← Table of contents
Vergif

Vierde hoofdstuk.

Margaretha Meijboom translation

Er was allang sprake geweest van een fabriek, die in de buurt van de stad zou gebouwd worden. Het heette, dat het een filiaal zou zijn van een groote Engelsche zaak in kunstmeststoffen. Maar de ondernemers wilden er ook graag kapitaal uit de stad in hebben en daar men in de stad niet veel verstand van zulke zaken had, kwam er een deskundige, om met de menschen te spreken, te verklaren wat men kon verwachten, dat er verdiend zou worden, een geschikt terrein te koopen, dat al was uitgezocht en naar aanleiding daarvan waren er gasten bij professor Lövdahl.

De deskundige in quaestie, die Michal Mordtmann heette, was als de meeste vreemden aan Professor Lövdahl aanbevolen. Trouwens, de professor kende hem nog wel van de universiteit. Mordtmann was indertijd begonnen in de medicijnen te studeeren. Maar toevallig was hij in Engeland gekomen, waar hij door connecties van zijn vader kennis maakte met een familie, die scheikundige fabrieken had.

Geheel onverwacht kreeg hij een aanbod van een mooie betrekking daar; de lust bekroop hem eens te probeeren verscheiden jaren in Engeland te blijven. Maar langzamerhand kwam hij tot de ontdekking, dat deze verandering in zijn levensrichting niet zoo toevallig was als hij zelf wel meende.

Zijn vader—Isac Mordtmann en Co., in Bergen, dreef een groote zaak en had een goeden omzet; maar wat hij aan vast vermogen bezat wist niemand.

’t Was een ondernemend, levendig handelsman, die er heelemaal niet blij om was, dat zijn eenige zoon absoluut dokter wilde worden. Maar Isac Mordtmann en Co. had geleerd geduld te oefenen en het geschikte oogenblik aan te grijpen. Zoo liet hij zeer in der minne zijn zoon doen wat hij wilde, tot hij zelf die reis naar Engeland in orde gemaakt had. ’t Aanbod van de betrekking aan de Engelsche fabriek kwam ook door hem, en nu had hij het in zoo verre gewonnen, dat de zoon een practisch scheikundige geworden was en niet een arme dorpsdokter, Joost weet waar, ergens op de rotsen.

De bedoeling was nu, dat Michal de nieuwe fabriek zou aanleggen en besturen. Maar Isac Mordtmann en Co. hadden geen groot kapitaal om er in te plaatsen; de Engelsche firma, die in het prospectus als de „Moeder-zaak” werd voorgesteld, nam een voorzichtige houding aan; dus moest het grootste gedeelte van het kapitaal in de stad zelf opgenomen worden, waar het bizonder gunstig gelegen terrein gevonden was en al half en half gekocht.

Dit was dus de taak van Michal Mordtmann en hij toonde al dadelijk, dat hij er voor bekwaam was. Hij had het stijve Engelsche over zich, dat hem iets solieds, iets betrouwbaars gaf, en maakt, dat velen lust kregen hun geld in deze onderneming te steken, hoewel ze er geen zier van begrepen.

Professor Lövdahl was zeer voorzichtig met zijn geld. Hij kocht liefst buitenlandsche effecten en staatspapieren in Kopenhagen en Hamburg; maar hij stak zoo min mogelijk van ’t vermogen van zijn vrouw in ondernemingen binnen de stad. Er waren te veel wederzijdsche verplichtingen tusschen de kooplieden van leenen en helpen, en onderteekeningen en borgstellingen, dan dat de professor zou wenschen meê te doen in de handelswereld.

Daarom begeerde hij de hooge positie onder de groothandelaars niet, die hij zonder twijfel zou hebben ingenomen, wanneer het groote vermogen van zijn vrouw in de stad zelf geplaatst was.

Hij trok zijn rente en knipte in alle stilte zijn couponnetjes; men wist zoo ongeveer wat hij van den ouden Abraham Knorr had geërfd en dat hij zijn geld uit Bergen kreeg; maar velen peinsden er over, wat hij er dan meê deed.

Daarom had ook Michal Mordtmann moeite met den professor. De onderneming had immers een wetenschappelijk tintje, zooiets van scheikunde en geneeskunde; er was ten minste niemand in de stad, die iets van die analyses en al dat gepraat over fosforzuur begreep, behalve professor Lövdahl. En zoolang hij zich achteraf hield, vlotte het niet recht.

Intusschen kwam Mordtmann voortdurend als gast daar aan huis; en toen hij een veertien dagen in de stad geweest was, gaf de professor een groote partij voor hem.

Mevrouw Lövdahl was zeer teleurgesteld in Mordtmann. Hij was een jaar of vier jonger dan zij; maar zij kon hem zich nog heel goed herinneren uit Bergen, als een levendig jong mensch, een enthousiast taalman, met toasten op de vrouw, het volk en al wat het volk betrof. Nu kwam hij terug als een stijve Engelschman en praatte met vervelende menschen over soda en beendermeel. Ze had bijna geen tien woorden met hem gewisseld en Mevrouw Wenche vond, dat hij voor zijn ouderdom buitengewoon vervelend was.

Eerst dien avond viel het haar op, dat hij met zijn Engelsche kleeding en manieren goed uitkwam tusschen al die alledaagsche menschen, die zij van buiten kende.

’t Diner was niet geanimeerd geweest; er waren enkel heeren en gedeeltelijk een soort van heeren, die anders niet bij de Lövdahls aan huis kwamen, maar wier kennismaking voor den jongen Mordtmann van belang kon wezen.

De professor was levendig en beminnelijk geweest, zooals altijd. Hij dronk op den eeregast, wenschte hem allen mogelijken voorspoed met zijn onderneming en de stad geluk met een zoo groot en zonder twijfel voordeelig bedrijf.

Maar ’t zat toch in de lucht, dat de professor zelf nog geen enkel aandeel genomen had in deze ongetwijfeld voordeelige zaak, die hij aanprees en waar hij op dronk.

Michal Mordtmann voelde dat ook. In zijn antwoord had hij geprobeerd te schertsen over de langzaamheid en de overdreven voorzichtigheid van de Westlanders; maar tegelijk was hij geëindigd met te zeggen, dat als ze eens begonnen, dan ging het ook met stoom. Hij hoopte dan nu ook maar, dat het in dit geval... enz.

Michal Mordtmann kwam in een kregele stemming van tafel; hij voelde, dat hij grond verloren had.

Als hij rondging bij deze menschen en onder vier oogen met hen sprak in een donker kantoor, zoo groot als een kleerenkast, werd hij zelf ernstig en sprak ook ernstig. Maar nu hij aan een feestelijken disch aanzat en wijn dronk, was zijn licht Bergensch bloed in beweging gekomen; hij improviseerde zijn amusante toespraak. Maar later begreep hij, dat hij liever een droge en fosforzure speech had moeten houden, zooals hij zich oorspronkelijk ook had voorgesteld.

’t Huis, waarin Professor Lövdahl woonde, was heel groot en ouderwetsch met een tuin aan den achterkant; hoewel het midden in de stad lag. Hij had het gekocht van de gemeente, die vroeger het huis als feestlokaal gebruikt had, of om er een koning of prins die door het land trok, onder dak te brengen.

’t Waren groote en hooge kamers, waar het ietwat ouderwetsche ameublement, dat Mevrouw Wenche meêbracht, goed in paste.

Dien avond was de geheele woning in gebruik genomen—er waren een vijftig heeren. Ze zaten tot in de wachtkamer van den professor. Hier begon de tabak en die vulde langzamerhand de andere kamers, maar bleef hangen bij de portière van ’t boudoir van de huismoeder zelf, die daar koffie zat te schenken.

Er waren verscheidene speeltafeltjes en bij de toddy, die al dadelijk na het maal rondgediend werd, verzamelden zich groepjes, die de vracht en den prijs van het zout bespraken of de hoofden bijeen staken over de nieuwe fabriek.

Michal Mordtmann liep zich te ergeren; overal scheen hij te merken, dat hij een bok geschoten had; en toen hij zich dat eenmaal in het hoofd gezet had, werd het natuurlijk erger dan het was.

Maar het ging hem werkelijk zeer aan ’t hart. Een paar dagen geleden had hij nog aan zijn vader geschreven, dat hij alle hoop had. Zou hij nu moeten bekennen, dat hij zich op een diner verpraat had en de menschen afgeschrikt?

Gedurende zijn verblijf in Engeland was hij met hart en ziel handelsman geworden. Hij lachte, als hij er aan dacht, dat hij eens een enthousiast taalman was en dat het zijn ideaal geweest was in, voor en met het volk te leven.

Het Engelsche welvaren met het voortdurend baden en wasschen en het schitterend witte linnen hadden zijn smaak veranderd en hem van het volk gescheiden. En wat er aan leven en geestdrift in zijn ziel geweest was, had zich—als bij zijn vader—omgezet in een sterken lust in speculeeren, in vooruit komen, in veel te besturen hebben.

En aan den anderen kant had de omstandigheid, dat hij reeds nu zoo’n diepe verachting voelde voor datgene, waar hij toch tot zijn vijf en twintigste jaar zoo meê gedweept had—hem een wantrouwen gegeven in sterke hartstochten over ’t algemeen; het had hem ook tegenover vrouwen voorzichtig en koud gemaakt—wat hem zeer ten goede gekomen was.

Met zijn vader stond hij nu op een bizonder vertrouwelijken voet. Samen hadden zij dit plan van de fabriek gemaakt: de zoon directeur, de vader handelsdirecteur en behalve dat commissionnair agent, voor het Engelsche huis; daar was allerlei kans op goede winst, en in geval van tegenspoed was het bijna uitsluìtend aandeelhoudersgeld, dat er bij inschieten zou.

Maar als dat geld nu niet kwam!

Michal Mordtmann wierp zijn sigaar weg, dronk een glas grog en ging in de kamer van Mevrouw Lövdahl.

De koffie was rondgediend en ’t dienstmeisje was aan het afnemen. Om Mevrouw Wenche heen stonden eenige heeren, die niet rookten of toevallig met haar waren blijven praten. ’t Waren meest ambtenaars en enkele van de huisvrienden, die zich in dit gemengd gezelschap niet erg thuis voelden.

„Ik dank u voor uw toast, Mijnheer Mordtmann,” riep Mevrouw Wenche vriendelijk.

Hij boog stijf en zag haar wantrouwend aan.

In een hoek van de ruime zaal zocht hij een plaatsje achter een étagère, waar hij in albums begon te bladeren, terwijl het gesprek in den kring om de vrouw des huizes heen weer vlot werd.

„Ja, ik kan op dit punt niet toegeven, Mijnheer de rector,” zei Mevrouw Wenche; „u zegt, dat ik me maar kalm moet houden en hopen......”

„Neen, pardon Mevrouw! zóó zei ik het niet. Ik zei, als het onderwijs en de geestelijke ontwikkeling van een kind is overgelaten aan mannen, die kennis van zaken en ervaring vereenigen met een goeden wil, dan moeten de ouders hopen en vertrouwen, dat hun kind met Gods hulp wel bewaard is.”

„Ja, maar wie staat mij in voor dien goeden wil en al dat andere?”

„De staat, het ministerie van onderwijs, een zorgvuldige regeering. Gelooft u mij, Mevrouw, ons onderwijs kan zich meten met dat van welk land ook in Europa en ’t staat wat godsdienst en zedelijkheid betreft boven dat van de meeste landen.”

„Ja, maar als ik nu met mijn eigen oogen zie, dat het verkeerd gaat, dwars en glad verkeerd! Wat moet ik dan doen?”

Zij lachten allen goedig om het geänimeerde vrouwtje. En zij lachte meê, ofschoon het voor haar hooge ernst was.

„U is—hm... U is een heele strenge dame,” zei de rector glimlachend, terwijl hij zijn grooten neus met snuif vulde. „Hier zijn juist verscheiden mannen van ’t onderwijs. Wij moeten ons wel heel schuldig gevoelen.”

„O neemt me niet kwalijk, heeren! daar dacht ik niet aan. Dat weet u toch allemaal wel, niet waar?” Zij zag met haar open glimlach van den een naar den ander. „Dat is mijn ongelukkig Bergensch temperament—zooals Carsten zegt. Als ik eenmaal een overtuiging heb, moet ik die uitspreken, ronduit. En nu heb ik al lang een duister gevoel gehad, dat het heelemaal mis is met ons schoolonderwijs.”

Behalve de rector was de onderdirecteur Abels ook in de kamer; (hij vond het bizonder aangenaam, dat de menschen zeiden, dat hij Mevrouw Wenche het hof maakte;) ook was de directeur van de lagere school Klausen er en later kwam ook Aalbom binnen.

„Zoudt u niet zoo vriendelijk willen zijn ons te zeggen wat er mis is, Mevrouw?”

„Alles!—Alles. Van ’t begin tot ’t einde?”

„Meent u dat ook van de lagere school, Mevrouw?” vroeg meester Klausen.

„Die ken ik niet; maar ik ben er zeker van, dat als de school voor de kinderen van de welgestelden zoo slecht is, die voor de kinderen van de armen natuurlijk nog slechter moet zijn.”

’t Waren harde woorden, die Mevrouw Wenche dien avond sprak; harder nog dan gewoonlijk. En de heeren zagen elkaar aan. Maar de goedige en wat politieke glimlach van den rector zegevierde en beheerschte eindelijk de stemming: op stuk van zaken was ’t toch maar een dame!

„Ik geloof wel, dat ik ten minste één ding weet, dat Mevrouw wat irriteert,” begon de oude rector handig.

„En dat is?”

„Dat u met uw mooie, krachtige handjes niet kunt ingrijpen, dat u niet eens redderen kunt onder de leeraren en den rector zelf niet wat aan den band houden.”

„Ja, juist,” riep Mevrouw Wenche, „dàt is het! Ik zie wel, dat jelui allen lachen; maar ik meen het in ernst; dat is het juist, dat ik niets—niets meer voor mijn zoon kan doen, terwijl ik toch duidelijk zie, dat hij bedorven wordt en zijn krachten verspild worden.”

„Nu, nu, lieve Mevrouw. Zóó erg willen we hopen dat het niet is. Maar hebt u wel gelijk als u zegt, dat u niets meer voor uw zoon kunt doen, als u vindt, dat de school in een of ander opzicht verkeerd doet? Iedere opmerking......”

„Ach, lieve Mijnheer de rector, hoe kunt u mij toch op dit punt tegenspreken. U weet toch zelf wel, dat een kind op de openbare school achter driedubbele muren zit, en wee den vader—en nog meer wee de moeder, die de hand in dat wespennest steekt.”

„Hm, ik kan u zeggen, Mevrouw Lövdahl,” viel meester Klausen in, „dat er bijna geen dag omgaat, dat ik niet vier of vijf oude wijfjes op mijn dak krijg, die een mondje open komen doen over een of ander wat met hun lieve bengels gebeurd is.”

„Pardon, Mijnheer Klausen! die oude wijfjes—zooals u ze verkiest te noemen—hebben met veel pijnen hun kinderen het leven gegeven—wat ik nog nooit van een hoofd van een school gehoord heb; en al daarom alleen hebben ze het recht naar hun beste weten het oog op haar bengels te houden, (die voor haar even lief zijn als de onzen voor ons) wanneer ze gedwongen zijn hen aan wildvreemde menschen over te geven.”

„Ja, dat zou me een lieflijke optocht van moeders geven, als je al hun praatjes aan wou hooren!—Dat zou ’t hoofd van een school eenvoudig ’t leven onmogelijk maken.”

„Dat kan me heelemaal niet schelen,” antwoordde Mevrouw Wenche droog. „Moeders hebben het recht en den plicht hun kinderen op den voet te volgen, zoover ze maar kunnen;—en God gave, dat ze ’t allen deden, al zouden dan ook ontelbare schoolmeesters sterven. Met uw welnemen, Mijnheer Klausen.”

„Neen maar... maar lieve, beste Mevrouw Wenche!” riep de rector en stak smeekend de handen naar haar uit. „U kunt toch niet bedoelen, dat vaders en moeders iederen keer bij troepen moesten komen aanzetten als...”

„Neen, neen, beste vriend,” viel Mevrouw Lövdahl hem lachend in de rede en greep vriendschappelijk zijn hand; „ik bedoel alleen, dat ik wou, dat er zooveel belangstelling voor de kinderen was onder ons ouders. Dan zou de belangstelling, zoodra ze sterk en levendig genoeg was, wel een of anderen vorm vinden om zich in te uiten, zoodat wij, die toch zelf het onderwijs betalen, ook wat invloed en wat controle zouden krijgen op wat daar achter die dikke schoolmuren gebeurt.”

De zaakwaarnemer Kahr had vreedzaam in een hoekje gezeten onder den invloed van het digestieproces na tafel; en de levendige discussie tusschen zulke volkomen onjuridische personen amuseerde hem zeer.

Nu vond hij, dat er langzamerhand zóóveel menschen in de kamer van Mevrouw Lövdahl bijeen gekomen waren, dat het tijd werd een beetje logica en methode in het gesprek te brengen.

„Er was iets in het laatste wat Mevrouw zei, dat mij aanleiding geeft tot een vraag,” begon hij met humoristischen ernst op zijn rood glimmend gezicht,—’t was immers maar een dame—; „zei u niet, geachte Mevrouw, dat de belangstelling van de ouders voor hun kinderen een uiting vinden moest door feitelijken invloed op het werken en het wezen der school.”

”Ja, juist.”

„Een vertegenwoordiging—of zoo iets—van de belangstelling der ouders.”

”Ja, zoo iets wilde ik hebben.”

„Maar...... ja, pardon, Mevrouw!” zei Mr. Kahr en deed alsof hij heel verlegen was, „maar zooiets hebben we immers.”

„Ja?—daar weet ik niets van,” antwoordde Mevrouw Wenche en kreeg een kleur; het gebeurde nu en dan in gesprekken als dit, dat zij haar hoofd stootte aan dingen, waar ze ’t bestaan niet van vermoedde.

„Dat verwondert mij, Mevrouw!—U schijnt u toch in dat soort van zaken ingewerkt te hebben... of ten minste er zoo warm belang in te stellen. Wij hebben immers juist een vorm gevonden voor de gedachte, dat de ouders ook in de staats-scholen vertegenwoordigd moeten worden; dat hebben wij immers: in ’t Ephoraat, het Ephoraat van de school.”

„Ephoraat?” vroeg Mevrouw Wenche onzeker.

Maar vóór Kahr of een van de anderen partij konden trekken van deze overwinning, vroeg een droge, heldere stem:

„Pardon ... heeft ooit een van de heeren een levenden Ephor gezien?”

Aller oogen wendden zich naar Michal Mordtmann, die korrekt en innemend bij de étagère stond; maar toen Mevrouw Wenche en hij elkaar aanzagen, barstte zij uit in haar gewoon vroolijk lachen.

„Ik dank u, Mijnheer Mordtmann, dank u voor uw hulp!—Ja, nu vraag ik ook: wat is een Ephor voor een ding?—wie zijn Ephoren hier aan de school?”

„Maar Mevrouw,” riep de rector heelemaal verbluft, „weet u werkelijk niet, dat Professor Lövdahl een van de Ephoren aan de school is?”

„Carsten!—mijn man!—neen, dat is prachtig! Ach, Mijnheer Abel! Wilt u mijn man even roepen? Ik moet hem toch eens zien als Ephor!”

De onderdirecteur vloog als een pijl uit den boog door de portière en kwam met den professor terug, die kaarten in de hand had.

„Wat is er voor een grap, Wenche?” vroeg hij vroolijk.

„Een kostelijke grap!—Ze zeggen dat je een Ephor bent—Carsten!”

„Ja zeker ben ik een Ephor...”

„En dat jij de uiting bent van de belangstelling der ouders in de schoolkinderen...”

„Ja zeker. Heb je me dan niet vooraan zien zitten op zoo’n stoel met een hoogen rug naast den burgemeester op examenfeesten?” zei de professor onvoorzichtig, „maar nu moet je me met rust laten; ik heb de hand vol troeven.”

De andere heeren dachten in stilte, dat, als Professor Lövdahl het gesprek gevolgd had, hij zeker anders zou hebben geantwoord. Maar Mevrouw Wenche was op eens ernstig geworden:

„Ja zie je, daar heb je ’t weer! Als ik niet juist op ’t goede oogenblik dit groote woord in gelach gesmoord had, zooals het verdient—dan zou ik me nu, zooals veel andere menschen verbeeld hebben, dat ook op dit punt alles zoo goed en wijs is ingericht door de autoriteiten, dat wij eenvoudigen en vrouwen maar te zwijgen hebben, en alles zijn gang moeten laten gaan. Maar nu zal niemand—ik dank u nog eens voor uwe hulp, Mijnheer Mordtmann—nu zal niemand me meer overbluffen met groote woorden. Als Carsten Ephor is, dat weet ik wel, dat het Ephoraat niets anders is dan een schakel in den ketting van administratief gedoe, dat ons allen smoort en steeds dommer maakt.”

„Zacht wat, zacht wat, lieve Mevrouw!” begon de rector weer. „Er moet toch een bestuur zijn! wij kunnen toch niet allen regeeren.”

„Dat verlang ik ook niet; maar in iedere zaak moeten zij besturen, die feitelijk de verantwoordelijkheid hebben; en in de zaak: kinderbehandeling hebben die menschen de verantwoordelijkheid, die de vrijheid namen kinderen in ’t leven te roepen. Maar in plaats van een wezenlijk deelnemen aan den arbeid in de school in verhouding tot die verantwoordelijkheid, hebben we de comedie van een Ephoraat, dat bestaat in ’t zitten op een stoel met een hoogen rug naast den burgemeester. En dat past... ja, wat past dat niet prachtig in ’t heele gedoe van ons land. De verantwoordelijkheid wordt zóó van de een op de ander geschoven tusschen groote woorden en prachtige titels, dat het niet mogelijk is ze zelfs met kaarsen en lantarens weer te vinden. Maar de onverantwoordelijkheid bouwt zich een veilige piramide, die in een punt uitloopt; en die is zoo onverantwoordelijk, dat ze heilig wordt.”

„Kalm wat, mijn beste Mevrouw,” riep Mr. Kahr. Ze lachten nog!—’t Was immers maar een dame. Maar zulke woorden moesten toch niet gesproken worden in het huis van een man met zoo’n positie.

Daar dacht Mevrouw Wenche heelemaal niet aan; zij was gewend in haar kamer vrijuit te spreken; en haar man had het niet verder gebracht, dan zooveel hij kon te kalmeeren en te verzachten.

Michal Mordtmann had een poosje naar Mevrouw Lövdahl geluisterd en langzamerhand kreeg hij een onbedwingbaren lust om meê te doen. Wonderlijk gestemd en moedeloos als hij was, omdat de koopman in hem een nederlaag geleden had, voelde hij behoefte den taalman los te laten—den ouden vrijheidsman—en een oogenblik den Engelschen dwang af te werpen; zijn zaak was toch hoogstwaarschijnlijk al bedorven.

Hij trad wat naderbij en zei met zijn mooie, zuivere manier van spreken, en met een kalmte, die de anderen, en vooral Aalbom zeer irriteerde.

„Ook mij is het steeds verkeerd voorgekomen, ja, eigenlijk schandelijk, dat juist de school en alles wat daartoe behoort, als een gesloten arena is ingericht, waar alleen de meest voortreffelijke geleerdheid en kunde worden toegelaten; terwijl er voor de vaders en de moeders, die toch het kostbaarste inzetten bij dit spel, niets meer dan een bescheiden plaatsje onder de toeschouwers buiten wordt overgelaten, vanwaar zij het philologische stof, dat in den strijd wordt opgejaagd, mogen waarnemen.”

„Bravo! Bravo!” riep Mevrouw Wenche verrukt en reikte hem haar beide handen. „Wie zou dat van u gedacht hebben? Mijnheer Mordtmann! Ik dacht eerlijk gezegd, dat... maar het doet er niet toe, wat ik dacht; ik ben blij, dat ik me vergiste. Maar komt u nu hier; wij tweeën moeten ons bij elkaar aansluiten. U ziet, dat de vijand ons aan alle kanten omringt.”

In werkelijkheid waren er veel heeren binnengekomen, zoodat er niet alleen een groep om Mevrouw Wenche heen stond, maar ’t werd langzamerhand bijna vol in de kamer; en velen van de kleine kooplieden, menschen, die niet gewend waren op groote partijen te komen, slopen naar binnen en namen plaats langs de muren.

Het levendige gesprek interesseerde hen veel meer dan het kaartspel, voor velen was het al een ergernis dat te moeten aanzien.

„Maar als u nu niet tevreden is met de manier, waarop nu het onderwijs is ingericht,”—Mr. Kahr wendde zich uitsluitend tot Mevrouw Lövdahl, zonder op Mordtmann te letten; maar zijn toon was toch iets meer formeel dan vroeger; ’t werd nu heel wat anders, nu een man—een aan de universiteit gevormd man—meêging met zulke verreikende denkbeelden; „als u zoo ontevreden is, Mevrouw, bijv. met dat ongelukkig Ephoraat, wilt u ons dan niet eens de praktische manier uitleggen, waarop u zich hadt voorgesteld de ouders aan het werk in de school te laten deelnemen?”

„Ja zeker, met alle genoegen,” antwoordde Mevrouw Wenche vrijmoedig; „eerst zou ik willen, dat alle vaders en moeders van kinderen uit dezelfde school een groote vergadering hielden om te bespreken wat...”

„Pardon Mevrouw, neemt u mij niet kwalijk, dat ik u in de rede val,” zei Mordtmann onrustig, „maar nu u zelf zoo vriendelijk is een verbond tusschen ons beiden voor te stellen, moet ik u als uw bondgenoot ten sterkste afraden praktische voorstellen met betrekking tot de hervorming te doen.”

„En waarom mag Mevrouw dat niet, als ik vragen mag?” De jurist wendde zich voor het eerst regelrecht tot Mordtmann.

„Omdat iemand, die een ingrijpende hervorming verlangt, er zich wel voor moet wachten met praktische voorstellen aan te komen. Want onder de groote menigte, die zich altijd tegen iedere hervorming verzet, zal er altijd wel een of ander zijn, die zoo’n praktisch voorstel verdraait, zoodat het belachelijk wordt, een karikatuur van wat er bedoelt wordt, en dan meent men, bewezen te hebben, dat de tijd voor de hervorming nog niet gekomen is.”

„U zegt, men meent dat bewezen te hebben,” riep de jurist uit de hoogte, „maar ik ben ook zoo vrij te meenen, dat de ontijdigheid van een hervorming voldoende bewezen is, als de practische onuitvoerbaarheid in confesso is.”

„Ja, natuurlijk! De theorie kan schoon zijn, watte? Maar houd u aan de praktijk... aan de praktijk, jonge man!” Dat was de „blinde darm,” die eindelijk losbarstte; hij was als altijd razend van verontwaardiging, als hij iets hoorde, dat op oppositie leek.

Michal Mordtmann keek naar het opgewonden gezicht van den leeraar met zijn Engelsche kalmte en wendde zich daarna weer tot den jurist.

„Bij hervormingen van dien aard, waar hier over gesproken wordt, is de praktische uitvoering een bijzaak en betrekkelijk van weinig gewicht en wie zich daarmeê ’t eerst bezig houdt, begint van achter af en doet vergeefsch werk. Maar als u daarentegen de gedachte, die aan de hervorming ten grondslag ligt, tot de publieke opinie van uw tijd kunt maken,—als het in dit geval gelukt bij de ouders die sterke belangstelling voor de school te wekken,—ja, dan zal die belangstelling haar uitdrukking in de praktijk vinden,—gemakkelijk, natuurlijk, als van zelf. Maar zoolang die belangstelling niet opgewekt is, geeft het niets of men over de praktische moeielijkheden disputeert; en zoodra die gewekt is, zijn er geen practische moeielijkheden meer.”

„Ach—dat is echt jeugd—watte?” schreeuwde de blinde darm; „alleen maar alles afbreken en niets opbouwen—watte? Neen, daar doen ze niet aan; want dat kunnen ze niet! dat moeten wij doen,—of de toekomst! maar afbreken—ja, dat is makkelijk, watte?”

„Ja,” antwoordde Michal Mordtmann, „flinkweg iets afbreken, b.v. de jeugd, dat is zeker heel gemakkelijk. Maar zóó afbreken, dat er werkelijk wat valt, dàt is, zoover ik weet, minstens even moeielijk als opbouwen. Alles af te breken wat Mevrouw Lövdahl’s schoolhervorming in den weg staat—aan de eene kant luiheid en onverschilligheid en aan den anderen kant hoogmoed en betweterij—zie, dat is zeker een heel inspannend en moeilijk werk, en ik kan wel berekenen, dat u en ik al lang ter ruste zullen gegaan zijn eer dat gebeurd is. Maar dat is toch mijn overtuiging—en mijn hoop, dat dit afbrekingswerk gedaan zal worden.”

„Ja, afgebroken zal dat alles worden!” riep Mevrouw Wenche warm, „er moet een tijd komen, dat allen ’t inzien, hoe gewetenloos het is ’t eene geslacht na het andere aan oude vooroordeelen en versteende leerstellingen op te offeren.”

„Hm,” antwoordde Mr. Kahr, „wij hebben nu veel schoone en gevleugelde woorden gehoord en het zal zeker wel niet baten een kleine, praktische vraag te doen, te meer omdat het praktische juist niet aan de orde schijnt te zijn...”

„Kom, niet zoo scherp, heer jurist! Kom u maar met uw praktische vraag; als ik Mijnheer Mordtmann aan mijn kant heb, ben ik nergens bang voor.”

„Nu dan, kort en goed. Waarom zendt u uw kind naar school! Wat wilt u dat hij leeren zal?”

„Daar zal ik u met genoegen op antwoorden, en ik zal dat zoo bezadigd doen, dat mijn kompagnon heel kalm blijven kan, want daar heb ik zelf zoo dikwijls over gedacht. Als wij—vaders en moeders—die zelf gevoeld hebben hoeveel er noodig is, hoeveel men weten moest, alleen maar om eenigszins zijn tijd, zijn plaats in het leven te begrijpen,—als wij onze kinderen naar school sturen, doen we dat natuurlijk omdat we willen, dat zij op tijd die kundigheden zullen verwerven, die wij nu door eigen dure ervaring weten, dat het leven eischt.”

„En u vindt niet, dat de school in die richting werkt?”

„Neen, daar is ’t ver—heel ver vandaan! Zie nu b.v. mijn Abraham eens... Maar waar is de jongen toch?”

De professor, die juist was binnengekomen vertelde, dat hij Abraham naar bed gezonden had; „Hij vroeg of je hem goeden nacht kwam zeggen.”

„Ja, ik kom dadelijk. Arme jongen! Ik heb hem heelemaal vergeten!—Maar wat ik zeggen wou: zie nu eens naar Abraham; hij is nu volle negen jaar op die gezegende geleerde school geweest. In ’t begin ging het goed; maar in de laatste jaren wordt hij, voor zoover ik zien kan, steeds dommer, steeds meer zonder belangstelling. Zoodra hij zijn mond open doet, toont hij de grootste onwetendheid in de meest alledaagsche dingen. En ’t ergste van alles is, dat hij er bijna op neerziet, als men iets verstandigs weet van de wereld zooals die is.”

„Ja Mevrouw,” sprak Mordtmann, „uw zoon leeft in de wetenschappelijke wereld. Hij schrijdt voort naar den hoogen Parnassus der groote geesten! Ik ken dat. Ik heb zelf den omweg over den Parnassus gemaakt.”

„Wat meent u daarmeê,—watte?” vroeg Aalbom.

„O, dat kan ik u wel uitleggen! Ik ruik lont,” zei Mr. Kahr. „De heer Mordtmann hoort zeker tot de moderne tegenstanders van de klassieke opvoeding. Ik wed, dat hij een hekel aan het Latijn heeft.”

„Ja, dat heb ik zeker!”

Verscheidenen wilden tegelijk spreken, maar Professor Lövdahl behield het woord:

„U zult toch niet willen ontkennen, dat de studie van die heerlijke taal in buitengewoon hooge mate bij de jongelui het vermogen tot streng en logisch denken ontwikkelt?”

„Ik heb maar één ding opgemerkt, Professor, wat ’t Latijn bij ons allen uitwerkt; en dat is, dat het ons buitengewoon pedant maakt.”

„Sommigen onder ons, misschien,” merkte de jurist op met een beetje boosaardigheid. Maar Mevrouw Wenche lachte vergenoegd.

„Ja, u hebt gelijk. Al toen ik klein was ergerde ’t me, als mijn groote neven met Latijnsche zinnetjes aankwamen. Ik ben er van overtuigd, dat er geen slot of zin aan was. En zelfs nu erger ik me, als de oude heeren elkaar zoo beteekenisvol toelachen en met een paar Latijnsche woorden aankomen.”

„Neen, maar dat is toch een onschuldig genoegen, lieve Mevrouw!” riep nu de oude rector. Hij had zich wat teruggetrokken. Het gesprek werd hem te heftig. „Wij mogen toch wel plezier hebben in ons gemeenschappelijk eigendom. Dat is een soort van vrijmetselarij.”

„Ja juist,” antwoordde Michal Mordtmann, die zich scheen te hebben voorgenomen, tot het uiterste toe tegen te spreken; „dat is karakteristiek voor de beschaving van den ouden tijd. Er was iets heel pikants aan geleerdheid, n.l. dit: dat ze was beperkt tot een kleinen kring;—dat het genot, het geluk geleerd te hebben, niet bestond in iets te weten, maar in iets te weten, wat anderen niet wisten. Maar nu zijn er gelukkig niet veel menschen, die hun kinderen naar school zenden, om ze op die manier geleerd te maken.”

In de pauze, die hierop volgde, stond Mevrouw Wenche op om haar zoon goedennacht te gaan zeggen. Men moest ook aan tafel gaan: het was laat geworden.

Onder de geleerden heerschte een niet geringe opgewondenheid; terwijl daarentegen een paar oude kooplieden elkaar in stilte toeknikten.

„Ja, als U heengaat, Mevrouw,” zei de jurist, die eindelijk ook geanimeerd geworden was, „dan loopt dit interessante gesprek zeker dood. Jammer, dat u zich niet hebt laten overhalen over de praktische dingen te spreken: wat er geleerd moet worden, b.v. zoudt u mij niet een paar vakken kunnen opnoemen?”

„Wel,” antwoordde Mevrouw Wenche snel, „ze moesten natuurlijk historie leeren, geneeskunde, rechtsgeleerdheid, sterrekunde...”

„Ik dacht, dat je geneeskunde noemde, Wenche?”

„Ja, natuurlijk. Kennis van hun eigen lichaam, van ziekten en geneesmiddelen.”

„Neen maar Wenche, hoe kun je je nu verbeelden......?”

„Maar zeg je niet telkens zelf, Carsten! wel honderdmaal in een jaar: ‘Ja, had dat mensch in zijn jeugd op zijn oogen gepast, dan zou hij nu niet als een half blinde stakker rondloopen.’ Maar hoe zullen ze leeren op hun oogen te passen, als ze daar niet anders van leeren dan: ‘indien uw oog u ergert, ruk het uit,’ of voor hun lichaam zorgen, waar ze van leeren, dat het een ellendig en onwaardig omhulsel voor de onsterfelijke ziel is.”

„Maar rechtsgeleerdheid... watte? Jura! moeten de jongens ook dat wettengedoe in de school leeren?” riep de blinde darm; zijn nijdigheid steeg naarmate het gesprek werd voortgezet, zonder dat hij iets vond om op aan te vallen.

„Ja, natuurlijk moeten ze op de hoogte zijn van de wetgeving in hun land; hoe en door wie het recht en orde gehandhaafd worden. Maar vraag b.v. mijn Abraham, die toch anders een knappe jongen is, wat een arrondissements-rechtbank is. Hij heeft er geen flauw begrip van.”

„Maar vraag hem naar curules, aediles, tribuni plebis en zulke dingen, dan kent hij ze op zijn duim,” zei Mordtmann.

„Ja, ziet u, zulke ouderwetsche onzin, daar heeft hij zijn hoofd vol van, de stakker. Maar van zijn eigen vaderland, de staatsinrichting daar, de strijd om de vrijheid...”

„Politiek! Politiek! Moeten de jongens ook al politiek leeren?” klonk het van alle kanten en een nieuwe koortsachtige agitatie overviel allen.

„Natuurlijk! Ja zeker, moeten ze politiek leeren,” antwoordde Michal Mordtmann onvervaard.

Er ontstond een sterke beweging en algemeene verontwaardiging; zelfs Mevrouw Wenche keek bedenkelijk. Maar boven alles uit schreeuwde de blinde darm in de hoogste discant:

„Neen, maar...! God beware ons! Watte? Zullen we nu ook nog de scènes beleven, dat kleine jongens over politiek debatteeren, alsof ze volwassenen waren.”

„Vindt u ze zooveel beter, de scènes, die niet zoo zeldzaam zijn, dat volwassenen over politiek debatteeren, alsof ze kleine jongens zijn?”

Mevrouw Wenche zag den jongen man aan en glimlachte; toen haastte ze zich naar haar zoon. Maar de strijdlustige stemming verdeelde het gezelschap en allen verspreidden zich door de verschillende kamers, waar ze de vreedzame kaartspelers een doodschrik op het lijf joegen, door in groepen midden op den vloer te gaan disputeeren, terwijl ze in de hoeken hier en daar, twee aan twee elkaar bij de knoopsgaten vasthielden als twee aan den gordel samengebonden worstelaars en als hanen stonden te kraaien, met de neuzen vlak bij elkaar, met vuurroode gezichten en het haar in vlokken bijeen.

Misschien was er wel niemand, die heelemaal meêging met de oproerige ideeën van Mevrouw Wenche en dien vreemde; maar velen vonden toch, dat er wel iets van aan was. En al de geleerden streden als razenden, geheel niet gewend aan, en verbitterd over het feit, dat een uit hun eigen leger zijn afvalligheid geopenbaard had voor de oogen van al die haringschippers en kruideniers.

Aan het souper ging het voortdurend warm toe, en zelfs toen de gasten het huis verlaten hadden hoorde men in de straten, door den stillen nacht: „Hervorming—Latijn—Ephor—politiek—watte?”

Toen Michal Mordtmann zijn gastvrouw goedennacht zei, reikte ze hem weer haar beide handen, terwijl ze hem hartelijk en vroolijk bedankte voor zijn goede hulp. Hij antwoordde met een paar beleefde woorden, maar zag haar tegelijk diep in de oogen. En zij, die in lang niet zulk een blik ontmoet had, liet hem los en wendde zich tot de anderen.

Maar toen alle gasten weg waren, en haar man rustig was gaan zitten om de couranten te lezen, zei Mevrouw Wenche:

„Neen maar, wat was ik verrast door den jongen Mordtmann. Ik had er geen flauw vermoeden van, wat er in hem zat. We moeten hem toch dikwijls vragen, dat is nu eindelijk eens iemand, daar ik meê praten kan.”

„Och, me dunkt waarachtig, dat jij met alle menschen wel praten kunt,” antwoordde haar man knorrig; hij was er eindelijk achter gekomen, welke weinig correcte dingen er in zijn huis gezegd waren.

„Nu, nu, Mijnheer de Ephor,” zei Mevrouw Wenche, terwijl ze de haarspelden uit haar dik haar nam; maar door ’t noemen van het woord „Ephor” moest ze weer lachen en lachend ging zij in haar slaapkamer.

Professor Lövdahl sprong op; maar ze was al weg; hij mompelde een paar woorden, maar ging toen weer zitten.

Illustration from Vergif: Een Roman uit het Noorsch
Vijfde hoofdstuk.
Vijfde hoofdstuk.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings