← Table of contents
Vergif

Elfde hoofdstuk.

Margaretha Meijboom translation

Er waren eenige dagen voorbijgegaan, zonder dat Mevrouw Wenche iets van Mordtmann gemerkt had. Op een middag ging hij voorbij, toen hij van de fabriek kwam, maar zij trok zich terug van het venster en verborg zich.

Het gebeurde met Mordtmann was wat op den achtergrond gekomen; zij had nu geen gedachten voor iets anders dan voor dat wat haar wachtte: dat zij nog eenmaal moeder zou worden.

Toen Abraham ter wereld gekomen was had zij lang gewenscht, dat hij een zusje zou krijgen, maar toen de jaren voorbijgingen had zij die hoop opgegeven: en nu waren haar gedachten over kinderen en kinderopvoeding van dien aard geworden, dat zij zich gelukkig prees, omdat zij maar voor één de verantwoording droeg.

Haar man zou ook niet blij zijn, als hij het hoorde; dat kon zij wel van te voren weten.

Maar het ergst, ja, bijna niet uit te houden werd die gedachte, als zij zich mengde in haar verhouding tot Mordtmann.

Zij werd rood van schaamte, telkens als zij dacht aan hun laatsten avond.

Hij had haar gekust en gezegd, dat zij alleen de zijne was;—en zij—wat had zij gedaan?—en wat moest zij doen?

Zij kon immers niet alleen blijven rondloopen midden in dit alles; wat—of wie moest zij kiezen? Wat nu gebeuren ging moest gebeuren en wat dan?

Zij ging op een schemeravond op de sofa zitten, nadat zij het dienstmeisje op het hart gedrukt had niemand binnen te laten,—ook Mijnheer Mordtmann niet. Zij had zich de wanhoop nabij gevoeld en was plotseling bang geworden voor haar verstand. Nu wilde zij trachten een overzicht van alles te krijgen om te zien waar zij stond.

Maar dat werd een droevig overzicht en Mevrouw Wenche zag met ontzetting waar zij stond.

Want zij stond immers diep in leugen en verwarring aan alle kanten. Zij, die zoo kloek en zonder omzien zich door het leven geslagen had, zonder ooit zelf te liegen en zonder anderen te laten liegen, voor zoover zij er iets aan doen kon; zij, die geloofd en beweerd had, dat wie oprecht wenscht waar en eerlijk te zijn zonder schade door het leven zal kunnen gaan, hoe boordevol het ook is van leugen en lafheid.

Daar lag zij nu. In welke van die verhoudingen, die haar het sterkste bonden, was zij op dit oogenblik volkomen waar? Zij ging ze één voor één na, en begon met Abraham.

Waar was haar zoon gebleven? Zij had hem zoo dicht bij zich gehad, dat zij iedere kleine beweging in zijn ziel had kunnen zien, iedere, ook de kleinste gedachte of twijfel, die in zijn jong hoofd opkwam, had kunnen volgen en verstaan.

Waar was hij nu? Wat wist zij nu van hem? Het hielp niet veel, dat ze zei: „Zij hebben mij hem afgenomen.” Want dat was het immers juist, wat zij had moeten verhinderen; ze had op hem moeten passen, hem vasthouden in een helderen zuiveren atmosfeer van waarheid; niet uitwijken, niet los moeten laten, niet moe mogen worden in den dagelijkschen strijd.

Dat was het immers, dat zij zich zelf duizend keeren beloofd had, als zij hem op haar armen droeg, toen hij klein was;—en nu—nu hij zoo groot was geworden, dat hij er behoefte aan had, dat zij aan haar beloften dacht, kon zij nu voor hem gaan staan en zeggen:

„Hier ben ik. Hier ben ik,—je trouwe moeder.”

Kon hij nog op haar vertrouwen zooals vroeger?

„Neen”, zei Mevrouw Wenche hardop en het klonk zoo treurig in de leege kamer, „neen, dat kan hij niet.”

Tweemaal, eerst met die geschiedenis op school en later in de quaestie met het aannemen had zij het opgegeven, haar principe prijs gegeven, was zij zichzelf ontrouw geworden en had voor goed het vertrouwen van haar zoon verspeeld. Nooit had hij haar zien wankelen, dan juist tegenover deze twee zaken, die voor hem de gewichtigste waren geworden. En wat waren dat voor redenen, waarom zij overwonnen was?—Goede hemel, hoe ellendig kwamen ze haar nu voor in vergelijking met dat groote: haar plicht om haar zoon staande te houden.

Neen, het was iets anders wat haar machteloos gemaakt had, en dat was Mordtmann. Terwille van hem, en van hem vervuld, had zij haar zoon verlaten!—verlaten? Neen, verraden!

En nu dacht zij over Mordtmann en ging hun verhouding na, en die kwam haar zoo onrein voor. Die scheen haar in dit oogenblik zoo weinig waard.

Zij dacht over haar liefde en beproefde daar de kracht van, door zich af te vragen of zij bereid was, haar huis, haar positie, haar man, haar zoon, haar goeden naam te offeren en telkens als er weer iets bijkwam zag zij angstig naar haar liefde en het einde was: dat zij te oud was.

Zij was te oud, meende ze, voor die alles overweldigende liefde, die verleidelijk is als een zaligheid en dwingend als een plicht. Zij wist al te veel van het leven om zich door eenige illusie te laten verblinden en was te rechtschapen en te plichtmatig om niet de rechten van anderen te erkennen. Zij hield veel van Mordtmann. Uren lang kon het als een bekoring over haar komen, als zij zich dacht als de zijne. Een leven met een man, die het zoo geheel met haar eens was, zoo vrij van vooroordeelen, zoo kloek en edel in ieder opzicht.

En als ze dan dacht aan haar leven, zooals het van nu af worden zou met haar man, dan rilde zij van die leugens; en dan werd haar dat alles zóó walgelijk, dat het eenige, wat het beste in haar redden kon, een breuk was—een breuk met alle gezonde, hartverscheurende smart, die daaraan verbonden was, en dan een nieuw leven—hetzij dan zooals ’t worden moest—met Mordtmann.

Maar ze kon immers niet naar Mordtmann gaan zooals ze nu was.

En een oogenblik vergat ze al haar verdriet in een bitter medelijden met dat kind, waarvan de moeder ’t niet verwachtte met verlangen en liefde, en dat niemand welkom wezen zou, als het kwam.

Zij was geen moeder, waar een kind mee gebaat zou zijn; geen vrouw voor een man, geen vertrouwbare vriendin,—niets voor wie dan ook—was ’t niet het beste, dat ze maar heenging?

De dood kwam haar niet zoo zwaar voor; ze had zich vaak met de gedachte bezig gehouden vrijwillig heen te gaan; en ze meende, dat als eerst het besluit genomen was, de moed haar niet zou ontbreken.

Ze had geglimlacht over de minachting, waarmeê over ’t algemeen gesproken werd over de lafhartigheid van hen, die kiezen zelf uit ’t leven heen te gaan; want die gedachte was haar zóó nabij gekomen dat zij wist, dat er moed toe behoorde—vooral moed om te kiezen.

Moe van den maalstroom, waarin haar gedachten haar hadden gejaagd, verzonk ze in een stil, zwaarmoedig peinzen over deze vraag: zou ze niet ’t beste handelen tegenover de anderen en tegenover zichzelf door te bekennen, dat haar leven een nederlaag geweest was, en als overwonnene heen te gaan; in plaats van door te leven van leugen en stukken van haar verbrijzeld bestaan, opgevende dat waar ze voor gestreden had en waar ze ontrouw aan geworden was: volle, zuivere waarheid in woorden en daden?

Maar zij was immers niet alleen.

’t Beeld van een klein, zacht kinderkopje vervolgde haar; was dat goed een ander wezen meê te nemen; een licht te dooven vóór het nog aangestoken was?

Nieuwe twijfel, nieuwe pijn, nieuwe vragen martelden haar; waarom, was er toch niets—niemand om te helpen!

Eindelijk kwam hij—’t was over achten—haar man, waar ze niet op gewacht had; maar dien ze toch wist, dat om dezen tijd komen zou.

Hij ging nu door de vestibule, en zette zijn stok weg. Zou ze met hem spreken? hij was haar man, hem kwam de helft van dat jonge leven toe, dat zij had willen uitblusschen; hij sloeg de hand aan den knop van de deur en kwam binnen.

„Is hier iemand?” vroeg hij.

„Ik ben hier,” antwoordde zij van de sofa.

„Ben je alleen?”

Er was iets in zijn toon, dat haar opjoeg; zij antwoordde niet; maar stak snel de hanglamp aan; haar hand beefde zóó, dat het glas tegen de ballon rammelde.

„Scheelt er wat aan, Wenche?”

„Scheelt jou niet eerder wat?” vroeg ze stug, want haar man liep onrustig heen en weer, met een boosaardigen, akeligen glimlach.

„Och ja!—mij scheelt wat,—niet veel, maar een kleinigheid, waar ik met je over spreken wou. Maar—mijn God!—wat zie je er uit, Wenche!”

Op eens kreeg ze den inval te doen, alsof ze niet begreep, dat hij haar beschreid en ongelukkig gezicht bedoelde, en ze greep de gelegenheid aan om het hem te zeggen.

„Hoe ik er uitzie?—Ik dacht, dat je het wist.”

„Het wist?...... wist?......—Wat?”

„Heb je dan niet begrepen ...?”

Opeens verzamelde hij zijn gedachten; hij greep naar zijn hoofd, zag haar onderzoekend aan met zijn scherpe doktersoogen, wendde zich af en kwam weer terug, terwijl hij iets mompelde.

„Wat zeg je, Carsten?”

„Ik?—Ik zeg alleen: zoo, zoo!” antwoordde hij bleek.

„Ik ben bang, dat geen van ons beiden recht hart heeft voor die kleine stakker.”

„Welke stakker?”

„Ons kind, Carsten. Ons arm kindje.”

„Ons?”—antwoordde hij met dien zelfden leelijken glimlach en keerde zich een oogenblik naar haar toe.

Mevrouw Wenche zag hem een seconde in ’t vertrokken gezicht, zonder hem te begrijpen.

Hij keerde zich om naar de deur, om weer heen te gaan.

„Carsten!” ze stoof plotseling op, „Carsten! wat zei je daar?”

Hij keerde zich om in de deur. De heele man was veranderd; zijn grijze haren stonden overeind, zijn tanden werden zichtbaar, zijn oogen waren als die van een dier, dat plotseling zijn kooi stuk slaat, heesch en ademloos zei hij haar vlak in ’t gezicht: „Ik geloof je niet.”

Ze vloog hem achterna met een gil en opgeheven handen; maar hij was al in de vestibule, en ze gaf het op. Ze kon hem toch niet neerslaan, en dàt had ze gewild.

Een oogenblik stond ze bevend stil; daarna richtte ze zich op. Ze ging de kamer uit en gaf de dienstmeisjes orders: de professor kwam zeker niet thuis voor ’t avondeten. Zij zelf ging ook uit en nam den huissleutel meê. Niemand behoefde voor haar op te blijven.

Abraham was bij Broch en speelde kaart; ze had hem wel graag willen zien; maar ’t was misschien het beste, dat ze niet meer in de war gebracht werd.

Ze deed haar bonten mantel aan, trok den kap over haar hoofd en ging naar buiten op straat.

Mevrouw Wenche ging regelrecht naar Mordtmann; de afstanden in de stad waren niet groot; en terwijl zij daar liep, dacht ze niet verder, dan dat ze nu vrij was—heelemaal vrij van haar man; nu ging ze naar Mordtmann om hem alles te vertellen; nu kwam er licht—waarheid, eindelijk! in hun verhouding zooals vroeger; veel geluk verwachtte zij niet.

Ze was nooit in Mordtmanns huis geweest; maar ze kende zijn vensters, die op de straat uitzagen. Er was licht aan. ’t Huis was als de meeste anderen in de stad: de groote straatpoort open, geen gesloten entrée; ze ging regelrecht naar zijn deur, klopte aan en ging binnen.

Michal Mordtmann stond midden in de kamer met hoed en overjas, een pas aangestoken sigaar, juist bezig met de lamp neer te draaien, om naar de club te gaan.

In de kamer was een flauwe lucht van warm avondeten, vermengd met den fijnen geur van de eerste trekken aan een goede sigaar.

„Goeden avond Mordtmann!” zei ze en glimlachte droevig. „Nu kom ik bij je. Wacht maar even tot ik wat kalmer ben.”

Hij stamelde—hij kon niets zeggen. Hij legde zijn sigaar weg en deed zijn overjas uit.

Deze dagen hadden hem bekoeld; het onheilspellend gezicht van den professor had hem op de gedachte gebracht, dat dit alles toch al te ernstig was.

Mevrouw Wenche was klaarblijkelijk ook al te ernstig, te weinig luchtig, dan dat zij een verhouding, zooals hij zich had voorgesteld, zou kunnen dragen.

Zij kwam zijn kamer binnen, ging in zijn sofa zitten en zei: „Nu kom ik!”—Wat ter wereld moest hij toch beginnen? welken toon moest hij aanslaan?—voor den drommel! hoe moest hij de zaak aanpakken?—Mooi was ze!—ze was prachtig, zooals ze daar op zijn sofa zat, bleek en wat verwaaid; maar wat hielp dat?—en dan die wonderlijke plechtige manier van doen.

Hij schonk haar een glas wijn in:

„Lieve Mevrouw Wenche! wat is er?—is er wat treurigs gebeurd?”

„Neen,” antwoordde ze en zag weer glimlachend naar hem op. „Je zult misschien zelfs vinden, dat het wat goeds is, omdat het op eens je wensch vervult.”

„Vertel, vertel!” riep hij geanimeerd en op een toon, die verrukt moest heeten.

Ze merkte niets,—vervuld als ze was van wat ze hem nu vertellen zou,—van dat oogenblik, dat ze het verbond met den eenen man verbrak om een nieuw met een ander te sluiten.

Ze begon daarom kalm, alsof ze hem om geduld wou verzoeken; ’t zou een lang en ernstig verhaal worden:

„Ja, lieve Mordtmann!—ik ben van mijn man heengegaan en ben bij je gekomen; maar eerst is er nog iets anders.”—

„U hebt...... zegt u...... u is van uw man...... ik begrijp niet recht......;” hij zag al ’t heele stadje in oproer; Mevrouw Lövdahl,—de vrouw van Professor Lövdahl—van haar man weggeloopen, om den nacht in zijn huis—’t huis van een ongetrouwd man door te brengen!

Door ’t lichaam van Mevrouw Wenche ging een lichte schok; ze zag hem snel aan en zei—als in ’t voorbijgaan:

„Dat wil zeggen: ik heb een hevige scène met mijn man gehad; en daarom kwam ik hierheen om u om een goeden raad te vragen.”

”O, lieve Mevrouw! Ik wil alles voor u doen; u maakte me eerst heelemaal verschrikt; maar ’t was toch vrij onvoorzichtig van u op dezen tijd te komen.” Hij zette zich naast haar op de sofa.

Maar ’t gezicht van Mevrouw Wenche werd heelemaal stijf, en rimpels, die er vroeger nooit geweest waren, legden zich stram om haar mond. Zij, die altijd de waarheid sprak, had een fijn oor voor al wat hol klonk en onvertrouwbaar was; op dit oogenblik doorzag ze hem geheel en onverbiddelijk.

En dat ze het niet vroeger gedaan had, was omdat haar eigen ontwakende liefde haar blind en vol vertrouwen gemaakt had; en behalve dat—er was, vooral bij hun laatste ontmoeting—zooveel echte hartstocht in hem geweest.

Maar nu, nu ze in haar eersten twijfel hem dien strik spande, verraadde hij zich dadelijk. Er was in zijn stem zóóveel verlichting, toen hij hoorde, dat het niet zoo ernstig was—alleen maar een hevige scène met haar man—dat het op eens Mevrouw Wenche duidelijk werd, dat ze op het punt stond zich zelf te vergooien—van lafhartigheid en huichelarij in de meest valsche valschheid te vervallen.

Ze stond op en zag hem in de oogen.

Hij stond ook op, zocht naar woorden, streed zoo goed hij kon met die oogen, die zich in hem boorden, zonder dat ze waren af te weren.

Een paar seconden hield hij het uit; maar toen moest hij zijn oogen afwenden.

En toen hij weer opzag, werd zijn gezicht heel bleek en hij hield de handen op, alsof er iets op hem neervallen en hem vermorzelen zou.

Maar toen had Mevrouw Wenche met hem afgedaan. Ze stak de hand uit als om het glas wijn te grijpen, dat op tafel stond. In dit pijnigend oogenblik werd ze hevig bevreesd voor een flauwte—hierboven, bij hem! maar ze bedwong zich met alle macht, hield zich staande en ging heen.

Ze was door de stille, leege straten zoover gegaan, dat er geen lantaarns meer waren; ze merkte dat eerst toen ze struikelde en den weg niet meer zien kon.

Langs de kanten waren groote steenen gezet en diep beneden zich hoorde ze ’t zware geluid van de golven, die zich tegen de rots verhieven en weer naar beneden ruischten, met een zingend geluid rukkend aan het taaie zeewier.

Van de lantaarns in de stad blonken kleine strepen langs het fjord haar tegen; maar ze wendde zich af, ging op een steen zitten en zag voor zich uit in het duister.

„Arme kleine Abby—arme kleine Abby!” herhaalde Mevrouw Wenche halfluid. Hij was de eenige, van wie ze afscheid nam: hij was de eenige, aan wie ze zich verbonden voelde.

Want met Mordtmann had ze afgedaan—volkomen afgedaan. Ze schaamde zich, ze voelde zich vernederd en verontreinigd, doordat ze zich zoo lang door dien man had laten bedriegen. Maar niet alleen haar liefde had hij omlaag en door ’t stof gesleurd; al haar ideeën, haar liefste en moedigste gedachten had hij stuitend voor haar gemaakt; na dit kon ze op niets of niemand meer rekenen;—ook niet op zich zelf.

En als ze nu van haar man heenging deed ze dat zonder zelfverwijt. Alles in hem wat hem in hun samenleven hoog gehouden had, was als weggevaagd door die laatste beleediging; toen was een ruwheid te voorschijn gesprongen—juist dat grove man-achtige, dat ze haatte, en dat hij tot nu toe met kunst voor haar had weten te verbergen.

Neen, naar hem wilde ze niet teruggaan.

En dat arme stumpertje, dat ze nu meênam—ook dat maakte haar niet onrustig meer; want nu zag ze zoo zeker, zoo duidelijk, dat het een weldaad was—de laatste, die zij zou kunnen bewijzen,—het licht te dooven vóor het was aangestoken,—die kleine, dat meer dan twijfelachtige goed—een leven te sparen.

En in haar grenzenlooze eenzaamheid aan den uitersten rand van het leven, dat zij zich genoodzaakt voelde op te geven, werd dit voor haar als een flauwe schemering van moedervreugde,—alsof ze haar schreiend kindje in de armen hield en ’t met zich droeg naar de gezegende rust.

Maar Abraham!—dat kind, dat ze had, was hij dan zoo heelemaal voor haar verloren, dat ze hem onmogelijk kon herwinnen?

Telkens op nieuw maakte ze die som weer over; en telkens als ze meende, dat die zou kunnen opgaan, kwam er iets, dat alles voor haar weer in de war bracht.

Neen! hem kon ze geen goed meer doen door te leven, zooals haar leven in ’t vervolg zou moeten worden,—dat was onmogelijk.

Daarentegen zou ze zich kunnen voorstellen, dat de herinnering aan haar eens in zijn later leven hem tot een steun kon worden, tot een hulp om weer op te staan, als het hem ooit duidelijk zou worden—en dat hoopte zij—dat zij, zijn Moeder, haar best gedaan had zijn zieleleven gezond en waar te houden, en dat die anderen zijn jeugd hadden vergiftigd en hem laf en onvertrouwbaar gemaakt.

Haar arm hoofd kon bijna niet meer; ze was maar volkomen zeker van één ding: haar besluit. Haar smartelijke afrekening met het leven had haar gedachten vermoeid en verstompt; ze voelde het zelf en ze ging naar den dichtstbijzijnden lantaarn, om op haar horloge te zien.

’t Was twaalf uur geworden.

Mevrouw Wenche wist al lang hoe zij het doen zou, en ze had aan hen gedacht, die na haar moesten leven.

Zij wikkelde zich in haar mantel en keek nog eens uit over het fjord en naar de lichten in de stad. En ze nam alles bijeen: haar jeugd, haar vreugd, haar geluk, al wat het leven haar aan zonneschijn gebracht had, liet alles in schemerachtige omtrekken aan zich voorbij gaan en koos toen weer de duisternis,—moe, maar vast en zonder aarzelen.

Toen ging ze haastig terug door de stad, regelrecht naar huis.

Illustration from Vergif: Een Roman uit het Noorsch
Twaalfde hoofdstuk.
Twaalfde hoofdstuk.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings