van Eyck. Aanbidding van het Lam Gods

HUB. en JAN VAN EYCK. Aanbidding van het Lam Gods
HUB. en JAN VAN EYCK. Aanbidding van het Lam Gods

Vervolgen wij onzen weg tot op de Veerleplaats, waar de trotsche oude burcht met zijn hoogen slottoren en versterkten ringmuur uit de wateren omhoogrijst. Dit bewonderenswaardig specimen van militaire bouwkunst, waarvan de onderbouw wellicht opklimt tot de IXe eeuw en waarschijnlijk als sterkte diende tegen de Noormannen, werd door Filips van den Elzas in 1180 vergroot en opgebouwd. Dit slot, dat den geest terugvoert naar overoude tijden, zou een lange geschiedenis kunnen verhalen van Vlaanderens strijd en wee, evenals de Vrijdagmarkt, het forum der oude Gentenaars, waar het standbeeld prijkt van hun grooten burger uit het roemrijk tijdvak van de gemeenten der XIVe eeuw, Jacob van Artevelde.

Predikstoel van St-Baafskerk te Gent

Predikstoel van St-Baafskerk te Gent
Predikstoel van St-Baafskerk te Gent

Hoeveel vaderlandsche helden en groote mannen zijn hier niet geboren, ook de machtige Keizer Karel V, die zijn geboorteplaats zoo vreeselijk kastijdde.

Hub. en Jan Van Eyck. Aanbidding van het Lam Gods (vijf van de zeven bovenpaneelen)

HUB. en JAN VAN EYCK. Aanbidding van het Lam Gods (vijf van de zeven bovenpaneelen)
HUB. en JAN VAN EYCK. Aanbidding van het Lam Gods (vijf van de zeven bovenpaneelen)

Hub. en Jan Van Eyck. Aanbidding van het Lam Gods (hoofdpaneel)

HUB. en JAN VAN EYCK. Aanbidding van het Lam Gods (hoofdpaneel)
HUB. en JAN VAN EYCK. Aanbidding van het Lam Gods (hoofdpaneel)

De liefhebber van oudheden vindt hier nog zooveel dat zijn weetgierigheid bevredigen kan, vooral de indrukwekkende bouwvallen der aloude St.-Baafsabdij, gesticht in de VIIe eeuw, tijdgenoote van St-Amand, die in 636 hier het evangelie kwam prediken, en herbouwd in de IXe.

Het Stadhuis te Oudenaarde

Het Stadhuis te Oudenaarde
Het Stadhuis te Oudenaarde

Door twee belangrijke kanalen is Gent in gemeenschap met de zee: door de vaart van Brugge en Oostende en door die van Terneuzen, welke, gegraven op last van koning Willem I (1825), thans verbreed en verdiept, een der schoonste kanalen van Europa is geworden.

Door zijn inrichtingen van onderwijs op elk gebied en van elken graad, door zijn hoogeschool in 1817 door Willem I gesticht, door zijn museums en kostbare bibliotheek, door zijn aanzienlijke fabrieken van metaal, linnen en katoen, door zijn tuinbouw en bloementeelt, die thans de eerste plaats in de wereld bekleedt, heeft Gent, ondanks al de uitgestane rampen, zich allengs weten op te richten, dank zij de levenskracht van dat taaie ras, dat in onze dagen zich nog altoos kloek, even vrijzinnig en gevoelig toont voor al wat schoon is en groot, even flink en nijverig als zijn Vaderen van voorheen.

Met dit bemoedigend beeld voor oogen, begeven we ons naar Oudenaarde (7,000 inw.), mede een der oudste en heldhaftigste steden van 't land. Haar rang, evenals haar vermaarde nijverheid van tapijten en gobelins, die in de 15e en 16e eeuw tot 14,000 personen bezighield en voor welke de grootste kunstenaars de modellen en teekeningen leverden, heeft ze laten verloren gaan. Lodewijk XIII gelastte Filips Robijns van Oudenaarde de beroemde manufacturen der Gobelins naar Parijs over te brengen en de werkhuizen van Beauvais in te richten.

Haar muren hebben aan menige bestorming kloeken weerstand geboden. De gebouwen, die ze heeft bewaard, getuigen van haar vroegere welvaart: het Stadhuis, dat pronkjuweel van een uit steen gebeiteld kantwerk met zijn torentinne in vorm van kroon (1525-1537), is het werk van den Brusselaar Hendrik van Pede, en moet in schoonheid voor dat van Leuven niet onderdoen. Gelukkig heeft het van de woede der beeldstormers niet te lijden gehad. Het innerlijke bevat een paar mooie schoorsteenen en een prachtige hoofddeur, een meesterstuk der zestiende-eeuwsche Renaissance. Verder heeft men het statig koor van de oude St.-Walburgis-kerk, den Romaanschen tempel van O.-L.-Vrouw van Pamele met zijn edelen vorm en eerwaardig voorkomen.

Oudenaarde is de geboorteplaats van Margareta van Parma, de beroemde landvoogdes der Nederlanden (1560-1567), van den vermaarden schilder Adriaan Brouwer(1608-1640) en van andere befaamde personen.

Voorbij de stad begint een heuvelachtige streek, een der schoonste van België, met zachte hellingen, vriendelijke valleien en boschrijke hoogten, die Vlaanderen van Henegouwen scheiden en ook de taalgrens vormen tusschen de beide stammen. De hoogste punten der provincie zijn: de Kluisberg (150 M.), in de omgeving van Ronse, de Muziekberg (150 M.), waaraan de legende van Daneelken, den Vlaamschen Tannhäuser, is verbonden, en de Hootond (180 M.). Richt men van een dier hoogten den blik in het ronde, dan kan men moeielijk een uitroep van bewondering weerhouden. Diep, verreweg kronkelt de Schelde als een zilveren streep door de heerlijke landerijen, terwijl naar het zuiden het oog rust op de zachte omtrekken van den Drievuldigheidsberg, die als een baak de plaats aanwijst, waar de Waalsche stad Doornik met de meest indrukwekkende hoofdkerk en haar vijf Romaansche torens zich verheft.

Ronse (20,000 inw.) was reeds ten tijde der Romeinen een bewoond centrum. Thans is het een zeer bedrijvig midden met fabrieken van allerhande weefsels.

De weg naar Kortrijk is niet lang, maar zeer afwisselend.

Kortrijk (35,000 inw.), te midden der licht groene vlasakkers en het weelderig bouwland, is niet ingeslapen en mag fier zijn op de producten zijner nijverheid. De stad bezit de grootste lijnwaadmarkt van België. Haar fijne linnen weefsels, haar tafellakens en servetten, haar mooie kanten, haar bleekerijen en oliefabrieken bezorgen haar rijkdom en welvaart. Binnen de grenzen der tegenwoordige stad ligt een deel van den Groeningerkouter, waar den 11n Juli 1302 onze ambachtslieden het groote Fransche leger versloegen in den slag der Gulden Sporen, en door hun heldenmoed het bestaan en de toekomst van den heelen Dietschen stam van een gewissen ondergang redden.

Dicht in de nabijheid ligt het aloude Harelbeke, dat beschouwd wordt als de bakermat van Vlaanderen. Dit dorp is de geboorteplaats van den grooten Vlaamschen toondichter Peter Benoit.

Gaan we van Kortrijk naar Ieperen, dan stoomt de trein voorbij Meenen (19,000 inw.), Wervik (8,700 inw.), een zeer oude stad, Komen (5,700 inw.), waar de Fransche kronijkschrijver van Lodewijk XI en Karel VI, Philippe de Comines, geboren werd, alsook Auger Busbecq, beroemd natuurkundige, die uit Azië de jasmijn en tulp in Europa bracht. Met Waasten (13,600 inw.) drijven de genoemde steden grooten handel in tabak en nemen een belangrijk deel aan de linnen- en katoennijverheid.

Ieperen (17,000 inw.), thans een stad van den derden rang, was in de middeleeuwen de machtige mededingster van Brugge en Gent, die te zamen over het lot van Vlaanderen beslisten. Haar omvang was in dien tijd veel grooter dan in onze dagen. Aan haar uitstekend laken, aan de overvloedige productie van dekens en wollen stoffen, aan haar uitgebreiden handel dankte zij voor een groot deel haar voorspoed en welvaart. Doch van al dien rijkdom en geduchte macht is weinig overgebleven: alleen haar monumenten zijn van den eersten rang, waaronder een zeker getal merkwaardige huizen, de oude vleeschhal en inzonderheid de grootsche St.-Maartenskerk en de indrukwekkende lakenhalle.

Grootsch en schoon in den verheven zin is die oude St.-Maartenskerk (1221), haar monumentaal koor met de weidsche praalgraven der oude bisschoppen, en de eenvoudige zerk van Cornelis Jansenius, in leven den geëerbiedigden kerkvoogd, den 6n Mei 1638 door de pest weggerukt, doch na zijn dood, ter oorzake zijner schriften, als ketter gedoemd.

Doch het is de welberoemde halle, die het meest de aandacht trekt. Een gevoel van eerbiedige bewondering maakt zich van ons meester, als we staan tegenover dien reuzenbouw met zijn honderd vensters in den voorgevel en zijn zwaren wachttoren. De indruk dien zij maakt, is des te aangrijpender, omdat niemand zulk een wonder verwacht in deze verlaten stad. Het is verreweg het grootste burgerlijk gebouw der middeleeuwen.

Op dit uitgestrekte plein was het, dat de beroemde jaarmarkten gehouden werden, dat de gilden en ambachtslieden vergaderden, en de beroemde rederijkerskamer, de Alpha en Omega, haar vermaarde landjuweelen hield.

Niet ver van Ieperen ligt Poperinge (11,500 inw.) te midden van rijke velden met hoppe, die overal gezocht wordt.

Vervolgen wij onze reis naar het noorden, dan ontmoeten we eerst Roeselare (23,000 inw.) op de Mandel, na Kortrijk de nijverigste stad van West-Vlaanderen, met een belangrijke linnen- en hennepmarkt, alsmede fabrieken van katoen, lijnwaad en linten. Het is de geboorteplaats van den te vroeg gestorven West-Vlaamschen dichter Albrecht Rodenbach.

Izegem (12,000 inw.) met belangrijke schoen- en borstelfabrieken, en Tielt (11,000 inw.) met linnenweverijen, vlas- en grooten veehandel, laten we terzijde, evenals Tourhout (10,000 inw.), een zeer oude vervallen stad, wier oorsprong ongetwijfeld opklimt tot den tijd onzer heidensche voorouders. Tijdens de middeleeuwen was zij de groote stapelplaats van de Spaansche en Engelsche wolsoorten; door haar jaarmarkten en handel in paarden een der bedrijvigste steden van Vlaanderen.

Ten noord-oosten der stad, op 3 Km. afstand, ligt een deel van 't oude grafelijk slot van Wijnendale, het voormalig zomerverblijf der graven van Vlaanderen, te beginnen met Robrecht den Vries tot en met Lodewijk van Nevers. Maria van Bourgondië, dochter van Karel den Stoute, overleed er in 1482, ten gevolge van een val van haar paard.

Hoe verder men naar het noorden en westen trekt, hoe meer de grond zich effent, tot hij overgaat in de lage vlakte.

Diksmuide aan den IJzer (4,000 inw.) was eenmaal een aanzienlijke haven- en handelsstad, wier jaarmarkten langs de heele kust bekend waren. Zij bezit een doksaal, dat te recht om zijn keurige uitvoering als een der schoonste van West-Europa is bekend. Sedert drie eeuwen geniet de Diksmuidsche boter een welverdiende faam.

Veurne (5,800 inw.) is de westelijkste, maar ook de meest Vlaamschsprekende stad van België. De oude kastelenij met haar talrijke dorpen volgde Brugge en Gent in macht en aanzien op. De groote markt met haar antieke gevels, haar raadhuis en gerechtshof, met daarachter de indrukwekkende kerk en toren van St.-Walburgis, is nog altijd een der schilderachtigste pleinen van geheel Vlaanderen en onder de kleine pleinen van Europa een der allerliefste. Jaarlijks, op den laatsten Zondag van Juli, lokt de vermaarde boetprocessie, met haar eigenaardig zeventiende-eeuwsch karakter, duizenden toeschouwers.

Groote Markt te Veurne

Groote Markt te Veurne
Groote Markt te Veurne

Heeft men van Diksmuide en Veurne een indruk van verlatenheid meegenomen, nog droeviger is het gevoel, dat ons bevangt, als men Nieuwpoort binnentreedt. De groote markt met haar ruime, zeer eigenaardige Gothische hal, vroeger het middelpunt van haar bedrijvig leven, is thans ledig en verlaten. Ten jare 1600 was Nieuwpoorts strand getuige van een der schoonste wapenfeiten, waarvan de geschiedenis gewaagt, de overwinning van prins Maurits met zijn Geuzenvloot op het Spaansche leger, aangevoerd door den aartshertog Albert van Oostenrijk.

Klimmen we thans de duinen over, om langs de kust met haar aaneenschakeling van kleine en groote badplaatsen, Oostende, het middelpunt van allen, te bereiken.

Zoo stil en rustig Nieuwpoort is, zoo levendig en woelig is Oostende, in het badseizoen vooral. Zonder tegenspraak is zij de schitterendste en meest bezochte badstad van Europa. Het uitzicht, als men haar van den zeekant nadert, is ongemeen betooverend. Haar breede, met zorg onderhouden dijk, welke een der schoonste zeestranden beheerscht, is bezoomd met kostbare villa's in allerlei bouwtrant, met prachtige hotels, paleizen en heerlijke woningen, de eene al weelderiger dan de andere. Meer en meer wordt Oostende de internationale paradeplaats van het rijke Europa. Een geregelde stoomvaartlijn op Dover onderhoudt de gemeenschap met Engeland, waaruit de prachtige en welingelichte mailbooten des zomers duizenden reizigers overbrengen. Wie denkt bij het zien van dit woelig strand, aan den ouden tijd waarop de schoonste bladzijde harer geschiedenis met stroomen bloeds beschreven is, aan de belegering van Albertus en Isabella, waarbij 60,000 strijders den dood vonden (1601-1604)?

Had zij door het beleg en den oorlog veel geleden, de vrede en het sluiten der Schelde hergaven haar een deel van haar voormaligen luister. De stad telt thans 40,000 inw.; meer dan 200 schuiten en een twintigtal stoombooten gebruikt zij voor de vischvangst; ook houdt ze zich bezig met alles wat bij den scheepsbouw behoort.

Van het oude Oostende is weinig overgebleven. Haar prachtige Kurzaal met haar rijke zalen, haar nieuwe schouwburg en postkantoor in Renaissance, haar bijna voltooide sierlijke Gothische kerk, van den Brugschen bouwmeester De la Censerie, bewijzen, dat de smaak voor edele kunst nog steeds onze Vlaamsche meesters weet te bezielen.

Na Blankenberge, sedert weinige jaren de mededingster van Oostende, en Heist, de laatste plaats van belang op de Vlaamsche kust, steken we de groene velden over, ontwoekerd aan de baren van de zee. Die nieuw veroverde grond was de oorzaak van de verzanding van 't Zwin, den grooten zeeboezem tijdens de Middeleeuwen, ruim genoeg, om een gansche vloot te bergen, tevens van den dood van Damme en Sluis en het verval van Brugge.

Damme. — Geen rechtgeaard Nederlander bezoekt Brugge zonder zijn groet en dank te brengen aan 't stille Damme, de vroegere voorhaven, waarmee het door een zeekanaal verbonden werd, toen de golven zich voor goed terugtrokken. Gedurende twee eeuwen was de welvaart van Damme ongehoord. Thans is het een onbeduidend dorp met een alleenstaanden vierkanten kerktoren en een vervallen raadhuis, en te midden van het plein het standbeeld van Jacob van Maerlant, «den Vader der Dietscher Dichtre algader», die reeds van in de XIIIe eeuw «den Nederlanders den weg der vrijheid en der verlichting wees», de rechten zijner medemenschen kloekmoedig verdedigde tegen de aanmatiging van adel en geestelijkheid.

Brugge (53,000 inw.). Niet zonder een gevoel van ontroering en weemoed nadert een Vlaming het stille Brugge, tevens zoo belangrijk voor den geschied- en oudheidkenner als voor den vriend der kunst. Geen stad heeft zoo trouw haar middeleeuwsch karakter bewaard, en voortdurend streeft ze er naar, om dit eigenaardige te behouden. Wat een weelde van hooge torentransen, die uit alle deelen der stad zoo rustig en fier ten hemel klimmen, van merkwaardige gebouwen met beeldhouwwerken, waaraan zoo menige herinnering is verbonden! Wat een rij van schilderachtige hoekjes en grachten met hun mooie omlijsting, die den blik bekoren en den geest terugvoeren naar lang vervlogen tijden! Zie, bijna zonder het te weten, staan we op de Groote Markt vóór den Halletoren, die met zijn vorstelijke stedekroon de trotsche macht der Vlaamsche gemeente zoo aanschouwelijk uitdrukt, en dit juist tegenover een andere verpersoonlijking van wilskracht en heldenmoed, van Breidel en De Coninc, de helden uit den Gulden-Sporenslag, toonbeelden van vaderlandsliefde.

De Halletoren te Brugge

De Halletoren te Brugge
De Halletoren te Brugge

Griffie, Stadhuis en H. Bloedkapel te Brugge

Griffie, Stadhuis en H. Bloedkapel te Brugge
Griffie, Stadhuis en H. Bloedkapel te Brugge

Op het burchtplein bewonderen wij het stadhuis (1376) met de kapel van 't H. Bloed; links de oude griffie in de zestiende-eeuwsche Renaissance; in het justitiepaleis, de vermaarde schouw van «'t Vrije»[21], een wonder van Renaissance-houtsnijkunst, uitgevoerd naar de teekening van Lancelot Blondeel (1529-1531). Gaat men de overdekte straat naast het raadhuis door, dan heeft men langs de gracht niet alleen een verrukkelijk gezichtspunt op het achtergedeelte van «den vrijen burcht»[22], maar op al de omliggende gebouwen, op zoo menig schilderachtig plekje, gelijk men er in Brugge aantreft. Steekt men den Dijver over, een heerlijk tafereel, gevormd door de grootsche lijnen der O.-L.-Vrouwenkerk met haar 122 M. hoogen toren, als een oude vesting des geloofs, en de prachtige woning der Heeren van Gruuthuse, teekent zich af tegen het verzilverde blauw van den hemel. De oude kerk bezit een schat van kunstwerken, een groot getal schilderijen van groote meesters, een overheerlijk madonnabeeld van Michel Angelo, alsook de prachtige graftomben van Karel den Stoute en Maria van Bourgondië. Het paleis der familie Gruuthuse is ingericht tot een museum met wonderbare handschriften, kostbare kanten en drijfwerk. Van de andere zijde der plaats trekt ons de donkere gevel van St.-Jans-gasthuis onweerstaanbaar aan, om binnen zijn muren de meesterstukken te bewonderen van den grooten schilder Hans Memlinc. Daar vindt men hem in al zijn teederheid en bewogen uitdrukking, in al zijn glorie en volmaaktheid.

Een aantal merkwaardige doeken van dien meester, ook van Jan van Eyck en andere primitieven berusten in het stedelijk museum.

Van hier begeven wij ons naar de kathedraal van St.-Salvator met haar rijke kunstschatten en haar toren in de gedaante van een hoog versterkt kasteel.

Al die monumenten, die mooie gevels, die weergalooze kunst, wier roem sedert eeuwen nog niets verloren heeft van hun grootheid, staven zij niet de vroegere macht en glorie onzer Vlaamsche steden, maar ook den schoonheidszin en de bedrevenheid onzer kunstenaars? Onvergankelijk is de roem onzer voorouders op dit gebied. Maar groot en machtig was eens Brugge, de eerste handelsstad van Noord-Europa. Twintig naties hadden er hun handelsfactorijen. In 1365 waren er veertig Duitsche handelshuizen, die deel uitmaakten van de Hanze[23]. De Spanjaarden en Italianen waren nog talrijker. In dien tijd werd de eerste beurs gehouden, waarop de Bruggeling zoo trotsch was. De eenstemmige berichten omtrent Brugge's rijkdom, pracht en schoonheid, grenzen bijna aan het ongelooflijke. Allen spreken van haar met een soort van geestvervoering[24]. In de XVe eeuw telde zij niet minder dan 80 neringen. Helaas! die roem is ondergegaan. Burgeroorlogen en de verzanding van het Zwin, haar voorhaven, hebben haar den doodslag toegebracht. Onder Maximiliaan van Oostenrijk begon haar welvaart snel te zinken, haar bevolking te verminderen. In 1516 bracht de Hanze den zetel van haar zaken naar Antwerpen over. Sedertdien geraakte zij meer en meer in verval, in een soort van doodslaap, die nog slechts gestoord zou worden door de godsdienstige woelingen der XVIe eeuw. Droevig tijdperk, waaraan een Vlaming niet kan denken, zonder dat hij naar de reden vraagt van zulk «een hachlijk lot»[25].

Toch blijft ze voor den denker en den droomer nog bekoorlijk in haar alouden luister, de onttroonde stedekoningin, met haar schilderachtig Minnewater en haar eenig oud Begijnhof.

Van Brugge vervolgen wij onze reis door het Meetjesland naar Eekloo (13,000 inw.) met linnenweverijen, wol- en katoenfabrieken, de geboorteplaats van den dichter K. L. Ledeganck, wien zijn stamgenooten onlangs een standbeeld hebben opgericht.

Spoedig hebben we de grens van dien zandgrond achter ons, om straks het kanaal van Terneuzen over te stoomen, en het vruchtbare Waasland binnen te treden.

Ons eerste bezoek geldt het nijverige Lokeren (25,000 inw.) aan de Durme, met fabrieken van katoenen en wollen stoffen, van zeildoek en vellen; haar bleekerijen en linnenweefsels zijn algemeen gekend, ook haar handel in granen, hennep, olie en koolzaad.

Thans volgt St.-Nikolaas (32,000 inw.), de vriendelijke hoofdplaats van 't Land van Waas. Haar fabrieken van katoenen, wollen en fluweelen stoffen, van linten en galons, van kousen en hoeden, vormen een van de schakels der nijverheidsketen, die Vlaanderen aan de hoofdstad verbindt.

Intusschen hebben we Antwerpen, de koningin der Schelde bereikt. Met haar heerlijke ligging aan den breeden Scheldestroom, waar schepen uit alle zeeën binnenloopen, en in haar dokken de schatten der vijf werelddeelen komen uitstorten; door haar uitgebreiden handel verrijkt en getooid met de schoonste voortbrengselen der kunst, is zij een der prachtigste en bloeiendste steden van 't vasteland. In de jaarboeken der geschiedenis en der kunst prijkt haar naam met onvergankelijken luister. Toen zij onder Karel V de rijke erfgename werd der vervallen grootheid van Brugge, was het zielental reeds tot 90,000 geklommen. Wil men zich een denkbeeld vormen van haar spoedige macht en grootheid als handelsstad, men leze Guicciardini, waar hij schrijft, dat «de kooplieden van alle natiën er hun kantoren hadden en zij welhaast alle andere steden der wereld overtrof.»

P. P. Rubens. Afdoening van het Kruis (O. L. Vr. Kerk te Antwerpen)

P. P. RUBENS. Afdoening van het Kruis (O. L. Vr. Kerk te Antwerpen)
P. P. RUBENS. Afdoening van het Kruis (O. L. Vr. Kerk te Antwerpen)

Met de regeering van Filips II en vooral met de komst van Alva, begon voor ons land een tijdperk van vervolging, van jammer en ellende, maar ook van hardnekkigen strijd voor de vrijheid van geweten, voor godsdienstige verdraagzaamheid, zoo onmisbaar voor de grootheid van een volk. En toen na de heldhaftige verdediging van Antwerpen, Marnix genoodzaakt was de stad over te geven aan Alexander Farnese, en het Spaansche leger haar muren binnentrok, begon voor haar een sombere tijd. Met haar val in 1585 ging de wereldhandel naar Amsterdam, en toen bij den Vrede van Munster in 1648 de Scheldemonden niet heropend, maar voor goed gesloten werden, was het voor lang met haar welvaart gedaan. Gedurende twee eeuwen trachtte zij nog te leven voor de kunst, wier glans nog immer op haar afstraalt van haar groote zonen, van Quanten Metsijs, Jordaens, Van Dyck, Teniers, Rubens bovenal, die in heel de stad zijn glorierijk spoor heeft achtergelaten. De Fransche sansculotten openden weer de Schelde en eerst in 1803, onder Napoleon, begon men groote verbeteringen aan de haven te brengen, en er voorname scheepstimmerwerven te vestigen.

O. L. Vrouwenkerk te Antwerpen

O. L. Vrouwenkerk te Antwerpen
O. L. Vrouwenkerk te Antwerpen

Sinds den afkoop van den Scheldetol in 1863, nam haar handel en welvaart dagelijks toe. Thans is zij na Londen de meest bezochte handels- en havenstad van Europa, want in de laatste jaren heeft zij Liverpool en Hamburg voorbij gestreefd. Meer dan 5000 schepen van alle natiën en grootte varen er jaarlijks binnen. Haar zielental is thans tot 282,000 geklommen, zonder de dichtbevolkte voorsteden. De diamantslijperijen en goudsmeedkunst, haar zijde, kanten en tapijten, haar suiker-, zeep-, tabak-, touw- en zeilfabrieken, haar stokerijen, brouwerijen en scheepstimmerwerven, evenals haar uitgebreide handel bezorgen aan al die duizenden werk en voorspoed. Doch niet alleen als handels-metropool is Antwerpen een bezoek overwaard; ook om haar rijke museums, haar monumenten en heerlijke kerken, gevuld met meesterstukken van schilder- en beeldhouwkunst. Onder al die merkwaardige gebouwen is de O.-L.-Vrouwenkerk de schoonste en prachtigste. Die ruime Gothische tempel met zijn vijf beuken en zijn weergalooze torenspits, een steenen kantwerk, dat zich 123 M. hoog in de lucht verheft, bevat o. a. drie wereldberoemde schilderijen van den grooten Rubens. Ook de met marmer zoo rijk versierde kerk van St.-Jacob, waar de groote schilder begraven ligt, en die der Jezuïeten, de schoonste proef van Rubens talent als bouwmeester, verdienen bewonderd te worden. Onder de burgerlijke gebouwen noemen we slechts het stadhuis met de bekende Leyszaal, de mooie omringende gildehuizen en de fontein van Lambeaux, die de legende van Antwerpen voorstelt; de Handelsbeurs, het Museum van schilderijen, zoo rijk aan heerlijke doeken van Vlaamsche meesters; verder het Museum Plantijn-Moretus, eenig in zijn soort, met een overvloed van familie-relieken, bibliotheek en archief, alsmede het drukkersmaterieel uit de 16e en 17e eeuwen, een rijke verzameling hout- en koperplaten, schilderijen, enz. Aan standbeelden van groote mannen, die hier geleefd en gewerkt hebben voor den roem van 't Vaderland, ontbreekt het in Antwerpen niet; onder de moderne gebouwen vermelden we alleen het Justitiepaleis, de Nationale Bank, den Nederlandschen Schouwburg, het prachtig Stationsgebouw en den vermaarden Dierentuin, een der heerlijkste van Europa.

Hier zijn we aan het einde van onze omwandeling door het Vlaamsche land met zijn nijverige steden. Moge dit vluchtig overzicht van wat het op het gebied van natuurschoon, van kunst en nijverheid te genieten geeft, van alles wat ons volk door vlijt en werkzaamheid heeft voortgebracht en door 't voorgeslacht is nagelaten, er toe bijdragen, om den lust bij allen op te wekken ons land en volk beter te leeren kennen in zijn geschiedenis en taal, in zijn streven en werken, en alzoo den band, die ons allen vereenigt, nauwer en duurzamer te maken.

Gent, 1905.

Bibliographie

Dr F. W. C. Krecke, Handboek der Algemeene Natuurkundige Aardrijkskunde, vijfde uitgave. — Patria Belgica, publié sous la direction d'Eug. Van Bemmel. 3 deelen. 1873-75. — Émile De Laveleye, De Landbouwkunst in de Nederlanden; I. België. 1865. — Alf. Jourdain et L. Van Stalle, Dictionnaire encyclopédique de géographie historique du royaume de Belgique. 2 deelen. 1896. — Dr H. Blink, Onze Aarde. Handboek der Natuurkundige Aardrijkskunde. 1890. —El. Reclus, Nouvelle Géographie Universelle. IV. 1879. — Cd Busken-Huet, Het Land van Rubens. 1881. — Jules Cornet, Premières notions de Géologie. 1903. — Fr. von Hellwald, Die Erde und ihre Volker. 1878. — Henry Havard, La Terre des Gueux. 1877. — Prof. H. Kern, Opmerkingen over het Nederlandsch volkskarakter, nr 8 van Studies in Volkskracht. 1904. — Ant. Sanderus, Flandria illustrata. 1641. — Luigi Guicciardini, Descrizione de tutti i Paesi-Bassi.1567.

Notes in this chapter

Note 1 · Men heeft berekend dat de Rijn jaarlijks 5200 M3 slib en gerolde steenen aan den Oceaan levert, en kalk genoeg om 33200 millioen oesterschalNote 2 · Diluvium = het ten gevolge van overstrooming, door bezinking ontstane land, bestaande uit zand, grint en leem.Note 3 · Alluvium = de bovenste en jongste lagen der vaste aardkorst: zij bestaan uit van elders aangevoerde stoffen, geleverd door planten, door zeeNote 4 · Die hooge venen, in het Waalsch «Hautes Fagnes» genoemd, hebben gewis hun ontstaan te danken aan de ophoopingen van plantenlagen in het dichNote 5 · Het is in die krijtlagen dat men in 1878 te Bernissart bij Doornik, verscheidene geraamten van het reusachtig iguanodon, een monsterachtig kNote 6 · Volgens sommige geologen dankt die brandstof haar ontstaan aan een weelderigen plantengroei, die ter plaatse uit poel en moeras oprees, en dNote 7 · Zie De Landbouwkunst in de Nederlanden: I. België, door Emile De Laveleye.Note 8 · Die strook gronds, rijk aan zink- of galmeimijnen (calamine) heeft den vorm van een gelijkbeenigen driehoek, waarvan het toppunt ligt aan deNote 9 · Zie De Landbouwkunst in de Nederlanden: I. België.Note 10 · Antonius Sanderus of Sanders, geb. te Antwerpen, † in 1664 in de abdij van Affligem, bijna 90 jaar oud, schrijver van de Flandria IllustrataNote 11 · Luigi Guicciardini, geb. te Florence in 1533, † te Antwerpen in 1589. Zie zijn Descrizione de tutti i Paesi-Bassi (1567).Note 12 · Cornelius Tacitus, beroemd Romeinsch geschiedschrijver, geboren 61 jaren na Chr. en waarschijnlijk overleden in 117. Onder zijn werken behooNote 13 · Studies in Volkskracht. — 1e Serie, Nr VIII. Opmerkingen over het Nederlandsch Volkskarakter door Prof. H. Kern. Haarlem. De Erven F. Bohn, Note 14 · Zie Het Land van Rubens door Cd Busken Huet. Amsterdam, J. C. Loman Jr. 1881.Note 15 · Die vermaarde schoorsteen, een der parels van de kunstkroon van Brugge, is een geschenk aan Karel V na zijn overwinning op Frans I, koning vNote 16 · Het Vrije Brugsche Ambacht was een district van het land, dat nimmer aan de staat van leenroerigheid tegenover de drie groote steden van hetNote 17 · Hanze of Hansa = een handelsverbond van Duitsche steden (Hamburg, Lubek, Bremen, Keulen, Dantzig), in 1241 gesticht, om hun handel te beschuNote 18 · Judocus Damhouder, beroemd rechtsgeleerde († 1581) wijdt een geheel hoofdstuk aan haar pracht. Sanderus (Flandria illustrata) noemt haar «deNote 19 · Lees K. L. Ledeganck, De Drie Zustersteden: Aan Brugge.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings