← Table of contents
Venetië

III.

Reading edition

Vervolg van het geschiedkundig overzicht.—Verval van de republiek.—Komst der Franschen.—Opheffing der staatsregeling.—Campo-Formio.—De presburger vrede.—Manin in 1830 en in 1848.—Wederoprichting der republiek.—Beleg.—Kapitulatie.—De veldtocht van 1859.—Tegenwoordige toestand van Venetië.

Na het einde der kruistochten nam de ijverzucht tusschen de zuster-republieken Venetië en Genua, wegens het behalen van bijzondere handelsvoordeelen, zoozeer toe, dat het in de veertiende eeuw herhaaldelijk tot oorlogen tusschen haar kwam, waarin de venetiaansche admiraal Victor Pisani zich met roem overlaadde. Vermaard zijn vooral zijne zegepralen bij Capo d'Anzio en Chioggia.

In de vijftiende eeuw bereikte de republiek het toppunt van roem en bloei; zij zag toen haar gebied op het italiaansche vasteland aanmerkelijk uitgebreid en Cyprus aan hare heerschappij onderworpen. Maar terwijl nu, door Vasco de Gama's omzeiling van de Kaap de Goede Hoop (1498), de handel van Venetië over Alexandrië op 't allergevoeligst werd getroffen, waren van den anderen kant de Osmanen meester van Konstantinopel geworden, en ontrukten aan de republiek achtereenvolgens Morea, Albanië, Negroponte en andere bezittingen in den Archipel.—In 1508 en 1509 schitterde zij echter nog in vollen luister, daar zij toen, evenzeer door dapperheid als door fijne staatkunde, haren smadelijken val voorkwam, die bij het verbond van Kamerijk besloten was, waarvan de vier toenmalige hoofdmogendheden van Europa: Paus Julius II, Keizer Maximiliaan, Ferdinand de Katholieke van Spanje, en Lodewijk XII van Frankrijk de voorname aanleggers waren.

Bij den vrede van Karlowitz (1699) bekwam de republiek, dank hebbe de veerkracht van hare toen reeds overleden doge Morosini, den geheele Peloponnesus weder in haar bezit. Dit was haar laatste straal van roem. De nobili, die zij er met het gezag bekleedde, kweten zich evenwel zoo slecht van hunne taak, dat de grieksche bevolking nog liever turksch dan venetiaansch wilde zijn, en het schiereiland dan ook slechts zestien jaren in Venetië's bezit bleef. In 1715 moest de republiek eindelijk ook het eiland Candia, na een langdurigen strijd, aan de Muzelmannen afstaan.

Na den vrede van Passarowitz (1718,) waarbij de Peloponnesus weder aan Turkije werd afgestaan, besloten de overheden der eens zoo vermaarde en machtige republiek, voortaan geen aandeel meer aan de algemeene europeesche politiek te nemen, en zich tot de verdediging van haar gebied en de strenge instandhouding harer verouderde staatsregeling te bepalen. Daarmede teekende de republiek haar eigen abdikatie. In den weerloozen staat waarin zij zoo doende geraakte, verstoken van vloot en krijgsmacht, verraste haar de fransche omwenteling. Zij kon in dien toestand onmogelijk beletten, dat Peschiera en een groot deel van haar gebied op het vasteland door de Franschen bezet werden. Ware het bestuur van Venetië zoo moedig gezind geweest als de wakkere podesta van Bergamo, Ottolini, dan zou het land gewis de wapenen hebben opgevat, en daardoor wellicht een geheel andere loop aan Bonaparte's veldtocht gegeven zijn. Terwijl hij naar Stiermarken voortrukte, barstte er een opstand te Verona uit, waarbij al de Franschen werden vermoord. Hij keerde daarop ijlings terug, en maakte zich zonder slag of stoot van de republiek meester.

Tot de eischen van den franschen veldheer behoorde ook de volledige afschaffing der venetiaansche staatsregeling en de gevangenneming der drie staatsinquisiteurs. Deze revolutionaire eischen werden nu door de op alle wijzen door de Franschen bewerkte demokratische partij te Venetië op het onstuimigst ondersteund. Toen echter de Groote Raad den 12 Mei 1797, Bladzijde 32zijne eeuwenoude macht aan eene consulta van dertig leden overdroeg en uiteen ging met den kreet: “Er bestaat geen Venetië—geen St. Marcus meer!” viel het volk verwoed op de demokraten aan. De komst der Franschen maakte aan deze beweging evenwel spoedig een einde.

De Gouden trap in het Doge paleis.
De Gouden trap in het Doge paleis.

De Gouden trap in het Doge paleis.

Zes maanden later, bij den vrede van Campo-Formio, gaf Bonaparte de venetiaansche republiek met Dalmatië en Istrië, die zij onafgebroken bezeten had, aan Oostenrijk, in ruil voor België, dat aan Frankrijk getrokken, en voor Lombardije, dat bij de pasgevormde Cisalpijnscbe republiek gevoegd werd. Zoo verstond de revolutie het volkenrecht! De demokraten betaalden het kortstondig genot hunner zoogenaamde liberale staatsregeling duur genoeg met het verlies der kunstschatten, die naar Frankrijk werden vervoerd, en met het verlies hunner vloot, die, de beroemde Bucentaurus niet uitgezonderd, door de Franschen verbrand of vernield werd. Ofschoon de nationale geest destijds tot een vrij laag peil was gezonken, ontbrak het toch niet aan treffende bewijzen dat hij hier en daar nog krachtig werkte: getuige de adellijke venetiaansche dame, die bij het vernemen van den vrede van Campo-Formio, zich door vergif van het leven beroofde; en de gondelier Antonio Lizzi, die liever verkoos huis en land te verlaten, dan “de Oostenrijkers op het groote kanaal te roeien!” Toen die Oostenrijkers, in de eerste dagen van 1798, Venetië binnentrokken, waren ook de demokraten zeer uit het veld geslagen. Bonaparte antwoordde echter op hunne vertoogen: “De demokraten kunnen naar Cisalpinië verhuizen, waar men hun het burgerrecht schenken zal!” Bladzijde 33

Het Orfano-kanaal.
Het Orfano-kanaal.

Het Orfano-kanaal.

Bladzijde 34

Nog geen acht jaren was Venetië in 't bezit van Oostenrijk geweest, toen het, door denzelfden man, die het te Campo-Formio weggeschonken had, te Presburg met even weinig plichtplegingen weder teruggenomen werd, om met het nieuw opgerichte koninkrijk Opper-Italië te worden vereenigd. Venetië kwam dan nu toch weer onder eene zoogenaamde italiaansche regeering en verkreeg eenige meerdere zelfstandigheid. Zijne zonen werden wel gedwongen om in verre oorlogen de gevaren der Franschen te deelen, maar zij hadden ook deel aan hunnen roem; en de wedijver hierdoor te weeg gebracht werkte meer mede tot Italië's wedergeboorte, dan eeuwen van vrede en voorspoed gedaan zouden hebben.

In 1814, op het Weener-congres, bekwam Oostenrijk het geheele venetiaansche gebied terug. Aanvankelijk beloofde het veel, maar zeer spoedig vergat het zijne beloften weder; en in plaats dat men den Venetianen zekere mate van onafhankelijkheid schonk, werd hun een drukkend juk op de schouderen gelegd. “Gij weet wel,” zeide keizer Frans tot de bezending uit Lombardije, die, nadat het land twee jaren lang door oostenrijksche troepen bezet was geweest, hem naderde met de bede om eene meer met de vroegere landsinstellingen overeenkomstige organisatie; “gij weet zeer goed, dat ik Italië met het zwaard in de vuist veroverd heb: er kan dus geen sprake zijn van eigen staatsregelingen noch van onafhankelijkheid!” Wel werden eenige concessiën gedaan; maar de staatkundige vervolgingen, ook door de woelingen der geheime genootschappen uitgelokt, hadden geen einde; de censuur werd hoe langer hoe willekeuriger, en alle ontwikkeling werd stelselmatig onderdrukt.

De gebeurtenissen, die in 1830 te Parijs voorvielen, bleven in Italië niet zonder weerklank. Men herinnert zich voorzeker nog de samenzwering van Menotti te Modena, de omwenteling in Bologna en de Romagna, en het gebeurde te Parma, ten gevolge waarvan de hertog van Modena, de kardinaal-legaat van Bologna en de hertogin van Parma hunne staten verlieten; terwijl de beweging eindigde met de onderwerping der opgestane bevolkingen door een leger van dertigduizend Oostenrijkers, en met de terechtstelling van Menotti en Borelli. Wellicht is het echter minder bekend, dat men destijds ook te Venetië niet geheel stil zat. Manin, die zich toen pas in het stadje Mestre, aan den ingang der Lagunen, als pleitbezorger had nedergezet, werd insgelijks door de algemeene opgewondenheid meegesleept. Hij smeedde het vermetele ontwerp om zich van het tuighuis meester te maken, en stelde en verspreidde met een zijner vrienden, den bekenden dichter en journalist Tomaseo, een proclamatie, waarin de bevolking werd aangemaand om het dwangjuk der vreemde overheersching af te schudden. Manin begreep echter, toen de beweging in Midden-Italië zoo snel bedwongen werd, dat verdere proefnemingen voor 't oogenblik meer kwaad dan goed zouden stichten, en wijdde zich weder onverdeeld aan zijn ambt. Hij liet evenwel geene gelegenheid voorbijgaan om zijne medeburgers krachtig tot aaneensluiting en samenwerking aan te sporen, de publieke zaak door alle geschikte middelen levendig te houden, de bevolking in hare eigene schatting te doen rijzen, en haar nu op deze dan op gene wijze te doen zien, dat het toch nog mogelijk was om met eenige vrucht te strijden tegen de vreemde macht, die nog steeds haar lot in handen had.

De oostenrijksche regeering, schoon inderdaad zich beijverende om den voorspoed en de materiëele welvaart des lands te bevorderen, kon maar niet haar vreemden oorsprong doen vergeten. Men zag in haar de vertegenwoordigster van het geweld en de onderdrukking, de natuurlijke vijandin van alle nationale herinneringen en sympathieën: in één woord, een opgedrongen gezag, waaraan men zich noode onderwierp. Dit gaf natuurlijk aanleiding tot gespannen verhoudingen, die telkens nieuwe grieven uitlokten. De bemoeizucht der politie werd letterlijk onduldbaar. Nergens, zelfs niet in het heiligdom van den huiselijken kring, was men veilig voor hare bespieding en inmenging. Ieder die verdacht werd van ontevredenheid met de bestaande orde van zaken, werd in de gevangenis geworpen of gedwongen om als gemeen soldaat in de oostenrijksche gelederen te dienen. Het was bijna eene hernieuwing van de willekeur die onder de republiek heerschte, maar die thans dubbel ondragelijk viel, omdat ze door vreemden werd opgelegd, die van den anderen kant geen prestige wisten uit te oefenen, zoo als de nobili en de dogen althans gedaan hadden.

Met de troonsbeklimming van Pius IX scheen een nieuwe dageraad voor Italië aan te breken: een elektrieke schok doortintelde het geheele schiereiland. In Venetië was de opgewondenheid niet minder groot dan in de overige Italiaansche staten; het ”Viva Pio Nono!” werd ook daar van alle zijden aangeheven. Manin besefte echter, dat het niet bij vreugdegejuich kon blijven, maar dat er gehandeld moest worden. Hij leverde met Tomaseo een vertoog bij de regeering in, waarin met de meeste klem op de eindelijke invoering der zoo lang vruchteloos gevraagde hervormingen werd aangedrongen. Wat zij gevreesd hadden gebeurde: den 18den Januari 1848 werden zij in hechtenis genomen en naar den kerker overgebracht, welks deuren zich reeds achter zoo menig edel of doorluchtig slachtoffer voor altijd gesloten hadden. De verontwaardiging was algemeen; het karneval werd niet gevierd; de schouwburgen bleven ledig; het grootste deel der bevolking kleedde zich in rouwgewaad, en geregeld iederen middag te vier uur zag men een langen stoet van burgers langs de Slavonische kade trekken en vóór den kerker stilhouden; de mannen namen hunne hoeden af, de vrouwen wuifden met hare zakdoeken: deze zwijgende demonstratie, die de politie niet kon beletten, zeide meer dan woorden.

Eén feit vooral toonde hoe levendig de behoefte aan eenheid en eendracht reeds gevoeld werd: de twee partijen, waarin Venetië steeds verdeeld was geweest, die der Castellani en Nicoletti, verzoenden zich met elkaar. Kort na de gevangenneming van Manin en Tomaseo, hielden, op zekeren morgen, een aantal gondels stil voor de kerk van ”la Madonna della Salute.” Sommigen van degenen die er in zaten, droegen de roode sjerp der Castellani, anderen de zwarte der Nicoletti. Bladzijde 35Een priester wachtte hen; de mis werd gevierd, en de hoofden der twee partijen strekten geknield, de rechterhand naar een kruisbeeld uit, terwijl zij elkander de linker toestaken. Ook hier werd geen woord gesproken uit vrees voor de alomtegenwoordige politie.

Zelfs de tijding der Februari-omwenteling te Parijs blies het te Venetië smeulend vuur nog niet tot een vlam aan; maar toen den 16 Maart de kreet weergalmde: “Omwenteling in Oostenrijk! Eene constitutie te Weenen!” kwam er eene onzettende volksmenigte op de been, die vóór het paleis van Graaf Palffy, den oostenrijkschen gouverneur, op dreigenden toon de invrijheidstelling der gevangenen eischte. De Graaf gaf aan dien eisch toe, en Manin en Tomaseo werden op de handen des volks van het doge-paleis naar hunne woning gedragen.

De gouverneur deed nu allerlei schoonklinkende beloften; maar Manin begreep dat er doorgetast moest worden. Er was door zijne bemoeiing een burgerwacht opgericht; nu begaf hij zich naar het tuighuis, en wist zich van dat gebouw meester te maken. Graaf Palffy werd thans weldra gedrongen om te kapituleeren; hij stelde zijn gezag in handen van Graaf Zichy, den militairen kommandant, die als Hongaar, meer bij de Venetianen gezien was dan hij. Het hopelooze van den toestand beseffenende, teekende de nieuwe gouverneur echter terstond eene overeenkomst, om de stad binnen twaalf uren tijds te ontruimen.

Manin, die zich aanvankelijk teruggetrokken had, werd daags na het slagen der door hem geleide omwenteling, aan het hoofd van het voorloopig bewind gesteld. Hij had gewis aanspraak op deze onderscheiding en kweet zich uitnemend van de hem opgedragen hachelijke taak. Hij voorzag in alles; en terwijl hij allen bezielde, predikte hij te gelijker tijd matiging door zijn voorbeeld zoowel als door zijne woorden. Zijne voorgangers van den eersten dag hadden echter eene groote feil begaan: zij hadden het rechte oogenblik verzuimd om zich van de medewerking der vloot te verzekeren. De strijdkrachten der stad bestonden enkel uit zevenduizend leden van de burgerwacht, zeshonderd zeelieden en mariniers en vierduizend soldaten uit verschillende deelen van Italië; waarbij zich later nog achttienhonderd man voegden, door Karel Albert afgezonden. Alle Venetianen waren slechts door één wil bezield; maar Manin gevoelde al te goed dat dit niet voldoende was, en dat de uitkomst der gansche stoute onderneming voornamelijk afhing van den loop dien de beweging in het overige Italië nam; en die loop was, gelijk men weet, hoogst noodlottig voor de zaak der omwenteling: Karel Albert geslagen; de maarschalk Radetzky voet voor voet het door Oostenrijk verloren terrein in Italië herwinnende; en de van Engeland en Frankrijk afgebeden bijstand geweigerd.

Weldra was Venetië zoowel van de land- als van de zeezijde ingesloten, en Radetzky stelde zich reeds voor, de stad binnen veertien dagen in zijne macht te zullen hebben. Maar ofschoon de bezetting zich onmogelijk kon blijven handhaven, zoo hield zij het beleg toch van het begin van Mei tot het laatst van Augustus vol. “Liever den dood dan de Croaten!” dit was de leus waaronder zij het uiterste, het onmogelijke schier bestond, en nóg langer zou hebben bestaan, wanneer Manin haar niet had doen beseffen, dat verdere tegenweer onverantwoordelijk ware geweest, daar, zoo ten gevolge van het aanhoudend bombardement als van hongersnood, cholera en pest, de ellende in de stad ten top was geklommen.

Volgens de kapitulatie moesten al de officieren, die aan den strijd tegen Oostenrijk hadden deelgenomen, benevens veertig familiën, de stad verlaten. Daaronder bevond zich ook het gezin van Manin.

Toch was de zaak der italiaansche omwenteling door het in 1848–49 te Venetië, Rome en elders in het schiereiland voorgevallene, aanmerkelijk bevorderd: niet alleen hadden de bevolkingen hare krachten leeren kennen, maar hare grieven werden door Europa ook beter gewaardeerd, haar lot meer algemeen beklaagd, de willekeur der italiaansche regeeringen en hare onderwerping aan Oostenrijk luider gewraakt.

Piemont vond hierin aanmoediging om zich meer op den voorgrond te plaatsen, en op het congres van 1856 te Parijs eene stem in het belang van Italië te doen hooren, die weerklank vond in veler harten.

Keizer Napoleon, misschien deels en half onwillekeurig gehoorzamende aan nog niet vergeten sympathieën uit zijne revolutionnaire jeugd, toen hij lid der carbonari was, deels en zeker niet minder geleid door berekeningen van zuiver staatkundigen aard, meende de oplossing van het dusgenoemde italiaansche vraagstuk ter hand te moeten nemen, en gaf daarmede den stoot aan eene beweging, die, zeer zeker, veel verder ging dan hij zelf bedoeld of gewenscht had, en eindigde met haren bewerker te overvleugelen.

Nu werd op eens een reuzenschrede op den weg tot Italië's bevrijding afgelegd. Vijf-en-veertig jaren lang, van 1815 bijna af, hadden de Italianen, openlijk en bedekt, getracht op dien weg te vorderen. Verstandige royalisten en doldriftige republikeinen, bezadigde vrijheidsvrienden en woelige carbonari, Menotti's en Garibaldi's, Mazzini's en Gioberti's, Azeglio's en Cavour's hadden elkaar de hand gereikt, zonder dat men oogenschijnlijk een stap gevorderd was. Nu zou het met moeite opgetrokken en gehandhaafde gebouw, als met éénen slag, in puin storten.

Wij behoeven de gebeurtenissen van het aan gewichtige feiten zoo rijke halfjaar, dat tusschen de bekende nieuwejaars-receptie op de Tuileriën en den vrede van Villafranca verliep, niet te herinneren: ze liggen ieder nog versch in het geheugen. Wie hoort nog niet, te midden van het gejubel in Lombardije, in de hertogdommen en in de legatiën, den schrillen rouwkreet, door Venetië geslaakt, toen het progamma: “een onafhankelijk Italië van de Alpen tot aan de Adriatische zee,” dat de oude doge-stad van verrukking had doen trillen, half onuitgevoerd bleef? Terwijl alles in 't noorden van het schiereiland als door den slag eener wichelroede veranderde, terwijl de van vreugde dronken zusterstad Milaan de oostenrijksche kleuren tegen de pimonteesche verwisselde, bleef te Venetië alles bij het oude; en ook toen later het zuiden, Bladzijde 36over het geschonden erfgoed van den H. Petrus heen, het noorden de handen reikte en gansch Italië als samensmolt—ook toen nog bleef Venetië, Italië's parel en pronkjuweel, van het jubelende koningrijk als een vreemde gescheiden!

Binnenplein van het paleis Salviati.
Binnenplein van het paleis Salviati.

Binnenplein van het paleis Salviati.

Is het wonder dat het vrijheidlievende, zijne nationaliteit zoozeer op prijs stellende Venetië onder dezen staat van zaken kwijnt? Men behoeft daaromtrent niet enkel op dagbladberichten af te gaan: onlangs nog legde de bekende fransche schrijver Paul de Musset, die Venetië in 1863 bezocht, na er zich vroeger meermalen te hebben opgehouden, een getuigenis af, die men geen reden heeft om in twijfel te trekken. “Behalve zijn zachten hemel en zijne bouwgewrochten, zijne monumenten en grootsche herinneringen,” zegt hij, “bezit Venetië niets meer van zijne vroegere aantrekkelijkheid. Voorheen vond men nergens aangenamer, gemakkelijker verkeer; thans is de opera er gesloten, openbare zoomin als bijzondere bijeenkomsten hebben er meer plaats; men ziet er geen toiletten meer; de maatschappelijke band is verbroken; handel en beweging zijn gestremd; somberheid en moedeloosheid heerschen allerwege, en armoede en ellende nemen er dagelijks meer de overhand.” De militaire muziek laat zich nog wel, even als vroeger driemaal 's weeks, op 't St. Marcus-plein hooren—zegt hij verder—maar er wordt thans enkel voor de vreemdelingen en de bezetting gespeeld. Vroeger dreef elken avond een talrijke gondelvloot, door een muziekgondel voorafgegaan, langs het Canalazzo naar de Lagunen; maar die gondelvaart, il fresco genaamd, die het hoogste genot der gegoede bevolking uitmaakte, heeft geheel opgehouden. De aanzienlijke vrouwen vertoonen zich volstrekt niet meer in het openbaar.

“De bevolking”, gaat de Musset voort, “draagt haar lijden met een bewonderenswaardig geduld. Hare vaste Bladzijde 37hoop op de nakende bevrijding van haar land stellende, ondergaat zij daarvoor met vreugde het martelaarschap, en is zij tot alles bereid. Zij zou zelfs niet voor de opoffering harer onschatbare monumenten (bij een bombardement terug deinzen, zoo er kans bestond, dat zij tot dien prijs hare onafhankelijkheid kon verwerven. Zij zou er zich op verhoovaardigen wanneer zij op de puinhoopen der St.-Marcus-kerk kon uitroepen: ”“Zie wat de barbaren met een van de wonderen der wereld hebben uitgericht! Zie wat de vrijheid ons kost!””

Het paleis van Bianca Capello.
Het paleis van Bianca Capello.

Het paleis van Bianca Capello.

Maar mag men het er voor houden, dat de lijdende bevolking van Venetië zich niet te vergeefs met hare “nakende bevrijding” vleit? De omstandigheden schijnen die hoop alleszins te regtvaardigen. Van welken kant zal echter de bevrijding opdagen? Zal Frankrijk nog eens het zwaard aangorden, om zijn programma van 1859 volledig ten uitvoer te leggen? Dit laat zich niet verwachten, en de Hemel geve ook dat het vraagstuk zonder nieuwe bloedige tooneelen opgelost worde; dat dus ook Italië aan Oostenrijk den handschoen wegens het bezit van Venetië niet toewerpe; maar dat van Oostenrijks zijde zelf de oplossing kome. Hoe vreemd dit oppervlakkig ook moge schijnen, toch laat zich zulk eene ontknooping nog het gemakkelijkst denken. Zal het Oostenrijk niet eindelijk gaan verdrieten, Venetië als een wederspannigen gevangene te blijven bewaken? En zoo niet, zal het dan eindelijk niet gaan inzien, dat een afstand van Venetië zijne zwaar geteisterde financiën dubbel te stade moet komen, daar het dan eerst ernstig op de vermindering zijner krijgsmacht bedacht zijn, en tevens eene aanzienlijke geldelijke schadevergoeding voor het af te stane gebied eischen kan? Zeker meent men niet, dat Oostenrijk zich door zulk eene daad te veel zou verzwakken; want wat zou Bladzijde 38het verlies van 457 vierk. geogr. mijlen gronds te beteekenen hebben voor eene mogendheid, die er nog 11305 zou overhouden; en wat zou op eene bevolking van zeven- of acht-en-dertig millioen eene vermindering van 2,446,000 zielen zeggen? Acht men misschien het bezit van den geduchten vierhoek eene levenskwestie voor Oostenrijk? Maar hoe dan vóór 1797; hoe dan van 1805 tot 1815? Die vierhoek zou immers ook kunnen verdwijnen als Oostenrijks veiligheid dit vorderde, terwijl op de grenzen van Tyrol, Karinthië, Krain en Illyrië, door de natuur reeds half ontoegankelijk gemaakt, bolwerken zouden kunnen verrijzen, de geslechte in sterkte evenarende?

Slaan wij thans een blik op Venetië's merkwaardigste plaatsen en beroemdste gebouwen; en vergeten wij daarbij zoo veel mogelijk het floers, dat in deze oogenblikken over de schoone Lagunenstad verspreid ligt.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings