← Table of contents
Vergif

Twaalfde hoofdstuk.

Margaretha Meijboom translation

De professor wekte groote verbazing in de club door tot na tienen te blijven en toddy te drinken.

Hij was namelijk anders zoo geregeld als een klok: elken Vrijdagavond een partijtje whist op de club, maar alle andere dagen precies om negen uur naar huis. Hem als vandaag—op een Dinsdagavond zijn avondeten daar te zien gebruiken, en later „à la guerre” te zien spelen met een paar jongere heeren was een wondervreemd geval.

Hij lachte er ook zelf om en was heel opgewekt; maar toen hij thuiskwam—zoowat tegen elf uur, werd hij verwonderd en onaangenaam gestemd toen hij zijn vrouw niet te bed vond.

Hij had berekend, dat ze slapen zou—of zou doen alsof ze sliep, als hij zoo laat thuis kwam; en hij wilde voor geen geld van de wereld een gesprek hebben, nu alles nog zoo heftig was, zoo versch in ’t geheugen lag.

Hij rekende na, waar ze wel kon wezen.

Veel vriendinnen had Mevrouw Wenche niet, maar er waren toch altijd drie à vier families, met wie ze zoo’n vertrouwelijken omgang hadden, dat ze daar een avond heen kon gaan zonder geïnviteerd te zijn, en zonder belet te vragen.

Maar half elf was laat, om van zoo’n bezoek thuis te komen.

Eerst kwam het niet in hem op, dat er iets gebeurd zou kunnen zijn. Hij keek of zij den anderen huissleutel meêgenomen had, en toen die weg was, nam hij den zijne uit het slot, opdat ze binnen zou kunnen komen.

Waar ze ook was—hij wist, dat men daar in huis er voor zorgen zou, dat ze naar huis gebracht werd en trouwens de stad was heelemaal niet gevaarlijk, zelfs laat in den avond voor een dame, die zoo bekend was als de vrouw van Professor Lövdahl.

Hij kleedde zich dus snel uit en ging naar bed, opdat hij doen kon, alsof hij sliep, als zij thuis kwam. Vóor alles was het er hem om te doen, dat dit gesprek, dat hij wist, dat komen moest, tot morgen zou worden uitgesteld.

’s Avond was het onmogelijk; het leidde maar tot meer heftigheid en oneenigheid. Maar ’s morgens was alles weer binnen de perken gebracht en minder gewichtig; de meest brandende strijdvragen konden dan voorzichtig als kleinigheden behandeld worden in de koele morgenlucht.

Professor Lövdahl was zich ten volle bewust, dat hij zich te buiten gegaan was en zijn vrouw ten diepste gekwetst had. Als correct man schaamde hij zich, dat hij een stemming verraden had, terwijl hij er zijn eer in gesteld had die te verbergen.

Tegenover zijn vrouw schaamde hij zich bijna minder omdat hij zelf wist, dat hij die booze woorden niet in ernst gemeend had en omdat hij er vrij zeker van was, dat ook zij, als ze even nadacht, wel zou inzien, dat het maar een gezegde was, dat hem in de eerste opwelling van misnoegen ontvallen was. Want dat was ontegenzeggelijk een vervloekte geschiedenis met dat nieuwe kind.

Nu had hij zich al zooveel jaren lang gewend aan de gedachte aan dien éénen zoon. Zoowel in zijn armenpraktijk, als in zijn statistische studiën, had hij zooveel treurige gevolgen gezien van veel kinderen in een gezin; hij had er zelf zooveel en zoo scherp tegen gesproken en geschreven.

Kwam hij nu niet een beetje in een komisch daglicht, als hij vijftien, zestien jaar daarna, op zijn ouden dag, tegen zijn eigen theorie in begon te handelen. Al die geestigheden, die hij zou moeten slikken! glimlachjes, toespelingen en steken onder water!

En al die last in huis; al die moeite en akeligheid, die men zoo gemakkelijk draagt als men jong is en alles nieuw; maar die de rust verstoren en ’t huis overhoop halen, als men eenmaal alles in orde heeft.

Dat alles was op eens over hem gekomen, had zich met de booze, opgewonden stemming vermengd, waarin hij al een poos verkeerde en had eindelijk dien beschaafden man, zoo vol zelfbeheersching, uit het evenwicht gebracht en die woorden uitgelokt, die in zekeren zin zijn geheim verraadden, hoewel hij in werkelijkheid er ver van was, wat hij gezegd had te meenen, zooals Mevrouw Wenche het moest opgenomen hebben.

Maar morgen zou alles er anders uitzien.

Aan de zaak zelf was immers niets te doen en Carsten Lövdahl was juist de man om het onvermijdelijke met gratie te dragen. Hij was ook bereid tegenover zijn vrouw excuses te maken; maar kalm, half schertsend, uit de hoogte:—morgen.

Hij deed het licht uit; ’t was eigenlijk het allerbeste rustig te gaan slapen; maar dat gelukte hem niet: hij kon niet in slaap komen.

Integendeel hij werd buitengewoon wakker, gespannen, warm en zenuwachtig,—hij lag naar het lichtste geluid te luisteren en het kwam hem voor, dat de stille nacht vol geluiden was, terwijl de stad sliep, met slechts hier en daar een wegstervende voetstap op haar straten.

En in ’t donker groeide een sombere angst op, sneller en sneller met fantastische omtrekken, en kwam al nader en nader, zwaarder en meer beklemmend met iedere vijf minuten, als hij meende, dat er weer een kwartier om was en een lucifer aanstak.

Waar blijft ze toch? Over half twaalf! Nu moest er toch iets gebeurd zijn.

Hun laatste gesprek, haar gil toen hij vluchtte, omdat hij bang was dit gesprek voort te zetten—dat alles stond hem voor den geest.—En zij, die zoo heftig was, zich nergens aan stoorde......!

Die overspannen naturen toch!—hij kende ze. Wat konden ze niet verzinnen! Waar was ze op dit oogenblik?—hij duizelde. Zwierf ze alleen rond in den nacht? Of lag ze al te drijven bij de steile rotsen in het fjord?

Hij ging overeind in bed zitten en stak een kaars aan. Hij sprak kalmeerend tegen zich zelf als tegen een koortspatiënt; maar het hielp niet.

Eindelijk hoorde hij de huisdeur.

Dadelijk deed hij de kaars uit, ging liggen en haalde langzaam en geregeld adem, alsof hij al lang sliep. Hij voelde zich grenzenloos verlicht en glimlachte over zijn angst.

Mevrouw Wenche kwam binnen, stak licht aan en trok haar japon uit, terwijl ze haar man aandachtig gadesloeg; hij sliep vast en rustig.

Stil en voorzichtig—zoodat niet één sleutel rammelde, legde zij haar hand op zijn sleutelring, nam de kaars meê en ging de slaapkamer uit.

Hij merkte, dat ze de kamer weer uitging, maar dacht daar niet verder over. Nu was ze thuis, zijn angst was voorbij, morgen zou het wel weer in orde komen. En zooals hij daar nu gerustgesteld en moe van ontroering lag en deed, alsof hij sliep, viel hij werkelijk in slaap en sliep vast en rustig twee, drie uur.

Maar toen hij midden in den nacht wakker werd en voelde, dat het bed van zijn vrouw leeg en koud was, schrikte hij weer op in angst, stak de kaars aan en keek rond. Alles was stil; ’t was over drieën; hij zag geen spoor van zijn vrouw, behalve de japon, die zij uitgetrokken had.

Carsten Lövdahl voelde zijn hart stilstaan: het werd hem duidelijk, dat er nu toch iets gebeurd was. Hij verzamelde al zijn kracht, hij wapende zich met alle kalmte, die in zijn natuur lag en die het leven en zijn werk nog in hem had versterkt en ontwikkeld.

Toen hij zich half gekleed had, nam hij het licht mee om haar te gaan zoeken.

Door de kamers viel een lichtstreep uit zijn spreekkamer; de deur stond op een kier. Hij moest even blijven staan; maar toen deed hij de weinige voetstappen naar de deur; hij wist nu wat hij zien zou.

Toch moest hij zich vasthouden en de kandelaar was hem bijna uit de hand gevallen.

Stijf uitgestrekt in zijn grooten leunstoel lag het lijk van Mevrouw Wenche. De kaars op de tafel was bijna uitgebrand; en uit haar hand, die zij in ’t laatste oogenblik over de tafel had uitgestrekt, was een van zijn kleine fleschjes gerold, die hij kende.

Hij zette de kaars weg en wilde zich op haar werpen. Maar een gedachte drong zich op eens aan hem op en maakte hem stil en koud: nu moest hij er aan denken wat hem nu te doen stond, wat er nog verborgen kon worden; nu was het tijd om een man te zijn.

En weer bedwong hij alle gevoel met zijn door gewoonte sterke zelfbeheersching, hield een spiegel voor haar mond, ofschoon hij wel weten kon, dat de dood onmiddellijk was ingetreden, toen het fleschje leeg was. Hij nam het op en zette het weer in het kastje, en lichtte langs den vloer om de kurk te vinden.

Daarop sloot hij zijn medicijnkast en stak den sleutelring in de zak.

Met afgewend gezicht boog hij zich over haar neer, nam haar op en droeg haar de kamers door naar haar bed.

Toen hij de kaarsen weer naar de slaapkamer gebracht en nog eens rondgekeken had, ging hij naar boven en riep de dienstmeisjes.

Een liep dadelijk naar buiten om Dr. Bentzen, een van de gemeente-artsen te roepen: Mevrouw was ziek, gevaarlijk ziek, ’t ging om leven en dood.

„’t Is al voorbij—lieve vriend—hier is niets meer te doen, een hartverlamming, plotseling! in een oogenblik!” zei de professor, toen hij Bentzen in de gang tegemoet kwam.

„Arme vriend!” antwoordde Bentzen en drukte hartelijk zijn hand, „kom ik te laat om je te helpen?”

„Och neen! ik kwam eigenlijk ook zelf te laat, zie je, ik lag te slapen; zij ging later naar bed dan ik; en zoo stil en plotseling is alles gegaan, terwijl ze zich uitkleedde, dat ze al bewusteloos was en de doodstrijd al begonnen was, toen ik wakker werd.”

Prof. Lövdahl sprak in groote spanning en uitvoerig—als een moordenaar, die den indruk van vrijmoedigheid maken wil.

„Heb je haar muskus gegeven?” vroeg Dr. Bentzen wat verrast, terwijl hij zich over haar boog.

„Ja, wat moest ik doen?” antwoordde de professor met een gebaar van radeloosheid; „ik was wanhopend en alleen—even voor je kwam greep ik wat ik bij de hand had. Maar ze was zonder twijfel al dood toen ik het haar in den mond goot. Ik ben altijd bang voor Wenche’s hart geweest;—maar dat het zoo zou gaan.....”

Bentzen legde de hand op zijn schouder: „Wees een man—Lövdahl—wij beiden hebben al zoo vaak zulke dingen zien gebeuren, dat we ons sterk moeten toonen, als de slag ons zelf treft. Ik zie ook, dat je kalm bent en behalve dat—je weet, Goddank! waar je de beste troost op den duur kunt vinden.”

De gemeentearts Bentzen vond altijd een paar vrome zinnetjes bij zulke gelegenheden, ofschoon zijn mond in ’t dagelijksche leven vol was van vloeken en minder fijne verhalen.

Maar toen hij weg was, de huisdeur gesloten, het ergste verborgen en zijn positie gered, toen was ’t uit met Carsten Lövdahls zelfbeheersching; hij sloot zich op bij de doode, wierp zich neer naast het bed en steunde.

Zóó was het dan geëindigd, zijn huwelijk.

’t Was voor hem één lange strijd geweest, waarin hij voortdurend verloren had—ook dezen keer.

Hij had gestreden om zijn vrouw te winnen op een andere manier dan in verliefdheid.

Zij zou leeren hem heelemaal te waardeeren—ook zoo, dat ze zijn levensopvatting als de ware erkende en zich daarvoor boog.

Carsten Lövdahl’s ijdelheid was zijn karakter; alles had bijgedragen om die te versterken—alleen zijn vrouw wilde zich niet voor hem buigen.

En naarmate zij in hun samenleven elkaar leerden kennen, begreep hij, dat de kans steeds kleiner werd, dat zij zich zou buigen in bewondering en des te sterker wenschte hij te overwinnen.

’t Zou toch ten slotte wel eens blijken, dat ze niets bereiken kon zonder hem; al haar overspannen ideeën zouden eens blijken te zijn wat ze waren: praatjes en groote woorden.

Maar toch imponeerde ze hem. Die grenzenlooze vrijmoedigheid, die vaste, zekere blik, dien hij op zich voelde rusten, al was ze ook aan het andere eind van de kamer, zoo vaak hij handig en prettig een loopje met de waarheid nam;—dat alles drukte en irriteerde hem, omdat hij haar nooit aan het wankelen kon brengen.

Alleen op éen punt had hij overwonnen; dat was in den strijd om Abraham. Maar tegelijk was er iets bij gekomen en dat was erger dan al het andere en had alles vernield.

Want het geheim, dat hij zijn heele leven met inspanning van alle kracht had verborgen was dit: hij was jaloersch,—stil, verbeten jaloersch. Maar zooals zijn ijdelheid nooit bleek in iets wat ook maar in de verste verte op pralerij geleek, zoo vertoonde de duivel van zijn jaloezie ook nooit zijn bokkepoot in heftigheid en overijling.

Hij herinnerde zich altijd een woord, dat hij in zijn jeugd gelezen had: een jaloersch man is altijd belachelijk; maar ’t meeste als hij met een dolk komt aanloopen.

Belachelijk te worden was voor Carsten Lövdahl het toppunt van menschelijke jammerlijkheid, en daarom had hij zich zelf eens voor al beloofd nooit met een dolk aan te komen.

Dat kwam ook niet met zijn persoonlijkheid overeen; en hoe diep hij zich ook gekwetst kon voelen, en hoe onmiddellijk hij ’t minste krenkende woord opmerkte, of wanneer hij op zij gezet werd, nooit kwam er maar een schaduw op zijn gezicht, die iemand opmerken kon.

Daarom had hij van ’t oogenblik af, dat zij getrouwd waren deze methode gekozen: te doen, alsof hij niets zag of begreep; hij was vriendelijk en voorkomend voor de jonge mannen, die zijn vrouw naderden, en in zijn spreken over hen vol lof—zoodat het haar zelf bijna verveelde.

Tevens hield hij zich wat op den achtergrond; liet al het ridderlijke in zijn persoon goed uitkomen; hij week uit of was bij de hand; zoo bescheiden en trouw, dat de jonge vrouw, wier volle liefde hij nu eenmaal niet bezat, toch liever tot hem terugkeerde als een of andere verhouding haar begon te verontrusten. Ten slotte was hij het toch, waar ze ’t beste op vertrouwen kon.

Maar telkens als hij zulk een crisis had doorgemaakt, voelde Carsten Lövdahl, dat het een volgenden keer moeielijker werd. Dit was ook een van de redenen, waarom hij de hoofdstad verlaten had. Hier in de kleine stad ging het beter.

Wel maakte de onderdirecteur Abel zijn bezadigde strijkaadjes, en dat ergerde den professor; maar in werkelijkheid was dat toch heel onschuldig.

’t Was, alsof hij eindelijk rust zou krijgen van de slang, die aan zijn hart knaagde;—maar toen kwam Mordtmann.

Al van dat onzalige diner, dat professor Lövdahl gegeven had, omdat hij vond dat het zijn plicht was, en omdat Mevrouw Wenche tot nu toe zoo onverholen haar onverschilligheid aan Mordtmann had getoond,—al van dien blik, waarmeê ze den jongen vreemde dankte voor zijn hulp in dat groote gesprek over de school,—van dat oogenblik af wist Carsten Lövdahl ook hoe het gaan zou,—dat wil zeggen: ’t kwam niet in hem op, dat het zóó zou eindigen.

Maar hij voorzag een nieuwe beproeving, en volgde zijn oude methode: hij nam aandeelen in de fabriek „Fortuna,” ging in ’t bestuur en noodigde Mordtmann uit met zijn vriendelijksten glimlach.

Maar hij merkte al gauw zelf, dat het niet meer zoo gemakkelijk ging als vroeger. ’t Werd hem bij den dag moeilijker zich te beheerschen. Niets ontging hem, hij wist en begreep alles; hij zag hun verhouding zich vestigen, groeien en groeien—lang vóór en veel duidelijker dan Mevrouw Wenche het zag.

En hij kookte! ’t Was hem onmogelijk langer comedie te spelen, terwijl zijn huis op ’t punt stond in elkaar te storten. De oude methode hielp niet.

Hij moest ingrijpen—of tegen den een of bij de andere.

Hij stampte met zijn stok op den grond op dien avond, toen Mordtmann naar buiten kwam met dat geheele hartstochtelijke tooneel in zijn gezicht geschreven, zóó, dat de professor ’t in één seconde gelezen had,—hij stampte met zijn stok op den grond, maar hij voelde op hetzelfde oogenblik, dat dit de laatste keer was dat hij het zoo kon doen.

Een paar dagen had hij zoo rondgeloopen; maar vandaag was hij thuisgekomen om alles aan zijn vrouw te zeggen,—alles! zooals het van den eersten dag af was gegaan tot nu toe. Aan het verootmoedigende wat daarin gelegen was dacht hij niet meer; hij wilde zich beklagen,—daar had hij recht toe; hij wilde haar tot haar plicht roepen, haar plicht, dien ze als rechtschapen vrouw niet kon ontkennen, waar ze zich niet aan kon onttrekken.

Maar toen trof het zoo ongelukkig,—die mededeeling, waarmeê ze hem tegemoet kwam,—zoo onaangenaam, zoo volkomen onverwacht. En toen verloor hij zijn kalmte, die hij met zooveel moeite bewaard had; hij was heelemaal buiten zich zelf toen hij haar die beleediging in het gezicht slingerde.

Hij had haar willen zeggen,—hij kwam om haar te zeggen, dat hij haar niet langer vertrouwde; dat hij was begonnen aan haar te twijfelen; hij wilde haar waarschuwen, haar smeeken, of haar hard toespreken, al naar ’t gesprek liep.

Maar ’t was verre van hem geweest haar te willen beleedigen. Dat haar hart van hem vervreemd kon worden—dat wist hij; en dat was immers zijn angst; maar dàt wist hij ook, dat zoodra het gebeurd was en de keus met bewustheid gedaan, dan zou ze uit zich zelf bij hem komen en het vertellen. Dat ze ontrouw zou zijn—op andere wijze—dat zou hij nooit in ernst van haar denken.

En allerminst op dit oogenblik, nu hij daar in zijn sombere gedachten verdiept zat en haar aanstaarde.

Ze lag daar zoo rein, zoo stil, zoo geheel zijn meerdere na ’t volvoeren van haar besluit.

Hij zat daar, en hij voelde, hoe ze op nieuw en nu afdoende overwonnen had.

Want wat hem in haar oogen hoog gehouden had, was juist, dat hij trots alles wat zij lafheid en onwaarheid noemde, toch iets ridderlijks had bewaard, wat haar aantrok en waarvoor ze achting hebben kon.

Maar nu had hij juist in hun laatste samenzijn het slechtste, wat er in hem was, laten zien, zich op zijn allerleelijkst vertoond—en met dat beeld was zij heengegaan.

Hij kwam daartegen op met de diepste verbittering; zijn liefde voor haar was voor ’t grootste gedeelte een brandende lust geweest om haar tot eerbiedige bewondering te brengen,—eerst dan was ook hij bereid tot bewonderen.

Nu was hij onverbiddelijk geslagen, ze had hem volkomen veracht, had hem den rug toegekeerd en was heengegaan.

Al zijn smart en teleurstelling, heel het overschot van zijn liefde, dat nog niet door zijn ijdelheid verslonden was, werd op dit oogenblik in haat tegen Mordtmann omgezet; dat zou voortaan zijn levensdoel zijn, hem op de knieën te dwingen, zich zelf en zijn nederlaag te wreken; iets anders bestond niet meer voor hem.

Maar hij had Abraham vergeten, Abraham was er immers nog, haar zoon; en bij die gedachte werd zijn bitterheid iets verzacht. Hem zou hij toch tot bewondering kunnen dwingen; hij zou de liefde die zijn vader hem aanbood, met dank en wederliefde aannemen, hij zou hem liefhebben, zooals Carsten Lövdahl bemind wilde worden.

Hij zou Abraham helpen zijn verdriet te dragen,—hij zou mogen treuren; maar tevens wilde hij hem ontwikkelen en vormen naar zijn beeld, hem zoo ver, zoo hoog brengen—zóó hoog als zijn liefde groot was. Dan zou de zoon hem ten minste schenken, wat hij van de moeder nooit had kunnen verkrijgen.

De professor nam de lamp, om Abraham te wekken, en hem zoo voorzichtig mogelijk te zeggen, dat hij zijn moeder verloren had.

De dienstmeisjes waren niet weer naar bed gegaan; ze wachtten met ongeduld, dat de dag zou aanbreken zoodat ze naar buiten konden komen en ’t nieuws vertellen; onderwijl maakten zij den kachel aan en kookten koffie.

Abraham had in den slaap gemerkt, dat de kachel in zijn kamer was aangelegd, en daarom had hij den indruk, dat het tijd werd om naar school te gaan.

Toen hij nu door zijn vader gewekt werd, ging hij met een ruk overeind zitten en meende, dat hij zich verslapen had.

„Is het al acht uur!”

„Neen—mijn jongen!—’t is nog pas zes uur; maar ik maak je wakker, omdat ik iets heel treurigs te zeggen heb.—Je moet sterk zijn—Abraham!—en God bidden je kracht te geven; want we hebben van nacht allebei een groot verlies geleden. Je Moeder is plotseling ziek geworden—”

„Is Moeder dood?” riep Abraham wanhopend en greep zich aan zijn vader vast.

„Kalm nu, mijn jongen! je ziet, dat ik ook kalm ben; je moet het dragen als een man, hoe jong je ook bent. Och—Ja! Onze lieve Heer heeft ons beiden een zware beproeving opgelegd; je moeder werd vannacht plotseling ziek. ’t Was een beroerte, die geen menschenmacht voorkomen of genezen kon, en nu—nu heeft zij het goed en wij beiden zijn alleen.”

Abraham was nog niet recht helder; hij greep haastig naar zijn kleeren in een vage behoefte om op te staan en bij zijn moeder te komen.

„Neen, neen, Abraham, blijf nu stil liggen! ’t is nog zoo vroeg, en je zult nog tijd genoeg hebben om te treuren, stakker!”

„Maar Vader, Vader! Is ’t wel zeker waar?” Abraham barstte uit in luid en heftig schreien en wierp zich in de kussens.

Lang zat de vader aan ’t bed en streelde zijn hoofd. Maar toen het schreien langzamerhand wat bedaarde, stond hij op:

„Blijf nu liggen tot het licht wordt—Abraham—of zoo lang je wilt. Je hoeft niet naar school te gaan in deze dagen; ik kom gauw weer bij je.”

’t Was zoo wonderlijk, zoo onmogelijk om te begrijpen, dat Moeder dood was, onherroepelijk dood en weg, „dood,” herhaalde hij halfluid in zich zelf.

Hij zat overeind in het bed en staarde naar het roode punt in de deur van den kachel, tot de tranen hem weer te machtig werden, en hij ging weer liggen en schreide; hij hoefde niet naar school, dat was maar goed ook; hij schreide tot hij in slaap viel en hij sliep lang.

Telkens als hij bijna wakker werd, kwam het hem voor, alsof hem iets heel akeligs wachtte; maar hij hoefde niet naar school en hij zette het van zich af.

Zoodoende stond hij niet op voor elf uur. Zijn ontbijt was in zijn kamer gezet, terwijl hij sliep; maar hij kon niet eten; hij was als half bedwelmd.

Abraham kwam eindelijk uit zijn kamer en wilde over de smalle gang naar de kamer van zijn ouders gaan,—maar de deur was afgesloten, zoodat hij door den keuken gaan moest.

Daar verbaasde het hem eerst de kookvrouw te vinden, die gewoonlijk kwam als er een diner of souper gegeven werd. Ze was bezig met vleesch te schrappen en op het fornuis stond een groote pan soep te koken.

Abraham ging de huiskamer binnen om in de slaapkamer te komen. In de kamers zag hij Mevrouw Bentzen en verscheiden andere dames, die hij kende. Ze waren allen in ’t zwart, en over de tafels en stoelen lag veel wit goed. Overal rook het naar muskus. Niets drong helder tot hem door, vóór hij bij zijn moeders bed stond.

Daar lag zij: nu zag hij het.

„Moeder,” zei hij heel zacht; „Moeder!” riep hij wat harder.

Toen was het alsof hij stikken zou. Op eens begreep hij den onverbiddelijken dood. Hij kon niet schreien.

Zijn vader kwam zachtjes binnen, en sprak vriendelijk tot hem. „Wij beiden, Abraham, moeten ons bij elkaar aansluiten. Zij heeft uitgestreden. Zie maar, hoe rustig zij daar ligt.”

Daarop nam hij hem voorzichtig meê uit de slaapkamer.

Alleen in de spreekkamer van den professor mocht niemand komen. Daar zocht Abraham zijn toevlucht.

Zijn vader zat telegrammen te schrijven, hield nu en dan op en zuchtte. Abraham keek naar buiten op de plaats, waar de herfstdag gelijkmatig troosteloos neerzeeg.

De professor werd gestoord door een bleeken, zachtmoedigen man, dien Abraham kende als den aanspreker; en terwijl ze samen spraken, sloop hij weer naar de slaapkamer.

Daar zat hij en staarde zijn moeder aan; hij schreide bijna niet, staarde maar als verlamd naar die bekende trekken, die hij maar niet in beweging kon brengen. Zouden de anderen zich toch niet kunnen vergissen? Stel je voor! Als zij zich nu eens naar hem toekeerde en zei: „Abbylief, ik ben niet dood.”

Zijn vader kwam weer binnen en vond hem daar; hij sprak wat met hem en bracht hem zachtjes de kamer uit.

De professor sprak fluisterend in ’t voorbijgaan een paar woorden met het mooie vrouwtje van den commissaris van politie; en kort daarna vroeg ze hem—’t moest van zelf heeten, maar Abraham begreep het best:—

„Toe, kom eens hier en houd de trap vast, Abraham! en geef mij de spelden één voor één aan, wil je?”

Zij stond op de trap en was met de gordijnen bezig.

Abraham ging naar haar toe en hielp haar. De dames hielden hem om strijd bezig en overstelpten hem met lof, omdat hij zoo flink en handig was. En zoo ging de dag voorbij tot etenstijd.

Toen begreep Abraham ook waarom de kookvrouw er was. Want in de groote kamer was een lange tafel gedekt; al de behulpzame dames zouden daar eten.

Abraham ging op zijn gewone plaats zitten: maar toen hij de oogen opsloeg en zag, dat Mevrouw Bentzen naast hem zat voor de soepterrine en soep opschepte, barstte hij plotseling in luid schreien uit en moest van tafel worden weggebracht.

En eerst toen voelde hij heel zijn verdriet voluit. ’t Kwam over hem als een stortvloed: het grootst en bitterst verdriet, waarvoor geen troost te vinden is in zóó’n jong hart;—het overstelpend kinderverdriet, waarvan de volwassenen meenen, dat ’t zoo gauw voorbijgaat, omdat er zooveel over héen groeit.

Met een doordringende bitterheid, zooals geen ander verdriet heeft, boort dit zich diep in den bodem van het hart; en alles, wat daar later kan opgroeien, dat alles wortelt in die heilige smart.

’t Leven en de tijd kunnen later wel buigen en wijzigen; maar een gemeenschappelijke stempel, een gemeenschappelijke pijnlijke plek zal er altijd zijn voor hen, die de eigenschap kregen, dat zij begrijpen en lijden kunnen, en dan dadelijk moeten beginnen met het allergrootst verlies—het eenige, dat nooit vergoed kan worden.

Illustration from Vergif: Een Roman uit het Noorsch
Dertiende hoofdstuk.
Dertiende hoofdstuk.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings