← Table of contents
Vlaamsch Belgie sedert 1830

DE STICHTING VAN HET KONINKRIJK BELGIË

Reading edition

DOOR

VICTOR FRIS

E. L. Baron Surlet de Chokier

E. L. Baron Surlet de Chokier
E. L. Baron Surlet de Chokier

De commissie der Grondwet, den 12en October 1830 voor de eerste maal vereenigd, besloot, denzelfden dag reeds, met 8 stemmen tegen 1, dat de regeeringsvorm het grondwettelijke koningdom wezen zou; daarna bepaalde zij de grondslagen van de Constitutie en, na er lezing van gegeven te hebben aan het Voorloopig Bewind, gaf zij het ontwerp den 28en uit. Den 10en November kwam het Nationaal Congres, dat de akten van het Voorloopig Bewind zou bekrachtigen en de Grondwet bespreken, te Brussel bijeen. Na eene openingsrede van L. de Potter, die de tusschenkomst van de Mogendheden mocht aankondigen, werd E. Surlet de Chokier tot voorzitter van het Congres gekozen. Twee dagen later gaf het Gouvernement provisoire, dat tot daartoe een willekeurig en eigenmachtig gezag uitgeoefend had, zijne macht aan het verraste Congres over. Dit echter nam bij handgeklap, op voorstel van De Stassart en door gebrek aan tijd om te beraadslagen, het besluit het Voorloopig Bewind te verzoeken het uitvoerend gezag te behouden, zooals de leden van dit Bewind het overigens gehoopt hadden.

De twistzieke L. de Potter nam zijn ontslag, daar hij de opperste en wettige macht voor het Voorloopig Bewind eischte en dien machtsafstand afkeurde (13en November). Den 16en benoemde het Voorloopig Bewind, ten einde zijne taak te vergemakkelijken, een diplomatisch Comiteit, dat de rol van een ministerie van buitenlandsche zaken zou vervullen, met S. Van de Weyer als voorzitter, graven van Aerschot en de Celles als ondervoorzitters, Ch. Lehon en Nothomb als leden: die inrichting was dringend noodig.

Immers, op 21en October, had Falck te Londen, in naam van koning Willem, aan Lord Aberdeen gevraagd, bij de gezanten der Mogendheden te willen aandringen op een spoedige bemiddeling en op het verwezenlijken van een wapenstilstand tusschen Holland en België, om inmiddels de herstelling van de goede betrekkingen tusschen beide landen te bewerken. Daarin stemden, na lang dralen hunner regeeringen, de gevolmachtigden der vorstelijke hoven toe, en door een protocol van 4en November stelde de Conferentie te Londen vereenigd een wapenstilstand aan Holland en aan België voor. Het Voorloopig Bewind, verheugd over de tusschenkomst der Mogendheden en over de vaststelling van de bestandsbepalingen, nam den 10en, dag van de opening van het Congres, dit voorstel aan, dat beslist den 21en goedgekeurd werd. Door de toezegging van dien wapenstilstand tusschen Noord en Zuid, erkende dus van 't begin af de Conferentie het volbrachte feit en verleende aan de Belgische opstandelingen eigenlijk den titel van oorlogvoerenden.

Den 18en November bekrachtigde het Congres bij eenparigheid, zonder nochtans eenige beslissing van de Conferentie van Londen af te wachten, het besluit van het Voorloopig Bewind aangaande de onafhankelijkheid van België, «behoudens de betrekkingen van Luksemburg met den Duitschen Bond.» Den 22en besloot het, met 174 stemmen tegen 13, dat de regeeringsvorm «de erfelijke monarchie, beperkt door eene volksvertegenwoordiging» zou zijn; dit deed de Belgen de sympathie der Mogendheden inwinnen, die nooit een Republiek zouden geduld hebben. Den 23en stelde Constant Rodenbach de verdrijving van het huis van Oranje voor. Wellicht ware dit overijlde besluit nooit genomen geweest, zonder de onbehendige drukking van de gevolmachtigden van de Conferentie, die verklaarden dat die stemming België met de Mogendheden in de war zou brengen; talrijke leden veranderden, uit protest, hunne zienswijze, zoodat, met 101 stemmen tegen 28, verklaard werd, dat de leden van het huis van Nassau voor eeuwig buiten alle heerschappij in België zouden gesloten zijn.

Die voor Oranje zoo harde slag hinderde tevens deerlijk de plannen van de «Conferentie van Londen».

De verkiezing van Willem's zoon had sedert het begin van October, aan Louis-Philippe de gelukkigste oplossing geschenen; en zijne ministers Maison eerst en later Sebastiani deden den gezant Bresson in dien zin te Brussel werken. Het Engelsche ministerie Wellington-Aberdeen was den prins zeer genegen; wat de Oostelijke machten betreft, Pruisen, waar zijne zuster een kroonprins onlangs gehuwd had, en Rusland, waar hij met de zuster van den Czaar in den echt was getreden, zouden hem hunnen steun verleenen. Maar de kuiperijen van Bresson stuitten op de hardnekkige weigering van de Belgische clericalen. De beschieting van Antwerpen, alhoewel Oranje daar niet de minste schuld aan had, had zijnen naam bij het volk hatelijk gemaakt. Alzoo viel het eerste ontwerp van de Mogendheden.

Koning Willem, in zijne hoop op de gewapende tusschenkomst der Mogendheden verblind, was in zijne verwachtingen nog gesterkt door de behoudsgezinde troonrede van Willem IV van Engeland, doch moest op het einde fel klagen dat zijne verbondenen hem in den steek lieten. De algemeene wensch van de Europeesche regeeringen bleek integendeel voor eene vreedzame oplossing te zijn.

Zitting van het Nationaal Congres (24 November 1830)

Zitting van het Nationaal Congres (24 November 1830)
Zitting van het Nationaal Congres (24 November 1830)

Wel bestond er in Frankrijk een parti de la revanche, die sedert de Septemberdagen de aanhechting van België bij Frankrijk, en de bescherming van de «oudste dochter der groote Juli-week» eischte. Had Louis-Philippe aan dien onstuimigen drang toegegeven, en hadden van hunnen kant de onderteekenaren van de Sainte Alliance het werk van het Weener Congres willen in stand houden, weer zou ons land het slagveld van Europa geworden zijn. Louis-Philippe, de voorzichtige Vorst, wilde echter, kost wat kost, eene verwikkeling met het buitenland vermijden, uit vrees voor zijn eigen troon. Met Engeland, dat het eerst de Juli-monarchie erkend had, wenschte hij innig het Hollandsch-Belgisch vraagstuk op diplomatische wijze te beslechten. Naar Londen had hij dus gezonden den sluwen Talleyrand, wel bekend om zijne voorliefde voor een Fransch-Engelsch verbond, en deze wist, in enkele dagen, de Engelsche regeering tot dezelfde opvatting over te halen: alzoo mislukten te Parijs de onvermoeibare pogingen van Gendebien en van de Fransche partij omtrent de rechtstreeksche of onrechtstreeksche inlijving van België bij Frankrijk. Talleyrand had dus het grondbeginsel van het Niet-Tusschenkomen doen zegevieren, nog vóor de Conferentie.

Pruisen, op het zicht van den steeds toenemenden gelukkigen uitslag van de Omwenteling te Brussel, was weldra van meening veranderd, en verkoos het behoud van den Europeeschen vrede, boven het verleenen van gewapende hulp aan den altijd om steun smeekenden Willem.

Metternich in Oostenrijk, overtuigd dat de Hollandsche zaak verloren was, en ten zeerste misnoegd over het zegevieren van het grondbeginsel van het Niet-Tusschenkomen, gaf aan Esterhazy last, in overeenkomst met de Fransche, Engelsche en Pruisische gezanten, het best mogelijk te handelen in het belang van het Europeesch evenwicht.

Czaar Nikolaas, over dien nieuwen volksopstand in Europa woedend geworden, had bedreigingen laten hooren, sprak van een sterk leger naar België en Frankrijk te zenden, om er den ouden staat van zaken te herstellen, en, als voorwacht, het Poolsche leger, onder het bevel van zijn broeder Constantijn, voorop te sturen. Maar, als Pruisen zijn toetreding ontzegd had, viel alras zijne krijgszuchtige stemming, en verklaarde hij niet alléen te willen optreden. Overigens, de opstand der Polen, te Warschau, bij het nieuws van hunne aanstaande mobiliseering, belette hem zijne voornemens uit te voeren.

Niet op het slagveld, maar aan de groene tafel der diplomaten, zou over het lot van het Rijk der Nederlanden beslist worden.

Koning Willem had slechts de bemiddeling van de Conferentie ingeroepen; zij trad weldra als scheidsrechter op. De stoutmoedige uitroeping van de Belgische Onafhankelijkheid en van de uitsluiting der Nassaus had haar verrast. De krachtdadige houding van het Congres heeft ontegensprekelijk de werking der gezanten beïnvloed, en niet minder de besprekingen van den afgevaardigde van het Voorloopig Bewind, Sylvain Van de Weyer, met de politieke leiders te Londen; overigens, de val van het behoudsgezinde Wellington-ministerie en het optreden van de liberalen, met Grey aan het roer en Palmerston aan de buitenlandsche zaken, was voor de zaak van de Belgische Omwenteling een hooge troef (17en November); nog nauwer sloot Engeland zijn verbond met Frankrijk, en nam het grondbeginsel van het Niet-Tusschenkomen als het hoofdartikel van zijne uitheemsche politiek aan. Intusschen zag Palmerston klaar in, welk een groot œconomisch voordeel er in de scheiding van Noord- en Zuid-Nederland, voor Engeland lag. Overal hadden de Nederlanden, die dezelfde handels- en nijverheidselementen als Groot-Britannië bezaten, dit land op al de wereldmarkten eene heftige mededinging aangedaan, dank zij vooral de ontzaglijke ontwikkeling der Nederlandsche vloot. Als eilandsmogendheid vreesde Engeland die mededinging des te meer, daar ze kwam van eenen continentalen Staat en samenviel met den aanleg van de eerste spoorwegen in Engeland.

Op meesterlijke wijze bemachtigde dan ook de Engelsche diplomatie de leiding der onderhandelingen met het dubbele doel: Frankrijk te beletten, 't zij geheel, 't zij gedeeltelijk, België in te lijven; en de Belgische provinciën, onder eenen Engelschgezinden Vorst, volkomen van Holland af te scheiden en tot een onafhankelijken Staat te maken.

Ook Talleyrand wees, naar hij beweert, een hersenschimmig voorstel van verdeeling van België tusschen Nederland, Frankrijk en Pruisen, mits afstand van Antwerpen aan Engeland, met minachting van de hand; hij had overigens van zijne regeering last gekregen de Nederlanden in twee te splitsen en van België een onafhankelijken Staat met een vorst te maken.

Louis-Philippe, in antwoord op de aanzoekingen van Gendebien, weigerde België, tegen welken prijs ook, aan te nemen; hij weigerde zelfs zijn zoon den Belgen tot Vorst te geven en verklaarde, uit loutere vrees voor zijnen troon, niets dan den vrede alleen te willen. De aanstelling van een Duitschen prins, die een zijner dochters zou huwen, scheen hem toe te lachen; men sprak van den prins Leopold van Saksen-Coburg, die pas voor de Grieksche koningskroon bedankt en over wien Van de Weyer reeds aan Aberdeen gesproken had. Dit laatste denkbeeld werd door Talleyrand bijgetreden; en op 14en December kwam hij met Palmerston overeen, dat de verkiezing van Leopold en zijn huwelijk met Louis-Philippe's dochter, het eenige middel was om iedereen te bevredigen. Van den prins van Leuchtenberg, zoon van Eugène de Beauharnais, wiens kandidatuur sedert half November in België voorgesteld was, wilden de Mogendheden niet weten.

Alzoo hadden Engeland en Frankrijk, tegen den wil der Oostelijke machten, de Conferentie van richting doen veranderen; van bemiddelend, was zij beslissend geworden; de vreemde kabinetten wisten wel dat zij geen recht hadden om tusschen te komen, en toch kwamen zij tusschen, terwijl zij zich tevens verschuilden achter het principe van het Niet-Tusschenkomen! De uitslag liet zich niet lang wachten. Den 20en December werd, onder aandrang van Palmerston en Talleyrand, het protocol onderteekend dat, tot groote verwondering van beide partijen, de ontbinding van het Rijk der Nederlanden uitsprak, en het Voorloopig Bewind uitnoodigde, ten spoedigste gevolmachtigden naar Londen te zenden, om de vraagstukken, door die scheiding opgeworpen, op te lossen. Falck en Koning Willem teekenden onmiddellijk protest aan, tegen die ongehoorde aanmatiging van bevoegdheid; zij betwistten aan de Conferentie het recht zoo een beslissing te nemen en riepen de onderhandelaars binnen de grenzen van hunne opdracht terug. Niets baatte. De afgezanten te Londen wisten wel dat niemand in Holland de hereeniging met het Zuiden wenschte, zelfs Falck niet. Den 3en Januari 1831 nam vol vreugde het Diplomatisch Comiteit van Brussel, maar onder voorbehoud, het Protocol aan, en zond Van de Wever en Vilain XIIII als commissarissen bij de Conferentie naar Londen.

De erkenning van de onafhankelijkheid van België dagteekent van dit oogenblik. Zij was een triomf voor de Engelsche diplomatie; ook Louis-Philippe jubelde over de vernietiging der barriere in 1814 tegen Frankrijk opgericht. Hierom hadden de Franschgezinde groep te Brussel, met Stassart en Gendebien, en de Annexionistenpartij te Parijs, met generaal Lamarque en Mauguin, hunne pogingen geenszins gestaakt. Gendebien, door de Fransche regeering bij zijn herhaald aandringen afgescheept, schreef aan zijne ambtgenooten van het Voorloopig Bewind «dat het beter was de vereeniging met Frankrijk af te kondigen, ten einde Louis-Philippe bij de Mogendheden verdacht te maken, en hem te dwingen partij te kiezen voor de Belgen en desnoods met de Belgen.» Van de Wever, in samenvoeling met graaf de Celles en met toestemming van minister Sebastiani, drong nogmaals bij den Franschen Vorst aan, opdat hij zijn zoon, den hertog van Nemours, tot Koning aan de Belgen zou geven, wat eene vermomde inlijving bij Frankrijk zou geweest zijn. Firmin Rogier werd belast met aan de Fransche regeering te vragen of, in geval de Belgische gewesten de Fransche vlag opstaken en de onmiddellijke vereeniging met Frankrijk eischten, Frankrijk de opstandelingen zou ondersteunen. Op Gendebien's raad, dreigde dan ook het Voorloopig Bewind, den 31en December, de Conferentie van Londen met de afkondiging van de vereeniging van België met Frankrijk: Palmerston en Talleyrand wisten wel anders!

Intusschen stond de Conferentie voor het zoo moeielijke vraagstuk van de vaststelling van de grenzen van Holland en België. In de verwaandheid van hun onverhoopt geluk, hadden de leden van het Voorloopig Bewind Zeeuwsch-Vlaanderen, de gansche provincie Limburg en het Groothertogdom Luksemburg geëischt. Zekere groep, die voortdurend met de militaire ondersteuning van Frankrijk schermde, hitste de gemoederen tot de herneming van den strijd op, zoodat de afgevaardigden der Conferentie, Bresson en Ponsonby, te Brussel, vele pogingen moesten doen om die heethoofden te stillen.

De sluwe Talleyrand, die bij 't verzaken der volledige aanhechting van België dan toch met het gansche Fransche volk eene vermeerdering van grondgebied verhoopte, poogde intusschen, te Londen, van den tragen gang van de Conferentie gebruik te maken, om allerlei slinksche voorstellen te doen; nu eens stelde hij den afstand van Saksen aan Pruisen voor, terwijl de Koning van Saksen België in ruiling zou bekomen en men het Rijnland aan Frankrijk zou afstaan; dan weer den afstand van Luksemburg of van Philippeville met Mariembourg aan Louis-Philippe. Doch Palmerston weigerde een duim gronds weg te geven van hetgeen aan de Conferentie niet toebehoorde (5en-9en Januari 1831).

Middelerwijl zette de Conferentie haar werk voort, en bepaalde eigenmachtig, als scheidsgerecht, de grondslagen van de scheiding van België en Holland. De koppigheid van Koning Willem die eerst de Schelde geopend en ze, ondanks de bedreigingen der Mogendheden, weder gesloten had, alsook de weerwraak der Belgen die het belegerde Maastricht weigerden te ontzetten, hadden de afgezanten zeer misnoegd. Den 20en Januari beslisten de gevolmachtigden dat Holland tot de grenzen der Republiek der Vereenigde-Provinciën, in 1790, terugkeeren, en daarbij het Groothertogdom Luksemburg verkrijgen zou. De vrije scheepvaart moest op stroomen en rivieren in toepassing zijn, volgens de bepalingen van het Congres van Weenen. Den 27en volledigden zij hunne besluiten met de Staatsschuld tusschen beide landen ongeveer gelijk te verdeelen, voorstellende aan België de betaling der 16/31 te laten, alsook de verdere deelneming aan den kolonialen handel. Het belangrijkste artikel van de 20 was hetgeen, waardoor de vijf Mogendheden de eeuwige onzijdigheid van België uitriepen, en ook de geheelheid en de onschendbaarheid van zijn grondgebied. Talleyrand, die wel begreep dat de Belgische neutraliteit een tegen Frankrijk gerichte waarborg was, had als een leeuw gekampt, om die onzijdigheid ook tot het Groothertogdom te doen uitbreiden, of, zooniet, Philippeville en Mariembourg voor Frankrijk te verkrijgen: hij stuitte op onoverwinbaren tegenstand, vooral van Palmerston.

Het protocol van 20en Januari werd den 29en aan het Nationaal Congres, dat reeds aan de stemming voor de koningskeuze was, voorgelegd: de vergadering stelde een protest op tegen alle beperking van het grondgebied en tegen alle verplichting die men België zou willen opdringen, zonder toestemming van de Nationale vertegenwoordiging.

Daarentegen en tot eenieders verbazing deelde Falck aan de Conferentie de verklaring mede (18en Februari), dat zijn meester de grondslagen van de scheiding ten volle bijtrad, volgens de protocollen van 20en en 27en Januari. 's Anderendaags reeds antwoordden de afgezanten op het Belgisch protest door eene nieuwe akte. Daarin beriepen zij zich op de rechtvaardigheid van de grensverdeeling, alsook op de noodwendigheden van hunne eigene overeenkomsten en belangen, en bevestigden uitdrukkelijk dat de door hen vastgestelde schikkingen fondamenteele en onherroepelijke schikkingen waren.

Door zijne bijtreding tot de protocollen van Januari, had Willem feitelijk afstand gedaan van zijne rechten op de Zuidelijke Nederlanden; hij heeft later, doch te vergeefs, deze daad over het hoofd willen zien; de fout was begaan, maar zij liet hem toe, als de Belgen weigerden zich naar de protocollen te schikken, gewapenderhand op te treden.

Intusschen had het Congres de bespreking van de verschillende artikelen der Grondwet voortgezet. Een kijkje op zijne samenstelling zal beter zijne werking verklaren. De cijns- en bekwaamheidskiezers hadden bijna evenveel liberalen als katholieken naar Brussel gestuurd, en alzoo werd de gematigde liberaal Surlet de Chokier van Luik, bij De Gerlache's afstand, tot voorzitter gekozen. De geest der clericale afgevaardigden en zelfs der priesters onder hen was intusschen merkelijk gewijzigd: de katholieke De Gerlache, voorzitter der voorbereidende Grondwetscommissie, getuigt uitdrukkelijk dat de liberale denkbeelden van den priester Lamennais het opstellen van het ontwerp beheerschten. De liberalen deden de vrijzinnige denkbeelden, die de Juli-omwenteling pas bevestigd had, in menig debat zegepralen; maar het grondbeginsel van de overmacht van den Staat op de Kerk werd verworpen (23en December) en dank zij den doctrinair Defacqz werd de rechtstreeksche verkiezing der Parlementsleden vervangen door een cijnsstelsel waarbij 't getal kiezers voor gansch België op vier en veertig duizend gebracht werd.

Titel I van de Grondwet werd aangenomen in een redactie van den volgenden inhoud: De uitvoerende macht behoort aan eenen erfelijken en onschendbaren Koning, en aan zijne verantwoordelijke, door hem benoemde en afzetbare ministers; die Koning mag de Kamers ontbinden, op voorwaarde, in de veertig dagen nieuwe verkiezingen te bevelen. De wetgevende macht werd aan den Koning en aan twee eigenmachtige vergaderingen gezamenlijk toegekend (12en December), een Kamer van volksvertegenwoordigers, rechtstreeks voor vier jaren gekozen door de burgers die een minimum-belasting van 20 gulden betaalden, en een Senaat, die slechts half zooveel leden als de Kamer zou tellen, door dezelfde kiezers voor den tijd van acht jaar gekozen onder de burgers van ten minste veertig jaar oud en twee duizend gulden rechtstreeksche belastingen betalende (17en December). De rechterlijke macht werd toevertrouwd aan onafzetbare voor het leven benoemde rechters, en voor lijfstraffelijke en politieke zaken aan de jury.

Titel II, handelende over de «Belgen en hunne rechten», bevatte talrijke zeer vrijzinnige bepalingen, zooals de vrijheid van de eerediensten, de vrijheid van vereeniging en petitionnement, de vrijheid van de drukpers; art. 17 verleende de door de katholieken geëischte vrijheid van onderwijs; door art. 117 werd de scheiding van Staat en Kerk op eigenaardige wijze bepaald, in dezer voege dat de bezoldiging van de geestelijken aan den Staat opgelegd werd, alhoewel aan dezen, door art. 16, alle inmenging in benoeming en aanstelling der geestelijken en in hunne onderlinge betrekkingen ontzegd was; de scheiding der beide machten bevrijdde dus de Kerk van hare lasten en liet haar hare voorrechten. De vrijheid der eerediensten hadden de clericalen, ondanks de pauselijke voorschriften, toch in de Grondwet nedergeschreven, omdat België bijna uitsluitend roomsch-katholiek was en het petitionnement bewezen had dat de priesters volkomen over de bevolking beschikten. Uit vrees voor dwingelandij, uit achterdocht voor verdrukking, werd de meest uitgebreide decentralisatie ingevoerd, krachtens het heerlijk beginsel dat alle macht uit het volk komt.

Niettegenstaande zekere gebreken is de Belgische Grondwet, door het Congres langzaam voorbereid, een monument van wijsheid, dat aan talrijke andere grondwetten tot voorbeeld gediend heeft, en waaraan de Hollandsche wetgevers, bij de herziening van hunne Grondwet in 1848, zich klaarblijkelijk gespiegeld hebben.

Ook werd het charter onzer vrijheden den 7en Februari 1831 met eenparige stemmen aangenomen, te midden van de moeielijkheden over de koningskeus, die wij in enkele trekken willen schetsen.

Sedert den 2en Januari had Gendebien opnieuw bij Louis-Philippe en bij zijn minister Sebastiani vruchteloos aangedrongen, opdat de Koning zijn zoon Louis de Nemours aan de Belgen tot Vorst zou schenken. Firmin Rogier liep dezelfde blauwe scheen, drie dagen nadien, alhoewel hij bevestigde dat, in den schoot van het Congres, eene sterke partij zich voor de vereeniging met Frankrijk verklaarde; Sebastiani had bovendien de verheffing van een Belgischen burger tot Koning afgeraden, en wilde nu ook van den in België impopulairen Leopold van Saksen-Coburg niet meer weten. Enkele dagen later, bij de vraag of de keus van den zeer begaafden zoon van Eugène de Beauharnais, den hertog August van Leuchtenberg, Frankrijk zou behagen, antwoordde de minister aan Firmin Rogier dat «van al de schikkingen, degene aangaande den hertog van Leuchtenberg wellicht de onaangenaamste en de noodlottigste was; dat het gouvernement nooit zijne toestemming zou geven in de verkiezing van den hertog tot vorst der Belgen, omdat het door een Leuchtenberg bestuurde België het middelpunt zou worden, waar al de hartstochten der Bonapartisten aan het gisten zouden geraken.» En hij deed in dien zin door zijn gezant Bresson de schandelijkste drukking op het Congres uitoefenen (11en-21en Januari).

Met fierheid besloot daarop het Congres de voogdij van Europa af te schudden: na een lang debat nopens het punt, of men het oordeel der Conferentie van Londen — zoo was men reeds in hare inmenging in 's lands zaken gewoon; — zou inroepen, werd deze vernederende consultatie met 89 stemmen tegen 62 verworpen; men verwierp zelfs de raadgevingen van het Engelsch kabinet, dat men wist meer en meer tot de kandidatuur van Oranje over te hellen; doch door eene wonderlijke tegenspraak, die den geestestoestand van het Congres kenmerkt, besliste de vergadering, met 80 stemmen tegen 75, dat men Louis-Philippe nopens den kandidaat tot het koningschap zou raadplegen (19en Januari). Niettegenstaande de aanvallen van de annexatiepartij in de Fransche Kamer, luidde twee dagen later het antwoord der Fransche regeering onveranderlijk «dat ze niet zou toestemmen in België's annexatie; dat ze de kroon niet zou aanvaarden voor den hertog van Nemours; dat ze, zonder voornemens te zijn inbreuk te maken op de vrijheid der Belgen in de keus van hun souverein (!), nochtans de keus van den hertog van Leuchtenberg niet zou erkennen.»

Dit voortdurend aanbod door de Franschgezinden van het Diplomatisch Comiteit, — de Rogiers, Gendebien, Van de Wever, de graven d'Aerschot en de Celles, — van België aan Frankrijk, weerkaatste geenszins de meening van de groote meerderheid van de bevolking. Geheel Vlaamsch-België en inzonderheid de almachtige geestelijkheid, de talrijke partij der Onafhankelijkheid, teekenden tegen deze weinig eerlijke handelingen der Fransche groep protest aan, en Jottrand stelde de mannen van het Voorloopig Bewind, die eigenmachtig deze aanbiedingen gedaan hadden, in volle Congres aan de kaak.

Daar de inlijving bij Frankrijk dus eene feitelijke onmogelijkheid bleek, besloten de leden van het Voorloopig Bewind, alsook die van het Diplomatisch Comiteit, op het einde van Januari, alles in het werk te stellen om de keus van Nemours te doen gelukken, «wat op hetzelfde neerkwam als de vereeniging met Frankrijk.» Om Louis-Philippe's besluiteloosheid uit den weg te ruimen verzonnen De Stassart en de Franschgezinden de volgende list: de candidatuur van den hertog van Leuchtenberg, die Frankrijk niet kon aannemen, doordrijven, om deszelfs toestemming in de verkiezing van den hertog van Nemours af te dwingen.

't Was dus tusschen Nemours en Leuchtenberg dat de strijd in 't Congres zou geleverd worden; men wist dat aartshertog Karel van Oostenrijk, door enkele Vlamingen voorgesteld, geen kans van slagen had, en van den minderjarigen Otto van Beieren of prins Karel van Napels, van wie men vroeger wel eens gewaagde, was er geene spraak meer.

De keus van Leuchtenberg, dank zij De Stassart's kuiperijen, dank zij de woede die Sebastiani's drukking in het Congres verwekt had, scheen omstreeks 20en Januari verzekerd; zijn portret werd in de straten uitgedeeld; meer dan drieduizend handteekeningen bevalen zijne candidatuur aan het Congres aan. Den 28en begonnen de debatten over de koningskeus.

Om Leuchtenberg's verkiezing te verhinderen maakten Louis-Philippe en Sebastiani rechtsomkeert; alles was nog niet verloren voor de Fransche regeering, want op 25en Januari hadden 52 afgevaardigden, onder welke de voorzitter Surlet, de onder-voorzitter De Gerlache, F. de Mérode, de twee Gendebien's, eene petitie voor Nemours onderteekend; maar er moest dadelijk gehandeld worden.

Markies de la Woestine werd naar Brussel, waar hij veel vrienden telde, gezonden om de inzichten der Congresleden te polsen. Hij liet weldra in het Palais-Royal weten dat de verkiezing van prins August verzekerd was, indien men hem niet uitdrukkelijk den hertog van Nemours tegenstelde. De gelastigde Bresson kwam dus den 28en uit Parijs terug «met de bepaalde machtiging om te beloven dat indien de kroon den hertog van Nemours aangeboden werd, zij door Louis-Philippe voor hem zou aangenomen worden.» Markies de la Woestine gaf daarvan officieuse bevestiging. Deze guitenstreek liet aan de Fransche uitgezondenen vrij spel, lokte de heerschzuchtigen aan door het aas van een gemakkelijken bijval, en deed den moed der Fransche partij herleven. De Stassart deelde aan zekere Congressisten een brief mede, die eene weigering van den hertog van Leuchtenberg liet voorzien; daarenboven werd een weinig voor de stemming het valsche gerucht verspreid, dat vertrouwelijke brieven van Firmin Rogier de aanvaarding van Louis-Philippe verzekerden; dit besliste over de keus: den 3en Februari 1831, na een zesdaagsch debat en na eene tweede stemopneming, werd de hertog van Nemours tot Koning der Belgen uitgeroepen met 97 stemmen, tegen 74 aan Leuchtenberg en 21 aan Karel van Oostenrijk; de Vlaamsche provinciën hadden meerendeels voor Beauharnais' zoon, de Waalsche meestal voor den Franschen prins gestemd.

Men dacht dat de regeeringloosheid nu een einde genomen Had, en het nieuws der verkiezing werd overal met gejubel onthaald. De gouverneurs deelden aan burgemeesters en gemeenten het heuglijk bericht van de benoeming van het hoofd van den Staat mede, en denzelfden dag nog kondigde burgemeester Rouppe te Brussel aan de ingezetenen de benoeming van Louis I tot Koning der Belgen aan!

Bij het verlaten van het Congres vernamen de leden de aanhouding te Gent van kolonel Ernest Grégoire die, op het laatste oogenblik, een opstand ten gunste van den prins van Oranje had willen teweegbrengen.

Niemand besefte op dit oogenblik de ellendige fopperij, waarvan Congres en Voorloopig Bewind de slachtoffers geweest waren, noch de verfoeilijke dubbelzinnigheid waarmede het Fransch gouvernement de vertegenwoordigers van de Belgische natie om den tuin geleid had.

Nu, sedert den 1en Februari, had de Londensche Conferentie, door een geheim protocol, de hertogen van Nemours en Leuchtenberg uitgesloten; en Frankrijks gezant, die eerst Palmerston omtrent Nemours' verkiezing had gepolst en met bedreigingen was afgewezen, had dit besluit moeten onderteekenen. Meer nog, wanneer men te Londen de overigens verwachte, maar toch indrukmakende verkiezing van Nemours vernam, werden Sebastiani en Talleyrand verplicht de Conferentie gerust te stellen, door de plechtige verzekering dat Frankrijk zich bij die uitsluiting hield (5en-7en Februari).

Het was 's anderendaags dat de Belgische afvaardiging, — Surlet de Chokier, Lehon, de Brouckère, F. de Mérode — die in hare naïveteit het besluit van het Congres aan Louis-Philippe moest overbrengen, te Parijs aankwam. Met de grootste hoffelijkheid ontvangen, zag de deputatie het koninklijk gehoor van dag tot dag verschuiven, en eindelijk op den 17en vaststellen; want de regeering, genepen tusschen de oproerige eischen van de annexatiepartij en hare verbintenissen tegenover Europa, zat in erge verlegenheid.

Intusschen ontving het Voorloopig Bewind van Lord Ponsonby mededeeling van het nieuwe Protocol van Londen, met Talleyrand's handteekening bekleed (9en Februari). In zijne verwaande verblindheid zond het de boodschap terug; alleen Lebeau, de beroemde liberale redenaar, zag klaar in de diplomatische sluwheid van Frankrijk, en maakte er 't Diplomatisch Comiteit een verwijt van, zich te hebben laten bedotten.

Onder de Parijsche ministers waren er verschillende nochtans, die tot de aanvaarding overhelden, en Louis-Philippe's oudste zoon ondersteunde krachtdadig hunne meening; maar Frankrijk lag gekluisterd door de noodwendigheid van den vrede en door de besluiten van de Conferentie. Reeds den 14en wist men te Brussel dat Louis-Philippe weigeren moest, en voor de leden van de deputatie was het antwoord niet twijfelachtig meer. Wanneer den 17en Surlet de Chokier en zijne gezellen vóor den koning gebracht werden en het besluit van het Congres voorlazen, verklaarde Louis-Philippe met geveinsde ontroering dat het hem smartte zijne vaderlijke wenschen te moeten offeren aan Frankrijks belangen, die hem dwongen te weigeren; maar hij verzekerde den nieuwen Staat zijne bescherming: de toer was gespeeld, Leuchtenberg's candidatuur was gevallen!

«Welk vertrouwen, schreef Palmerston dienaangaande, kan men in eene regeering stellen, die met slinksche streken omgaat, zooals de raadgevers van Louis-Philippe tegenover België, welke hier eene zaak bevestigen en ze elders loochenen; de goedkeuring van de verkiezing van Nemours door Bresson beloven en dezelve door Talleyrand weigeren; hunne verklaringen en beginselen veranderen, zoo dikwijls zij een tijdelijk voordeel ontwaren.»

Met woede en teleurstelling vernam gansch België de schandelijke politiek van Frankrijk. Vele afgevaardigden stelden dan de keus van een inlandschen Vorst voor, Félix de Mérode of de prins de Ligne; doch de eerste wees het voorstel met kracht van de hand, de tweede moest, door toedoen zijner vrouw, weigeren. Anderen dachten nu weder aan Leopold van Saksen-Coburg, doch Sebastiani had bluffend verklaard, dat Frankrijk dien Engelschgezinden prins, in geval van benoeming, met het kanon zou wegjagen.

De Fransche partij wilde terstond de volkomen en onvoorwaardelijke inlijving bij Frankrijk stemmen, en op deze wijze aldaar een uitbarsting van het nationaal gevoel verwekken. De Orangisten, te Luik zelfs, eischten den terugkeer van Koning Willem. De aanzienlijkste Congresleden, en inzonderheid het Voorloopig Bewind, raadden alsdan het aanstellen van een Regent aan, altijd in de hoop dat de Fransche politiek stoutmoediger zou worden en Nemours, na zijne meerderjarigheid, krachtdadig en zelfstandig zou optreden.

De voorzitter van het Congres, Surlet de Chokier, werd den 24en Februari tot Regent benoemd; De Gerlache verving hem op den voorzitterstoel; 's anderendaags verleende het Congres eene som van 150,000 gulden aan de oud-leden van het Voorloopig Bewind.

Als een echt proconsul van Frankrijk, werkte de zwakke Surlet uitsluitend om een zuivere Fransche strekking aan de handelingen van zijne regeering te geven, en daarin werd hij door zijn eerste ministerie — Goblet, Van de Wever, Gendebien en Tielemans — bijgestaan. Hij was overtuigd dat hij eerstdaags zijne plaats aan den hertog van Nemours zou kunnen afstaan, en sedert Lehon door Louis-Philippe als gezant van België ontvangen, en generaal Belliard als Fransch gevolmachtigde te Brussel gezonden was(4en Maart), won die overtuiging meer en meer veld. Maar de val van het ministerie van den onbekwamen en weifelenden Lafitte en het optreden van den krachtdadigen en vredelievenden Casimir Périer in Frankrijk stelde deze hoop te leur; ook de Engelsche diplomatie hield er de hand aan om die poging te verijdelen, en Palmerston, die in Chokier slechts een Franschen stadhouder zag, aarzelde niet den Regent te doen inzien, hoe weinig eervol die afkeer voor de Belgische onafhankelijkheid was. Wat zijn misnoegen en dit der Conferentie tegen Chokier nog vermeerderde, was dezes proclamatie van 10en Maart tot de Luksemburgers, waarin de Regent verklaarde dat, trots de Conferentie, bij de Belgen de vaste wil bestond om het Groothertogdom te behouden.

Het bestuur van den Regent, een zeer braaf doch onbeduidend man, zonder schranderheid noch krachtdadigheid, werd door de grootste regeeringloosheid gekenmerkt; reeds den 20en Maart was het eerste ministerie gevallen, en het duurde zes dagen eer een nieuw gevormd was. «De Belgen toonden zich zoo onbekwaam om eene natie te worden, dat de Conferentie ernstig aan eene verdeeling begon te denken.»

Ziende dat de Oranjepartij het hoofd opstak te Gent, te Antwerpen en te Maastricht, stichtte Gendebien, den 23en Maart te Brussel, met behulp van de regeering, de Association Nationale, gevaarlijke tweede regeering, die hare vertakkingen over het land verspreidde en eene soort van schrikbewind over België deed heerschen. Zij riep om oorlog tegen Holland ten einde den toestand te redden. Ontegensprekelijk dreigde de Omwenteling onder te gaan; het schip begon reeds te kraken; Lord Ponsonby, de Engelsche gezant, trachtte baron van der Smissen, gouverneur van Antwerpen, tot een Orangistischen opstand te bewegen, die echter mislukte, dank zij de krachtdadigheid van kolonel Clump (25en Maart 1831). De tuchteloosheid dreigde de ontreddering van het leger te volledigen.

Gent was het middelpunt der Orangisten; de oppositie had er reeds tweemaal de Oranjegezinden als raadsleden naar het stadhuis gestuurd: de gemeenteraad, tweemaal ontbonden, was sedert 4en Februari door eene Veiligheidscommissie vervangen, en Gent, evenals Antwerpen, in staat van beleg verklaard. «Alle tucht, zegt De Gerlache, was teniet, zoo wel bij de militairen als bij de burgers. De officieren klaagden elkaar bij de regeering en in de dagbladen aan. Men kan het niet betwijfelen dat vele, zelfs hooggeplaatste lieden, volgaarne aan de restauratie der Nassaus zouden geholpen hebben, om met dien toestand gedaan te maken. Maar het volk was er zeer tegen.» Inderdaad, œconomische oorzaken en private belangen hadden gemaakt dat de Orangisten voor het meerendeel grootnijveraars en groothandelaars waren; de nieuwe mekanieken hadden eensdeels een vermindering van handwerkgebruik en een uitwijking van buitenlieden naar de steden teweeggebracht. Reeds lang had dit eene veete tusschen industrieelen en werkvolk veroorzaakt, doch nu werd die nog verscherpt door het stilvallen van getouwen en andere mekanieken wegens de onlusten en de vredebreuk met Holland. Die werkloozen, ja broodloozen, vierden nu, 't zij uit eigen beweging, 't zij opgehitst door de patriotische vereenigingen, hunne woede bot op de bijzonderen, en zoo geschiedden er te Gent, Brussel, Mechelen, Ieperen, Bergen en Luik, gewelddaden en plunderingen, straffeloos, onder het lijdzame oog der regenties (28en Maart, zaak Voortman te Gent). Er bestond tusschen het bestuur en de plunderaars, onder welke zich talrijke betaalde of geld uitdeelende Franschen bevonden, een soort van geheime overeenkomst. Voor de oppositie of de verdachten was er geene bescherming; men hoorde zelfs minister Lebeau beweren, dat de plundering der Orangisten, hoe betreurenswaardig ook, een schrikkelijke noodzakelijkheid was om de vijanden van de openbare orde te beteugelen. Het redactiekantoor van de Orangistische bladen werd dan ook geplunderd, en Bon de Lamberts, gouverneur van Oost-Vlaanderen, aarzelde niet om een anarchistisch manifest te onderteekenen, door Lebeau zelf als monsterachtig bestempeld, waardoor hij den Messager de Gand buiten de wet stelde.

Aan den anderen kant zien wij de Fransche annexatiepartij, die steeds in aanraking was met den woelgeest L. de Potter, republikeinsche opstooten trachten te verwekken, onder andere de muitzieke Mellinet met zijne vrijwilligers te Namen, doch zonder de medewerking der ontmoedigde burgerij.

Het zij hier terloops opgemerkt dat, evenals zijn wapenmakker der Septemberdagen, don Juan van Halen, die, in October 1830 aangehouden, reeds de volgende maand in beschikbaarheid gesteld was, Mellinet in Augustus op wachtgeld geplaatst werd; Ernest Grégoire zat opgesloten en Parent, De Culhat en De Pontécoulant waren haast vergeten. De Association Nationale, die met bombast den oorlog en de verovering van Zeeuwsch-Vlaanderen en van Luksemburg eischte, stuitte, in hare revolutionnaire woede, op de algemeene zucht naar vrede en naar herstelling van orde, handel en nijverheid. Vreezende nochtans, dat die tweede regeering de overhand zou nemen, gezien de zwakheid van Surlet's bestuur, en onzeker over den uitslag der verkiezingen, die wellicht de Orangisten in meerderheid naar de Kamers konden zenden, weigerden de Congresleden hun ontslag te nemen, en besloten zich in Mei opnieuw te vereenigen; zoo pleegden zij een wezenlijken Staatsgreep (12en April).

Maar, was het tweede ministerie van den Regent even machteloos en zonder gezag als het eerste, het draagt nochtans de verdienste weg, het Congres tot toenadering met de Londensche Conferentie overgehaald te hebben, en België een uitstekenden Koning geschonken te hebben. Minister Lebeau, een knap redenaar en een behendig politicus, had, op 2en April, aan het Congres laten inzien dat de diplomatische onderhandelingen, van het eerste oogenblik, België tegenover de Mogendheden gebonden hadden, en men dus de tusschenkomst van de Conferentie in de buitenlandsche zaken moest ondergaan. Aangespoord door Lord Palmerston en diens agent Lord Ponsonby, die de candidatuur van den Prins van Oranje bepaald opgegeven had, stuurde hij een deputatie van vier Congresleden naar Londen, bij prins Leopold van Saksen-Coburg, den veertigjarigen weduwnaar der kroonprinses van Engeland, om hem de Belgische kroon aan te bieden; tusschen de afgevaardigden bevonden zich de hoofdman der katholieken, F. de Mérode en pastoor De Foere, die in 't Congres verzekerd hadden dat de keuze van eenen protestantschen prins, gezien de bepalingen der Grondwet, hen niet deerde. Den 22en April te Marlborough-House ontvangen, ontmoetten die afgevaardigden zulke tegenwerpingen van wege den prins, dat Paul Devaux ze op 10en Mei kwam vervoegen. Onderricht door zijne ervaringen tijdens de onderhandelingen voor de Grieksche koningskroon, en geraden door zijnen vriend baron Stockmar, stelde de voorzichtige Leopold de aanvaarding der kroon afhankelijk van de overeenkomst van België met de Mogendheden; hij eischte dat men te Brussel vooreerst uitdrukkelijk het protocol van de Conferentie van den 20en Januari zou aanvaarden, mits zich later, bij de uitvoering, om betere voorwaarden te beijveren.

De Belgische afgevaardigden deden inzien, dat het Congres nooit in den afstand der in de Grondwet vermelde provinciën Limburg en Luksemburg zou toestemmen, doch lieten voorzien dat Leopold, als koning, een voldoenden invloed op de Kamers voor de oplossing van dit vraagstuk zou bezeten hebben. Van eene onzekere kroon wilde de ervaren Leopold echter niet weten.

Middelerwijl worstelde het ministerie van den Regent tegen de inwendige anarchie en vreesde de ophitsing tot den oorlog met het buitenland. De Conferentie van Londen stelde aan de Belgische regeering den 1en Juni als termijn voor de aanneming van het protocol, den 18en Februari door koning Willem onderteekend, en dreigde met vredebreuk in geval van weigering. De Nederlandsche Vorst verwittigde haar insgelijks dat, indien zij op bepaalden datum tot de grondslagen der scheiding, volgens het protocol van 20en Januari niet zou toegetreden zijn, hij zich vrij zou achten om voor eigen rekening te handelen.

De oorlogspartij verhief dadelijk het hoofd op; uit vrees voor den krijg ijlde Ponsonby naar Londen, en Belliard verwittigde Talleyrand, zoodat men tot eenige toegeving aan de Belgen besloot, om Leopold's aanneming te vergemakkelijken. Den 21en Mei beloofde dus de Conferentie onderhandelingen met koning Willem aan te knoopen, om, mits een te bepalen koopsom, aan België het bezit van Luksemburg te verzekeren, maar men bleef aan den gezetten termijn van 1en Juni vasthouden.

In de hoop dat de koningskeus een gunstigen invloed op de beslissingen van de gevolmachtigden zou uitoefenen, besloot Lebeau, eerst tot de verkiezing over te gaan. Hij deed dus, den 25en Mei, door 96 Congresleden de candidatuur van Leopold voordragen; en ondanks de pogingen van de Fransche partij om de verkiezing van den Duitsch-Engelschen prins te doen mislukken, niettegenstaande hare razende aanvallen om het ministerie Lebeau omver te werpen, werd de prins van Saksen-Coburg, na een tweedaagsche discussie, met de groote meerderheid van 152 op 196 stemmen gekozen (4en Juni): aan de Conferentie werd niet eens geantwoord. Een deputatie van 12 leden, met De Gerlache aan het hoofd, werd belast die benoeming aan den prins aan te kondigen; haar vergezelden Devaux en Nothomb, secretaris-generaal voor de buitenlandsche zaken, om de Conferentie tot gunstige voorwaarden over te halen.

De weigering der Belgen, om hunne aanspraken eenigermate te verminderen, deed een oogenblik de hoop op eene vreedzame oplossing verliezen. Talleyrand, door die halsstarrigheid ongeduldig gemaakt, kwam alweer met zijn plan van verdeeling voor den dag; terwijl Leopold, door het Engelsche Hof en Palmerston ondersteund, zich onverpoosd bemoeide om voor België aannemelijke voorwaarden te verkrijgen, zette Koning Willem onophoudend zijne oorlogstoebereidselen voort; hij vroeg niets beter dan de afvalligen de scherpte van zijn zwaard te doen gevoelen en gaf dus, den 22en Juni, aan de Conferentie nogmaals te kennen, dat, indien de gevolmachtigden, ondanks hunne stellig genomen verbintenissen, nalieten middelen aan te wenden om het protocol van 20en-27en Januari door België te doen eerbiedigen, hij verplicht zou zijn, zijn toevlucht tot zijn eigen middelen te nemen. Op die bedekte oorlogsverklaring antwoordde de Conferentie met den 26en Juni een protocol van XVIII Artikelen op te stellen, dat een voor België veel voordeeliger ontwerp van verdrag dan dit van 20en Januari uitmaakte. Wel bleven voor Holland de grenzen van 1790 behouden, maar de volgende artikelen openden aan de Belgen het vooruitzicht, eens in het bezit van Maastricht te geraken, en bij de ruiling der ingesloten gronden nog een grooter gedeelte van Limburg te bekomen. De linker Scheldeoever moesten zij opgeven, doch het vrije gebruik van de Vaart van Terneuzen werd hun toegezegd. Het vraagstuk van het Groothertogdom werd van het Hollandsch-Belgisch geschil afgescheiden, om afzonderlijk door Willem, den Duitschen Bond en den aanstaanden Vorst van België, afgehandeld te worden; intusschen zou Luksemburg door België voort bestuurd worden. Ook in plaats van de schulden te verdeelen, legde men aan elk land zijn eigen oorspronkelijke schuld op, met uitsluiting der gemeenschappelijk uitgegeven sommen. De voordeelen, men ziet het, door de Belgische afgevaardigden en door den prins van Saksen-Coburg van de gevolmachtigden verkregen, waren van niet geringen aard. De Mogendheden schenen vergeten te hebben dat zij, den 19en Februari en den 17en April, hunne schikkingen van 20en Januari als fondamenteel en onherroepelijk gevestigd hadden.

Dan verklaarde Leopold aan de afvaardiging, die hij toen eerst wilde ontvangen, dat hij de Belgische kroon zou aanvaarden, indien men door het Congres dit verdrag der XVIII Artikelen kon doen aannemen. Lebeau aarzelde niet: alhoewel hevig en hartstochtelijk bestreden door de Fransche aanhechtingspartij, door de Orangisten, door de Republikeinen, en niet het minst door de afgevaardigden van Limburg en Luksemburg — de twee provincies die gevaar liepen door het verdrag verbrokkeld te worden — bood hij de driftige en dreigende oppositie eenen kalmen en welsprekenden tegenstand, en na negen dagen discussie, wist hij de meerderheid van het Congres tot de aanneming van de XVIII Artikelen over te halen. Ondanks de nieuwe kuiperijen van de Fransche propagandisten, die te Brussel en te Luik een openlijken opstand tegen de Belgische regeering wilden inrichten, en de Republikeinen, die te Gent en te Geeraardsbergen eene militaire samenzwering op touw gezet hadden, werd, den 9en Juli, het Verdrag door 126 tegen 70 stemmen aangenomen.

Niets verzette zich meer tegen Leopold's toestemming. Hij verliet Londen den 16en Juli, ontscheepte te Kales, werd plechtig aan de Belgische grens ontvangen, vernachtte eerst te Veurne, dan te Gent, en kwam den 19en Juli, onder het gejuich der bevolking, op het kasteel te Laken aan. Van de grenzen af, was zijn reis een voortdurende feesttocht geweest, behalve te Gent, waar hij zeer koel onthaald werd. Den 21en Juli werd de Vorst op het verhoog, vóor Sint-Jakobs op Koudenberg opgetimmerd, door den Regent en de Congresleden ontvangen, en legde er, in de open lucht, den eed aan de Grondwet af. Alzoo trad België in de rij der Europeesche Staten, als een erkende onafhankelijke natie.

Leopold's verkiezing was een triomf voor de Engelsche diplomatie. Maar de scheiding van het schoone Rijk der Nederlanden was het niet minder voor de Fransche politiek; wel is waar moest zij, tegen haar wil, de onafhankelijkheid der Belgen erkennen, maar bij Talleyrand en bij vele Franschen bleef de hoop op eene latere inlijving voortbestaan.

Inhuldiging van Leopold I als Koning der Belgen te Brussel (21 Juli 1831)

Inhuldiging van Leopold I als Koning der Belgen te Brussel (21 Juli 1831)
Inhuldiging van Leopold I als Koning der Belgen te Brussel (21 Juli 1831)

De sluwe Fransche gezant had reeds in April bij protocol de slechting bekomen van de Belgische vestingen, door de Sainte Alliance in 1815 op onze zuidelijke grenzen opgericht. Intusschen verkreeg hij van de Mogendheden, op 14en Juli, dat dit protocol zou ruchtbaar gemaakt worden. Twee dagen na Leopold's inhuldiging, verhaastte zich dan ook koning Louis-Philippe, bij de opening der Kamers, die ontmanteling op hoogen toon aan het Fransche volk mede te deelen: België was alzoo feitelijk onder Frankrijks suzereiniteit geplaatst; men zou het dadelijk zien.

Terecht gebelgd over de snoode wispelturigheid van de Conferentie, die door hem opgeroepen, hem eerst van de helft van zijn Koninkrijk beroofd had, en hem nu in zijne rechten krenkte, weigerde Willem I met fierheid het Verdrag der XVIII Artikelen te onderteekenen, en verklaarde dat hij de aanvaarding van de Belgische koningskroon door den prins van Coburg als eene persoonlijke beleediging aanzag (12en Juli). Veertien dagen later kondigde hij de Conferentie aan dat hij beslist was zijn onderhandelingen door oorlogsmiddelen kracht bij te zetten; hij wilde, veeleer dan België te heroveren, door de herstelling van de faam zijner wapenen, de gunstiger voorwaarden van den 20en Januari van de Conferentie bekomen.

Den 2en Augustus, gedurende zijne feestelijke ontvangst te Luik, vernam Leopold dat generaal Chassé, te Antwerpen, het einde van den wapenstilstand afgekondigd had, en dat 38,000 man met 72 kanonnen onder den prins van Oranje over de Belgische grens getrokken waren. De nieuwe Vorst, die zich met eigen oogen een denkbeeld had kunnen vormen van den ellendigen staat en de geringe getalsterkte van het Belgisch leger, verre van zich door den verwaanden toon der Belgische dagbladen te laten begoochelen, stuurde onmiddellijk, op raad van Lebeau, boden naar de gezanten Lehon te Parijs en Van de Weyer te Londen, ten einde de dadelijke hulp van de Fransche en van de Engelsche regeering af te smeeken, en deed den 4en door den ministerraad, niettegenstaande artikel 121, dat zulks verbood, aan Frankrijk vragen een hulpleger naar België af te zenden.

Het verraste Engelsche ministerie was woedend, doch zijne dreigementen baatten niet; de Conferentie, die den wapenstilstand gewaarborgd had, was onthutst; de Fransche regeering jubelde over de noodwendigheid harer tusschenkomst.

Dadelijk werd maarschalk Gérard aan het hoofd van het leger van het Noorden geplaatst en begon zijn opmarsen, doch gezien het lichtgeraakte eergevoel van de Belgische troepen, die in hunnen overmoed «geene vernedering» wilden dulden, verwittigde de ministerraad den maarschalk, dat de bevelen van den koning noodzakelijk den intocht van de Franschen in België moesten voorafgaan; gelukkiglijk voor het pasgeboren koninkrijk hield deze daar geen rekening mede.

Het Belgische leger, in twee hoofdafdeelingen gesplitst, trachtte intusschen den voortgang van Oranje's leger te stuiten. De onbekwame generaal Daine voerde het bevel over het slecht uitgeruste en tuchtlooze Maasleger, slechts 10,000 man sterk; Leopold bevond zich in het Scheldeleger, aangevoerd door baron de Tiecken de Terhove met 17,000 man; beide legers trachtten zich te vereenigen, maar Oranje besloot dit te verijdelen door zich tusschen beide in te schuiven, en slaagde er in door de inneming van Diest. Nu viel hij den 8en Augustus Daine bij Hasselt aan, en dreef zijn gansche leger zonder vechten op de vlucht. Daarna trok hij op Westmeerbeek af, waar Leopold[26] en Tiecken gelegerd waren; dezen, bij het vernemen van Daine's nederlaag en vreezende afgesneden te worden, trokken achteruit, en namen plaats op den weg van Leuven naar Tienen; weldra werden ze achteruitgeworpen en achtervolgd door den dapperen Oranje, wiens luitenant Bernard van Saksen-Weimar intusschen den steenweg van Leuven naar Brussel, in den rug van het Belgisch leger bezette.

Het Scheldeleger ging hetzelfde lot ondergaan als het Maasleger, en de koning te Leuven ingesloten worden, toen, dank zij de tusschenkomst van sir Robert Adair, den Engelschen gezant te Brussel, de prins van Oranje de belofte gaf dien dag Leuven niet te bestormen, indien men zich 's anderendaags 's middags wilde overgeven. De Belgische troepen maakten van dien wapenstilstand gebruik om langs den straatweg van Leuven naar Mechelen te vluchten; zonder de koelbloedigheid en de dapperheid van Koning Leopold, die de hoofdstad trachtte te dekken, ware de nederlaag in eene ware ramp veranderd (12en Augustus), 's Anderendaags deed de prins van Oranje zijne intrede te Leuven. De overwinning van het Nederlandsche leger was volkomen, de Tiendaagsche Veldtocht had de eer der Hollandsche wapens gered.

Te Brussel, van waar Oranje slechts twee uur verwijderd was, heerschte de grootste verwarring en was de burgerij tot de overgave bereid. Het jonge koninkrijk was reddeloos verloren, indien het Fransch leger, op dit oogenblik, niet opgedaagd was.

Toen den 9en Augustus generaal Belliard, wien gelast was geweest met Chassé te onderhandelen om eene nieuwe beschieting aan Antwerpen te vermijden, de vlucht van Daine's leger vernomen had, zond hij, uit eigen beweging en zonder Leopold te raadplegen, een koerier naar maarschalk Gérard, om dezen tot eenen snellen opmarsen aan te sporen. Den 10en rukte het Fransche leger over de grens en bereikte Waver den 12en, zoodat koning Willem, woedend over de snoode handelwijze van Frankrijk, dat het principe van Niet-Tusschenkomen verloochende, in zijne onmacht aan den prins van Oranje het bevel gaf, voor Frankrijks troepen te wijken. Den 13en stonden Gérard's voorposten vóór de Hollandsche afdeelingen; alsdan sloot Oranje met Belliard een overeenkomst, waarbij zijn leger over de grens terugtrok.

België zou hare nederlaag duur bekoopen. Reeds den 11en had Talleyrand, de verklaarde vijand onzer onafhankelijkheid, zich op de Conferentie van Londen heftig over de Belgen uitgelaten: «Leopold was een armzalig wezen en de Belgen een troep vagebonden, de onafhankelijkheid onwaardig; België kon niet zelfstandig blijven bestaan en het te verdeelen was de eenige mogelijke oplossing.»

Palmerston beantwoordde, den 15en Augustus, die onverdraaglijke en sluwe taal met een ultimatum aan Frankrijk om dadelijk zijne troepen uit België terug te trekken. Louis-Philippe riep terstond 20,000 man terug, maar stelde als voorwaarde der geheele ontruiming, dat maarschalk Gérard de geheele slechting van de zuidelijke vestingen zou voltrekken. Palmerston liet bedreigingen hooren, en Frankrijk, op verzoek van Leopold, liet slechts 12,000 Fransche soldaten hier, om aan de herinrichting van het Belgische leger te werken. Het was slechts den 30en September 1831 dat de laatste vreemde troepen onze grenzen verlieten, drie weken nadat Leopold zich, in overleg met de vier Mogendheden, verbonden had om maatregelen te nemen voor de spoedige ontmanteling van Meenen, Doornik, Ath, Bergen en Charleroi.

Inmiddels had de Conferentie, gedurende de onderhandelingen te Londen, opnieuw rechtsomkeert gemaakt; met dezelfde vaardigheid waarmede zij vroeger het protocol van 20en Januari had laten gaan, verloochende zij nu het verdrag der XVIII Artikelen. Europa toonde zich hard voor de overwonnenen: het nieuwe Tractaat der XXIV Artikelen, ondanks de bemoeiingen van Van de Weyer en het verlangen van Louis-Philippe, behelsde veel erger bepalingen dan het eerste, dit door toedoen van Engeland en van de Oostelijke Mogendheden.

België moest Maastricht laten varen, benevens het Oostelijk gedeelte van Limburg over de Maas, en het Noord-Westelijk, met Roermond en Venloo. Het Groothertogdom Luksemburg werd ten persoonlijken titel aan Willem I geschonken, doch België behield het Waalschsprekend gedeelte, mitsgaders een klein Duitschsprekend strookje, van Aarlen tot Vieil-Salm. Wel werd de vrije vaart van de Schelde naar den Rijn verzekerd, maar de scheepvaart op de Schelde zelf werd aan zekere tollen onderworpen. Wat de schulden van het vroegere Vereenigde Koninkrijk betrof, België zou er de helft van dragen met bovendien nog de schulden van vóor de vereeniging, te zamen beloopende eene jaarlijksche rente van 8.400.000 gulden: dit heette te zijn het beslissend en onwederroepelijk besluit der Mogendheden (14en October).

Het was met groot misnoegen dat het Fransch ministerie kennis kreeg van die vergrooting van grondgebied aan Holland toegestaan; doch in België werd het verdrag der XXIV Artikelen met eene echte woede ontvangen. He Kamers verzetten zich tegen deze harde voorwaarden. Maar, wel wetende hoe gevaarlijk het was aan Europa weerstand te bieden en vreezende koning Leopold tot den afstand te dwingen, onderwierpen zij zich eindelijk: de Kamer der volksvertegenwoordigers den 1en November met 59 stemmen tegen 38, en de Senaat den 3en November met 35 tegen 8.

Leopold I

Leopold I
Leopold I

Van de Weyer bracht het toestemmend antwoord aan de Conferentie over, en den 15en November werd het Verdrag bekrachtigd. Om België voor deze houding te beloonen, waarborgden de vijf Mogendheden aan Koning Leopold de uitvoering van al de artikelen, en beloofden hem den vrede en hunne oprechte vriendschap: dat was de erkenning van het Belgisch koningdom. Intusschen weigerde Holland het Verdrag bij te treden, dat dadelijk door Koning Leopold, Louis-Philippe en Willem IV van Engeland onderteekend werd; Oostenrijk en Rusland, die nochtans de erkenning van het koninkrijk België betreurden, en ook eindelijk Pruisen traden de XXIV Artikelen bij (Januari-Maart 1832).

De Belgen konden nu den vrede verhopen; maar eenerzijds dreigde de strijd met Holland opnieuw te beginnen, anderzijds ontstonden moeielijkheden nopens de ontmanteling van de zuidelijke grenssteden. Immers, men had op de Conferentie de slechting van de sterkten Charleroi en Doornik vervangen door die van Mariembourg en Philippeville (14en December). Frankrijk, dat nog altijd zijne hoop niet opgegeven had om deze twee laatste steden te verkrijgen, teekende hiertegen verzet aan. Louis-Philippe dreigde zelfs het traktaat van 15en November niet goed te keuren en oefende op Koning Leopold eene echte drukking uit; ook Talleyrand gaf zich veel, maar vergeefsche moeite, om Frankrijks eigenliefde te vrijwaren. Eindelijk stelde Leopold, die uit alle krachten Frankrijk zocht te bevredigen, met goedkeuring van Louis-Philippe, eene verklarende nota aan de Conferentie voor, die door de gevolmachtigden der vier andere Mogendheden aangenomen werd: haar hoofdinhoud luidde dat de bepalingen der overeenkomst van 14en December 1831, aangaande de daar vermelde vestingen, geen inbreuk mochten maken op de volle souvereiniteit van den Koning van België en de onafhankelijkheid van dit land (23en Januari 1832).

Indien Leopold zijne genegenheid voor Frankrijk gedurende deze onderhandelingen niet verborgen had, was het dat hij een nog inniger verbond met dit land wenschte: namelijk zijn huwelijk met een der dochters van Louis-Philippe. Hier ook waren hinderpalen uit den weg te ruimen: vooreerst de weinige neiging van den Franschen Vorst voor die echtverbintenis; ten tweede de vrees van Leopold om een oogenblik zijn Rijk te verlaten. Toch kwam het tot een onderhoud met Louis-Philippe te Compiègne den 28en Mei: den 9en Augustus huwde Leopold aldaar de twintigjarige Louise-Marie van Orleans.

Den 18en April 1832 hadden de Oostelijke machten, die vruchteloos Koning Willem tot de onderteekening van het Verdrag der XXIV Artikelen aangemaand hadden, eindelijk moede van vragen, hunne bekrachtiging tegen Belgiës aanvaarding bij Van de Weyer te Londen gewisseld. De Nederlandsche Vorst antwoordde met een nieuw en krachtdadig protest, en hield voort bijna 100,000 man onder de wapens. Die uitdagende houding van Holland, een gevolg van den goeden uitslag van den Tiendaagschen Veldtocht, verplichtte Koning Leopold voortdurend aan de herinrichting van het Belgische leger te werken; door generaal Belliard, die als een soort van opperbevelhebber der troepen optrad, en talrijke andere Fransche officieren bijgestaan, bereidde hij zich tot het afslaan van eenen nieuwen aanval voor; en alhoewel het onderhoud van de troepen, die de krijgsbegrooting op onrustwekkende wijze deed stijgen, 's lands middelen uitputte, zette hij zijne krijgstoebereidselen onverpoosd voort.

Intusschen had de koppigheid van Willem de Conferentie ongeduldig gemaakt, en in Juli sprak Palmerston reeds aan Van Zuylen, Falck's opvolger te Londen, van dwangmiddelen te gebruiken jegens zijnen meester, die voortdurend weigerde Antwerpen en de Scheldeforten over te leveren. Door toedoen van Stockmar werd zelfs gepoogd om het vraagstuk van Antwerpen door eene Belgisch-Hollandsche conferentie op te lossen; doch vruchteloos. De Conferentie drukte alsdan haar misnoegen aan den Nederlandschen Koning uit; Frankrijk en Engeland stelden een gewapende tusschenkomst voor, maar de Oostelijke machten deelden geenszins in die zienswijze. Na eenige bedenkingen omtrent het gevaar van een tweeden Franschen inval in België, teekende Palmerston met Talleyrand de akte van 22en October 1832, waarbij de twee regeeringen zich met de uitvoering van het Verdrag der XXIV Artikelen gelastten; Koning Willem kreeg tot den 2en November om Antwerpen te ontruimen, zoo niet zou men al de Hollandsche schepen kapen die men kon aanklampen, en een Fransch leger voor de citadel van Antwerpen sturen. Uitdrukkelijk werd er bijgevoegd dat de tusschenkomst der Franschen door Koning Leopold moest worden ingeroepen en dat zij, dadelijk na Antwerpens inneming, België moesten verlaten. Pruisen en Rusland trokken zich daarop uit de Conferentie terug, zonder dat de twee Westelijke machten zich daar verder om bekreunden.

Willem's regeering antwoordde moedig, den 2en November, dat zij Antwerpen zou verdedigen. Daarop werd beslag gelegd op de Hollandsche schepen, die in de havens van Frankrijk en Engeland geankerd lagen, en de Engelsche en Fransche vloot aan de Duinen bijeengekomen, stevenden naar de kusten van Holland. Doch niets kon den trots van den Nederlandschen Vorst doen buigen.

Dan vroeg generaal Goblet, minister van oorlog, de hulp van het Fransche leger om België door de Hollanders te doen ontruimen (9en November). Den volgenden dag werd eene voor de Belgische troepen zeer vernederende overeenkomst gesloten; deze zouden aan het beleg geen deel nemen, al de posten rondom Antwerpen zouden aan de Franschen overgelaten worden, en een garnizoen van ten hoogste 6000 man mocht onzijdig in die stad verblijven; ook verwekte die conventie hartstochtelijke besprekingen in de Kamers.

Den 15en November 1832 trokken Gérard en de hertog van Orleans de grens over, met een leger van 60,000 man en een aanzienlijke massa grof geschut; den 4en December begon de beschieting van de citadel van Antwerpen. Chassé had verklaard dat hij zich slechts zou overgeven, na al zijn middelen van verdediging uitgeput te hebben; hij hield woord. Slechts na een geweldig bombardement, dat zijn vestingen in gruis gelegd en meer dan duizend der 4,500 verdedigers gedood had, deed Chassé de witte vlag hijschen; liever dan zich over te geven, liet Koopman, bevelhebber van twaalf kanonneerbooten op de Schelde, deze zinken. Zelfs de vijand stond in bewondering voor de heldhaftige verdediging van die koene krijgers (23en December 1832). Daar nu Koning Willem in de ontruiming van de verdere forten van Lillo en Liefkenshoek nog niet wilde toestemmen, werd de dappere generaal met het garnizoen, als krijgsgevangenen naar Frankrijk gestuurd. Het Fransche leger kreeg overigens, dadelijk na den val van Antwerpen, het bevel om naar Frankrijk terug te keeren, en leverde de citadel aan de Belgische troepen over.

Holland, door de blokkade van zijne kusten zeer benadeeligd, werd weldra genoodzaakt met Engeland en Frankrijk te onderhandelen: door bemiddeling van Pruisen, werd tusschen de drie regeeringen eene voorloopige overeenkomst gesloten, die de vijandelijkheden deed staken; aan Willem werd de belofte opgelegd, België niet meer aan te vallen; en Schelde en Maas werden vrij verklaard tot de opstelling van een bepaald verdrag (21en Mei 1833). De schikkingen, betrekkelijk de vaart op de Maas, werden omstandig geregeld door de Conventie van Zonhoven, den 18en November daaropvolgende, tusschen Bernhard van Saksen-Weimar en generaal Dibbits eenerzijds en generaal baron Hurel anderzijds gesloten: dit was de eerste akte die tusschen België en Holland opgemaakt is. Met dezen voorloopigen toestand hadden de Mogendheden vrede, en daar Koning Willem zelf weinig geneigd scheen om er van af te wijken, ging de Conferentie van Londen in November uiteen, zonder aan haar werk de volkomen bekrachtiging te hebben kunnen bijzetten.

Alzoo ging, gedurende de vijf volgende jaren, het jonge Koninkrijk België zijnen weg en beijverde zich, door het heropbeuren van den kwijnenden handel en de stil liggende nijverheid, door het aanleggen van spoorwegen (op voorstel van minister Rogier), door het uitvoeren van openbare werken, om den welstand in de provinciën te doen terugkeeren. Daar de Koning van Holland het verdrag der XXIV Artikelen weigerde te onderteekenen, betaalde België de jaarlijksche rente niet, en behield Limburg en Luksemburg, waarvan de afgevaardigden te Brussel in de Kamers zetelden en welke door Belgische ambtenaren bestuurd werden.

Zoo sleepte de toestand voort, toen plots Koning Willem den 14en Maart 1838, tot de aanvaarding van het Verdrag van 1831 besloot; dit besluit baarde de grootste verrassing en verslagenheid te Brussel. De Kamers waren het tooneel van de hartstochtelijkste debatten; de met afstand bedreigde inwoners teekenden hevig verzet aan; men wilde van geene scheiding weten. Maar noch Palmerston, noch het kabinet van Louis-Philippe wilden de Belgen in hunne «dwaze pogingen» ondersteunen. Vruchteloos bood Leopold 60.000.000 frank aan Holland, in vergoeding voor de gedeelten van Limburg en Luksemburg. De Conferentie bleef onverbiddelijk; nauwelijks gelukte het aan De Theux, minister van buitenlandsche zaken, enkele verzachtingen op eenige bepalingen te verkrijgen, namelijk omtrent de verdeeling van de schuld, die voor België tot eene jaarlijksche rente van vijf millioen gulden verminderd werd.

Nog wilde de openbare meening in België niet toegeven: de regeering van Leopold werd door de Limburgsche en Luksemburgsche volksvertegenwoordigers heftig aangevallen; uit Parijs, waar hij zich sedert jaren teruggetrokken had, stookte L. de Potter het vuur aan. Alsdan riepen de misnoegde Mogendheden hunne gezanten terug; ook de geweldige handelscrisis deed den strijdlust der Belgen weldra koelen. De stormachtige zittingen van de Kamers, waarin soms het publiek der tribunen tusschenkwam, namen ten slotte een einde. 't Is bij zijne ontkennende stemming over het voorstel, dat Gendebien zijnen beruchten uitroep deed: «Ik stem neen! 380.000 maal neen! voor de 380.000 Belgen die gij aan de vrees opoffert!» Den 19en Maart 1839 stemden de Kamer der Volksvertegenwoordigers en eene week later de Senaat goedkeurend over het Verdrag van Londen. Het werd aldaar, den 19en April 1839, onderteekend door België, Holland, den Duitschen Bond en de vijf groote Mogendheden.

In Holland zelf had intusschen de Vorst, dien men vroeger «Vader Willem» noemde, geheel en al zijne populariteit verloren. Hij kon het wel zien, toen den 20en December 1839 zijn voorstel om 56 millioen te ontleenen tot het dekken der schuld, benevens het ontwerp van begroeting, verworpen werd; de oppositie eischte eene grondwetsherziening en bekwam de zoo lang gevraagde ministerieele verantwoordelijkheid (6en September 1840). En wanneer de oude Koning zijn inzicht te kennen gaf, met de Belgische katholieke gravin d'Oultremont in het huwelijk te treden, ging zulk een geschreeuw in het land op, dat hij van de kroon afstand deed (7en October 1840), en met zijne gemalin en zijn overgroot fortuin naar Berlijn trok, waar hij drie jaar later overleed.

Met zijnen opvolger, Willem II, den prins van Oranje, sloot België, den 5en November 1842, het eindverdrag, dat alle moeielijkheden aangaande de grenzen, de scheepvaart en de schuldverdeeling vereffende.

Besluit

Veroorzaakt door het slecht beleid van de Hollandsche regeering, aangevuurd door de kuiperijen van de Fransche clubs in België, mogelijk gemaakt door het verbond der geestelijkheid met de vrijzinnigen, bekrachtigd door den naijver en de hebzucht van Engeland en Frankrijk, is de Belgische Omwenteling in hare gevolgen op zeer verschillende wijzen beoordeeld geworden.

Ondanks de veroordeeling der Belgische Grondwet door Paus Gregorius XVI, die de vrijheid van geweten «een pest en een geestverwarring» en die van drukpers «eene verderfelijke ongeregeldheid» noemde (15en Augustus 1832), trachtten de katholieken voor zich zelven, met volle handen, het rijkste gewin uit de onbeperkte grondwettelijke vrijheden te putten; onafhankelijk van alle tusschenkomst van den Staat en toch door hem bezoldigd, bemachtigde de geestelijkheid alras het lager onderwijs door de stichting van vrije scholen, en oefende een feitelijk gezag zelfs op de Staatsscholen uit; het platteland werd door de priesters volkomen beheerscht, en men weet, door talrijke tot het Congres gerichte protestaties, dat zij de verkiezingen voor de gemeenteraden in persoon bestuurden. De clericale partij vond dus in de gevolgen van de Omwenteling voordeelen die zij nooit te voren had mogen droomen: ook behooren de eersten die de Revolutie in hunne schriften verdedigden, Robiano de Borsbeek (1832), Nothomb (1833) en De Gerlache (1839) tot de katholieke partij.

Robiano de Borsbeek, de agent der Jezuieten — die, naar men beweerde, in November 1829 ineens 80,000 frank van die orde ontvangen had om de geestelijkheid tegen Koning Willem op te jagen — na de wijze uiteengezet te hebben waarop de katholieken, uit de door de Grondwet gewaarborgde vrijheden, voordeel kunnen trekken, roemt de Constitutie onvoorwaardelijk.

Uit een liberaal standpunt noemt de groote liberale geschiedschrijver en rechtsgeleerde Prof. F. Laurent de Omwenteling «de groote fopperij van 1830»: en ontegensprekelijk zijn de Liberalen in hunne Unie met de Katholieken gefopt geweest, zooals het reeds bleek door de schoolwet op het lager onderwijs van 1842.

Nog vóór het afkondigen der Grondwet zag men de kloosters, waarvan Jozef II, de Fransche Revolutie en Willem I ons verlost hadden, alom weer oprijzen. De geestelijke orden van beider kunne maakten zich de regeeringloosheid te nutte om in der haast in de Zuidelijke Nederlanden neer te strijken. Veel liever dan in Frankrijk te blijven, waar de Jacobijnen van de Clubregeering hun een onverzoenlijken oorlog aandeden, kwamen de Jezuïeten, die zoo krachtig de Revolutie geldelijk ondersteund hadden, verder de Broeders der Christelijke Leering, de Kapucijnen en andere monniken, mitsgaders talrijke nonnencongregaties, zich in ons land vestigen; en sedert het midden van October werden de Vlaamsche gewesten door een leger paters en nonnen van alle slag om zoo te zeggen overrompeld. De wijsgeerige handelingen van L. de Potter en zijne vrienden, en de liberale strekking van de hoogere geestelijkheid waren gelukkiglijk een tegenwicht: anders zou de Belgische Omwenteling van 1830 eene tweede verbeterde uitgave der clericale Brabantsche Omwenteling van 1789 zijn geworden.

Uit een sociaal-œconomisch oogpunt was de Belgische Omwenteling, volgens den geleerden staathuishoudkundige Emile de Laveleye een groote misgreep: niemand zal betwisten dat de bestuurlijke scheiding tusschen Holland en België, door het behoud van eene gezamenlijke vloot en van de uitvoerhavens naar de Oostindische koloniën, voor handel, nijverheid en maatschappij voordeeliger zou geweest zijn, dan de volkomen scheuring der Nederlanden. De telkens terugkeerende crisissen, die voor koop- en werklieden dadelijk na de Septemberdagen begonnen, zijn er het rechtstreeksch bewijs van.

Ook werd het Europeesch evenwicht er door geschokt, nu dat Frankrijk niet meer in toom gehouden werd door het Koninkrijk der Nederlanden, zoodat dezelfde Prof. E. de Laveleye de Belgische Omwenteling «eene misdaad tegen de rust van Europa» heeft genoemd.

Maar het is nutteloos zich over die daad te berouwen. Een volk mag zijn tijd niet verspillen met het verleden te betreuren, het moet de toekomst in de oogen kijken en manmoedig voorbereiden. België heeft door zijn werkdadigheid en vernuft bewezen, dat het recht had op de onafhankelijkheid: vijf en zeventig jaar van stoffelijken vooruitgang, vrede en rust hebben het afdoende betoogd.

Maar voor ons, Vlamingen, heeft de Omwenteling gevolgen gehad, die wij nooit mogen vergeten. Die zijn te wijten aan de partijdige houding tegenover Vlaamsch-België van de leiders der Omwenteling, die na October 1830 het bewind in handen gehad hebben.

Immers, het Voorloopig Bewind, de twee ministeries van den Regent en de ministeries die malkander tot in het midden van de regeering van Leopold I opgevolgd zijn, hebben stelselmatig alles in 't werk gesteld om niet alleen de stoffelijke, maar ook de geestelijke belangen van het Vlaamsche volk te verwaarloozen ten voordeele van de Walen.

Het gansche land door had de Omwenteling den onmiddellijken stilstand van handel en nijverheid, de stremming van alle ondernemingen, de vermindering van de waarde der eigendommen, en niet het minst het verlies van het crediet na zich gesleept; vele fabrieken, die vroeger door Koning Willem ondersteund werden of op het Nijverheidsfonds teerden, hadden hunne arbeiders moeten afdanken: de werkloosheid werd zoo groot dat men de arbeidersklasse tot het uitvoeren van openbare werken moest gebruiken. Gent, Antwerpen, Oostende, die zulk een hoogen trap van bloei en welvaart onder het Hollandsch bestuur bereikt hadden, zagen, de eerste hare weefgetouwen en andere mekanieken stilvallen, de twee andere hunne handelsvloot verhuizen of in hunne dokken verrotten.

Vlaanderens œconomisch verval in 't bijzonder was zoo openbaar, dat zelfs Louis-Philippe er de aandacht van Talleyrand op vestigde. Welnu, in plaats van Vlaamsch-België uit dien hachelijken toestand te redden, lieten de verschillende besturen, die sedert October 1830 elkander opvolgden, deze vroeger zoo welige streek, uit voorliefde voor den Waal, volkomen verkwijnen.

Het door koning Willem gegraven kanaal van Terneuzen werd niet voltooid; de haven van Oostende wachtte lang en vruchteloos naar verbetering; de ontworpen vaarten in Vlaanderen en in de Kempen werden voor geruimen tijd verdaagd. Terwijl het Walenland als in een net van Staatsspoorwegen omwikkeld was, bleven West-Vlaanderen en Limburg er zonder; en de rijks- en provinciestraten die tijdens het Hollandsch bewind zulke gunstige uitbreiding genomen hadden, werden nauwelijks onderhouden. Aan het Walenland werden de officieele toelagen voor allerlei openbare werken kwistig uitgedeeld, maar Vlaamsch-België en bepaaldelijk het Orangistische Gent werden door de verfranschte bureaucraten te Brussel uit alle gouvernementeele gunsten gesloten gehouden.

Men kende slechts de Vlamingen als 't er op aankwam om te betalen; dank zij een gebrekkige kadastrale verdeeling werden de Walen, in zake grondbelasting, in verhouding tot de Vlamingen op de onrechtvaardigste wijze, lange jaren, begunstigd; Julius Vuylsteke heeft in zijn Korte Statistieke Beschrijving van België de schreeuwende wanverhouding aangetoond in de verdeeling der belastingen ten opzichte van de Waalsche provincies en het Vlaamsche platteland. Ook de visscherij aan de Noordzee liet men doodkwijnen, daar de Walen, die in de achtereenvolgende ministeries alles beheerschten, schenen te vergeten dat België een Vlaamsche zeekust bezat, die geen mindere schatten bevatte dan de Waalsche mijnen.

Doch deze verwaarloozing of ontkenning van de stoffelijke belangen van de Vlamingen wordt nog in de schaduw gesteld, door de verdrukking van hunne verstandelijke rechten.

Vóór 1830 was er een algemeen geschreeuw in de rangen van de oppositie opgegaan, toen Willem zijne taalbesluiten afgekondigd had, en de advocaten-journalisten van Luik en Brussel hadden de regeering verweten, dat zij het Nederlandsch aan de Walen wilde opdringen: een onjuiste bewering. Maar nu, door eene soort van reactie tegen het schrikmiddel dat zij zelf gesmeed hadden, beproefden de Fransche en Waalsche leiders van de Omwenteling, onze taal in Vlaamsch-België uit te roeien. Durfde niet Nothomb, in zijn berucht Essai sur la Révolution Belge(1834) — eene verdediging van het gedrag van de hoofden van de beweging — de Vlamingen aansporen «openlijk de Fransche taal aan te nemen?» Toonden zich niet de Rogiers en hunne vrienden in alle omstandigheden de vijanden van de Vlaamsche taal, en trachtten zij niet, op alle mogelijke wijzen, het Fransch in Vlaamsch-België te verspreiden?

Den dag na zijne aanstelling, was de eerste daad van het Voorloopig Bewind het Staatsblad uitsluitend in de Fransche taal op te stellen (5en October); tien dagen nadien schafte zij de Vlaamsche Kamer af, die over de vonnissen uit Limburg bij het Beroepshof van Luik uitspraak deed. Einde October werd de Vlaamsche taal insgelijks uit het leger gebannen; bevelen en bestuur zouden voortaan in het Fransch «als zijnde de in België meest verspreide taal» geschieden. Men vergete daarbij niet dat er in 1831 op 2700 officieren nog geen 150 Belgen waren; de overige waren, tot Wellingtons groote ergernis, door Leopold aangeworven Franschen, en zijn generale staf bevatte 24 Franschen tegenover 4 Belgen.

Den 16en November 1830 vaardigde het Voorloopig Bewind — dat nochtans, sedert de aanstelling van het Congres, van de wetgevende macht beroofd was — zijn berucht treurig Besluit uit, dat straffeloos onze taal versmaadde en met de voeten trapte.

«Overwegende, zeiden Rogier, Gendebien. Félix de Mérode en Van de Weyer, dat het Vlaamsch, door de inwoners van zekere plaatsen (?) gesproken, verschilt van provincie tot provincie en soms van omschrijving tot omschrijving, zoodat het onmogelijk zijn zou den tekst der wetten en besluiten in die taal af te kondigen, zal het Fransch in België de eenige officieele taal zijn.» Wel is waar werd het gebruik van het Nederlandsch toegelaten, doch onder zulke voorwaarden, dat de aanwezigheid van éen Vlaamschonkundige onder de rechters, de Fransche taal aan een gansche omschrijving opdrong. En in het bestuur zoowel als in het leger welk een onrechtvaardige verhouding tusschen Vlamingen en Walen: bijna geen Vlaamsche officieren, bijna geen Vlaamsche ambtenaren; dit was het gevolg van de geweldige plaatskensjacht, waarmede de Walen hunne taalgenooten van 't Voorloopig Bewind bestormd hadden.

Onrechtvaardige taalbesluiten, onrechtvaardige verdeeling der ambten: voor dezelfde grieven had de Waalsche oppositie het tot de Omwenteling gebracht, en het Koninkrijk der Nederlanden vaneengescheurd; de gedweeë Vlaming liet maar alles lijdzaam gebeuren.

De ministeries van Leopold zetten de kroon op dit hatelijk verfranschingswerk met het Fransch als voertaal aan de overgebleven officieele onderwijsgestichten op te dringen. Wij zeggen de nog overgebleven gestichten: want in de eerste dagen der Omwenteling, die in Vlaamsch-België meestal een clericaal karakter had aangenomen, waren de lagere officieele scholen door de geestelijkheid weggekuischt, met zulk een wraaklust, dat de landkaarten van de muren werden gerukt, de leertoestellen in een vreugdevuur verbrand, en dat de koperen gewichten van het metriek stelsel naar de kinderen gegooid werden om er mee te spelen; de gemeentebesturen sloten eenvoudig de colleges en wierpen de wereldlijke leeraars buiten om ze door priesters te vervangen. In tien jaar tijds viel de gemiddelde wedde der schoolmeesters van 300 op 210 frank; het getal scholen viel van 4000 op 2000; en door de afschaffing der opzieners van 't onderwijs verdween alle toezicht op de scholen.

In October had het Voorloopig Bewind de drie Staatshoogescholen afgeschaft en ze in de volgende maand heringericht, doch derwijze verminkt, dat de twee voorbereidende faculteiten ontbraken. Na de inrichting van de hoogeschool te Leuven door de Katholieken en die te Brussel door de Liberalen (1834-1835), werd de regeering verplicht de twee Staatshoogescholen te Gent en te Luik te herstellen; doch voor het middelbaar en het lager onderwijs deed zij niets! Het onderwijs in Vlaanderen, zonder programma, zonder toezicht van de openbare besturen, in handen van eene in 't algemeen zeer weinig ontwikkelde geestelijkheid, bleef gedurende jaren bijna nul: van daar weldra het ontzettend getal ongeletterden in een streek die onder Willem's regeering zooveel beloofde!

In de gestichten, die aan de ramp ontsnapt waren, voerde nu het hooger bestuur het Fransch als voertaal in! Nevens de algemeene onwetendheid van de bevolking schiep men aldus een kloof tusschen de verlichte standen en de lagere volksklasse, hetgeen onberekenbare gevolgen moest hebben.

Het doel scheen bereikt; reeds jubelden deze Franschgezinde meesters over de uitroeiing van de taal van de groote meerderheid der bevolking. Doch, daar ontstaat de Vlaamsche Beweging; de Vlaamsche Commissie legt de grieven van de Vlaamsche bevolking bloot......

De volgende hoofdstukken zullen uitwijzen hoe het Vlaamsche volk, niettegenstaande de Waalsche overheersching en dank zij zijn taaien moed en de aanhoudendheid van de leiders onzer Beweging, op velerlei gebied aan de ondergeschiktheid kon ontsnappen en zich voorbereidt om de geleden schade in te halen.

Bibliographie

van de twee laatste hoofdstukken

C. P. E. Robidé van der Aa, Catalogus van boekwerken en vlugschriften, betreffende de woelingen in het zuidelijk gedeelte der Nederlanden, 3 dln. (Amsterdam, 1838-1840). — a) Officieele akten: L'Union belge (Voorloopig Bewind), 10 October 1830-3 Maart 1831 (Brussel); Le Moniteur belge (Brussel, sedert 16 Juni 1831); J. G. Verstolk van Soelen, Recueil de pièces diplomatiques relatives aux affaires de la Hollande et de la Belgique en 1830-1832, 3 dln. ('s Gravenhage, 1831-1833); E. Huyttens de Terbecq, Discussions du Congrès National de Belgique, 5 dln. (Brussel, 1844-1845); Lagemans, Recueil des traités et conventions conclus par le Royaume des Pays-Bas depuis 1813, 10 dln. ('s Gravenhage, 1858-90). — b) Dagbladen: zie A. Warzée, Essai historique et critique sur les journaux belges (Gent, 1845). — c) Vlugschriften: Ch. Froment, Études sur la Révolution belge (Gent, 1834); brochures van graaf van Hogendorp, S. Van de Weyer en Libry-Bagnano, aangehaald door Nothomb. Essai historique et politique (blz. 39-40). — d) Brieven: J. R. Thorbecke, Brieven 1830-32 ('s Gravenhage, 1873); G. K. van Hogendorp, Brieven, 4 dln. ('s Gravenhage, 1866-67).-e) Gedenkschriften: Van der Duyn van Maasdam en Van der Capellen, Notices et Souvenirs biographiques (St Germain-en-Laye, 1852): J. Lebeau, L. de Potter, H. de Mérode, zie hooger; K. Pletinckx, Souvenirs révolutionnaires (Brussel, 1857); A. J. Goblet d'Alviella, Mémoires historiques, 2 dln. (Brussel, 1864-65); A. L. Van der Meere, Mémoires (Brussel, 1880); Prince de Talleyrand, Mémoires, uitg. Duc de Broglie, 5 dln. (Parijs, 1891); E. Bertin, Journal intime de Cuvillier-Fleury, 2 dln. (Parijs, 1900-1902). — f) Levensberichten: Th. Juste, Les Fondateurs de la monarchie belge, onder dewelke ook Lord Palmerston en Bon Stockmar, 22 dln. (Brussel, 1866-1878); L. Jottrand, Louis de Potter Brussel, 1860); E. Discailles, Charles Rogier, 4 dln. (Brussel, 1892-1895); Mgr. G. Monchamp, L'Évêque Van Bommel et la Révolution belge (in Bulletin de l'Académie de Belgique, 1905); H. Siccama, Vie d'Antoine Falck ('s Gravenhage, 1860); Bon de Sirtema de Grovestins, Le Baron Robert Fagel ('s Gravenhage, 1857); H. von Gagern, Das Leben des Generals F. von Gagern, 2 dln. (Leipzig, 1856-57); H. Bulwer Lytton, The Life of Palmerston, 3 dln. (Londen, 1870). — g) Gelijktijdige schriften: Buiten Nothomb en De Gerlache hooger vermeld, W. Grave van Bylandt, Verhael van het oproer te Brussel ('s Gravenhage, 1831); Don Juan van Halen, Les Quatre Journées (Brussel, 1831); M. de Warguy, Esquisses historiques de la Révolution en Belgique (Brussel, 1831); Kessels, Précis des opérations militaires durant les quatre journées de septembre (Brussel, 1831); Ch. de Leutre, Histoire de la Révolution belge, 3 dln. (Brussel, 1849). — Ch. White, The Belgian Revolution, 2 dln. (Londen, 1835); Ch. Lefebvre de Bécourt, La Belgique et la Révolution de Juillet (Parijs, 1835); Ungewitter, Geschichte der Niederlande und der Belgischen Revolution (Leipzig, 1832). — Bon de Keverberg, Du Royaume des Pays-Bas et de sa crise actuelle, 2 dln. ('s Gravenhage, 1835), zeer scherpe critiek op Nothomb's hoogervermeld Essai historique (1833); antwoord van Nothomb in het dagblad L'Indépendant (Februari-Maart 1835). — Ad. Bartels, Les Flandres et la Révolution belge (Brussel, 1834); en Documents historiques sur la Révolution belge (Brussel, 1836). — J. B. Van der Meulen, priester, Willem, ingedrongen koning der Nederlanden, 2 dln. (Brussel, 1839). — Ch. Durand, Dix jours de campagne ou la Hollande en 1831 (Amsterdam, 1832). — Chevalier de Richemond, Campagne de 1832 en Belgique (Parijs, 1833). — h) Moderne geschiedkundige werken: Th. Juste, La Révolution belge de 1830 d'après les documents inédits (Brussel, 1872); Ch. V. de Bavay, Histoire de la Révolution belge de 1830(Brussel, 1873) en twee terechtwijzende opene brieven tot dien oud-Procureur-Generaal door Th. Juste gericht (Brussel, 1873-74); L. Hymans, Histoire parlementaire de la Belgique de 1830 à 1880, 6 dln. (Brussel, 1877-1880); Th. Juste, Le Congres national de Belgique, 2 dln. (Brussel, 1850); Prof. J. Bosscha, De Belgische Revolutie (Leeuwarden, 1856); zie hooger Nuyens. — Ph. Van der Kemp, De Antwerpsche proclamatie des Prinsen van Oranje (in den Tijdspiegel, October 1902-1903), en dezelfde, De Belgische Omwenteling in Luik en Limburg, 2 dln. ('s Gravenhage, 1904); W. Wüppermann, De tiendaagsche veldtocht ('s Gravenhage, 1881). — Graaf Oswald de Kerchove de Denterghem, Les préliminaires de la Révolution belge en 1830 (Revue de Belgique, 1896). — Vte de Beaumont-Vassy, Histoire des États Européens depuis le Congrès de Vienne, Belgique et Hollande (Parijs, 1843); Ch. de Ficquelmont, Lord Palmerston, l'Angleterre et le Continent (Brussel, 1853); Cte d'Haussonville, Histoire de la politique extérieure du gouvernement français de 1830 à 1848 (Parijs, 1850); L. Blanc, Histoire de Dix Ans (Parijs, 1842); Lucien de la Hodde, Histoire des sociétés secrètes en France (Parijs, 1850); E. Carlier, Talleyrand et la Belgique (Revue de Belgique, 1891); Duc de Broglie, Le dernier bienfait de la monarchie, la neutralité de la Belgique (Revue des Deux Mondes, 1899-1900); R. Guyot, La dernière négociation de Talleyrand, l'indépendance de la Belgique (Revue d'histoire moderne et contemporaine, Parijs, 1900-1901); R. Dollot, Les origines de la neutralité de la Belgique (Parijs, 1902); Chev. David-Descamps, La neutralité de la Belgique (Brussel, 1902); Pastoor Fl. de Lannoy, Les origines diplomatiques de l'indépendance belge, la Conférence de Londres (Leuven, 1903). — L. van Neck, 1830 Illustré (Brussel, 1902); Ch. Terlinden, La Révolution belge de 1830 racontée par les affiches (Brussel, 1903). — Ch. Niellon, Histoire des événements militaires et des conspirations orangistes de 1830 à 1833 (Brussel, 1868); A. Eenens, Documents historiques sur les conspirations militaires de 1831, 3 dln. (Brussel, 1875-1876). — J. J. Thonissen, La Belgique sous le règne de Léopold I, 3 dln. (Leuven, 1861); G. Oppelt, Histoire générale de la Belgique de 1830 à 1860 (Brussel, 1861); L. Hymans, Histoire populaire de Léopold I (Brussel, 1864); Th. Juste, L'élection de Léopold I (Brussel, 1867), en Léopold I roi des Belges, 2 dln. (Brussel, 1868); Saint René Taillandier, Le roi Léopold et la reine Victoria, 2 dln. (Parijs, 1878); André Martinet, Léopold I et l'intervention française en Belgique en 1831 (Brussel, 1905).

Zie verder de Biographie Nationale, uitg. door de Kon. Academie van België, en de Patria Belgica, uitg. Van Bemmel, dl. II.

Twee uitstekende samenvattingen zijn: A. Waddington, L'Insurrection belge et le Royaume de Belgique, bij Lavisse et Rambaud, Histoire générale de l'Europe, dl. X, hoofdstuk IX; en A. Stern, Die Niederlande en Begründung Belgiens, in zijne Geschichte Europas von 1830 bis 1848, dl. I (1905), hoofdstukken II en V.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings