Uit den Franschen tijd.
Eliza Laurillard translation
Eerste hoofdstuk.
Waarom de molenaar Voss geen bankroet kan maken, en hoe hij mijnheer den baljuw in grooten nood bijstaat.
Gedoopt ben ik, en ik heb ook peetooms gehad, vier stuks. En als mijne vier peetooms nog leefden en met mij over de straat gingen, dan zouden de menschen stil blijven staan en zeggen: ”Kijk, wat zijn dat stevige kerels! Naar zoo’n soort kan men tegenwoordig lang zoeken; dat zijn nog degelijke peetooms!” En één was er onder hen, die was een hoofd langer dan de anderen en stak boven hen uit, zooals Saul boven zijne broeders; dat was de oude baljuw Weber. Hij had een netten blauwen rok aan, en eene geelachtige broek en hooge glimmend gepoetste laarzen. En al was zijn aangezicht ook van de pokken geschonden, zoodat hij er uitzag, alsof hij met zijn gezicht op een’ manden stoel had gezeten,—op zijn hoog voorhoofd stond geschreven, en ook uit zijne blauwe oogen kon men ’t lezen: “Geen menschenvrees, maar wel vrees voor God!” En hij was een kerel van stavast.
’s Morgens tegen elf uren zat hij midden in de kamer op een stoel, en zijne lieve vrouw bond hem dan een’ witten, ouden mantel om den hals, wat ze toen een purgeermantel noemden, en bepoederde hem en bond zijn haar van achteren bij elkander en draaide er een net staartje van.
Dat was nu juist niets bijzonders, en onze vrouwen draaien ons achter onzen rug ook nog dikwijls een aardig staartje;—maar zóó een, als de vrouw van den baljuw draaide, dat krijgt het tegenwoordige geslacht niet meer gedaan. Want, als de oude heer ’s middags, onder de kastanjeboomen, in de schaduw ging wandelen, dan keek het aardige kleine ondeugende staartje zoo fideel en kittig boven den kraag van den blauwen rok uit en ’t zeide tot elk, die het hooren wilde: “Ja, kijk maar goed! Wat denkt ge wel? Ik ben maar ’t uiterste puntje van zijn hoofd en ik wip al zoo vroolijk de wereld in, nu kunt ge u voorstellen, hoe vroolijk ’t er van binnen uitziet.”
Wanneer ik soms eene boodschap van mijn’ vader te bezorgen had, en het er goed had uitgekregen, dan tikte hij mij op het hoofd en zeide: “Fiks, jongen! als een geweerslot! Dat moet niet lang haken en knarsen en kraken; als je ’t afdrukt, moeten er de vonken ook uitspringen.—Ga nu naar mamsel Westphalen en laat die je een appel geven.” Tot mijn vader zeide hij dan: “Kindlief! gij zijt zeker ook blij, dat ge een’ jongen hebt. Jongens zijn beter dan meisjes; meisjes zijn mij te teemachtig. Goddank, ik heb ook een’ jongen; ik meen mijn’ Jochem.”
Mijn vader zeide tot mijne moeder: “Weet ge, wat de oude baljuw zegt? Jongens zijn beter dan meisjes.” Ik stond in de kamer en hoorde dat, en zeide natuurlijk: “Ja wel,” zeide ik, “mijn peetoom heeft altijd gelijk; jongens zijn beter dan meisjes, en alles moet gaan naar verdienste en waardigheid.” En ik nam het grootste stuk ketelkoek en gaf mijne zuster het kleinste, en ik had niet weinig verbeelding van mij zelven, want ik wist nu immers, dat ik een groot stuk van een’ kleinen appel was.—Maar dat zou niet zoo blijven; de zaak nam eene andere wending.
De oude heer blijft nog eene poos staan en ziet den molenaar na, terwijl hij het slotplein overgaat, en hij zegt bij zich zelven: “’t Is eene harde zaak voor den éénen ouden man, om den anderen zoo van lieverlede door de slechte tijden en door de nog slechtere menschen te gronde te zien gaan. Maar wie kan hem helpen? Het eenige is, hem tijd te laten winnen.—Vijfhonderd daalders!—Wie heeft tegenwoordig vijfhonderd daalders? Ik geloof, als ik den ouden Roggeboom, te Scharpzow, niet medereken, dat ik dan het gansche Stemhager rechtsgebied wel ’t onderste boven zou kunnen keeren en de stad er bij, en dan kwamen er nog geen vijfhonderd daalders uit; en Roggeboom doet het niet. Met paschen zou ’t mogelijk gaan, maar zoo lang zal de jood niet wachten. Ja, ja! Voor oude lieden is ’t een slechte tijd!”
Terwijl hij nog zoo uit het venster ziet, wordt het buiten, op het plein, zeer levendig, en Fransche jagers rijden de poort in, en de een stijgt van zijn paard en bindt het aan de klink van mamsel Westphalen’s kippenhok en gaat terstond daarop naar binnen, naar de kamer van den ouden heer, en begint hem daar wat voor te sakkerbleuen en met de armen te zwaaien, terwijl de oude heer heel bedaard blijft staan en hem aankijkt.—Toen dit echter erger werd en de Franschman de blanke sabel uithaalde, ging de baljuw naar de schel en riep om Frits Sahlmann, die zijn calefactor was en de loopende zaken moest bezorgen, en zeide: “Frits, loop eens naar den burgemeester en vraag, of hij niet eens gauw bij mij zou willen komen, want dat ik weêr uitgepraat ben.”
Frits Sahlmann komt nu bij mijn’ vader en zegt: “Mijnheer de burgemeester, kom toch eens gauw meê naar ’t slot; ’t loopt anders van mijn leven niet goed af!”—“Wat is er dan te doen?” vraagt mijn oude.—“Op het slotplein houden zes entfaamte Fransche gauwdieven stil, en die de overste van hen is, die is binnen bij den ouden heer en heeft alle respect vergeten en de blanke sabel getrokken en zwaait hem daarmeê voor de oogen en de oude heer staat vóór hem, recht overeind en hij verroert of beweegt zich niet, want hij verstaat net zooveel van ’t Fransch, als een koe van den zondag.”—
“Wel duivels!” zegt mijn vader en hij springt op, want hij was een stevig, flink man; en vrees had hij niet zoo veel, als het zwarte onder den nagel,—en hij liep naar het slot.
Toen mijn vader binnenkwam bij mijnheer den baljuw, maakte de Franschman daar een spektakel, als een wild gedierte, en uit zijn mondwerk bruiste het alsof de tap uit een vat gehaald was. De oude heer staat echter heel bedaard en heeft zijn “dictionnaire de poche” in de hand: en als hij een woord van den Franschman half en half verstaat, dan slaat hij eens na, wat de dictionnaire er van zegt. En toen nu mijn vader naderkwam, vroeg hij hem: “Zeg, kindlief, wat wil die kerel?—Vraag dien kerel toch eens, wat hij wil.”—“Mijn vader begint dus met den Fransoos te spreken, maar die stelt zich zoo onbeschoft aan, en scheldt en tiert zoo geweldig, dat de oude baljuw wederom vraagt: “Kindlief! waarom gaat die kerel toch zóó te werk?”—Nu, eindelijk krijgt mijn oude den Franschman toch zoo ver, dat hij met zijne zaak voor den dag komt. En toen hij nu den ouden heer mededeelde, dat de Franschman vijftien vette ossen, een last tarwe en zeven honderd el groen laken, en honderd louis d’or verlangde, en verder voor zich en zijne manschappen nog veel “du vin,”—toen zeide de oude baljuw: “Kindlief, zeg eens aan dien kerel, dat wij hem braaf......”—“Houd op!” roept mijn vader uit.—“Mijnheer de baljuw! Spreek dat woord niet uit; dat zal hij in den laatsten tijd al op menige plek gehoord hebben, en hij zou ’t mogelijk kunnen verstaan. Neen, ik zou u raden, hem “du vin” te geven; dan zal hij ’t andere denkelijk wel vergeten.”—En de baljuw geeft hem gelijk en roept Frits Sahlmann, dat hij aan mamsel Westphalen glazen en wijn zou gaan vragen, maar niet van den besten wijn.
De wijn komt nu, en mijn vader schenkt den Franschman in, en de Franschman schenkt mijn vader in, en ’t gaat steeds beurt om beurt, en mijn oude heer zegt: “Mijnheer de baljuw, gij moet er ook aan gelooven en mij helpen, want dit schijnt een vent, die geen bodem in ’t lijf heeft.”—“Kindlief,” hervat de oude heer, “ik ben een oud man, en ik ben de eerste hertogelijke ambtenaar in ’t Stemhager rechtsgebied; ’t past dus niet voor mij, om met dien kerel te gaan drinken.”—“Nu ja,” zegt mijn vader, “maar, nood breekt wetten; en dit is voor ’t vaderland.”—De oude baljuw komt er dus bij zitten, en werkt naar zijne krachten mede. Doch na eene poos zegt mijn vader: “Mijnheer de baljuw, de kerel wordt ons de baas, ’t zou een zegen van den hemel wezen, als wij op ’t oogenblik iemand hadden met eene goede maag en een sterk hoofd.”—En terwijl hij dit zegt, wordt er aan de deur geklopt. “Binnen!”—“Goeden dag samen!” zegt de oude molenaar Voss uit Gielow en komt de kamer in. “Goeden dag, mijnheer de baljuw!”—“Goeden dag, vriend Voss!”—“Wel, mijnheer, ik kom nog eens over mijne zaak praten.”—“Daar hebben we vandaag geen tijd toe,” zegt de oude heer, “want je ziet wel, in welke omstandigheden wij ons bevinden.” En mijn vader roept: “Mijn lieve Voss, komt gij eens hier en doe een christelijk werk; ga eens dwars voor dien Franschman zitten en neem hem eens in ’t verhoor, maar scherp.”—En de molenaar Voss ziet mijn vader aan en hij ziet den baljuw aan, en hij denkt er het zijne van, zooals de kalkoensche haan zei, en bij zich zelven zegt hij: op zoo’n gerechtsdag ben ik nog nooit geweest;—maar hij schikt zich gemakkelijk in de zaak.
Mijn vader gaat nu dichter naar mijnheer den baljuw toe en zegt: “Mijnheer de baljuw, dit is onze man; die zal hem wel klaar krijgen; ik ken hem.”—“Kostelijk,” zegt de oude heer: “maar, kindlief, hoe komen wij met die zes kerels, hier buiten op het slotplein, nog klaar?”—“Dat is maar zoo’n maraudeurs- en strooperstroep,” zegt mijn oude, “laat mij maar begaan, ik zal hen wel bang maken.” En hij roept Frits Sahlmann en zegt tot hem: “Frits, mijn jongen, ga eens achter uit door den slottuin, dat niemand je ziet, en loop naar den horlogemaker Droz, en zeg dat hij oogenblikkelijk zijn uniform moet aantrekken, met de hooge zwarte slobkousen en de beeremuts, en geweer en sabel; en dan moet hij door de kleine groene poort den tuin binnensluipen, tot onder het hoekvenster, en dan moet hij hoesten.”
Wat nu den horlogemaker Droz betreft, hij was van geboorte een Neufchateller; hij had vele potentaten gediend, ook de Franschen, en later was hij in mijne vaderstad blijven hangen, daar hij er met eene weduwe getrouwd is. Zijn Fransche uniform had hij bewaard, en als hij ’s avonds, in de schemering niet meer zien kon, om horloges te repareeren, dan trok hij zijne monteering aan, en liep steeds in zijne kleine kamer op en neder; maar blootshoofds, want met de beeremuts, dat ging niet, die schaafde tegen den zolder aan. En dan redeneerde hij van “la grande nation,” en “le grand empereur,” en kommandeerde het gansche bataljon en liet rechts zwenken, en links op den vijand inhouwen, zoodat vrouw en kinderen achter ’t bed wegkropen. Hij was echter een goed man en deed geen schepsel kwaad, en overdag lag “la grande nation” in een koffer, en hij repareerde horloges, en poetste en smeerde die, en hij at Mekklenburgsche aardappelen met de schil en doopte ze in Mekklenburgsch spekvet.
Terwijl dus nu de horlogemaker zijne slobkousen dichtknoopte, en zijne beeremuts opzette, zat de molenaar Voss met den Franschman te zamen, en werkte wat hij kon in den rooden wijn van den baljuw, en de Franschman klonk met den molenaar, zeggende: “A vous!” en dan nam de molenaar zijn glas op en zeide: “Praat maar toe!”—en dan klonk de molenaar weêr met den Franschman, en de Franschman bedankte en zeide: “Serviteur!” en dan dronk de molenaar ook en zeide: “Zet hem voor de deur!” En zóó praatten zij samen Fransch en zij dronken.
Zoo werden zij dan steeds vriendschappelijker met elkander: de Franschman stak de blanke sabel in de scheede, en het duurde niet lang, of zijn zwarte snorbaard krieuwelde den ouden molenaar onder zijn stompen neus, en de molenaar gaf er hem een paar in ’t aangezicht, van stavast, want de molenaar had een mondwerk, alsof hij met eene wanschop opgekweekt was, en elke kus van hem kon ongeveer voor drie gelden.
Juist toen dit gebeurde, werd er onder het hoekvenster gehoest, en mijn vader sloop de kamer uit en deelde den horlogemaker mede, wat hij doen moest. Mijnheer de baljuw liep ondertusschen steeds op en neder en dacht wat de hertogelijke kamer er wel van zeggen zou, zoo zij dit alles aan kon zien, en hij zeide tot den molenaar: “Vriend Voss, verlies den moed maar niet; ik zal er je dankbaar voor zijn.” En de molenaar verloor den moed ook niet, maar dronk dapper voort.
De horlogemaker ging intusschen heimelijk weder door den slottuin terug; doch toen hij op den gewonen weg kwam, die naar het slot leidde, zette hij een hooge borst en stapte dat het een aard had, want hij was nu weder “la grande nation,” en hij kwam rechtop en deftig de slotpoort binnen; dat deed hij heel mooi; hij was dan ook van aangezicht en postuur een knappe kerel. De zes jagers, die bij hunne paarden stonden, keken op en fluisterden met elkander, en één van hen ging naar hem toe en vroeg: waarheen? en van waar? Droz zag hem echter heel minachtend over den schouder aan en antwoordde hem kortaf en barsch in ’t Fransch, dat hij de kwartiermeester was van ’t drie en zeventigste regiment, en dat zou in een half uur uit Malchin hier komen, en hij moest eerst met “Monsieur le bailli” spreken. Toen begon de jager bang te worden, en toen Droz een weinig handtastelijk op maraudeurs begon te zinspelen en vertelde, dat zijn overste er gisteren een paar had laten dood schieten, toen droop eerst de één, en daarna de ander af, en ofschoon een paar van hen nog te zamen snaterden en op het slot wezen, van wege hun’ kommandant, zoo had toch niemand hunner rechten tijd tot wachten, en in een ondeelbaar oogenblik was het slotplein ledig, en in de Brandenburger poort stonden wij jongens, en keken de zes Fransche jagers na, hoe zij door den diepen kleiweg wegdraafden, want het was juist in den mooisten tijd van de toenmalige Mekklenburgsche landwegen, zoo in ’t voorjaar, als ’t alles pas ontdooid is.
Tweede hoofdstuk.
Wat mamsel Westphalen en de horlogemaker te zamen spreken, en waarom Frederik den Franschman de knoopen van zijn broek wil snijden en hem naderhand in het Stavenhager bosch te bed brengt, en waarom Fieken den Koopman van Malchin niet genomen heeft.
Toen het slotplein ledig was, stapte de horlogemaker met geweer en sabel in de provisiekamer van mamsel Westphalen, en mamsel Westphalen droogde hare oogen af, en sprak: “Mijnheer Droi, gij zijt een reddende engel!”—Zij noemt hem namelijk altijd Droi in plaats van Droz, daar zij meent, dat Droi zuiverder Fransch is en dat de menschen het juiste accent niet aan den naam geven.—De reddende engel zet nu zijn geweer tegen de zeeptobbe, hangt zijn sabel aan den vleeschhaak, legt zijne beeremuts als deksel op het botervat en gaat zelf op de aanrechtbank zitten. Hij haalt een geruiten zakdoek uit den zak, vouwt dien netjes op zijn knie glad en veegt daarmede tweemaal heel zachtmoedig onder zijn’ krommen neus; daarop brengt hij zijne groote ronde snuifdoos te voorschijn en reikt ze mamsel Westphalen toe, terwijl hij vraagt: “Plait-il?”—“Ja wel,” zeide mamsel Westphalen, “zeer gaarne, want, mijnheer Droi, ik heb zeer slechte oogen, en zij zijn sedert verleden najaar nog zwakker geworden; ik had toen de zenuwkoorts, en de dokters geven er een hoogdravenden naam aan, maar mijnheer Droi, ik zeg dat het de gewone, miserabele najaarskoorts was, en daar blijf ik bij.” Zoo sprak zij en zette den heer Droi een mooie, gebraden eend en eene flesch wijn voor, maar van de beste soort van mijnheer den baljuw, en zij maakte eene dienaresse, als van iemand die in ’t water onderduikt, en zeide ook: “Plait-il?” Nu, den horlogemaker “plait-il-de” dit zeer en hij werd te moede, alsof hij een werkelijke engel was en de provisiekamer van mamsel Westphalen, in vergelijking tegen zijne aardappeltjes met spek er bij, een paradijs; en toen hij aan de tweede flesch wijn was, redeneerde hij veel van “vin dit en vin dat” en van “de skoone Suisse.”—Middelerwijl was het donker geworden en Frits Sahlmann komt de provisiekamer in, en zegt: “Nu, ’t is eene mooie historie; mijnheer de baljuw loopt blootshoofds in ’t stikdonker door den tuin, en redeneert in zich zelven; Frederik, van den molenaar Voss, staat nu al een uur lang voor de poort en schelt op de vervloekte patriotten en op den gauwdief Dumouriez, en de molenaar duwt den Fransoos zijne vuist tegen den mond, en vraagt waar zijne vier paarden en zijne zes ossen gebleven zijn, die de Fransozen hem afgenomen hebben, en de Fransoos zit daar en verroert of beweegt zich niet en zijne oogen rollen door zijn hoofd.”—“Frits Sahlmann,” vraagt mamsel Westphalen “verroert hij zich niet?”—“Neen mammesel.”—“Frits Sahlmann, ik weet, dat je somwijlen een wauwelaar bent; en je menigmaal met onwaarheden ophoudt; ik vraag het je, op je geweten af: verroert hij zich volstrekt niet?” “Neen, mammesel, volstrekt niet, in ’t geheel niet.”—“Nu, mijnheer Droi, ga dan mede, dan willen wij naar boven gaan en zien wat daar aan de hand is; maar, neem wat van uw gereedschap om te hakken en te steken mee, en als gij ziet dat hij mij wil aanvallen, sta mij dan bij. En jij, Frits Sahlmann, loop naar Frederik van den molenaar, en zeg hem, dat hij de paarden moet afspannen en binnenkomen, want beter is beter, en wat één mensch wel tot stand kan brengen, is voor twee nog minder moeilijk.”
Frederik komt dan ook binnen en krijgt een stevigen borrel en schudt zich eens, zooals dat, na een goeden slok, mode is, en de stoet gaat nu voorwaarts naar de kamer van mijnheer den baljuw; Frederik voorop, dan mamsel Westphalen, die den horlogemaker onder den arm genomen heeft, en het laatste, Frits Sahlmann, in de achterhoede.
Als zij de kamer binnenkomen, zit de molenaar aan de tafel en heeft twee volle glazen vóór zich staan, en hij klinkt met het ééne tegen ’t andere, en met het andere tegen ’t ééne, en drinkt beurtelings voor twee, en een glimlach ligt over geheel zijn breed aangezicht verspreid. Zijne jas heeft hij uitgetrokken, daar hij bij het werk warm geworden is, en op het hoofd heeft hij den helm van den Franschman met den langen paardestaart, en over zijn’ dikken buik had hij, zoo goed als ’t gaan wilde, de sabel van den Franschman vastgegespt. De laatstgenoemde ligt, zoo lang hij is, in een hoek der canapé en heeft de witte, katoenen slaapmuts van mijnheer den baljuw op en diens chambrecloak, met de roode bloemen, aan, en de ondeugende molenaar heeft men in plaats van de sabel eene groote penneveer in de hand gegeven, waarmede hij stilzwijgend in ’t rond zwaait, want spreken kan hij geen woord.
Toen mamsel Westphalen de deur inkwam en den toestand overzag, zette zij hare beide armen in de zijden, gelijk elke rechtschapene, oude juffrouw in zulke omstandigheden doet, en vroeg: “Molenaar Voss, wat moet dit? Wat beduidt dit? En wat beteekent dit?” De molenaar wil antwoorden, maar hij krijgt het op zijne lachspieren en brengt slechts met moeite er uit: “Komedie!”—“Wat?” vraagt mamsel Westphalen,—“is dat een antwoord van een’ man, met vrouw en kinderen? Is dat het respect voor uw opperhoofd, om zoo’n uilenspiegelstreek in zijne; studeerkamer uit te voeren? Mijnheer Droi, kom mede!” Dit zeggende, gaat zij op den Franschman af, rukt hem de slaapmuts van het hoofd en slaat er hem tweemaal meê om de ooren, waarbij zij, tweemaal de twee woorden uitspreekt: “Jou varken!” Vervolgens keert zij zich om en roept: “En gij, Frederik! kom eens hier, en help mij om dien kerel de kamerjapon van den ouden heer uit te trekken! En gij, mijnheer Droi! want gij zult daar wel verstand van hebben, neem dien dwazen molenaar die soepterrine van zijn hoofd, en gesp die sabel los.”—Nadat dit alles geschied was, zeide zij: “En jij, Frits Sahlmann, jou oude babbelaar, jou deugniet!—Jij zult het hart niet hebben, om aan mijnheer den baljuw te vertellen wat er met zijne commoditeiten hier gepasseerd is, want hij laat ze anders verbranden; en wat kan zijne kamerjapon of zijne slaapmuts het helpen, dat de menschen zich als kwajongens aanstellen.”—Daarbij ziet zij den ouden, grijnzenden molenaar scherp aan, doet de kurk op de wijnflesch, zet hare armen weder in de zijden en vraagt: “Wat nu?”—
“Ik weet het,” zegt Frederik; hij haalt zijn zakmes voor den dag, doet het open, gaat naar den Franschman toe, rukt zijne uniform los en begint daar op eene zeer zonderlinge manier in rond te scharrelen.
“Heer in den hemel, Frederik!” roept mamsel Westphalen uit, en springt er tusschen in; “zijt gij bezeten? Ge zult hier toch geen moord begaan?”—“Diable,” zegt mijnheer Droi, en trekt den arm van Frederik terug, en Frits Sahlmann, de onverstandige bengel, rukt het venster open en schreeuwt: “Mijnheer de baljuw, mijnheer de baljuw! Nu gaat het er op los!”—Klets! krijgt hij een klap op zijn mond, die hem heel bekend voorkwam, daar hij dagelijks van die soort van mamsel Westphalen wel een stuk of drie ontving; dat wil zeggen, zoo bij benadering berekend, want geteld werden ze niet.
Frederik bleef echter heel bedaard staan en vroeg: “Hoe zóó dan? Wat meent gij? Ik wil hem eenvoudig de knoopen van zijne broek afsnijden; dat hebben wij altijd zoo gedaan, als wij er een stuk of wat gevangen hadden, toen ik nog tegen de vervloekte patriotten in Holland diende; en tegen den gauwdief “Dumouriez”, onder den hertog van Brunswijk, na anno 90.” En hij richt het woord tot mamsel Westphalen, zeggende: “Want, mamselletje, dan kunnen ze niet wegloopen, dan zakt hun de broek op hun knieën.”
“Schaam je wat, Frederik, om mij zoo iets te zeggen! Wat heb ik met de broek en de knieën van den Franschman te maken? En van zoo’n aanblik wil ik hier niets weten, en geen mensch zal zeggen, dat hier in de studeerkamer van Mijnheer den baljuw zoo iets onfatsoenlijks te zien is geweest. Neen, we willen liever overleggen, waar wij met den kerel zullen blijven.”
Toen dringt de molenaar Voss naar voren en wil zich op de borst slaan, maar hij slaat meer naar beneden op de maag en zegt: “Blijven? Wat blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger, en wie daarvan wat weten wil, die kome maar hier!” En hij kijkt hen allen beurtelings aan, en toen niemand iets daarop antwoordde, klopte hij den Franschman op den schouder, zeggende; “Broeder, ik neem je meê.”—“Dat is ook het beste,” zegt mamsel Westphalen, “dan zijn wij hem kwijt. Mijnheer Droi, vat eens aan!”—En de één van de “grande nation” pakte den ander van de “grande nation” aan de beenen, en Frederik vatte hem boven aan het hoofd;—Frits Sahlmann droeg het licht, mamsel Westphalen kommandeerde het geheel, en de molenaar kwam, een’ kleinen boog beschrijvende, achteraan.

Blijven? Wat Blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger!
Pag. 504.
“Zie zoo,” zegt Frederik, “nu maar achterin, in den wagen!—Zoo, lig daar nu maar stil!—Frits Sahlmann, span jij de paarden eens in! En gij, mijnheer Droi, help mij, om er den molenaar op te krijgen; maar pas goed op, dat hij de balans niet verliest, want ik ken hem, dan tuimelt hij omver.”
Zoodra nu de molenaar, zit, vraagt Frederik: “Wel, is alles aan boord?”—“Alles aan boord!” zegt mamsel Westphalen.—“Nu, dan maar ju!” zegt Frederik. Doch, nauwelijks is hij een paar schreden voortgereden, of de horlogemaker roept: “Alt! alt, Frederik!—Gij hebt vergisteren dat kameraad zijn cheval; dat staan in de logis voor de kleine poules!”—“Ja,” zegt Frits Sahlmann, “’t staat in ’t kippenhok.” “Nu, haal het dan,” antwoordt Frederik, “en bind het van achteren maar aan den wagen.”
Dit gebeurt dan ook, en terwijl zij nog daarmede bezig zijn, komt de oude baljuw van zijne wandeling in den tuin terug en vraagt, wat hier te doen is. “Niemendal,” zegt mamsel Westphalen. “De molenaar Voss heeft den Franschman maar uitgenoodigd, om meê te rijden en van nacht op den molen te Gielow te blijven.”—“Dat is eene andere zaak,” zegt de oude heer.—“Adjuus, vrind Voss! Ik zal ’t niet vergeten.” De molenaar bromt zoo wat in zijn baard van heel mooi, vruchtbaar weder, en mamsel Westphalen fluistert Frits Sahlmann toe, dat hij vooruit moest loopen, en de sabel en den paardestaart van den Franschman uit de kamer van zijn meester gaan halen, dat hij die niet in ’t oog kreeg: “Breng alles maar naar mijne kamer,” zeide zij, “en leg ’t achter mijn bed.”
Frederik klapt nu met de zweep over de paarden en draaft den berg van het slot af, de Malchiner straat in, en hij zegt bij zich zelven: “Dit is het proefstuk: als de molenaar bij dezen weg en met zulk hard rijden op den zak blijft zitten, dan komt hij van avond ook alleen van den wagen af.” Maar toen hij een eindje verder was en omkeek, lag de molenaar tusschen den voorsten en den achtersten zak in, en Frederik zeide: “Zonder hulp komt die niet weêr beneden.” En hij haalde een paar zakken voor den dag en dekte hem die over ’t lijf, opdat hij geen kou zou vatten.
Nu reed hij voort, en de paarden gleden stapvoets door den diepen weg, en in den duisteren avond, en allerlei gedachten kwamen bij Frederik op. Vooreerst viel hem in, wat de molenaarsvrouw vroeger eens gezegd had, toen de molenaar alleen zóó was aangekomen, en wat ze nu wel zeggen zou, als hij met nog een er bij, zoo thuis kwam; en wat molenaar’s Fieken er wel van zeggen zou; en hij schudde met het hoofd en zeide: “Goed loopt het zeker niet af.”—En ten tweede viel hem in, dat het ook om dezen tijd van het jaar geweest was en in zoo’n duisternis, toen hij voor zeven en een half jaar van de Pruisen uit Prenzlau gedeserteerd was, en dat hij ook toenmaals, totdat hij in ’t Stavenhager rechtsgebied was doorgedrongen, onder den blooten hemel had gelegen en zich met doornstruiken had toegedekt.—En, ten derde, viel hem in,—en toen dat hem inviel, knarste hij op de tanden,—hoe hij met den hertog van Brunswijk in Frankrijk geweest was; niets aan het lijf, niets in het lijf, als den rooden loop, en hoe de Franschen hem gejaagd en gesard hadden, en hoe zoo velen zijner kameraden op den landweg waren blijven liggen, en ook zijn besten vriend, Christiaan Kräuger, en dat het volk geen medelijden had. “En de beide mooie bruinen,” sprak hij bij zich zelven, “hebben ze mij ook afgenomen, en ik moet nu rijden met twee oude half kreupele knollen; en die moeten zich hier nog in dien diepen weg, met zoo’n karnalje vogel van een maraudeur aftobben, die niet eens een fatsoenlijk militair is?—Vervloekte patriotten!—Gauwdief.—Dumouriez!”—Dat waren zijne eenige vloeken als hij boos was.—“Ho! ho!” riep hij en sprong van den wagen af, en ging achterom en maakte den klinkhaak los van ’t achterdeel van den wagen;—daarop pakte hij den Franschman bij de beenen; trok hem halverwege uit den wagen, bukte er met zijn schouder onder en droeg hem over een sloot naar het Stavenhager bosch waar hij hem onder een beuk nederlegde.—“Ja” zegt hij, toen de Franschman zich daar een weinig begon te bewegen, “dat is je zeker een beetje vochtig, maar je bent van binnen vochtig, waarom dan ook niet van buiten?” En hij zag naar boven, naar de lucht, en sprak: “Voor in ’t laatst van Februari is ’t een mooie, warme nacht, en als ook de koekoek juist niet zingt, zoo heb ik hem toch verleden zomer in dezen beuk hooren zingen, en,—zoo God wil, zingt hij hier van ’t jaar weder.”—En toen de Franschman min of meer rilde, alsof hij het koud had, sprak hij: “Niet waar, broertje! ’t is een beetje koel en ’k zou je hier nu mooi kunnen toedekken met een geducht pak slagen en daar zou geen haan naar kraaien; maar ik wil je toonen, dat ik een christelijk hart heb.” Dit zeggende, gaat hij naar den wagen, haalt een paar armen vol stroo en werpt dat over hem heen, met de woorden: “Nu, adjuus! Meênemen doe ’k je niet; waarom zouden de molenaarsvrouw en Fieken zich over je ergeren?” Hij klimt nu weêr op den wagen en rijdt zachtkens naar huis.
Niet ver van den molen maakt hij den molenaar wakker, spreekt hem moed in en zegt: “Molenaar! ga rechtop op den zak zitten, ik help er u straks af.” De molenaar richt zich op en zegt: “Ik bedank u wel, mijnheer de baljuw!” En hij keek verwilderd rond, waar hij was, en vroeg, wat dat voor een paard was, dat achter den wagen hing, en toen hij een weinig tot bezinning gekomen was, voelde hij naar beneden, achter in den wagen en vroeg: “Frederik, waar is de Fransoos?”—“Ja, waar is die!” zeide Frederik en hij hield voor de huisdeur stil en sprong van den wagen en hielp er den molenaar af, eer de vrouwen met licht kwamen. Zijn meester kwam met moeite de deel op en de molenaarsvrouw liep hem te gemoet en vroeg: “Wel, vader, hoe is ’t afgeloopen?”—De molenaar sukkelt over den drempel van de deur de kamer binnen, legt zijn hoed en handschoenen op de tafel en gaat een paar keeren in de kamer op en neêr: waarbij hij de reet zeer strak in ’t oog houdt, en zegt: “Dat is een zware gang!”—“Dat zie ik,” zegt de molenaarsvrouw.—Fieken zat aan de tafel en naaide linnengoed.—En de molenaar ging weder trotsch heen en weer en vroeg: “Ziet gij niets aan mij?”—“Genoeg,” antwoordde zijne vrouw. “Ge hebt weêr bij den bakker Witt gezeten en hebt je zorgelijke omstandigheden vergeten en je vrouw en kinderen, en zijt aan ’t drinken geweest.”—“Zoo? Denkt ge dat? Laat mij je dan zeggen, dat de verstandigste mensch zich kan vergissen. Neen! ik heb met mijnheer den baljuw en den burgemeester en een Franschen generaal, of zoo iets, broederschap gedronken, en de baljuw heeft mij gezegd, dat hij er met dank aan zou denken, want dit was voor ’t vaderland. En, Fieken, jou zeg ik, gooi je niet weg! Dat heb je niet noodig!—De koopman van Malchin had je voor mijn part kunnen trouwen; maar dat wou je immers niet!”
Fieken keek, zoo wat half van haar werk op en zeide: “Vader laat dat toch rusten, ten minste van avond!”—“Best, lief dochtertje! Je hebt gelijk, kindlief! Zie gij zijt immers mijn eenig kind, want, waar is Karel en waar is Jochem? Ach, goede God!—Maar, dat zeg ik je: gooi je niet weg! en verder zeg ik niets.—En onze geldzaak, moeder?—Wat zegt de oude baljuw?—Vrind Voss, zegt hij, ik zal er in dank aan gedenken.—En dan de Fransoos! Moeder, de Fransoos!—Waar, duivel, is de Fransoos! Hij lag toch achter in den wagen; dat moet Frederik toch weten.” Hij rukt het venster open en roept: “Frederik! Frederik! hoort ge dan niet?”
Frederik hoorde hem heel goed, maar hij pinkte eens met het oog en zeide: “Ja, schreeuw maar! Wat zal ik daar veel van zeggen? de molenaarsvrouw kan er zelve genoeg van zien; ik zal mijne handen niet branden.” Daarop bond hij het paard van den Franschman aan de ruif en nam er den zadel af, en toen hij er den mantelzak afnam, zeide hij: “Verduiveld was is die zwaar!” en legde hem in zijne haverkist, schudde het laatste voeder voor zijne paarden uit, en ging naar bed en sliep, alsof er niets bijzonders was voorgevallen.
Toen de molenaar nu wilde beginnen te schelden, omdat Frederik niet kwam, zeide zijne lieve vrouw, “Vader, laat hem maar blijven; ge zijt moê, ge hebt den heelen dag op den wagen rondgesukkeld, en zwaar gewerkt;—ga naar bed; Fieken zal je een beetje bier warm maken, dat de nachtlucht je geen kwaad doet.”—“Moedertje,” antwoordde hij, “ge hebt altijd gelijk, ik heb mij vreeselijk afgetobd, want geldzaken grijpen een mensch steeds zeer aan. Nu, de mijnen zijn in orde, zoo goed als in orde, want mijnheer de baljuw zeide: Vrind Voss, ik zal er in dank aan denken. En morgen bij tijds moet ik weêr naar Stemhagen.” Daarop ging hij in het slaapvertrek, legde zich neder, en dadelijk sliep hij in.
De moeder en Fieken zaten nog een tijd lang op; Fieken was in gedachten verdiept en naaide onophoudelijk door.—“Ja,” zegt de moeder eindelijk: “Fieken, gij zijt vlijtig, en ik leg mijne handen ook niet in den schoot, en je vader heeft zijn leven lang gewerkt en gedaan, wat hij kon; maar wat helpt dat alles? De slechte tijden brengen er ons onder, en wat de Franschen ons hebben laten houden, dat nemen de avekaten en de joden ons af; overmorgen moeten we vijfhonderd daalders aan Itzig betalen, en wij hebben geen schelling.” “Vader doet toch net alsof alles in orde is.”—“Stoor je van avond aan hem niet; avondpraat en morgenpraat kunnen verschillen; maar in ééne zaak heeft hij van avond gelijk gehad; hadt je den koopman van Malchin toch maar genomen.”—“Moedertje,” zegt Fieken, terwijl zij hare hand zachtkens op die harer moeder legde, en haar kalm in de oogen zag: “Moedertje, dat was de rechte niet.”—“Mijn dochtertje, zoo geheel naar hare volle keus trouwen tegenwoordig weinigen op de wereld; daar mankeert al licht zoo wat aan. Kijk! de koopman krijgt eene goede broodwinning, en als je vader en ik wisten, dat jij goed geborgen waart, dat zou ons een pak van ’t hart wezen.”
“Moeder, moeder, spreek zóó niet! Ik zou u verlaten, als gij en vader in nood waart? En dat dan nog wel op eene oneerlijke wijze?”—“Oneerlijk, Fieken?”—“Ja, oneerlijk, moederlief!” zeide Fieken en ’t was haar aan te zien, dat het haar hinderde, “want toen de koopman om mijne hand vroeg, dacht hij, dat er bij ons veel te halen was, en daarom woû hij mij hebben; maar ik woû hem niet bedriegen; want al hebt gij en vader het mij, uit goedheid, niet gezegd, hoe ’t met ons gesteld is, en dat wij arme menschen zijn geworden, zoo heb ik dat toch al lang gemerkt. Nu weten de menschen ’t al zoo tamelijk, en als er nu een komt, die mij hebben wil, dan wil hij mij hebben en niet het geld, en dan is ’t immers mogelijk, dat hij de rechte is.” Dit zeggende stond zij op, pakte haar naaiwerk bij elkaâr en kuste hare moeder. “Goeden nacht moederlief!” sprak zij, en zij ging naar hare slaapkamer.—De molenaarsvrouw zat nog een poos in gedachten verzonken en zuchtte: “Gelijk heeft ze, en de goede God moge alles nog ten goede besturen!”
Zij ging ook te bed, en alles lag in diepe rust; slechts de molen draaide zonder rust of duur voort en klapperde en joeg, en de wieken grepen links en rechts in wilde haast, gelijk een mensch die in grooten nood verkeert en die zich inspant en zwoegt, om bevrijd te worden uit het stof van het dagelijksche bedrijf; en van het molenrad druppelde het water af, alsof het bittere zweetdroppelen waren,—en diep onder in den grond, daar ruischte de beek met dezelfde taal en met denzelfden zang: “het helpt u niet, het helpt u niet; ik ben uw hart; zoo lang ik vliet, met golf op golf, met wensch op wensch, zoo lang hebt gij geen rust; maar, als de oogsttijd komt, en het koren rijpt, dan zal mijn stroom zachter vlieten, dan maakt de molenaar de valdeur toe, dan staat alles stil, en dan is ’t zondag.”
Derde hoofdstuk.
Waarom Frits Sahlmann een’ oorveeg krijgt, en de horlogemaker den ganschen nacht met mamsel Westphalen’s ledekant in de kamer rondscharrelt, en waarom de Fransche overste in een roode deken bij den horlogemaker te visite komt.
Toen de molenaar den weg naar het slot was afgereden, ging mijnheer de baljuw naar zijne kamer, maar hij keerde weder om, ging naar den heer Droz toe en vroeg: “Wat ben ik u schuldig, mijn lieve Droz?”—Nu, die zeide, zoo goed het hem mogelijk was, dat hij het met genoegen gedaan had, want de “Allemange was nu zijne patrie, en hij was tout pour la patrie.”—“Dat meen ik niet,” zeide de oude heer, “ik meen voor mijn horloge, dat gij in orde gemaakt hebt?”—De heer Droz antwoordde, dat dit alles betaald was; “de kleine garçon, Frits Sahlmann had alles bezorgd.”—“Ja, dat weet ik wel,” sprak de oude heer, “maar, mijn lieve Droz, een horlogemaker moet men niet enkel daarvoor betalen, dat hij aan een horloge wat gemaakt heeft, maar ook daarvoor, dat hij er niets aan gemaakt heeft, en omdat dit hier het geval is, daarom, mijn lieve Droz, neem dit van mij aan.” En hij drukte hem twee daalders in de hand en ging het huis in.
“Welnu,” zeide mamsel Westphalen, “laat hem begaan! Hij is een wonderlijke oude man, maar hij meent het goed. Maar, Mijnheer Droi, kom nu binnen, en ontdooi een beetje in mijne kamer, want bij dit nare, griezelige weêr kan een mensch het hart in zijn lijf bevriezen.” Mijnheer Droi ging dan ook mede, en toen zij nauwelijks gezeten waren, kwam Frits Sahlmann binnen. Hij had den paardestaart van den Franschman op zijn hoofd en de blanke sabel in de hand en had zich in aller ijl een snorbaard van kaarsesnuitsel gemaakt. Klets! daar kreeg hij er een, van die soort, die mamsel Westphalen gewoon was uit te deelen, om de ooren. “Jou uilenspiegel!” riep zij en zij rukte hem den helm van het hoofd en de sabel uit de hand, en zette die achter haar bed. “Uilenspiegel! Op zoo’n avond, als wij allen in angst en nood zitten, wil jij jou hansworstestreken uitvoeren?—Ga liever eens naar de lieve vrouw van mijnheer Droi, en doe ’t komplement van mij, dat zij niet ongerust moet wezen; en dat mijnheer Droi bij mij in mijne kamer is, en dat hier in ’t geheel geen gevaar is.”
Frits Sahlmann gaat, en nu zitten zij daar en vertellen elkaâr van den ouden en van den nieuwen tijd. Intusschen, wat mijnheer Droi vertelt, dat verstaat mamsel Westphalen maar heel slecht, en wat mamsel Westphalen vertelt, daar verstaat mijnheer Droi bijzonder weinig van. “Hij zijn bon!” zegt Droi en rammelt met de beide daalders in zijne hand. “Ja wel,” zegt mamsel Westphalen, “zeker zijn ze goed. Meent gij, dat mijnheer de baljuw u valsch geld zou geven?”—“Ah! ’t niks valsch geld! Ik meenen hem lui-même,” zegt mijnheer Droi en wijst met zijn vinger naar boven.—“O, zoo! gij meent mijnheer den baljuw! Ja, wel is hij bon, maar, hoe ouder hij wordt, des te wonderlijker wordt hij, want hij maakt den nacht tot den dag, mijnheer Droi. Zie! daar moet ik nu zitten en ik moet bakken en braden tot in den nacht; want hij eet zijn avondeten eerst ’s nachts, klokke elf, en ’t wordt soms wel twaalf ook, en als ’t lieve eten uitgedroogd of te hard gebraden is, dan gaat hij aan ’t knorren en onze mevrouw is zeer weekhartig en dan begint zij te schreien. Dan zeg ik: Och mevrouw! waarom huilt gij? Kunnen wij ’t helpen, dat hij leeft als een onchristen? Laat dat huilen: wij hebben een goed geweten! Maar, mijnheer Droi, ’t is een zwaar stuk voor mij, om hier te zitten als eene eenzame persoon en aan te hooren, hoe de stormwind om het slot heenloeit, de regen tegen de vensters aanslaat, de uilen schreeuwen en de tochtwind door de gang huilt, alsof de geesten losgelaten waren. Hoor nu maar eens, wat is ’t weer boos weder!—Mijnheer Droi, gij zijt zeker in ’t geheel niet bang!” “Eh, non!” zegt mijnheer Droi, maar hij zit stil en luistert naar het weder en zegt eindelijk: “Attendez, du tonnerre!” “Wat meent gij?”—vraagt mamsel Westphalen.—“Ik meenen,” antwoordde hij,—en hij zwaait met zijn vinger rechts en links door de lucht, “ik meenen de lichte zig-zag met rompel, pompel, retteteta,”—“Dan hebt gij gelijk, mijnheer Droi,” zegt mamsel Westphalen, “want daar buiten gaat het werkelijk zoo: rompel, pompel, ratteteta!”—“Ah!” zegt mijnheer Droi, “dat zijn de tamboers, dat zijn mijne kameraden de grenadiers.”—Hij sprong op en marcheerde op en neder, met de beeremuts op het hoofd, want hier was het daartoe hoog genoeg en dan stond hij weêr stil en riep: “Luister! Zij marcheer op de marché, op de markt!” en: “Luister!” Dat zijn de “grand canons, de zware geschut!” En mamsel Westphalen zit daar met de handen in haren schoot en zij kijkt hem aan en schudt het hoofd, zeggende: “Waar dat toch eenmaal inzit! Hij is anders een fatsoenlijk mensch; waarom stelt hij zich dan nu zoo wild aan? ’t Is als met de oude voerlui; als ze niet meer kunnen rijden, klappen ze toch nog altijd graag met de zweep!”
En niet lang daarna kwam de vrouw van den wever Stahl de deur in. Dat was de dagelijksche aanbrengster voor mamsel Westphalen; zij kwam haar het nieuws uit de stad vertellen, en voor iederen mondvol nieuwstijdingen, die zij het slot inbracht, droeg zij een pot vol eten er uit.—Zij had haren rok over ’t hoofd geslagen en droop als een dakgoot, schudde zich eerst een paar maal af en zeide toen: “Br.... wat is ’t een weêr!” “Dat is ’t wel, juffrouw Stahl,” zeide de mamsel,—zij noemt haar altijd juffrouw Stahl,”—“niet om harentwil,” zeide zij, “neen, om mijnentwil, want, wat zouden de menschen er wel van zeggen, als ik mij met eene vrouw uit het volk inliet?—neen! ik heb ook mijn trots!” “Mamselletje,” zeide de weversvrouw, “ik kwam hier heen; op de markt wemelt het van Franschen, en ze hebben een grooten hoop kanonnen meêgebracht, en de burgemeester heeft om mijn man gestuurd; die moet in dit weêr en in den stikdonker op de dorpen rondloopen en de boeren en de hofjongens met wagens bestellen tegen morgen middag, en, pas maar eens op, gij krijgt ook inkwartiering.”—“Dat weet de goede hemel!” zegt mamsel Westphalen, en zij gaat naar de deur en roept Caroline en Fieken, dat zij vuur zouden aanleggen in de blauwe kamer, naast de hare, en twee bedden gereed maken, want de duivel zou spoedig zoo’n pochhans van een Franschen overste en zoo’n misselijken krates van een adjudant den berg naar het slot opkarren.”—Daarna keert zij zich om naar het gezelschap, en zegt: “Dáár kunnen zij liggen, en als het spook in de blauwe kamer een christelijk spook is, dan zullen zij juist niet veel rust vinden in dezen nacht, en dat gun ik hun, want, mijnheer Droi,” gaat zij voort, “hiernaast in de kamer spookt het; gelooft gij ook aan spoken?”—Mijnheer Droi zegt: “Neen!” en inmiddels komt er buiten beweging, en toen mamsel Westphalen eens uitkeek, kwam werkelijk een Fransch overste met zijn adjudant de huisdeur uit, en een paar ordonnansen volgden hen. Zij werden in de blauwe kamer gebracht, waar zij droge kleeren aantrokken, en gingen vervolgens naar boven, naar mijnheer den baljuw om aldaar te soupeeren.
De heer Droi zit ondertusschen diep in gedachten en zegt om den anderen: “Diable!” en “Diantre!” En toen hem naar de reden gevraagd werd, kwam hij er eindelijk voor uit, dat hij in groote verlegenheid was, en ’t kon zijn ongeluk wezen, want, als hij in zijne monteering en met de beeremuts, en met geweer en sabel de kamer uit en door de straten ging, kon de ordonnans hem zien, of een van de Fransche wachtposten, of zoo’n strooper van een Fransoos, en ze konden hem vragen: “Van waar? en waarom? En als hij dan niet wist wat hij zeggen moest, dan kon de drommel er meê spelen en de geschiedenis van dezen middag kon uitkomen, en wat dan?”—“Mijnheer Droi,” zegt mamsel Westphalen, “dat is een erg geval! De kleêren van dien lummel, van Frits Sahlmann, kunt gij niet aantrekken, want al moogt ge er ook uw lief middelstuk in persen, waar bleeft gij met de einden?—Dan de kleêren van mijnheer den baljuw? Neen, mijnheer Droi, verlang zulk eene slechte daad niet van mij, want, dat was immers juist, alsof ik met eigene hand het slot in brand steken woû. En andere manspersonen hebben we, Goddank, hier niet.—Maar, mijnheer Droi, gij hebt ons van middag uit grooten nood gered, en daarom wil ik u weder redden. Uwe vrouw weet dat gij hier onder christenmenschen zijt; gij zult van nacht in mijn ledekant slapen, ik zal er schoone lakens opleggen, en dan slaap ik bij het kamermeisje, juffrouw Stahl, kom!”—Dit zeggende gaat zij de kamer uit, en niet lang daarna komt zij weder binnen en legt schoone lakens op het bed en vraagt weder: “Mijnheer Droi, zijt gij ook bang?”—Mijnheer Droi zegt weder: “neen!” en zij zegt: “Dat is best! want het gaat hier naast menigmaal wonderlijk toe en dan hoort men: “trap! trap! trap! maar ’t komt hier niet binnen; ik heb een hoefijzer op mijne deur laten spijkeren.—Hoor nu toch eens! Hoor nu toch eens! Nu gaan de Fransozen hier naast ook naar bed. Hoor nu toch dat gesnater eens aan! Mijnheer Droi,” vraagt zij zachtjes, “kunt gij dat alles verstaan?”—“Oui,” zegt mijnheer Droi.—“Ik geloof het,” zegt zij, “want de muur is heel dun. Dit was eerst ééne groote kamer, maar nu zijn er twee van gemaakt. Nu, mijnheer Droi, goeden nacht! Kom, juffrouw Stahl!”—Mijnheer Droi wenschte ook goeden nacht, in ’t Fransch, maar hij zag er uit, alsof hij nog iets op het hart had, dat hij niet zeggen kon, of niet durfde zeggen, en mamsel Westphalen zeide zachtjes tot de weversvrouw: “Juffrouw Stahl, gij zijt eene getrouwde vrouw: voor mij past dat niet, help gij den man terecht.” En zij gaat heen. Nu gaat de horlogemaker met de weversvrouw ook de kamer uit.
Zoodra zij er allen uit zijn, sluipt iemand over de gang, waar de nachtlamp brandt, de kamer van mamsel Westphalen binnen; ’t is de goddelooze jongen, Frits Sahlmann, en hij heeft een klomp ijs onder den arm, zoo groot als de bol van een hoed. Als een kat springt hij op de planken van het groote ledekant met gordijnen van mamsel Westphalen en legt den ijsklomp boven op het bedverhemelte, terwijl hij bij zich zelven zegt: “Wacht jou oude plaaggeest! Dit is voor de oorvegen, die ik gekregen heb; nu zal de opstijgende hitte wel bekoelen.” En daarop sluipt hij de deur weder uit.
Mijnheer Droi komt nu weder binnen; kleedt zich uit, legt “la grande nation” vóór het bed, op den stoel, snuit het licht uit en legt zich neder; hij rekt zich in dat schoone zachte bed lang uit, en zegt: “Ah! c’est bon!”—Nu luistert hij naar den storm daar buiten en naar den regen, hoe die nederstroomt, en naar ’t redeneeren van de beide Franschen in de kamer naast hem, doch eindelijk houdt het gesnater op, en Mijnheer Droi is juist zoo tusschen slapen en waken, toen begint het: trap—trap—trap. “Ha, ha!” denkt mijnheer Droi in ’t Fransch, “dat is het spook, hier naast!” En hij luistert nu wat zijne landslieden daar wel van zeggen zullen. Die liggen heel stil; maar trap—trap—trap gaat het bedaard voort, en nu komt het mijnheer Droi voor, dat het in zijne kamer is. Ja, in zijne kamer is ’t en als ’t in zijne kamer is, dan is het door de deur ingekomen; hoe zou ’t anders binnengekomen zijn? Hij grijpt dus eene van zijne schoenen op en gooit dien naar de deur toe; bons! vliegt de schoen tegen de deur aan, en ’t is een geraas op de gang, alsof het onweder was ingeslagen. De Franschen in de andere kamer beginnen zich te bewegen en praten met elkaar. Doch weldra is het daar weder stil; maar trap—trap—trap gaat het weer, dicht bij het bed van mijnheer Droi. Mijnheer Droi gaat overeind zitten en buigt zich voorover om beter te kunnen hooren,—klets! daar valt hem een droppel op zijn kaal hoofd—en, klets!—nog een op zijn krommen neus, en terwijl hij vóór zich uit tast, voelt hij, dat zijn dekbed zoo zachtjes aan begint te doorweeken. “Diable!” zegt hij, “het dak is niet dicht en dat lekt door den zolder. Wat nu?” Hij komt natuurlijk nu op den verstandigsten inval, dien een mensch in zulke omstandigheden hebben kan; hij wil met zijn bed verhuizen; hij staat alzoo op en begint met het oude, zware ledekant, aan het hoofdeneinde voort te schuiven; maar hij denkt niet aan den helm en den sabel van den Franschman, die in den hoek staan, en,—al zijn leven!—dat glijdt langs den muur naar beneden, en rammelt en klettert op den grond neder. Mijnheer Droi is niet weinig ontsteld; hij blijft staan en luistert: ja, waarlijk!—de beide Franschen zijn door het spektakel wakker geworden en schelden en razen. Hij denkt echter: wie weet, of dat niet geholpen heeft, en kruipt in het bed. Maar nu was de ijsklomp al aardig ontdooid, en het droop natuurlijk het bed in; hij wordt zoo koud, het water dringt overal door, en hij denkt—natuurlijk in ’t Fransch:—“Nu slapen ze zeker wel. Als ik nu het voeteneinde loskrijgen kon, dan zou ’k misschien van het lek bevrijd wezen.”—Hij staat op, en rukt het voeteneinde los—paf!—daar valt zijn geweer langs den muur op den vloer, en zoo dat eerst niet geknald heeft, zoo knalt het nu.
Daar stond nu de arme horlogemaker; hij beet zich op de lippen en hield met geweld zijn’ adem in, alsof door dat inhouden van zijne ademhaling de Franschen weêr zouden gaan slapen, die naast hem al luidkeels raasden en scholden en “silence!” riepen, en tegen den muur sloegen. “Que faire?” zegt hij tot zichzelven. “De eerste nood moet afgewend worden, zooals de oude vrouw zei; en ze sloeg den baktrog stuk en stookte daarvan vuur onder ’t water.” Toen kroop hij weêr in ’t bed en zeide: “Goddank! nu ben ik van het lekken bevrijd.”—Hij was echter uit den regen in den drop gekomen, want, als een straal liep het van den zolder naar beneden, als een straal liep het in ’t bed. Hij werd door en door koud en zoo nat als een kikvorsch in ’t voorjaar.—’t Hielp alles niet, hij moest er weder uit en weder verhuizen; maar hij zou ’t zachtjes doen, dat hij niets omver stootte. Hij trok het bed in den eenen hoek: daar was het toch te voren droog geweest; hij trok het in den anderen hoek: daar was het toch ook droog geweest, en zoo scharrelde hij den ganschen langen nacht met het ledekant door de kamer rond, zachtjes, heel zachtjes; maar, waar hij heenkwam, daar lekte het ook.
Zoo stond hij dan in zijn hemd midden in de kamer en peinsde en peinsde, hoe dit toch was, en hoe dat toch was, en sloeg zich eindelijk met de hand voor ’t hoofd, en zeide: “Ik domkop!” Want er was hem een licht opgegaan. Dat wil zeggen in zijn hoofd, want in de kamer was het duister; en licht moest hij toch hebben. Hij sloop dus zachtjes naar buiten op de gang en,—ja, waarlijk!—daar brandde ook de lamp nog. Hij stak zijne kaars aan, ging terug, hield het licht in de hoogte, en zag iets boven op het ledekant liggen, en riep: “Ah, canaille!” Hij klom tegen het ledekant op, maar kon er toch niet bijkomen. Hij rekte zich zooveel mogelijk uit en grabbelde naar den ijsklomp rond, maar die was te glibberig en liet zich niet vatten, Parbleu! Een halve duim langer! Hij spant met geweld al zijne krachten in,—krak!—zegt de hemel,—en hemel, en ijsklomp, en Droi, ’t valt alles tegen den muur van de Franschen aan; en daar ligt mijnheer Droi onder de onschuldige witte gordijnen en zwaait met zijne bloote beenen in de lucht rond alsof die vertellen moesten, wat hun heer was weêrvaren.
Eensklaps wordt de deur geopend, en binnen komt—de Fransche overste. Hij heeft, om geen koude te vatten, een roode wollen deken over ’t beddelaken omgeslagen, en houdt een pistool met dubbelen loop voor zich uit; en achter hem staat met den blooten degen, en met bloote beenen, zijn adjudant.—Mijnheer Droi haspelt onder de gordijnen van het ledekant uit, zegt de beeremuts op het hoofd, gaat rechtop staan, slaat zijne hand aan de muts en zegt: “Bonsoir, mon colonel!” De overste kijkt hem aan; de adjudant kijkt den overste aan; zij hooren, dat zij met een Franschman te doen hebben; zij zien de zwarte slobkousen en de geheele “grande nation” vóór het bed liggen, zij zien geweer en sabel; en—wat erger is dan erg,—zij zien de sabel en den paardestaart van den chasseur. Wat beteekent dat en wat moet dat?—Mijnheer Droi stamelt op zijne manier wat bij elkaar; mijnheer Droi begint te liegen, en mijnheer Droi liegt verwonderlijk mooi; jammer maar, dat zij hem niet willen gelooven.
In de kamer en op de gang begint nu een vreeselijk spektakel. De overste scheldt mijnheer Droi voor deserteur en maraudeur; de adjudant roept de ordonnansen; de ordonnansen komen van de ééne zijde van de gang haastig en half gekleed aanloopen, alsof iemand in ’t water gevallen was, en zij hem wilden naspringen zonder hun pantalon nat te maken;—van den anderen kant rukt mamsel Westphalen met het kamermeisje en de keukenmeid aan; zij heeft eene groote stallantaarn in de hand, maar is zeer karig van kleeren voorzien. Zij houdt de hand voor hare oogen, alsof ze door de stallantaarn geheel verblind wordt, en over haar schouder heen kijkt het kamermeisje en zegt tot de keukenmeid: “Wel, heere jeminé! kijk eens Karlien!...” “Schaam je toch!” zegt mamsel Westphalen, “wat heeft zij te kijken? Wat hebt gij te kijken? En wat is hier te kijken? Wij zijn hier wegens het onchristelijke leven, dat hier gehouden wordt terwijl het tijd is van slapen, en omdat de angstkreten van mijnheer Droi tot ons zijn doorgedrongen. En draait je nu om!” De beide dienstmeisjes en mamsel Westphalen keeren zich nu om, en laten de Franschen haren rug zien, en de mamsel zegt: “Mijnheer de Fransche overste, wat moet dat, wat is dat, en wat beduidt dat? Waarom laat gij mijnheer Droi niet rustig in mijne kamer slapen? ’t Is hier een christelijk huis en een stil huis, en zoo’n beweging zijn we hier niet gewend.” En zij voegt er half overluid, in zich zelve, bij: “Eén van dat kanaljepak zal mij toch wel verstaan.”—De Fransche overste beziet zich zelven, zooals hij daar staat, in zijn roode deken, en mijnheer Droi met de beeremuts op het hoofd, en zijn’ spillebeenigen adjudant, die in zijn ijver al maar rondtrippelt en mamsel Westphalen, met hare breede achterzijde; en het geheel komt hem zoo kluchtig voor, dat hij luidkeels begint te lachen, en hij zegt in goed hoogduitsch, dat zij maar verder zou spreken: hij kon haar goed verstaan, want hij was een Duitscher, hij was een Westphaler.—“Zoo heet ik ook!” zegt mamsel Westphalen.—De overste lacht en zegt dat hij niet Westphalen heet, maar uit Westphalen is; hij heette “Von Toll.”—Mamsel Westphalen maakt eene diepe nijging van achteren en vraagt: “Neem ’t mij niet kwalijk, zijt gij dan soms familie van mijnheer den postmeester en kastelein Toll, hier in de stad?” “Dat niet!” antwoordde de overste, doch hij begon koud te worden; hij zeide dus, dat de ordonnansen bij mijnheer Droi moesten blijven; hij zou zeker een deserteur zijn, en zij moesten ook onderzoeken waar de Fransche jager gebleven was, wien de sabel en de helm toebehoorde. Mijnheer Droi begon nu weder te liegen en mamsel Westphalen schaamde zich in hare ziel over hem. Zij keerde zich in drift om en zeide: “Foei, mijnheer Droi; die zich op zijn’ ouden dag met slechtigheden inlaat, om gemakkelijk te rusten, die krijgt een hard kussen onder ’t geweten. En, schaam u, mijnheer Droi! Welk fatsoenlijk manspersoon zet eerst zijne muts op en bekleedt dan pas zijne beenen!”—Zij keert zich om, en toen zij gewaar werd, dat het dienstmeisje zich ook had omgekeerd, gaf zij haar een kleinen stomp in de korte ribben en sprak: “domme deern!”—Daarop maakt zij nogmaals eene diepe nijging, van achteren, en zegt: “Uwe dienaresse, mijnheer de overste von Toll!” En zij gaat heen, met de beide dienstmeisjes.—De anderen gingen ook weg, en weldra werd toen alles stil, en mijnheer de baljuw vermoedde volstrekt niet, wat er in zijn huis was voorgevallen, want hij sliep den slaap des rechtvaardigen.
Vierde hoofdstuk.
Hoe het den volgenden morgen met den molenaar was; en waarom Frederik aan de molenaarsvrouw als de slang van het Paradijs voorkwam en waarom Fieken van meening is, dat de zoon van Jochem Voss door den hemel wordt gezonden.
Den volgenden morgen was ’t den molenaar Voss alsof hij een half dozijn musschen in zijn hoofd had, die daar naar bromvliegen hapten. En zoo was het hem niet alleen tengevolge van het vele drinken van den vorigen avond, neen! hoofdzakelijk van wege den Franschman. “Moeder,” zei hij, en hij wiegde zijn hoofd zoo heen en weêr en keek strak in zijne laars: “roode wijn is ’s avonds een kostelijk ding, maar ’s morgens komt hij mij ook al niet beter voor, dan brandewijn of bruin bier. Ondertusschen, kom ik over den hond, dan kom ik over den staart; ’t gekste is maar, met den Fransoos!—achter in den wagen heeft hij gelegen, en Frederik moest weten waar hij gebleven is.”—“Welnu vader,” zegt zijne vrouw, “Frederik moet aanstonds komen, want het is tijd voor ’t ontbijt.” De molenaar gaat naar binnen in zijne kamer, zet zich achter de tafel, waar de schotel met meelpap op staat, en hij tast met zijn lepel het eerst in de pap; daarop tast de moeder toe en Fieken, en ’t laatst de beide dienstmeiden, want zóó was het toen gebruik, en koffie drinken was nog bij geen molenaar bekend.
De molenaar eet en legt vervolgens zijn lepel neder en zegt: “Waar blijft Frederik toch?” Hij eet weder, en gaat naar ’t venster en roept den hof over: “Frederik!”—Frederik komt niet.—De schotel is eindelijk ledig; de dienstmeisjes ruimen alles weg, en de molenaar zegt: “Als ’k een knecht gehuurd heb, wil ’k geen heer in mijn huis hebben!” En hij wil juist de kamer uitgaan, om den knecht eens terecht te zetten, toen Frederik de deur inkomt en iets onder den arm draagt. “Waar blijft ge, schelm?” vraagt de molenaar.—“Baas,” zegt Frederik, terwijl hij zijn knipmes uit den zak haalt en dat onder de deurklink inklemt, “wen u zulke uitdrukkingen af, dat past niet voor u, en niet voor mij.—Als er wilde ganzen in de lucht zijn, is ’t slecht erwten zaaien, en als er babbelachtige deerns in de kamer zijn, is ’t slecht geschiedenissen vertellen. Daarom heb ik zoo lang gewacht, totdat de deerns er uit waren. En hier,” zegt hij, en hij gooit wat op de tafel, zoodat het van binnen rammelt en klinkt, “en hier, molenaar Voss, is wel is waar niet de vos zelf en ook niet zijne huid, maar zijn valies!” “Wat moet dat?” vraagt de molenaar, en hij valt in allerijl op den mantelzak aan en gespt de riemen los.—“Wat dat moet?” zegt Frederik, “dat moogt gij zeggen, dat is mijne zaak niet. Mijn deel heb ik er uitgenomen.”
De molenaar schudt den mantelzak over de tafel leêg, en er vallen zilveren lepels uit, en groot zilvergeld, en mooi, rond, geel geld; en er kwam eene kleine doos te voorschijn, en toen de molenaarsvrouw die opendeed, lag daar ring bij ring in, en de gouden kettingen kronkelden daartusschen, als slangen onder bonte bloemen. “Heere! bewaar ons!” schreeuwde zij uit, en liet de doos vallen.
Fieken had er bijgestaan en alles mede aangezien, en zij vouwde hare handen over hare borst, en hare oogen werden al grooter en grooter, en zoo bleek als de dood wierp zij zich over de tafel en over de gouden en zilveren schatten, en dekte er hare armen over heen, uitroepende: “Dat behoort den Franschman toe! Dat behoort den Franschman toe! Dat is het onze niet!”—Zij hief het hoofd op en zag haren vader aan; zij zag er uit, alsof iemand haar een mes in de borst had gestooten, en de doodsangst lag op haar aangezicht en zij riep: “Vader, vader!”—En de oude molenaar zat daar en schoof zijne slaapmuts op het hoofd heen en weêr, en zag zijn kind aan in haren angst en dan weder het blanke geld, en op ééns sprong hij overeind, zoodat hij bijna de tafel had omgestooten en riep uit: “Heer in den hemel! ik weet nergens van, ik weet niet waar hij gebleven is; hij lag achter in mijn wagen, dat weet ik!” En heel flauw liet hij er op volgen: “Frederik moet het overige weten.”—Fieken liet het geld liggen, en vloog naar Frederik heen, en schreeuwde hem toe: “Waar is de Franschman gebleven?”—Frederik bleef bedaard staan en zag haar met zijn oud, strak aangezicht aan en zeide: “Heere, bewaar ons; dat wordt hier zoo waar een echte gerechtsdag!—Fieken! Fieken! Wat? Zie ik er dan uit als een roover en moordenaar?—Den Fransoos heb ik met mijn eigen handen in ’t Stemhager bosch, onder een’ beuk, gelegd, en als de nacht hem niet te koel geworden is, dan ligt hij daar nog als een rot, want hij was sekuur dronken.” “Dat was hij,” zegt de molenaar, en Fieken kijkt Frederik aan en haar ouden vader, die ook naar Frederik’s woorden geluisterd heeft, en zegt: “Frederik! Frederik! Wat kan ik het helpen? Je hebt altijd al zoo geredeneerd van ombrengen, en Fransozen doodslaan!” En zij hield haar boezelaar voor de oogen, viel op de bank achter de kachel neêr en begon bitter te schreien.—“Dumouriez!” zegt Frederik, “dat heb ik! En als ik dat vervloekte patriotten-gespuis met mijne hand den nek kon omdraaien, dan deed ik het,—maar, een mensch, die zich niet verweren kan, en dan nog wel om geld en goed!” Hij bromde nog zoo wat in zijn’ baard, en ging naar de deur, trok zijn knipmes onder de klink uit, en sprak: “Baas, de lucht is nu zuiver, want de beide deerns gaan aan ’t mest-strooien. Ik heb u nu den boel gegeven; overleg de zaak goed. Wilt gij ’t behouden,—goed! Wat mij betreft, ik heb er niets tegen; want, naar mijn dom verstand hebt gij er het recht toe. De Fransozen hebben u veel meer afgenomen, dan dit is, en wilt ge niet, dat daarover gepraat wordt, ik, voor mijn part, kan zwijgen. Maar, wilt ge ’t eerst aan den baljuw afleveren, en moet ge ’t bezweren, dat er niets van verloren geraakt is, zeg dan maar, dat ik er mijn deel afgenomen heb.”—“Frederik, Frederik,” zegt de molenaarsvrouw, “breng je zelven toch niet in ongelegenheid en ons ook niet; want je komt me op dit oogenblik voor, als de slang uit het paradijs.” “Vrouw,” zegt Frederik, “iedereen moet weten, wat hij te doen heeft. Voor twee jaar reed ik voor den raadsheer Krüger te Malchin met zout langs de Klaukowsche kroeg, en toen ik daar mijne vertering wou betalen, en een achtgroschen-stuk op de tafel legde, sprong zoo’n infame gauwdief, zoo’n chasseur, er op toe en pakte ’t weg; en toen ik mij daartegen verzette, kwamen zij zelfs met hun drieën op mij af, en sloegen mij de huid zoo murw, dat ik meende aan ’t behoud van mijn leven te moeten wanhopen. Die acht groschen heb ik teruggenomen; maar de slagen hebben ze nog te goed. En, al heeft deze kerel dat ook niet gedaan dan heeft mogelijk zijn broeder het gedaan, of zijn kameraad, en ’t blijft dan toch in de familie. De acht groschen behoud ik.” En daarop ging hij de deur uit.
De oude molenaar was intusschen in de kamer op en neêr gegaan, en had zijn hoofd gewreven en zijne haren gekruld. Nu en dan bleef hij weêr eens stilstaan, om het geld aan te zien, en toen Frederik weggegaan was, ging hij naar zijne kast, haalde daar den almanak van den erven Adlers, in Rostock, uit en keek, waar hij al honderd maal naar gekeken had, terwijl hij zuchtende, bij zich zelven zeide: “Ja, morgen is het de dag.”—Zijne vrouw stond met den rug tegen de huisklok aan, sloeg gedurig hare handen in elkander en verwonderde zich in stilte.—“Ja,” zegt de molenaar, “als we ’t houden, dan zij wij gered.” “Ach God, vader!” zegt de vrouw, en zij ziet zoo angstig tot hem op.—“En gestolen heeft de kerel,” zegt hij verder; “op de zilveren lepels staat een groot wapen, en al zou ’t ook wel uit te vinden zijn, aan wien die behoord hebben, het geld is van verschillende soort, en ieder stuk zal wel bezwaarlijk in den rechten zak terugkomen.”—“Vader!” zegt zijne vrouw, “gij waagt er uw hals aan, als de kerel het aanklaagt, dat gij ’t hem afgenomen hebt.”—“Die zal zijn mond wel houden, want als hij vertellen moet, hoe hij aan dat geld gekomen is, dan zullen ze hem juist ook niet levenslang met rozijnen en amandelen vetmesten.—En hebben wij ’t hem dan ook afgenomen?—Het paard hebben ze ons, op het slot, achter aan den wagen gebonden; het paard heeft gisteren den mantelzak bij Frederik in den stal gebracht; wie kan dan nu zeggen, dat ik het genomen heb.” En dit zeggende begon hij de geldstukken uit te zoeken, en hij telde ze in rijen af.—“Ja, maar ’t hoort ons toch niet toe,” zegt zijne vrouw.—“Wien hoort het dan?” vraagt de molenaar. “Den Fransoos hoort het ook niet, en als wij ’t hem weder geven willen waar is hij?”—“Frederik zegt immers, in ’t bosch.” “Zoo?” vraagt de oude man. “Denkt ge, dat die bij dit weêr, van ’s avonds klokke acht, tot ’s morgens klokke negen, daar zal blijven liggen? Die zal al lang zijns weegs gegaan zijn; en wie kan mij bevelen, dat ik hem achterna zal karren om hem zijn geld terugtebrengen?” Daarop telt hij verder, en de vrouw gaat zitten en legt de handen in den schoot, terwijl zij voor zich ziet en zuchtende zegt: “Gij moet het weten.”—En Fieken zit nog op de bank te schreien.
De molenaar telt al het geld af en kijkt nu en dan zoo twijfelachtig naar Fieken, en dan is ’t altijd alsof hij zich vertellen moest. Eindelijk is hij er meê gereed en leunt met beide handen op de tafel; hij overziet het geld nogmaals en zegt: “Als ik de halve florijnen en het goud naar pruisisch courant reken, dan bedraagt het meer dan zeven honderd daalders. Nu zijn we geheel uit den nood.”—Toen staat Fieken op; zij droogt hare tranen af, en haar aangezicht is bleek en kalm, en zij zegt zachtkens: “Neen! nu begint onze nood eerst.” “Fieken, spreek zóó niet,” zegt haar vader. “Van nu af,” zegt ze, “eten we ongezegend brood en slapen een ongezegenden slaap, en gij kunt het geld begraven, maar begraaft dan tegelijk uwen eerlijken naam.”—“Van begraven is geen sprake,” zegt de molenaar. “Neen, ik betaal daarmeê eerlijk mijne schulden.”—“Eerlijk, vader? En al was ’t ook alles zoo, als ’t niet is, zal de oude baljuw niet vragen, met welk geld gij den jood betaald hebt, en zullen de Fransozen niet vragen, hoe gij aan dat paard komt, en wie staat er voor in, dat Frederik zwijgen zal?” De oude man zette een gezicht, half verbaasd en half verdrietig, en wilde losbulderen, zoo als de mensch doet, wanneer een ander hem op eene domheid of eene oneerlijkheid betrapt. Hij wil dan de inwendige stem van zijn geweten wegredeneeren, gelijk de kinderen in de duisternis zingen en fluiten om zich het spook van ’t lijf te houden.
Maar Fieken liet het niet zoo ver komen; zij wierp zich haastig aan de borst van haren vader, sloeg hare armen om hem heen, zag hem vast in de oogen en riep: “Vader, vader! breng dat geld op het slot, geef het aan den ouden baljuw; hij heeft gezegd, dat hij in dank aan u zou gedenken; hij zal hieraan ook gedenken.—Hoe dikwijls hebt gij mij verteld van uw’ ouden vader, hoe dikwijls hebt gij mij gesproken van uwe moeder, hoe zij er zich met spinnen eerlijk doorgeholpen heeft tot aan haren dood; hoe dikwijls hebt gij mij verteld, hoe gij, toen ge op uw handwerksreis waart, dien anderen handwerksgezel zijne geldbeurs hebt teruggegeven, die gij gevonden hadt; hoe die man zich verblijd heeft, en hoe wel het u daarbij te moede was.”—“Ja, maar dat was heel wat anders,” zegt de molenaar, “’k wist immers, wien dat geld behoorde, en hier weet ik ’t niet, en ’k heb het ook niet gestolen. ’k Heb een goed geweten.”
Eensklaps springt de molenaarsvrouw van haren stoel op en roept uit: “De hemel beware ons! daar gaat een vreemde man het venster voorbij en komt naar de deur toe!”—“Houdt de deur dicht!” roept de molenaar en loopt ijlings naar het geld, maar stoot aan de tafel, zoodat eenige stapels omvallen, en het geld door de kamer rolt.—“Is dat uw goed geweten?” vraagt Fieken en zij ziet haren vader en hare moeder aan en zegt: “Moeder, laat de deur open! Dien mensch zendt ons onze lieve Heer; die brengt ons zegen in huis.”—De molenaarsvrouw laat de deur open en ziet zwijgend voor zich; doch de molenaar wordt door en door rood en keert zich schielijk om en kijkt uit het venster.
Er wordt aangeklopt. “Binnen!” roept Fieken. En binnen komt een jonge, slanke kerel, van zoo’n jaar of twintig en nog een paar; hij kijkt een beetje nieuwsgierig rond, zoo als iemand pleegt te doen, die al lang gaarne eens had willen weten, hoe het er wel bij deze en gene lieden uitzag, en hij maakt eene fatsoenlijke buiging en zegt: “Goeden morgen!”—“Ik dank je wel!” zegt Fieken;—de molenaar verroert zich niet, en de vrouw bukt en raapt de daalders op, die door de kamer gerold zijn. Toen de beide oude lieden zijn groet niet beantwoordden, en hij het geld op de tafel gewaar werd, zei de jonge man: “Neem ’t mij niet kwalijk! Ik kom u, geloof ik hier niet heel gelegen.”—“O, ja wel,” zegt Fieken, een’ stoel bij de kachel zettende; “ga zitten; vader is dadelijk met zijn zaken klaar.” “Ja, dadelijk!” zegt nu de molenaar, en hij rukt het venster open en roept: “Frederik span de paarden voor den kleinen wagen en bind het paard van den Franschman achteraan; wij rijden naar het slot.” Hij maakt het venster dicht, keert zich om, en zegt tot moeder en Fieken: “Zoo! met die zaak is ’t in orde. Pakt nu die voddenkraam bij elkaâr in den mantelzak, en dan kan Frederik hem op den wagen gooien.” Hij gaat nu naar den vreemdeling toe, reikt hem de hand en zegt: “’k Heet u welkom!”—“Molenaar Voss,” zegt de jonge man, terwijl hij hem de hand geeft en opstaat: “laat ik u niet hinderen in uwe bezigheden; mijne zaak heeft tijd, en hoewel ik ook om een bijzondere aangelegenheid gekomen ben, zoo heeft die toch geen haast, en de hoofdzaak is, dat ik mijne familie eens woû komen opzoeken.”—“Familie?” vraagt de molenaar, en ziet hem twijfelend aan.—“Ja,” zegt de ander, “want ik ben de zoon van Jochem Voss, en uw achterneef.” En daar nu de oude man niets antwoordt en zijne hand terug trekt, voegt hij er nog bij, “en voor veertien dagen hebben ze mij meerderjarig verklaard, en toen dacht ik zoo bij mij zelven: zusters of broeders heb ik niet, en ook geene familie hier in den omtrek; ’k wil eens naar ’t Stemhager gebied rijden en daar eens kijken, of ze er nog wel wat van den zoon van Jochem Voss willen weten.” En met die woorden gaat hij naar de molenaarsvrouw toe en geeft haar de hand en Fieken ook, en daar de molenaar nog steeds zoo weifelend blijft staan en er uitziet alsof de muizen hem de boter van ’t brood hadden gestolen, zegt de bezoeker: “Neef, gij denkt aan ons proces; laat dat maar rusten; wij kunnen daarom toch goede vrienden wezen.” “Zóó?” zegt de molenaar, “en ge hebt toch voor de menschen gepocht, dat ge mij van ’t Borchertsche goed af zoudt gooien?”—“Wat voor menschen?” vraagt Hendrik Voss. “De menschen praten. Wat kan ik ’t helpen? Mijn vader heeft den strijd begonnen en meende ook dat hij gelijk had, en mijn voogd heeft verder gevochten en ik heb toegekeken. Maar, dat wil ik eerlijk bekennen, een mooi stuk geld heeft het mij al gekost en als wij tot eene schikking kunnen komen, zal ’t aan mij niet liggen.”—“Gij wilt het hazenpad kiezen; dat heeft zeker uw avekaat u aangeraden.”—“Ik raad mij zelven, neef,” antwoordt de jonge man, zijn hoed opnemende, “want, als ik nog lang naar den raad der avekaten hooren wilde, zou ’t water kunnen opraken, en mijn molen zou moeten stilstaan. Bij u is dat echter wat anders. Wie zijn ransel zoo vet kan maken, die kan nog lang braden, eer hij aanbrandt.” En hij wees op den mantelzak, dien moeder en Fieken juist ingepakt hadden.—“Daar heb je niet over te schimpen!” roept de molenaar driftig uit, en hij keert zich schielijk om, geheel bruin in ’t aangezicht. “Dat geld... dat geld, dat hoort mij niet toe!” Fieken nadert nu tot haren vader en liefkoost hem en zegt: “Vader, het was immers niet boos gemeend.” “Neen,” zegt Hendrik, “ik ben uit vriendschap gekomen, en ’k wil ook in vriendschap weggaan. Mijn wagen staat buiten vóór de hofsteê vastgebonden, en ’k heb maar een paar stappen te doen, om daar te komen.” “Houd op!” zegt Fieken, “neef Hendrik, niet zoo driftig! Vader heeft van morgen zijn hoofd vol van eene zaak, die in orde gemaakt moet worden., ’t Zou hem erg spijten, als gij in onmin van hem woudt weggaan.”—“Fieken,” zegt de molenaar, en hij keert zich om en kust zijne dochter op ’t voorhoofd, “je hebt van morgen al tweemaal gelijk gehad, en ik twee maal ongelijk; ge zijt mijn lief kind.” En hij reikt den jongen man de hand toe. “En, Hendrik! niemand zal van mij zeggen, dat ik den zoon van Jochem Voss met harde woorden uit mijn huis heb verdreven.—Zoudt ge hier willen heengaan, zonder nat of droog? Neen, mijn zoon; gij blijft hier bij mij tot ik terugkom, want ik moet naar mijnheer den baljuw, om eene dringende zaak.—Kijk, Frederik staat daar al. Nu, adjuus, mijn zoon, en als ge ’t met eene schikking eerlijk meent, dan kan daar wel wat van komen.—Adjuus moeder, adjuus Fieken!” Daarop gaat hij de deur uit en klimt op den wagen.
Vijfde hoofdstuk.
Waarin Frederik voor den molenaar de pruisische zinspreuk “suum cuique” vertaalt, en achter den “chasseur” op de ganzenjacht gaat; en waarin ’t den molenaar duidelijk wordt, dat hij zich midden in een bijenzwerm heeft neergezet.
“Baas!” zei Frederik, toen zij de hofsteê af waren, en op den lagen weg kwamen, “hebt gij wel eens eene oude vrouw gezien, als zij een’ pot aan stuk heeft gegooid, en dan de stukken aan malkaâr past en zegt: Zóó heeft het gezeten?”—“Waarom vraagt ge dat?” zegt de oude Voss.—“Och, dat zeg ik zoo maar,” antwoordt Frederik; en hij speelt zoo zachtjes met de zweep over de paarden, alsof ’t in den vliegentijd was. De molenaar zit in gedachten.—Na eene poos vraagt Frederik weder: “Baas, hebt gij wel eens een jongen gezien, wien een musch uit de hand is gevlogen, en die dan in zijn leege hand kijkt en zegt: “O!”—“Wat meent ge daarmeê?” vraagt de molenaar, en Frederik zegt: “Och, dat zeg ik zoo maar!” De molenaar zit weder stil. Er ging hem van alles door de gedachten: hij zette juist eene mooie som met den regel van drieën in zijn hoofd op: “wat hem tegen paschen het schepel rogge zou kosten, als hij morgen den jood het geld niet gaf,” en daarbij kwam hij erg in de breuken.—Zij reden steeds voort. Eindelijk keert Frederik zich zoo half op den zak om en vraagt: “Baas! kent gij het spreekwoord wel: “Gaat geen vuil water uit, eer gij weêr schoon water hebt?”—Dat begon nu den molenaar te hinderen, en toen hij zich eenigen tijd bedacht had, wat de vragen van Frederik eigenlijk wel beduiden moesten, trok hij de onderlip omhoog en zeide: “Hoe is ’t? Moeten dit steken onder water zijn?”—“Steken onder water?” vroeg Frederik, “bewaar ons!—Dat zeg ik zoo maar,—Maar, ik weet nog een ander spreekwoord, dat luidt: wat een mensch heeft, dat heeft hij; en wij Pruisen hebben eenen arend in ons wapen, en daar staat een latijnsch vers onder, dat klinkt haast zóó, alsof iemand een varken in zijn’ staart knijpt; en, die onze sergeant bij de kompagnie was, was een weggeloopen student, en die verstond het vers en vertaalde het zóó: “houdt vast, wat je hebt, en neem, wat je krijgen kunt.” Die spreuk is op alle plaatsen te gebruiken, vooral in oorlogstijden.—Zie, molenaar Voss, vervloekt moge iedere schelling zijn, dien ik in mijn leven van mijne kameraads genomen of gestolen heb, en vervloekt moge het koren, de haver of de rogge wezen, die ik ooit mijn meester heb ontvreemd; maar, in den oorlog is dat anders; de Turk en de Fransoos is de rijksvijand, en een rijksvijand is geen haar beter dan de aartsvijand, en onze lieve Heer lacht er om, als iemand den duivel eens behoorlijk op zijne likdoorns trapt. Hoe zeî de oude kapitein Van Restorp? Den vijand moet op alle mogelijke wijzen afbreuk gedaan worden.—Baas Voss,”—en hij wees hem op den mantelzak,—“dit zou nu wel zoo’n afbreuk wezen.”—“Laat dat!” zegt de molenaar kortaf,—“die zaak is afgedaan; ik wil niets met die historie te maken hebben; ik breng het geld op het slot en ik woû, dat ik er den Fransoos meê heenbrengen kon; Fieken meent ook, dat het een erg ding kon worden.” “’k Heb er niets tegen,” zegt Frederik.—“Ju!” en hij klapt met de zweep;—“sommigen luisteren naar manluî, en sommigen naar vrouwluî; ik ben niet erg voor den raad van vrouwluî.”—“Ik anders ook niet,” zegt de molenaar.
Zij reden nu zachtjes verder en Frederik vroeg na eenigen tijd: “Baas! wat was dat voor een knappe kerel die van morgen den molen inging?” Dat was de zoon van Jochem Voss, met wien ik ’t prinses heb.—Bevalt hij je?”—Ik heb hem maar van achteren gezien. Maar hij is goed voor grenadier.”—“Hij zegt, dat hij eene schikking met mij wil maken.”—“Dan bevalt hij me al een portie beter. Een mager vergelijk is beter dan een vet proces.”—“Hij wil op mij wachten, tot ik terugkom.”—“Zóó?” vraagt Frederik en keert zich weêr zoo half om en zegt: “Baas, weet gij wat? hij moest liever eene schikking met onze Fieken maken: dat zou ’t beste wezen.”—“Hoe meent ge dat?” vraagt de molenaar. “Dat zeg ik zoo maar,” zegt Frederik. En toen hij zich weder omgekeerd had, boog hij zich voorover en zag scherp den weg langs; hij geeft den molenaar de teugels in de hand, springt van den wagen, maakt het paard van den Franschen jager van achteren van den wagen los; en eer de molenaar nog recht weet, wat hij losgemaakt heeft, is hij met het paard in de groote Kölpiner grenssloot, slaat den hoek om en bindt dat kreatuur aan een’ doornstruik, die op den slootrand staat, vast, zoodat de molenaar niets van hem zien kon.—“Wat heb je?” vraagt de molenaar, toen hij wederkomt.—“Wat ik heb?—Ik heb niets goeds gezien. Daar ginder op de Stemhager stadsweide komen er twee aanrijden; en ze glinsteren zoo; dat zijn zeker Fransozen; en als die hier het paard van een Franschen jager met zadel en toom hadden aangetroffen, zouden ze niet vriendelijk met ons gepraat hebben.”—“Gij hebt gelijk,” zegt de molenaar.
Zoo naderden zij het Stavenhager bosch, en Frederik wees met de zweep naar een’ beuk, waar nog stroo onder lag, en sprak: “Dáár heb ’k hem neergelegd.”—“Och of hij er nog maar lag,” zegt de molenaar Voss.—“Is niet te verwachten, baas! Want het heeft van nacht baksteenen geregend en in dit jaargetijde houdt zoo’n beuk niet veel tegen.”—En terwijl zij nog daarover aan ’t redeneeren zijn, komen er twee Franschen aanrijden en vragen op hun manier naar den Gielowschen molen, want hier was een kruisweg. En nog eer de molenaar antwoorden kon, wees Frederik hen rechts af, naar ’t Cummrosische bosch toe, en toen zij vroegen: “Hoe ver nog?” zeide hij: “Eene kleine lieu,” en de Franschen reden verder.
“Hoe? Plaagt je de booze?” vraagt de molenaar, het hoofd schuddende; als die zóó ver rijden, dan kunnen zij hun leven lang den Gielowschen molen met den staart aankijken.—Maar, waartoe dat?”—“Baas,” zegt Frederik, “die soort brengt een’ mensch niets in ’t huis, en ik heb geen lust om alle morgens bij ’t eerste ontbijt gehakte opgewarmde kool te eten.”—“Hoe meen je dat?” “Och, dat zeg ik zoo maar.—Zie, baas Voss! wie weet, of die twee, als ze naar den molen waren gekomen, niet verliefd waren geworden op onze Stina. En ’t kon dan immers ook mogelijk zijn, dat zij haar in den koestal nageloopen waren, en dat het hun in den stal een beetje te vol was voorgekomen en zij onze beide laatste melkkoeien er uit geleid hadden; en, als zij die dan buiten hadden gehad, zouden zij ze misschien in gedachten voor zich uitgedreven hebben, en dan was ’t met de melkpap ’s morgens gedaan geweest, en de groene kool had weêr eene beurt gekregen, en ik lust geen’ kool.”—“Mogelijk zou ’t wezen,” zeide de molenaar.—”’t Is ook mogelijk, dat het niet om de koeien te doen is, zegt Frederik. “Dit zijn een paar van hun arméegendarmes; die zoeken zeker wat anders, en ik geloof, dat het een geluk van onzen lieven Heer is, dat wij den molen uit zijn, want, molenaar, molenaar! pas op—zij zoeken den Fransoos of misschien wel u. Wie weet wat er in Stemhagen voorgevallen is! Daar kan wat ruchtbaar geworden zijn, en wie weet, of Fieken geen gelijk heeft gehad. Nu woû ’k zelf dat wij den Fransoos hadden.”—“Dat zeg ik!” roept de molenaar. “Dat zeg ik!”—“Hm,” zegt Frederik; “gelegen heeft hij hier, en opgestaan is hij, en hier is hij naar beneden gegaan; dit zijn zijne sporen in de diepe klei; en kijk eens! hij heeft het stroo nog een eind meêgesleept, en naar Gulzow is hij heengegaan. Nu wil ik u het paard halen, en gij rijdt naar het slot en levert paard en mantelzak af, en ik ga den Fransoos achterna, of ik hem nog kan krijgen.”
Zóó gezegd, zóó gedaan. Het paard werd vastgebonden, en Frederik ging door het bosch den weg op naar Gulzow en zei bij zich zelven: “Dumouriez! Ik heb den ouden molenaar wat moois op den hals gehaald, en onze Fieken is toch een verduiveld slimme deern; maar als de Franschman nog tusschen hier en Greifswald te vinden is, voor den dag komen zal hij!”
De molenaar zat op den wagen en reed op Stavenhagen aan, en hij krabde zijn hoofd en prakkezeerde, en er waren allerlei dingen, die ’t hem benauwd maakten. “Heer in den hemel,” zeide hij, “als mijn kleine Fieken er niet geweest was, zat ik misschien al in ketenen en banden, en er uit ben ik nog lang niet, want de drommel speelt er nu eerst recht meê, en ’t regent nu ook al, en dat geen klein beetje.”
Zóó komt hij tusschen de Stavenhager schuren, en de eerste, die hem ontmoet, is de bakker Witt; die staat met een stroowagen voor zijne schuur en zegt: “Goeden morgen, vrind. Wat donder! Hoe komt ge aan een Fransozenpaard?”—“Ja, dat moogt ge wel zeggen,” antwoordt de molenaar Voss en vertelt hem de zaak kortweg.—“Dat is een erg geval,” zegt de bakker Witt; “want de heele stad ligt vol Fransozen, en dat paard kunt ge niet binnenbrengen, zonder dat ze ’t merken; ik raad u, zet het hier in dat leêge zijvak van mijne schuur.”
Nu, dit geschiedt en de oude bakker Witt trekt zijn’ krommen, koperen haarkam van voren naar achteren door het grijze haar, schudt het hoofd en zegt: “Vadertje, ge hebt u daar met eene zaak ingelaten, waar ge veel last van hebben kunt; en op het slot schijnt mij alles ook niet zoo recht pluis te wezen, want mijnheer de baljuw heeft van morgen zijn fijn brood voor ’t ontbijt al klokke acht laten halen, in plaats van, zoo als anders, klokke elf, en Frits Sahlmann zegt, dat mamsel Westphalen op den loop gegaan is, en dat geen mensch weet, waar zij gestoven of gevlogen is; en dat de horlogemaker in de burgergevangenis gebracht is, heb ik zelf gezien, en de menschen praten al van standrecht en van doodschieten.”
“God zal me bewaren!” roept de oude molenaar uit. “’t Is een bijenzwerm, waarin ik mij neêrgezet heb! Maar dat helpt niet, den mantelzak moet ik den ouden heer op ’t slot brengen. En, vader! ik zal om de stad heenrijden, tot dicht bij de groene poort van den slottuin, en daar zal ik mijne paarden vastbinden; kom mij achterna en breng den wagen in veiligheid; en mochten ze mij in de prison brengen, rijd dan naar buiten, naar den molen, en deel dat mijne vrouw en Fieken voorzichtig meê, en zeg aan den jongen man, dien ge daar zult aantreffen, dat hij zijn neef het genoegen moest doen van op den molen en op het goed te passen en de vrouwen niet te verlaten.”—Bakker Witt belooft hem dat, en hij rijdt om den slottuin henen, bindt den wagen vast en wil den mantelzak naar het slot dragen. Toen jaagt de koetsier van den ouden pachter Roggenboom, Johan Brummer, door de poort, en klapt achter de vier lichte bruinen, dat ze achteruit schoppen en hem het slijk in de oogen smijten, en hij roept: “Beter mij wat in ’t gezicht, dan jelui striemen op het vel!”—Daar achter komt de oude Zanner uit Gulzow met zijne beide geeltjes en zegt: “Nu dat mankeerde er nog aan!—Rooversgespuis!” En hij jaagt in galop over het slotplein. “Ja,” zegt de oude landbouwer Adler uit Stavenhagen;—hij heeft een’ zak over zijne schouders gehangen, want dat waren de toenmalige regenjassen,—en hij stoot zijn oud zwart rijpaard in de ribben.—“Kanonnenrijden? Niet waar, oudje, dat zou een werkje voor ons wezen?—Neen, ’k breng je in ’t Stemhager bosch, en bind je in den zandkuil vast. ’t Is alles egaal; te vreten heb je t’huis ook niks, maar regenen doet het vervloekt erg.”—En toen de molenaar in den tuin komt, trekken en hokken ze daar allen met de paarden achter de struiken rond en achter den muur, en ieder wil de zijnen in veiligheid brengen.—“Molenaar Voss,” zegt de zoon van den schout Besserdich uit Gulzow, “breng uwe paarden uit den weg! Wie maar eenigszins bij de hand is, maakt zich den mooien regen ten nutte, want de Fransozen hebben gezorgd, dat ze onder dak kwamen.”
De oude molenaar gaat echter bedaard verder en brengt den mantelzak op het slot.
Zesde hoofdstuk.
Welk een aanblik van haar bed mamsel Westphalen kreeg, en waarom zij zich door Caroline een paar klappen in den nek liet geven. Waarom Frits Sahlmann de pijpen van den baljuw breekt, en de Fransche overste bijna den degen had getrokken.
Als iemand eene geschiedenis behoorlijk wil vertellen, moet hij ’t juist zóó aanleggen als de eggers en de ploegers, wanneer zij een akker beploegen; hij moet altijd rechtuit ploegen, alles raken en niets overslaan. Maar, al volgt hij dezen regel, zoo blijft er toch hier en daar wel eens een eind liggen, waarheen hij weêr terug moet keeren, om er de voren nog eens over te halen. Zoo gaat het mij nu ook: ik moet eene poos teruggaan en den afloop der zaak van mijnheer Droi en van mamsel Westphalen vermelden, om weêr in ééns door te kunnen ploegen.
Denzelfden morgen, toen de molenaar met zijne zware hoofdpijn in zijne laars keek, kleedde mamsel Westphalen zich geheel naar behooren aan, want zij was zeer ordelijk, en toen zij hare muts wilde opzetten scheen die haar niet meer in ’t rechte fatsoen te zijn, want zij was zeer zindelijk; zij ging dus naar hare kamer om eene schoone muts te halen, maar zij klopte eerst aan, en vroeg: “Mijnheer Droi, zijt gij reeds in uw volstandig kostuum?”—“Oui!” zeide de horlogemaker.—Zij maakt de kamerdeur open. Groote hemel!—wat zag het er dáár uit! zóó iets had zij van haar leven nog niet gezien; want ’s nachts was zij maar tot op de gang gekomen en had geen oog in hare kamer geslagen. Het geheele bedverhemelte was afgebroken, en dwars vóór de kamerdeur lag een der Franschen in de witte, wolkachtige gordijnen, en rookte uit eene steenen pijp, met de mooie rood en witgestreepte peluw onder zijn hoofd; de andere zat in haar leuningstoel en had zijnen beenen met haar nieuw gingang morgenjasje toegedekt. Mijnheer Droi zat op het voeteneinde van het bed, en onder zijne beeremuts keek een gezicht uit, waarop niets anders te lezen stond dan jammer en ellende.—Wat zag het er in haar lief kamertje uit!—’t Was altijd haar trots geweest; haar porseleinkastje;—hier had zij steeds op hare eigene hand geregeerd; hier had zij steeds in keurige orde en zindelijkheid zich verlustigd, alles had zij eigenhandig afgeveegd en afgestoft. Niemand mocht hier iets van haar aanvatten of ’t onderste boven keeren, zelfs de weversvrouw niet.—“Neen,” zeide zij; “de weversvrouw is heel goed; maar, sedert zij mij eens mijne barnsteenkralen op den grond heeft laten vallen, sedert dien tijd vertrouw ik haar niet.”—En nu!—Alles was omvergehaald en van zijne plaats, de kamer was blauw van tabakswalm; hare kleederen waren van den kapstok afgerukt en lagen bij het geweer van mijnheer Droi en den paardestaart van den Franschman, en haar bed, haar mooi bed, stond midden in de kamer.—Dat bed was haar eigendom. Haar peetoom, de schrijnwerker Reuss,—de oude Reuss, niet de jonge,—had haar ledekant uit hetzelfde stuk hout gemaakt, waaruit hij hare doodkist voor haar had moeten maken; zij had het garen voor het bekleedsel zelve besponnen; meester Stohl had het geweven, “tamelijk goed,” zei ze, “maar elke baan twee vingerbreed te smal, en dat is eene domheid, want ik ben een min of meer volkomen vrouwspersoon, en dat moest hij weten.” De veeren had de vrouw van den baljuw haar ten geschenke willen geven, doch zij had die niet aangenomen en had ze haar betaald, want zeide ze, “juffrouw Stahl, mijn tijdelijke en mijne eeuwige rust wil ik zelve verdiend hebben, want daar ben ik trotsch op.” En toen nu het ledikant zoo ver gereed was, kocht zij twee stellen sneeuwwitte gordijnen van den dooven Hirsch en maakte ze aan het verhemelte vast; daarop ging zij in de kamer drie schreden er van af staan en zeide: “Juffrouw Stahl, het einde kroont het werk!”—Nu lagen de stukken van het bed in wanorde in ’t rond en de kroon lag op den vloer.
In ’t eerste oogenblik staat zij als aan den grond genageld en zij kijkt door den tabakswalm heen, als de volle maan door de avonddauw; daarop gaat zij een paar schreden dichter naar den heer Droi toe, haar aangezicht wordt zoo rood als de bodem van den grooten koperen waschketel in hare keuken; hare nachtmuts beeft haar op het hoofd van ergernis; maar zij zegt niets verder dan: “Wat is dit?”—Mijnheer Droi stamelt zoo wat bij elkaar van dit en van dat, maar zij ziet hem scherp in ’t aangezicht en zegt: “Leugens, mijnheer Droi! Gij hebt van nacht gelogen, gij liegt dezen morgen ook. Ik heb u uit barmhartigheid mijne slaapsteê, mijn eigen bed ingeruimd, en dit is mijn dank!”—Dit zeggende gaat zij naar hare commode, haalt eene schoone ochtendmuts uit de lade en wil nu de kamer uitgaan, zonder mijnheer Droi aan te zien; nu ziet zij echter haar kostbaar onderbed uit het ledekant hangen, half op den grond; dat gaat haar nu toch al te zeer aan ’t harte, en zij wil het opbeuren; doch vat het ongelukkig juist aan op de natte plek, waar het water ingeloopen was; zij werpt het mijnheer Droi naar ’t hoofd, zeggende: “Foei! Ook dat nog!” En zij zeilde de deur uit en zag er van achteren zoo eerwaardig en standvastig uit als de onschuld, als ze naar de gerechtsplaats geleid wordt.
De beide Franschen lachen en snateren, maar zij stoort zich daar niet aan, en toen zij de gang afgaat, treedt de Fransche overste met zijn adjudant in volle uniform uit de blauwe kamer en maakt eene beleefde buiging voor haar. Zij is, wel is waar, volstrekt niet voor beleefdheden gestemd; doch, zoo als iemand vraagt, moet hij toch ook antwoord hebben; en zooals de man is, moet de worst toch ook voor hem gebraden worden; zij duikt dus weder met eene nijging naar beneden en zegt: “Goeden morgen, mijnheer de overste Von Toll,” en wil voorbijgaan.—De overste houdt haar echter tegen en zegt; “Mag ik u vragen, waar ik mijnheer den baljuw zou kunnen vinden; ik moet hem spreken?”—Mamsel Westphalen denkt, dat zij van eene beroerte getroffen zal worden. “Wat wilt gij?” vraagt zij, geheel onthutst.—De Franschman geeft zijn verlangen nogmaals te kennen.—“Hoe zou dat mogelijk zijn!” zegt mamsel Westphalen. “Onzen mijnheer den baljuw wilt gij ’s morgens om half acht spreken?” En daar de Franschman er bij blijft, zegt zij: “Mijnheer de overste Von Toll; in mijne kamer is van nacht alles ’t onderste boven gekeerd,—ik moet mij dat helaas! laten welgevallen,—maar niemand zal van mij zeggen, dat ik de hand geleend heb, om de orde van het heelal te helpen omkeeren. En al is ’t ook geen christelijk slapen met den ouden heer, zoo is hij toch heer en kan slapen als een heer en doen wat hem behaagt. Geen koning en geen keizer, en al kwam onze hertog Frederik Frans zelf, zullen er mij toe bewegen, mij met eene rebellie tegen het huiselijk gebruik in te laten.”—De overste antwoordde, dat hij het dan zelf doen zou; hij schoof mamsel Westphalen beleefd op zijde, en ging de trap op naar boven. “De hemel zal mij bewaren!” zeide de goede dame, en liet hare handen langs het lichaam zakken: “ik geloof waarlijk dat die kerel het doet!” En toen zij den Franschman de kamer van den ouden heer hoorde binnengaan, riep zij uit: “Hij doet het!” En toen de adjudant naar hare kamer, bij mijnheer Droi, ging, sprak zij: “Scheefbeenige, misselijke kerel, gij mankeert er nog aan.” Nu gaat zij naar de keuken en zegt tot de beide dienstmeisjes: “Fieken en Carolien, de dag begint van daag slecht, en als dat zóó blijft voortgaan, dan mag de hemel weten, waarmeê het zal eindigen.—Morgen moeten we aan ’t wasschen; daar heb ik mijne redenen voor; vandaag gaat ieder van ons aan zijn werk, en doet alsof er niets gebeurd was.” En met die woorden nam zij den koffiemolen en draaide, en draaide, en de koffiemolen ratelde en ratelde, en toen zij het laadje van onderen wilde uitschudden, was er niets in, want zij had er geene koffieboonen boven in gedaan.
Boven bij den ouden heer begon ’t nu zeer levendig te worden en er werd zeer luid gesproken, en Frits Sahlmann, die onverstandige bengel, die juist bezig was de steenen pijpen voor den baljuw te stoppen, wilde nu toch vertellen, hoe ’t boven toeging, en stoof, met het gansche pijpen-huishouden in de hand naar de keukendeur, waar Fieken juist heel aandachtig haar oor tegen aangelegd had, om er ook een beetje van te profiteeren, en—bons!—vliegt hij tegen Fieken aan, en—klets!—liggen al de pijpen op den grond, en ’t rammelt door de keuken rond. Mamsel Westphalen raakt hem echter niet aan; hare handen liggen in haren schoot en zij zegt heel zachtmoedig: “’t Is geheel in de orde!—Als alles moet ondergaan en breken, breekt zoo’n pijp wel het eerste, en, als de hemel invalt, vallen alle musschen dood.—’t Zou mij volstrekt niet verwonderen, wanneer er nu iemand inkwam, die al ons porcelein door de vensterruiten gooide.”
De strijd boven werd luider; de woordenwisseling klonk over het portaal heen, en mijnheer de baljuw kwam met den overste de trappen af naar de gang. De oude heer zeide met barsche, korte woorden, dat de ander maar doen moest, wat hij niet laten kon, want hij had toch de macht. De overste zeide, dat hij dit wist. Eer hij echter van die macht gebruik maakte, wilde hij vooraf onderzoeken, hoe ’t met de zaak gesteld was, want het kon niet anders zijn: hier hadden dingen plaats gehad, die naar ’t scheen, verduisterd zouden worden.—Hij had niets te verduisteren; zeide de baljuw. Indien hier iets te verduisteren was, dan hadden de Franschen wat te verduisteren; of, zou wellicht zoo’n schurk, als de “chasseur” geweest was, bij hen in eer en achting staan? Wat hem betrof, hij wist verder niets, dan dat die kerel als een roover bij hem gekomen was, en zich als een zwijn had gedragen, en dat zijne lieden en de horlogemaker Droi hem gezegd hadden, dat de Gielowsche molenaar hem op zijn wagen meêgenomen had; want gezien had hij hem niet.—De overste vroeg nu, hoe toch de horlogemaker Droi in Fransche uniform kwam.—Daar bekommerde hij zich niet over, zeide de oude heer, en hij behoefde daarvoor niet aansprakelijk te zijn; hij had slechts gehoord, dat die man menigmaal voor zijn genoegen de uniform aantrok.—“Dat zijn uitvluchten,” zeide de overste. Maar toen vloog de oude heer driftig op en hij richtte zich in zijne gansche lengte overeind en zag den Franschman met een voornamen blik aan en zeide: “Uitvluchten zijn na verwant met leugens. Gij vergeet mijne jaren en mijnen stand!”—De overste wordt nog driftiger en zegt: “Kort en goed, die zaak komt mij onwaarschijnlijk voor.” “Zóó?” vraagt de oude heer, en onder zijne grijze wenkbrauwen fonkelt een blik vol haat en wrok, gelijk als wanneer uit eene grauwe donderwolk een bliksemstraal over een bekoorlijk landschap heenschiet. “Komt dat u onwaarschijnlijk voor?” En hij keert zich half om en ziet den overste zoo over den schouder aan. “Waarom mag een Franschman niet voor zijn genoegen eene Fransche uniform aantrekken, wanneer daarin zooveel Duitschers voor hun genoegen rond loopen?”