DE REGEERING VAN KONING WILLEM I (continued 2)
Reading edition
Die verklaringen konden echter niet opwegen tegen den indruk in België verwekt door de afkondiging der lijsten van den Courrier des Pays-Bas. Men beschouwde zich als diep verongelijkt.
En nu, in zulk een toestand kwam eene verordening van 21en Juni 1830 den zetel van het nieuwe Hooger Gerechtshof in Den Haag vestigen. Opnieuw haalden de dagbladen der oppositie hunne statistieken uit den hoek; opnieuw werd geschreeuwd over de Hollandsche overheersching. Overigens, er werd klaar bewezen dat dit besluit onbillijk en onzinnig was, daar in tien jaar de Belgische gerechtshoven vijf maal meer burgerlijke processen te beoordeelen gehad hadden dan het Hof in den Haag. De hartstochtelijke aanvallen der Belgische drukpers haalden haar nieuwe vervolgingen op den hals; er was bijna geen enkel dagblad der oppositie, of een zijner opstellers was voor de rechtbank gedaagd. En intusschen stortte Libry-Bagnano de hatelijkste scheldwoorden en lasterlijkste aantijgingen uit in Le National, over de tegenstrevers der regeering, zonder aanzien van personen; zoodat verkleefde dienaars van het huis van Nassau zelf zijne verwijdering aanraadden.
Ziehier hoe op 21en Juni 1830, de Oostenrijksche gezant, graaf de Mier, zich over de Belgische toestanden in een vertrouwelijk schrijven aan zijne regeering uitdrukte: «Sedert de tien jaar dat ik dit land bewoon, heb ik slechts een voortdurend veranderen van stelsel, in al de takken van bestuur, aanschouwd. Ik heb slechts zien breken en maken, zich eerst aan iets wagen en koppig volharden om dan achteruit te gaan en met kwade luim toe te geven; een slechte wet voorstellen, veranderen, intrekken, dan opnieuw, aanbieden; het gemaal belasten, dan vrijstellen; het wijsgeerig college verplichtend, later facultatief maken en het eindelijk afschaffen; de studiën in den vreemde verbieden en ze weer toelaten; eene zoogezegde nationale taal opdringen, die door de helft der natie niet begrepen wordt en dan met tegenzin op die willekeurige handelwijze terugkomen; de drukpers vrijlaten en ze weer intoomen; — met een woord, bestendigheid in niets. Is het dan te verwonderen dat zulk een staat van zaken een bijna algemeene ontevredenheid verwekt heeft, en dat deze redenen, gevoegd bij eenige niet minder belangrijke, dit talrijk petitionnement veroorzaakt hebben, dat men eerst als oproerig bestempelde, en later voer belachelijk heeft willen doen doorgaan? Maar dit petitionnement voor de herstelling der grieven heeft grootendeels den uitslag bekomen, dien zijne inrichters beoogden — , en de regeering, ofschoon zij deze als voorgewende grieven en de oppositie als woelziek uitgeeft, heeft de wezenlijkheid dezer grieven herkend met ze te herstellen, heeft zich door de bent overwonnen verklaard met aan hare klachten toe te geven, en heeft zich zelf gelogenstraft, met heden aan de kwaal te meesteren, die zij gisteren nog ontkende. Zoo is 't dat, dank zij 't petitionnement, de belasting op 't gemaal uit de Staatsbegrooting verdwenen is, dat het heffen van een accijnsrecht op de koffie een stelsel ingevoerd heeft, minder nadeelig voor de landbouwbelangen der Zuidelijke provinciën, dat de bepaling, die de beambten met burgerlijke onbevoegdheid sloeg, wanneer het bestuur hun geen eervol ontslag verleende, afgeschaft is. Zoo is 't eindelijk, dat, op dezelfde wijze, de besluiten op onderwijs en taal afgeperst geworden zijn. Moet dit alles de regeering en den Koning niet kleineeren in de oogen zijner eigene onderdanen, en ze vernederen bij de andere regeeringen?»
Men begrijpe goed den zin dezer gegronde opmerkingen; de vreemde gezant veroordeelt Willem's regeeringstelsel niet om zijne veranderingen, hij is geenszins een voorstander van het koppig vasthouden der slechte besluiten; maar hij laakt het verkeerde beleid van den Vorst die altijd in der haast, zonder voorafgaandelijke inlichtingen, zonder voldoende kennis der toestanden, verordeningen uitschreef die alras, zoo niet onbillijk, dan toch onvoorzichtig bleken te zijn.
Alhoewel klaarziende opmerkers, zooals Thorbecke, in dien tijd hoogleeraar te Gent, alsdan reeds eene scheuring voorzagen, leefde het opperbestuur te midden van de gisting der gemoederen in een vast zelfvertrouwen, in een bewustelooze zekerheid. Uitgaande van den geest der Hollandsche bevolking die elke andere drijfveer op den achtergrond schoof en zich alleen gevoelig betoonde voor de œconomische belangen, dacht de regeering dat het voldoende was grooten bloei en welstand aan de Zuidelijke provinciën te verzekeren, om hunne genegenheid te verwerven. Dit denkbeeld versterkte zich bij den Koning, na de opening in Juli 1830 van de Nationale Tentoonstelling te Brussel, die, overigens een welverdienden bijval genoot. De vooruitgang van nijverheid, wetenschap en kunsten, waarvan zij getuigenis aflegde scheen hem een verheerlijking van zijn bestuur; de stoffelijke voorspoed van het koninkrijk bleek hem een waarborg voor de openbare rust.
En inderdaad, op dat oogenblik, dacht niemand noch aan scheiding, noch aan omwenteling. De latere getuigenissen van de hoofdleiders van de beweging, L. de Potter, J.-B. Nothomb, baron de Gerlache, stemmen daaromtrent eenparig met de toenmalige verslagen van de gezanten overeen. De oppositie bleef steeds binnen de palen der wettelijkheid, toen eensklaps de gebeurtenissen in het naburige Frankrijk, die toenmaals veel meer dan nu zulke hevige weerkaatsing op de Belgische aangelegenheden uitoefenden, het koninkrijk der Nederlanden, dat heerlijk gebouw door de Mogendheden in 1814 opgericht, op zijn grondvesten deden beven en met geweld instorten.
Bibliographie
a) Officieele akten: J. J. F. Noordziek, Verslag der handelingen van de Staten Generaal, 's Gravenhage, 1862, vlgde; Nederlandsche Staatscourant, sedert 1814; — b) Dagbladen: Le Courrier des Pays-Bas (Gent, sedert 1821, liberaal); Mathieu Laensberg (Luik, 1824) later Le Politique (1829, liberaal); Le Belge (Brussel, 1826, gematigd liberaal); Le Journal de Gand (Gent, 1815, liberaal); Le Courrier de la Meuse (Luik, 1820, katholiek); Le Catholique des Pays-Bas (Gent, 1826); De Vaderlander (Gent, 1829, katholiek). — De Nederlandsche Gedachten ('s Gravenhage, 1829) en Le National (Brussel, 1829), organen der regeering. Vgl. W. P. Santijn Kluit, Dagbladvervolgingen in België ('s Gravenhage, 1892). — c) Vlugschriften: De 126 voornaamste zijn opgesomd bij Pater Delplace, La Belgique sous Guillaume I (Leuven, 1899), blz. 221-224. — d) Brieven: A. R. Falck, Brieven ('s Gravenhage, 1861) en Ambtsbrieven ('s Gravenhage, 1878); Catalogue des lettres autographes formant les archives de M. C. F. van Maanen ('s Gravenhage, 1900). — e) Gedenkschriften: J. Lebeau, Souvenirs personnels et Correspondance diplomatique (Brussel, 1883); J. J. Raepsaet, Journal de la Commission chargée d'élaborer la Loi Fondamentale, in Œuvres Complètes, dl. VI (Gent, 1838). — L. de Potter, Souvenirs personnels, 2 dln. (Brussel, 1839); H. de Mérode-Westerloo, Souvenirs (Brussel, 1864). — f) Gelijktijdige werken: J. B. Nothomb, Essai historique et politique sur la Révolution beige (Brussel, 1833) en Bon C. de Gerlache, Histoire du Royaume des Pays-Bas (Brussel, 1839); beide werken, opgesteld door twee hoofdleiders der katholieke partij tegen de regeering van Willem I, zijn eerder twee verdedigings- of ophemelingsschriften hunner schrijvers en dus zeer partijdig — Bon de Mortemart-Boisse, Le Royaume des Pays-Bas (Parijs, 1836); A. Quetelet, Recherches statistiques sur le Royaume des Pays-Bas (Brussel, 1829); A. J. L. Van den Bogaerde van Ten Brugge, Essai sur l'importance du commerce, de la navigation et de l'industrie dans les Pays-Bas (Brussel, 1844). — g) Moderne geschiedkundige werken: L. Hymans,. Histoire politique et parlementaire de la Belgique de 1814 à 1830, dl. I tot 1815 alleen verschenen (Brussel, 1869). — P. Poullet, Les premières-années du Rme des Pays-Bas, 1815-1818 (Revue Générale de Belgique, 1896-97); Rélations inédites sur les débuts de la Révolution belge (Ibid. 1897); nog dezelfde, La Sainte Alliance et le Rme des Pays-Bas (Annales Internat. d'Histoire, Congres de Paris, 1901). — Deken S. Balau, 70 ans d'histoire contemporaine de la Belgique, 1815-1884 (Leuven, 1891); Pater Jezuiet L. Delplace, La Belgique sous Guillaume I (Leuven, 1899). — J. de Bosch Kemper, De staatkundige geschiedenis van Nederland tot 1830 (Amsterdam, 1868); Dr W. J. Nuyens, Geschiedenis van het Nederlandsche volk van 1815 tot op onze dagen. (Amsterdam, 1883 vlgde);. W. H. de Beaufort, De eerste Regeeringsjaren van Koning Willem I ('s Gravenhage, 1885); W. J. Knoop, Herinneringen aan de Belgische Omwenteling van 1830 ('s Gravenhage, 1886); Dr Th. C. Colenbrander, De Belgische Omwenteling ('s Gravenhage, 1905). Zie verder Bon de Keverberg, Ch. White, Th. Juste, Ch. de Bavay.