← Table of contents
Twee vroolijke geschiedenissen

Uit den Franschen tijd. (continued 2)

Eliza Laurillard translation

De overste werd bloedrood in het aangezicht,—één oogenblik slechts,—en, zoo bleek als de dood trad hij toen een paar schreden achteruit, greep naar zijn degen, en ’t was alsof eene vreeselijke daad van geweld als een spook achter hem stond en zijne hand wilde besturen,—ook maar één oogenblik;—haastig keert hij zich om en gaat met groote schreden de gang af; en Fieken, die in de keuken, door eene reet in de deur alles had aangezien, zeide naderhand altijd, dat ze zóó iets van haar leven niet gezien had; “hij was immers een knap man en had een vriendelijk gezicht,” voegde zij er bij; “maar, toen hij zoo de gang afkwam, toen weet ik niet, hoe ’t mij op eens zoo inviel, dat ik eens, toen ik nog ganzen hoedde, midden in den zomer, bij helderen zonneschijn een dwarrelwind heb beleefd, die, eer ’k mijne hand omdraaien kon, van den mooien eikeboom achter den pastorietuin al de takken afbrak, zoodat alles door malkaar vloog; en zóó vloog ’t ook over zijn gezicht.”

De overste keerde zich weder om, ging naar mijnheer den baljuw toe, en zeide op koelen en bedaarden toon, dat zij elkander over dat punt wel eens nader zouden spreken; zijn plicht eischte van hem, de zaak grondig te onderzoeken.—“Waarom heeft de horlogemaker van nacht op het slot geslapen?” vroeg hij verder.—“Hij heeft hier niet geslapen!” hernam de oude heer. “Ja wel,” zeide de overste, “hij heeft hier geslapen, in die kamer heeft hij geslapen,”—en hij wijst op de kamer van mamsel Westphalen.—“Onmogelijk!” riep de oude heer, zijne stem verheffende, als wilde hij voor de geheele wereld als verdediger der onschuld optreden;—“dat is mamsel Westphalen’s kamer. Dat goede meisje is meer dan twintig jaar in mijn huis en zij zou ’s nachts manspersonen bij zich herbergen?”—“Carolien,” zeide mamsel Westphalen in de keuken, “sla me eens driemaal flink in den nek, want ik krijg eene flauwte, en alles draait met me in ’t rond!”

Intusschen rukt de overste de deur open, en daar ziet dan mijnheer de baljuw den horlogemaker vóór zich staan, wien de adjudant juist gedurende dien tijd onder handen had genomen, en die al het mogelijke verteld had,—slechts niet de waarheid, dat mijn vader hem als vogelverschrikker tegen de Franschen had gebruikt,—en die ook bij kris en kras had gezworen dat de Gielowsche molenaar den jager meêgenomen had.—De oude baljuw verschrikt niet weinig, als hij den horlogemaker daar ziet. “Dat is mij onverklaarbaar!” roept hij uit. De overste lacht schamper in zich zelven en zegt dat het, naar hij hoopt, niet lang onverklaarbaar zal blijven; hij spreekt daarop een paar woorden heimelijk met den adjudant en verlangt den sleutel van de slot-gevangenis.—“Dien geef ik niet af voor den gevangene,” zegt mijnheer de baljuw,—“want voor dien man is de slot-gevangenis niet, hij is een burger en hij behoort in de burgergevangenis.”—De overste zeide, dat zulks best was, en zóó had hij ’t zelfs nog liever, want hij wist dan, dat er niet zoo gemakkelijk knoeierijen konden plaats hebben.

Mijnheer Droi werd dus tusschen een paar soldaten in genomen, want het wemelde en krioelde middelerwijl al van allerlei Fransch volk op het slotplein,—en werd naar het raadhuis getransporteerd. De overste ging ook weg; doch toen hij aan de deur was, keerde hij zich om en zeide: zoo hij streng naar zijn plicht te werk ging moest hij den baljuw ook laten arresteeren; maar, omdat hij een oud man was, en vooral, omdat hij hem in persoon hier zulk een gruwelijk bitter woord had gezegd, wilde hij hem in vrede laten, want hij wilde in deze zaak niet den allerminsten schijn op zich laden, alsof hij zich over dat woord wilde wreken. Dat moest hij hem evenwel zeggen, indien zijne tegenwoordigheid, of die van mamsel Westphalen, bij het onderzoek noodig werd, dan kon hij hem daarvan niet ontslaan, en mijnheer de baljuw moest voor zich zelven en mamsel Westphalen instaan. Dit beloofde de oude heer op bedaarden en koelen toon, en de overste vertrok, maar kommandeerde terstond een paar gendarmes om naar den Gielowschen molen te gaan, waarbij hij den ouden heer scherp aanzag.

De oude heer ging eerst op de keuken aan, en Fieken ging al uit den weg van de reet in de deur, daar zij dacht dat mijnheer zou binnenkomen; doch hij bleef eensklaps stilstaan en keerde zich om, bij zich zelven zeggende: “Wat zeide die kerel van knoeierij en van den schijn op zich te laden?—Wat zoo’n Fransche overste slechts zeggen kan, dat kan mijnheer de baljuw Weber doen; ik wil ook den schijn niet op mij laden, alsof ik voornemens was, mij met knoeierijen op te houden.” En hij ging naar zijne kamer.

Zevende hoofdstuk.

Wat mijn oom Herse zeide, en wat mijn oom Herse was; en waarom Frits Sahlmann fluiten moest.

Toen de horlogemaker van het slot getransporteerd werd, was Frits Sahlmann natuurlijk medegegaan, alléén maar om te zien, hoe den arrestant de zaak wel zou aanstaan, en of hij ook soms op den loop ging; doch dat laatste geschiedde niet. De stoet ging langzaam naar beneden, naar ’t raadhuis, want men had moeite zich door allerlei paarden en voertuigen te dringen, die tot het vervoeren van bagage en maraudeurs en tot voorspan van kanonnen uit de dorpen en steden gekommandeerd waren; en die thans op het slotplein en op den weg naar het slot bijééngedreven en door Franschen ingesloten waren, opdat zij niet weder zouden ontvluchten, want daarvan hadden de boeren nu al drommelsch goed slag gekregen.—De horlogemaker ging, zoo geduldig als een lam, met zijne beide bewakers door de menigte heen; hij was in ’t eerst wel erg verschrikt geweest, en de geheele zaak kwam hem dien nacht ook geducht onaangenaam en bedenkelijk voor, doch gedurende het verhoor, dat de adjudant hem had doen ondergaan, was hij in eene stemming geraakt die het best aldus kon uitgedrukt worden: “Praat jij maar! Je kunt veel praten, eer mij één woord daarvan behaagt!” En zijne antwoorden waren bijzonder sober geweest. En hoewel hij juist niet zoo’n onbesuisde courage bezat, die dadelijk overal op los gaat, zoo was hij toch al lang in de wereld geweest en had al zoo dikwijls in den knoei gezeten, dat hij niet licht den moed verloor. Hij liet de zaak haren gang gaan. “Hoe zou dat hier wel afloopen?” zeide hij tot zich zelven, toen hij de deur van het raadhuis ingeduwd werd.

“Frits Sahlmann,” zegt de raadsheer Herse;—toen de jongen den weg naar het slot weder wilde opgaan; “wat beteekent dat?”—Frits vertelt nu met de grootste deftigheid de geschiedenis van gisteren, en hoe mijnheer Droi in de kamer van mamsel Westphalen geslapen en alles kort en klein geslagen had; en hoe hij zelf de pijpen van mijnheer de baljuw stuk had gesmeten,—maar, dat kon hij niet helpen, daar had Fieken schuld aan,—en hoe de overste mijnheer den baljuw had willen doodsteken, en hoe mamsel Westphalen in de keuken zat, als een toonbeeld van ellende en smart;—doch van den ijsklomp zeide hij niets.

Nu was echter mijn oom, de raadsheer Herse, een ontzaglijke patriot, ofschoon in ’t geheim. En dat was niet zonder reden. Want, gelijk hij mij jaren daarna, toen Bonaparte al dood was, eens toefluisterde, hij behoorde in dien tijd tot het deugdverbond. En ’k geloof dat wel, want als hij in gezelschap was, speelde hij altijd met een langen horlogeketting van zeer licht haar,—en tante Herse’s haar was zwart,—en hij liet dikwijls een vervaarlijk grooten ijzeren vingerring zien, waarmede hij eens den vagebond, den smidsknecht Höpner, bijna had doodgeslagen, toen die zich in de gerechtszaal zeer onbehoorlijk gedragen had.—“Frits,” zeide hij later tot mij, “dat lichte haar is van eene heldhaftige jonkvrouw, die zich, anno dertien, het hoofd heeft laten kaal scheren voor ’t vaderland, en de ijzeren ring heeft mij mijn gouden ring gekost. Maar, praat er niet van, ik heb dat liever niet.” Hij was dus met recht, ten tijde toen deze geschiedenis speelde, zeer voor heimelijkheden. En het is ook mogelijk, dat zijne wijze van doen, om alles in het geheel, van een uitgebreid gezichtspunt te beschouwen, met zijne heimelijke verbroedering in verband stond. Terwijl toch mijn vader zich met de nietigste plagerijen en knevelarijen dag en nacht kwellen moest, opdat de schrale stadszaken nog tamelijk goed bij elkaâr bleven en niet alles in de war kwam, liet de raadsheer Herse Kutusof rechts marcheeren en Czernitschef links, en hij prees York en schold op Bülow;—die verstond zijne zaak niet; want hij hij had zich niet naar Berlijn, hij had zich rechts, tot naar Stavenhagen toe, moeten terugtrekken, en had Bonaparte in de flank moeten aanvallen. Kortom, hij was er zoo juist de man naar, om van eene vloo een’ olifant te maken, in elken onschuldigen Franschen korporaal zag hij den korsikaanschen dwingeland, en toen eens de politiedienaar Luth bij eene kloppartij een paar slagen had meêgekregen, stelde hij zich aan, alsof de hertog van Mekklenburg in persoon op oorvegen getrakteerd was.

“Hou je snater, jongen!” fluisterde de raadsheer Herse zeer ernstig, “wilt ge hier je doodvonnis op de openbare markt uitschreeuwen?—Voor ’t leven van den horlogemaker geef ik geen groschen, want dit is zeker, dat de molenaar en zijn Frederik den chasseur doodgeslagen hebben....”—“De molenaar niet,” valt Frits hem in de rede, “de molenaar bestond gisteren louter uit brandewijn en barmhartigheid.”

“Nu, dan zijn Frederik, dat is een Pruis. Weet je, wat een Pruis is? Weet je wat een Pruis te beteekenen heeft? Weet je...? Domme jongen, wat kijk je me aan?—Denk je, dat ik je mijne aangelegenheden aan den neus zal hangen? Maar, wat ik zeggen woû,—den ouden baljuw zullen ze naar Bayonne, in Frankrijk, zenden, daar ze den schimmelhengst Herodotus van den graaf van Ivenack ook heengestuurd hebben; en mamsel Westphalen,—zooveel ik van de Fransche krijgswetten weet,—zal wel eenvoudig opgehangen worden; en jij, mijn jongen, voor de boodschap, die je gedaan hebt, zult ge wel een geducht pak slaag krijgen.”—Frits Sahlmann zag dus eene droevige toekomst te gemoet en zette er ook een gezicht naar.—“Mijnheer Herse, toch niet openlijk op de markt?” vroeg hij.—“Waar je maar gaat en staat, daarom heet het immers standrecht. Maar, als de zaak nog behoorlijk wordt aangevat, kan alles nog best terecht komen.—Kunt ge zwijgen?”—Frits Sahlmann zei, dat hij onbeschaamd goed zwijgen kon.—“Nu, kom dan eens hier, steek je beide handen in je broekzakken en fluit eens.—Zoo! dat gaat al goed!—En zet nu eens zoo’n onnoozel gezicht, alsof je alles niets aanging,—zooals je ’s zomers wel eens doet als je in den slottuin appels van de boomen gooit, en mamsel Westphalen daarop afkomt.—Mooi zóó!—En let nu goed op ieder woord, wat ik je zeg: nu ga je, met dit gezicht, en met dien mooien schijn van kinderlijke onschuld, tusschen de Fransozen en de boeren door, naar het slot, in de keuken, en roept daar mamsel Westphalen alléén in den hoek en je zegt dan maar deze beide woorden: “Redding nadert!” Mocht zij daarmede niet tevreden wezen, dan kunt ge haar, in alle bedaardheid vertellen, wat ik van ’t ophangen gezegd heb, en zoo ze soms daarbij eerst een beetje verschrikt, zeg haar dan, dat ze nog lang den moed niet moet verliezen; want dat ik, de raadsheer Herse, de zaak in handen heb genomen. Maar zij moet in de allereerste plaats, de keukendeur afsluiten en de achterdeur aan den tuinkant; en de beide meiden en jij moeten elk het een of ander ding in de hand nemen en geen Franschman binnen laten en jelui moet je weren, tot op den laatsten man, totdat ik kom. Ik zal echter dadelijk door den slottuin naar de achterdeur gaan,—’k wil maar eerst even een mantel hebben, want het regent infaam,—en mijn parool zal wezen: “Wel, wel!” en mijn veldgeschreeuw: “York!” Neen; dat gaat niet, dat begrijpt ze niet.—Nu, wat dan? ’t Is alles egaal,—’t is alles egaal.—Nu, mijn veldgeschreeuw is... is... “Zuur varkensvleesch!” Dat begrijpt zij.—Als er nu iemand komt, die dit woord roept, dan moet zij de achterdeur opendoen.—Hebt ge alles onthouden?” “Ja, mijnheer Herse.”—“Nu, ga dan maar heen. En geen mensch, ook mijnheer de baljuw zelfs niet,—mag er een woord van vernemen!” Frits ging heen, en mijnheer de raadsheer ook.

Mijn oom Herse had zich natuurlijk terstond, nadat hij raadsheer was geworden, de blauwe raadsheers-uniform met den rooden, met goud belegden kraag laten maken, en daar hij een groot, gezet en deftig man was, trok hij die zeer gaarne aan, zoodra er maar eenige aanleiding toe bestond; bij voorbeeld, als de brandspuiten geprobeerd werden, of als op een meidag de koeien in de stadsweide gebracht werden, of als er inkwartiering kwam. Wanneer dan mijn vader in zijn grijs jasje achter de gerechtstafel zat, en schreef, dat hem de vingers kraakten, ging de raadsheer Herse vóór de gerechtstafel op en neêr en zorgde voor de staatsie en de deftigheid, waarbij het hem dan bijzonder streelde, wanneer zoo’n Franschman hem als “monsieur le maire” aansprak. Mijn vader had daar ook niet tegen, want meestal viel er, bij deze zaak, ook wat in te brokken, en dat liet hij dan met de deftigheid, ook aan den raadsheer over, en hij nam de werkzaamheden op zich. Zóó hadden zij het gelijkelijk verdeeld, en wanneer de raadsheer Susemihl zijne zwaarwichtige taak, als wethouder op een gerechtsdag, behoorlijk vervulde, en de politiedienaar Luth het loopende werk op de straat verrichtte, en de stads-omroeper Dolmstrich niet dikker werd, dan hij werkelijk was, zoodat hij nog af en aan door veld en bosch ging, en op een zachten slootrand zijn middagslaapje waarnam, en de wijkdienaren van tijd tot tijd de brandspuiten probeerden en de aangelegenheid van den stadsstier bezorgden, en de veldwachter Hirsch de jongens uit de erwtenvelden joeg,—dan zou ’k wel eens willen zien, wáár eene stad en een rechtsgebied te vinden was, waar ’t zoo in orde en geregeld toeging, als in mijne vaderstad Stavenhagen. En dat kwam alles daar vandaan, dat de raadsheer Herse gaarne zijne uniform droeg.

Toen dus mijn oom Herse naar huis ging,—want het regende steeds, dat het goot,—zocht hij in zijne kleerkast naar zijn grijzen mantel, en daarbij kreeg hij zijne uniform in de hand en hij dacht: “Zie! vandaag is ’t er een goede gelegenheid toe, en wie weet, of ze mij in mijn voornemen niet van dienst kan zijn.”—Hij trekt ze dus aan, en zet ook zijn mooien driekanten hoed op, dien wij jongens naderhand steeds als schuit in den vijver van den ouden Nahmaker hebben laten drijven. Nu, destijds was hij nog in den besten staat, en toen de raadsheer Herse zijne huisdeur uitging, sloeg hij er den kraag van zijn mantel over heen, opdat de hoed niet nat werd, en mijn oom Herse zag er op klaarlichten dag uit, zooals een Fransch generaal bij nacht, wanneer hij de vijandelijke posten observeert. “Zoo!” sprak hij, “nu kent mij ook geen mensch!” Hij ging de markt over en maakte een’ kleinen omweg over eene hoeve, waar de pachter Nahmaker uit het hoekvenster zijne paarden nakeek, die de Franschen uit zijn stal hadden gehaald. “Goeden morgen, mijnheer Herse!” zeide de pachter; “lieve Hemel, wat is ’t een nare tijd!”—“Stil!” zeide oom Herse, en hij ging verder. Achter de schuur op de hoeve ontmoet hem de draaier Zwaardveger. “Goeden morgen, mijnheer de raadsheer!”—“Houd uw mond!” zegt mijn oom knorrig en hij gaat achter den slottuin om.—“Goeden morgen, mijnheer Herse!” zegt de jongen van den ouden muzikant Hartlaff.—Klets! daar krijgt hij er een, met de platte hand, om zijn ooren. “Domme jongen! zie je niet, dat ik niet bekend wil wezen?”—Met die woorden gaat hij den slottuin in, en hij is knorrig en zegt: “De drommel mag het weten! Eene openbare betrekking drukt waarachtig als een vloek op een’ mensch!”

Achtste hoofdstuk.

Waarom mijn oom Herse met parool en veldgeschreeuw komt, waarom mamsel Westphalen niet in den veengrond zitten wil; en waarom mijnheer de raadsheer op den wagen van den molenaar en ook weder er afkomt.

Ondertusschen was Frits Sahlmann met het voorgeschreven gelaat, met de handen in de zakken, en al fluitende, naar het slot gegaan; doch, toen hij de keuken inkwam, vergat hij alle voorschriften en zette een gezicht, dat in de lengte en in de breedte er uitzag als Bileam’s gezicht, toen zijn ezel begon te spreken, en hij fluistert mamsel Westphalen toe: “Redding nadert!” “Jongen! Frits Sahlmann!” zegt mamsel Westphalen, “wat is dat, wat moet dat, en wat beduidt dat?” Frits zeide dus nu, wat zij doen moesten, dat zij zich in de keuken tot op den laatsten man verweren moesten en geen Franschman binnenlaten, en dat de raadsheer Herse met parool en veldgeschreeuw zou komen en het kommando op zich nemen zou. “Goede hemel!” zegt mamsel Westphalen, “wat moet ik doen? Den baljuw kan ik onder zulke omstandigheden niet onder de oogen komen, want de schande is te erg voor mij. Ik wil mij dus getroost in de armen van den raadsheer Herse werpen en zijn raad volgen, en die zal wel de rechte zijn: waarvoor zou hij anders raadsheer wezen?—Fieken en Carolien, jelui neemt samen de achterdeur; Frits Sahlmann en ik nemen de keukendeur; en past nu goed op, dat jelui het veldgeschreeuw niet vergeet.”—De deuren werden gesloten, Fieken nam een’ bezem, Carolien een kolenschop, Frits Sahlmann een’ potlepel en mamsel Westphalen grijpt al naar een’ stamper, maar zij laat hem liggen, terwijl zij zegt: “De hemel beware mij, dat ik door moord en doodslag mijne schuld vergrooten zou! Neen, ik weet een beter middel,” en zij haalt een aschpot en zet dien voor zich op de keukentafel, van waaruit zij de achterdeur en keukendeur kon overzien, en zeide: “Zóó! Laat ze nu maar komen!—Maar, wie van mijne soort van zalf wat in ’t gezicht krijgt, die mag zijne oogen wel eens goed uitwasschen!”

Het duurde ook niet zeer lang, of er riep iemand voor de achterdeur: “Wel, wel!” En na eene korte poos riep dezelfde stem half overluid door het sleutelgat: “Zuur varkensvleesch!”—“Dat is de rechte,” zegt mamsel Westphalen,—“Carolien, maak de deur op mansbreedte open, en als hij binnen is, sla ze dan dadelijk weêr dicht.” Carolien doet dus nu de deur een eindje open, en mijnheer de raadsheer wil er zich doordringen; toen schuift de kraag van zijn mantel terug, en zijne driekante hoed en de roode uniformkraag komt te voorschijn. “Hu!” gilt Carolien uit, en klemt den raadsheer half in de deur vast; “een Fransozenkerel, een Fransozenkerel!”—“Zuur varkensvleesch!” roept de raadsheer Herse, “hoort gij niet? Zuur varkensvleesch!” Maar ’t kwam te laat; Fieken had hem al met haren stompen bezem zijn hoed van het hoofd en zijn vel van ’t gezicht gestooten, en mamsel Westphalen had hem al twee handen vol asch in de oogen gestrooid.

Daar stond mijn oom Herse en blies en proestte en snoof en grabbelde met de handen voor zich uit, alsof hij blindemannetje speelde: ’t was nacht voor zijne oogen en woede in zijn hart. Zijn geheele voornemen was mislukt; want wat wil toch eene heimelijkheid zeggen, waaruit een keukenspektakel wordt? Wat kan een deftig gelaat uitrichten, als ’t met een harden bezem bewerkt is en waar blijft alle glans, wanneer de turfasch er over ligt, gelijk de honigdauw op eene bloem?

De eerste, die weer bij hare zinnen kwam en gewaar werd, wien dit alles eigenlijk was overkomen, was Fieken; met één sprong was zij de achterdeur uit, in den regen. Carolien volgde haar na, uitroepende: “Beter een nat jaar van onzen lieven Heer, dan van onze mamsel!” Frits Sahlmann riep: “Heere jeminé! dat is de raadsheer Herse.” Mamsel Westphalen stond daar als Loth’s huisvrouw, en zij zag den raadsheer aan, als ware hij Sodom en Gomorrha, en zij riep met een zwakke stem uit: “Barmhartige hemel, wij wandelen allen in duisternis rond!”—“Gij kunt nog kijken, maar ik kan mijne oogen niet open krijgen.—Water, hier!” Nu ging het er op los met wasschen en afvegen en beklagen en verbazen en schelden en bedaren; maar oom Herse was te boos geworden, en hij zeide wat hem betrof, konden alle huishoudsters opgehangen worden, hij zou er wel oppassen, zich met vrouwlui in eene heimelijke samenzwering in te laten.—Mamsel Westphalen hield haar boezelaar voor hare oogen en begon te schreien en zeide: “Mijnheer de raadsheer, geef gij mij raad; vader of moeder heb ik niet meer; mijnheer den baljuw kan ik in zulke omstandigheden niet onder de oogen komen; gij zijt mijn eenige troost.”

Mijn oom Herse had een goed hart; mijn oom Herse had een teergevoelig gemoed; en toen de asch hem niet meer in de oogen zat, en mamsel Westphalen de schrammen in zijn aangezicht met zoeten room had ingesmeerd, zoodat zijn lief rood gelaat er uitzag als een paddestoel, waarmeê de vliegen doodgemaakt worden, zeide hij vriendelijk: “Houd nu met dat schreien maar op; ik help u terecht; gij moet vluchten.”—“Vluchten!” riep zij en keek heel verbaasd hare figuur van boven tot onderen aan. “Mijnheer Herse; ik vluchten!” En zij dacht daarbij aan de duiven, die zij boven op de duiventil had, en indien hare omstandigheden niet zoo droevig geweest waren, zou zij bijna gelachen hebben.—“Ja,” zegt mijn oom, “kunt gij bij dezen weg en in dit weder, wel zoo’n mijl of drie vier, in ééns door marcheeren? Want een rijtuig is niet te krijgen, en ’t is ook niet heimelijk genoeg.” “Mijnheer Herse,” zegt Mamsel Westphalen, en het lachen verging haar geheel en al; “zie mijne persoonlijkheid aan; ik ben wat zwaar gebouwd, en het trappenklimmen wordt mij soms al heel moeilijk.”—“Kunt gij dan rijden?”—“Wat zegt gij?”—“Ik meen, of gij kunt paardrijden?” Mamsel Westphalen stond nu op en zette de handen in de zijden, zeggende: “Met schande wil ik niet leven. Welk vrouwspersoon rijdt te paard? Ik heb er maar één gekend in mijn leven, en dat was eene freule, maar die was er ook naar.”—Nu stond de raadsheer Herse op, en liep een paar maal in gedachten, in de keuken, op en neder; eindelijk vroeg hij: “Acht gij u zelve in staat, om u bij dit weder, vier en twintig uren in onzen stads-veengrond in het riet te verstoppen?”—“Mijnheer Herse,” zegt mamsel Westphalen en zij grijpt weêr naar haar boezelaar en droogt hare oogen af, “zie, ’k ben nu al in de vijftig en ’k heb verleden najaar die zware ziekte gehad...” “Dan gaat dat ook niet,” valt de raadsheer Herse haar in de rede, “dan zijn er nog maar twee wegen; een naar boven en een naar beneden. Vluchten moet gij, ’t zij op den zolder, of in den kelder.”—“Mijnheer de raadsheer!” roept Frits Sahlmann uit, en kruipt van achter den keukenhaard te voorschijn, “ik weet het.”—“Jongen,” zegt mijn oom, “zijt gij hier?”—“Ja;” zegt Frits, heel benauwd.—“Dan is ’t met de heele heimelijkheid niets waard: want wat drie weten, weet de heele wereld.”—“Mijnheer Herse,” zegt Frits, “ik zeg waarachtig niks er van! En, mamselletje, ik weet een plekje voor u. Op den rookzolder is de ééne plank los; die kan er afgedaan worden, en als gij u dan een beetje dun maakt, dan kunt gij u daar tusschen dringen, en daarachter is, bij de vliering, een klein hoekje, daar vindt u geen duivel.” “Entfaamte lummel!” zegt mamsel Westphalen, en zij vergeet al haren angst en nood; “dan ben jij ’t geweest, die altijd de metworst van den rookzolder gestolen hebt en, mijnheer Herse, ik heb altijd de onschuldige ratten verdacht.” Mijn oom houdt nu Frits Sahlmann vrij van een duchtig pak slaag en zegt, dat het nu hoog tijd was, en dat zij vluchten moest, en dat dàt de juiste plek was.

Zij spoedden zich nu alle drie naar boven, naar het rookzoldertje, en nadat Frits Sahlmann de losse plank en de gelegenheid daar achter had aangewezen, sprak mijn oom Herse: “Zóó, mamselletje! ga hier nu op den rookzolder zitten, want zitten moet gij nu; ik zal achter u toesluiten, en wanneer gij hoort, dat hier iemand aan de deur komt, dan kruipt gij zachtjes door de plank in het kleine hoekje, maar pas vooral op, dat gij niet hoest of niest.” “Dat is gemakkelijk zeggen, mijnheer de raadsheer; maar in zoo’n rook!” antwoordt zij.—“Dat zullen wij verhelpen!” zegt hij en stoot het luik open. Zij willen nu weggaan, maar zij roept: “Frits Sahlmann, mijn zoon, verlaat mij niet, en breng mij bericht, hoe ’t met de zaak staat.”—“Hij mag, wat er ook gebeurt, niet naar den zolder gaan,” zegt de raadsheer Herse, “dat zou de een of ander kunnen zien, en dan is alles verraden.”—“Wees maar gerust, mamselletje,” zegt Frits, “ik zal ’t wel gedaan krijgen,” en hij knipoogt haar listig toe.—Zij gaan heen, en mamsel Westphalen zit vol treurigheid onder hare zijden spek en hammen en worsten en zegt: “Wat helpt al die schoone zegen van God als iemand van mijne jaren moet vluchten.”

Zoodra oom Herse wist dat mamsel Westphalen in veiligheid was, ging hij weder naar de keuken en prentte Frits Sahlmann nog eens ter deeg, met een’ kleinen handgreep aan de ooren, het zwijgen in. In de keuken trok hij den kraag van zijn’ grijzen mantel weder over den geborduurden uniformkraag en den driekanten hoed, en sloop heimelijk, gelijk de kat van den duiventil, de achterdeur uit.

Doch nauwelijks had hij zijn bovenlijf uit de deur gestoken, of er werd geschreeuwd en gegild, en Fieken en Carolien, die gemeend hadden, dat nu alles weêr in orde was, en dus de keuken in wilden, stoven uit elkaar als een paar bonte duiven, wanneer de havik tusschen haar invliegt.—“Houdt uw’ mond!” riep oom Herse, “ik zal u geen kwaad doen!”—Doch, wat hielp dat? De boeren, die nog met hunne paarden in den tuin gebleven waren, keken bij dat geschreeuw om, en toen zij achter zich den gewaanden Franschen officier zagen, maar die eigenlijk mijn oom Herse was,—toen gingen zij op den loop, allen op de groene poort af; en het duurde niet lang, of er was geen hoef en geen juk van kanonnen-voorspan te zien. De raadsheer sloeg nu zijdelings af, tusschen het struikgewas, en toen hij zoo’n klein, half verborgen pad langs ging, wie kwam daar aan?—De oude molenaar Voss met zijn’ mantelzak onder den arm. “Goeden morgen, raadsheer!”—“Daar speelt de drommel meê!” zegt de raadsheer Herse.—“Molenaar Voss, ziet gij ’t niet? Ik wil immers niet bekend wezen.”—“Wel, dat begeer ik ook niet,” zegt de molenaar. “Maar, mijnheer Herse, gij kunt mij een genoegen doen: aan de groene poort heb ik mijn wagen vastgebonden: breng die voor mij in veiligheid! Ik doe u gaarne weder eens een genoegen; zoodra de baars in den molenvijver aanbijt, laat ik het u weten.”—”’k Zal er voor zorgen,” zegt de raadsheer, en hij gaat naar de groene poort en toen hij daar het voertuig van den molenaar vond, maakte hij het los, klom op den wagen, en wilde juist afrijden, toen hem een troep Fransozen in den weg kwam; vooraan de overste zelf, op wiens bevel al dat voorspan was geordonneerd, en die nu zag, dat de meerderheid zich uit de voeten gemaakt had.

Mijn oom Herse werd dan ook dadelijk gearresteerd en van den wagen gerukt, en toen de overste zijne uniform zag en hij voortdurend riep, dat hij conseiller d’état was,—want hij wist in dat oogenblik geen beteren naam voor een Stavenhager raadsheer te vinden, toen dachten de Franschen, dat zij eene mooie vangst gedaan hadden en zij hielden hem voor den opperste van de geheele zaak. De overste vloekte en zwoer op de onchristelijkste Fransche manier, dat hij aan hem een exempel zou statueeren; vier man moesten hem in het midden nemen. En zóó werd mijn oom Herse, die met de uiterste geheimzinnigheid gekomen was, om een goed werk ten uitvoer te brengen, tot een openlijk schouwspel in de stad terug geleid, en moest de laagste behandeling ondervinden.

Terwijl dit geschiedde, stond de oude bakker Witt daar dicht bij, achter een’ grooten kastanjeboom; want hij was ook gekomen om den wagen van den molenaar in veiligheid te brengen. “Kwaad kan ’t den raadsheer niet,” zeide hij bij zich zelven; “hij koopt zijn wittebrood bij Guhl, waarom niet bij mij? Nu, hij moet zelf maar raad weten en dat kan hij ook, want hij is heel wijs; maar dat onnoozele, onverstandige vee kan ’t niet, daarvoor moeten wij zorgen.” En dit zeggende, klom hij op den wagen en reed zachtjes achter de Franschen, naar zijne schuur, en trok de paarden er in.

Negende hoofdstuk.

Waarom mijnheer de baljuw in Marcus Aurelius lezen moest en zijn aangezicht niet mocht wasschen, en waarom Fieken van den molenaar Voss hem niet meer te teemachtig voorkwam.

De oude baljuw liep in zijne kamer op en neêr en was knorrig, want al was hij ook niet zeer driftig van aard, zoo was hij toch een oud man, die gewoon was te bevelen en die zijne eigene manier had, en nu moest hij zich laten kommandeeren, en had ’s morgens klokke acht moeten opstaan,—wat tegen zijne natuur was,—en koffie had hij ook niet gekregen, en toen hij tot zijne opvroolijking een pijp wilde aansteken, waren er geene pijpen te zien. Hij schelde éénmaal: Frits Sahlmann kwam niet; hij schelde tweemaal: Fieken kwam ook niet. Hij haalt zijne snuifdoos uit den zak en neemt een snuifje, met zulk een veelbeteekenend neusophalen, als iemand doet, die zich op alle mogelijke onaangenaamheden wil voorbereiden, krijgt zijn lorgnet te voorschijn en kijkt naar ’t weder. Het regende buiten dat het goot, en in de hooge, kale toppen der olmboomen zaten de kraaien zoo stil en ineengedoken, alsof hunne vleugels waren vastgekleefd, en zij dropen, als de oude boer Kugler, toen hij eens op een avond tot aan den rand van zijn hoed in de dorpssloot had gezeten. “Die hebben ook al geen pleizier!” zeide de oude heer. “Maar, waar is tegenwoordig pleizier in de Duitsche landen? ’t Is toch eene wonderlijke zaak met het wereldbestuur! Onze lieve Heer laat maar toe, dat één zoo’n hondsvot de gansche wereld ongelukkig maakt. Dat is voor een christenmensch moeilijk te begrijpen. De grootachtbare hertogelijke kamer maakt ook menigmaal bepalingen, die geen christenmensch en geen ambtenaar begrijpen kan; maar het hoogachtbare domeinbestuur is toch ook maar zoo’n arme zondaar, wien al van het begin af bij alle hooge eigenschappen, de domheid in de ééne slip meê ingeknoopt is, en dat weten wij, en wij schikken er ons in, dat wil zeggen, niet zonder eenige ergernis en verdriet. Maar hier, bij het christelijk geloof aan een wijs wereldbestuur, het nut van den schavuit Bonaparte in te zien, dat is—dat is!”—en hij nam zijne slaapmuts af en hield die een duim of drie boven zijn hoofd, “God moge mij de zonde vergeven! Ik heb tegen geen mensch ooit haat gekoesterd, tegen geen mensch vijandschap, ook niet tegen de grootachtbare kamer met haar sakkermentsche monitoriën, maar nu heb ik een’ haat!” en hij smeet zijne slaapmuts op den vloer en zette er zijne voeten op; “nu heb ik er een! en ik wil hem ook behouden!”

Dit laatste had hij misschien wat luid geroepen, want zijne lieve vrouw kwam geheel ontsteld de deur in.—“Weber, Weber! Wat scheelt u? Heeft Frits Sahlmann of Fieken...?”—“Neen, Netje,” viel hij haar in de rede en raapte de slaapmuts op, “die niet, Bonaparte maar.” “Goede hemel,” riep zij uit, “al weder! Waarom wilt ge u toch op hem boos maken?” En zij ging naar de boekenkast van mijnheer den baljuw en kreeg er een boek uit, zeggende: “Daar, Weber, lees in je boek!” Dat was nu het boek van Marcus Aurelius. Daaruit las de baljuw een kapittel, als hij zich boos gemaakt had, en zoo ’t heel erg geweest was, twee. Hij nam dus nu ook het boek en las, en zijne lieve vrouw deed hem den witten purgeermantel om en maakte het mooie, grijze haar glad en draaide het kleine deftige staartje en strooide hem zacht en voorzichtig het stuivende poeder over ’t hoofd; Marcus Aurelius deed ook het zijne, en al de knorrige rimpels waren weg van zijn ernstig voorhoofd, toen de vrouw van mijnheer den baljuw met het kleine zilveren mesje het poeder van ’t aangezicht afschrapte.—“Want dat moet zij er altijd afschrappen,” zeide Fieken, wanneer zij hierover begon te praten, “en wasschen kan hij zich dan niet, anders zou het tarwemeel hem de oogen dichtplakken.”

“Netje,” sprak de baljuw, toen hij, wat zijn hoofd betrof, in orde gemaakt was, “kijk toch, als ge kunt, eens beneden in ’t huishouden rond. ’t Is toch eene zonderlinge zaak! Fieken komt niet, Frits Sahlmann niet: die verd... ’k wou zeggen—dat goddelooze Fransozentuig heeft alles hier in huis in de war gemaakt.—Wat moet dat?”

De vrouw van mijnheer den baljuw was een kleine goedaardige vrouw, een weinig zwak van persoon, doch daarbij niet gemelijk en steeds bereid, om in vriendelijkheid de wonderlijke invallen van den ouden heer te verdragen. Zij hadden één zoon, hun Jochem, die sinds lang buiten ’s lands was, en zoo waren de beide ouden in dat groote slot alleen met elkander, en zij droegen in trouw en eerbaarheid lief en leed te zamen: en wanneer de verveling bij hen wilde binnensluipen, dan trof het gelukkig altijd, dat mijnheer de baljuw juist ter goeder ure een nieuwen, wonderlijken inval kreeg, en uit het geeuwen kwam dan een recht gezond niezen, dat de liefde weêr opfrischte, want het gaat met de liefde als met een’ boom: hoe meer de wind in de kruin en in de bladeren speelt, des te vaster worden zijne wortels.

Nu, wat mijnheer de baljuw heden morgen van zijne lieve vrouw verlangde, dat zij namelijk eens in ’t huishouden zou omzien, was nu juist geen zonderlinge inval en daarom niesde zijne vrouw ook niet, ofschoon zulks, in onzen tegenwoordigen tijd, menige wel opgevoede vrouw wel gedaan zou hebben.—Zij was juist heengegaan, toen de oude molenaar Voss met het valies de deur inkwam. “Goeden morgen, mijnheer de baljuw!” zeide de molenaar en maakte een buiging, “met uw verlof!” En hij legde het valies op de tafel, “hier is ’t!” “Wat is ’t?” vroeg de oude heer.—“Mijnheer, wat weet ik ’t? Ik weet wat, ik weet veel, ik weet in ’t geheel niks, maar, zooveel weet ik, een gauwdievenkraam is ’t.” “Molenaar Voss, hoe komt gij aan een gauwdievenkraam?”—“Hoe komt de hond in den halsband, mijnheer de baljuw? Hoe kwam het meisje aan ’t kind?—Ik weet maar, dat dit de mantelzak van den Fransoos is, en dat de duivel mij den Fransoos gisteren avond op mijn wagen heeft gegooid, en mijn Frederik hem er weêr afgesmeten heeft.” En nu vertelde de molenaar het geheele geval.

De oude heer liep ondertusschen in de kamer heen en weder en bromde zoo wat in zijn baard, van “leelijke zaak!” en dan weder stond hij voor den molenaar stil en zag hem strak in de oogen, en toen het verhaal van den molenaar uit was, zeide hij: “Wel, vriend Voss, ’t is immers toch wel zeker, dat de Franschman nog leeft?”—“Mijnheer de baljuw, wat weet ik ’t?—Zie eens; ik maak mijne berekening zóó: koud was ’t van nacht voor den tijd van ’t jaar juist niet; maar geregend heeft het den heelen nacht; en, als wij beiden, mijnheer de baljuw, gij of ik, van nacht daar gelegen hadden, dan waren we mogelijk verkleumd. Maar, ik reken ook zóó: zulk volk is ’t liggen in de lucht beter gewend, dan wij, en heeft het hem in Rusland geen kwaad gedaan, dan zal ’t hem hier ook wel niet benadeeld hebben. En weggegaan is hij, en Frederik is hem achterna, en als hem dan naderhand nog wat overkomen is, kunnen wij dat niet helpen.”—“Vrind Voss, vrind Voss,” sprak de oude heer, het hoofd schuddende, “dat is een erg ding! Als jou Frederik den Franschman niet weêr krijgt, kan ’t je den hals kosten.”—“God beware mij!” riep de molenaar, “met welke dwaasheden heb ik me, op mijn ouden dag, ingelaten! Mijnheer de baljuw, ’k ben immers onschuldig, en ’k heb immers het valies ook niet gehouden, en het paard staat in de schuur van den bakker Witt.” “Dat is ook je geluk, molenaar, dat is ook een groot geluk voor je, want dat kan ik getuigen. En louter goud en zilver, zegt gij, is in dat valies?” “Ja, louter goud en zilver,” antwoordde de molenaar. En dit zeggende, gespte hij het valies los en liet mijnheer den baljuw den inhoud zien.

Mijnheer de baljuw zette groote oogen op. “Heere! bewaar ons!” riep hij uit, “dit is waarlijk een schat.”—“Ja, dat zegt ge wèl, mijnheer de baljuw! Mijne vrouw zegt anders niet veel, maar toen ze dit zag, sloeg zij hare handen samen en sprak geen woord.”—“Gestolen is ’t alles, Voss. Hier, op het zilverwerk is het Urtzensche wapen; dat ken ik. De lepels heeft die gauwdief zeker hier in de buurt gestolen. Maar daardoor wordt jou zaak niet beter.”

De oude molenaar stond daar als geheel verpletterd. Mijnheer de baljuw liep de kamer door en wreef zijn hoofd; eindelijk ging hij naar den molenaar toe, legde hem de hand op den schouder en zeide: “Molenaar Voss, ’k heb je altijd voor een eerlijk man gehouden; maar zoo’n eerlijkheid, in zulke omstandigheden! Je kunt niet van den éénen dag tot den anderen leven, en je geeft uit eigene beweging zoo’n portie geld terug, waarvan eigenlijk niemand weet, waar het t’huis hoort!”—De oude molenaar werd zoo rood als vuur en keek naar de punten van zijne laarzen. “Ja, Voss,” sprak de oude baljuw verder, “’t is eene zeldzame handelwijze van je, want je hebt niets kunnen weten van wat er hier is voorgevallen, maar dank er God voor, want het is mogelijk, dat dit gedrag je het leven redt.”

Het gevaar, waarin hij meenen moest te verkeeren, de onverdiende lof, die hem juist zoo aangenaam voorkwam, als wanneer iemand op een leuningstoel gaat zitten, waar zijne lieve vrouw een speldekussen op nedergelegd heeft, het vooruitzicht, dat hij met Gods hulp uit deze gevaarlijke zaak nog door eene kleine opening zou kunnen kruipen, en dat hij dat alles niet verdiend had, deden den ouden molenaar vreeselijk aan. Hij stond met neêrgeslagen oogen en wrong zich heen en weder, en draaide zijn hoed hoe langer zoo erger; eindelijk sloeg hij hem met beide handen inéén, zoodat hij geheel uit zijn fatsoen geraakte, en riep: “De drommel hale de heele Fransozenhistorie en mij daarbij, mijnheer de baljuw! Als de hemel jegens mij genade voor recht wil laten gelden en mij uit dezen nood redt, dan wil ik ook niet met ongerechtigheden omgaan. Neen, wat waarheid is, is waarheid! En als mijne kleine Fieken er niet geweest was, dan lag dat entfaamte Fransozengeld in mijne kast en ik hing van avond aan de galg.” En nu vertelde hij de zaak.

“Vrind Voss,” zeide de baljuw, toen alle omstandigheden verteld waren, “ik ben niet voor meisjes; jongens zijn beter; meisjes zijn me te teemachtig; maar met jou Fieken is het dan toch eene andere zaak.—Vrind Voss, het strekt jou en je vrouw tot eer, dat je zoo’n kind hebt.—Hoor eens, als je weêr bij mij komt, breng dan je Fieken eens meê; ik....—dat is te zeggen mijne vrouw, zal er zich over verheugen. En neem nu het valies en breng het naar ’t raadhuis en meld je daar aan; want de Franschen zullen daar wel zoo’n soort van gerechtsdag houden,—’t zal er ook naar wezen!—en vraag eerst naar den burgemeester; dat is een welwillend man, en hij spreekt ook Fransch, en spoedig zal ik daar ook zijn, en wat maar eenigszins mogelijk is, zal ik voor je doen.”—“Best, mijnheer de baljuw! Ik ben al veel lichter om ’t hart.—En met de andere zaak; met het bankroet meent gij...?”—“Dat je een dwaas zoudt wezen, om je op je ouden dag nog met zulke dingen in te laten!”—“Best, mijnheer de baljuw! Nu, adjuus dan!” Daarop ging de molenaar heen.

Tiende hoofdstuk.

Waarom Frits Sahlmann in den winter zonder parapluie in een appelboom zit; waarom hij een klein pak akten onder zijn vest knoopt en waarom mamsel Westphalen verklaart dat zij eene erge zondares is.

Na eenigen tijd kwam de vrouw van den baljuw de kamer weder in en zeide: “Weber, wat beteekent dit?” Frits Sahlmann is er niet, mamsel Westphalen is er niet; in hare kamer ziet het er uit alsof heidenen en Turken daar huisgehouden hebben, en de meiden zeggen, dat zij van niets weten, behalve dat de raadsheer Herse door de achterdeur is binnengeslopen, en Fieken heeft hem bij abuis, met een stompen bezem over ’t gezicht gestreken en mamsel Westphalen heeft hem een paar handen vol turfasch in de oogen gegooid, ook enkel bij abuis, en naderhand is Frits Sahlmann met mamsel Westphalen weggegaan, en ze weten niet waar ze zijn.”—“Dat is eene wonderlijke zaak, zegt de oude heer.—“Wat doet de raadsheer Herse in mijne keuken? ’k Mag anders den man wel lijden, Netje; hij is een pleizierig man, maar hij steekt zijn’ neus in iedere beuzeling, en iets verstandigs is daardoor van zijn leven niet voor den dag gekomen.—Zeg eens, Netje, wie van de meiden houdt ge wel voor de verstandigste?” “Weber, wat praat je toch? Van verstand kan bij die soort wel weinig sprake wezen.”—“Nu, dan de slimste, die ’t meest bij de hand is.”—“O, dan is ’t Fieken Besserdichs, want hare oogen gaan fiks overal rond, en haar mondwerk nog veel beter.”—“Roep haar dan eens binnen.”

Dat geschiedde, en Fieken kwam. Zij was eene kleine, flinke deern, zoo vroolijk en bij de hand, als eene Gulzowsche schoutdochter maar zijn kan; want toenmaals dienden de schoutsdochters nog.—Nu stond zij echter voor mijnheer den baljuw, en sloeg hare oogen neder en plukte aan haar boezelaarsband, want zij had een voorgevoel, dat dit een soort van verhoor zou worden.—“Alzoo,” begon de oude heer, “tot de waarheid vermaand, en zoo voorts,—Fiek Besserdichs, wat weet je van mamsel Westphalen? Begin van gister avond af!”—Fieken vertelde nu, wat zij wist, en wat wij weten.—“Dus,” sprak de oude heer, “heeft ze bij jelui geslapen en niet in ééne kamer met mijnheer Droi?”—“Weber, wat praat je toch?” viel zijne vrouw hem in de rede.—“Netje lief, elke omstandigheid is gewichtig, als de onschuld aan den dag moet komen.—En geloof je niet,” zoo vroeg hij aan Fieken, “dat zij met den raadsheer Herse weggeloopen is?”—“Neen, mijnheer; op de vlucht is zij, geloof ik; maar niet met den raadsheer Herse, want hem heb ik naderhand alleen bij de achterdeur ontmoet, toen ik van mijn broêr terugkwam, want die was hier in den tuin van mijnheer den baljuw met onze paarden, tot voorspan, maar—” en hier sloeg zij hare oogen op, en het frissche aangezicht zag er zoo recht ondeugend uit, “maar mijnheer de baljuw, hij heeft voor de Franschen de plaat gepoetst.” “Zoo,” vroeg de oude heer, “heeft hij de plaat gepoetst?” “Ja, mijnheer,” zeide Fieken en lachte zoo schalkachtig, “en hij heeft al de anderen ook opgestookt, dat ze zouden gaan loopen en heeft hun de groene poort aangewezen.” “Dat is een domme streek van hem, en als de Franschen hem krijgen, zullen ze ’t hem inpeperen. Jelui zijt een wijsneuzig geslacht, jelui, Besserdichs.—Netje, help me eens aan dien bengel, dien Frits Besserdichs, denken.—En waar is Frits Sahlmann?”—Nu was Fieken weêr zeer benauwd geworden, en wat er nu uitkwam, dat ging maar heel langzaam aan. “Wel, mijnheer de baljuw, van morgen gooide hij al uwe pijpen stuk, en naderhand zei hij, dat ik ’t gedaan had. En, mijnheer de baljuw, ik kon ’t niet helpen, want ik woû maar eventjes om den hoek kijken, toen de Fransche overste zóó te werk ging; toen liep hij met de pijpen tegen mij aan, en nu liggen de scherven in de keuken.”—“En heb je hem van morgen verder gezien?”—“Ja, mijnheer, toen de horlogemaker getranspireerd werd; toen liep hij meê, en toen hij daarna weêrom kwam, praatte hij met de mammesel hoogduitsch, en naderhand fluisterden zij te zamen.” “Hoogduitsch? Frits Sahlmann hoogduitsch? Wat heeft die lummel in ’t hoogduitsch te praten? Wat zei hij dan?”—“Hij zei: “Redding nadert.””—“Zoo! en kwam naderhand de raadsheer?” “Ja, mijnheer de baljuw, en ik streek hem met den bezem in ’t gezicht; maar dat kon ik ook niet helpen.”—”’t Is toch eene wonderlijke zaak!” riep de oude heer uit en hij liep op en neêr, wreef zich onder de kin en keek naar den grond, en keek naar den zolder. Eindelijk stond hij stil en zeide: “Netje, de zaak wordt mij duidelijk; die goede stumperd, mamsel Westphalen, heeft angst gekregen, en de raadsheer heeft zich daarmeê gemoeid en heeft het een of ander verkeerds uitgericht. Je zult zien, dat zij zich verstopt heeft.”—“Laat haar dan begaan, Weber.” “Dat gaat niet, Netje; zij moet voor den dag komen, want zij moet getuigenis afleggen voor den horlogemaker en voor den molenaar; ’t kan die beiden anders den hals kosten.—Als ik maar wist, waar die bengel, die Frits Sahlmann, was, die weet van de heele zaak af.—En jij weet niet, waar hij is, Fiek?”— “Neen mijnheer.”—“Nu, dan kunt gij heengaan.”

Terwijl Fieken zich omkeerde, viel haar oog op het hoekvenster, doch, daar haar gezicht zeer goed en helder was, ging haar blik ook door het venster, en zij zag, wat ver daar achter voorviel. Zij keerde zich haastig weder om en zeide: “Mijnheer de baljuw, nu weet ik, waar hij is.”—“Wel, waar dan?”—“Kijk, daar zit hij.” “Waar?” vroeg de oude heer, en hij plaatste zijn lorgnet voor de oogen, en keek overal heen, slechts niet dáárheen, waar Frits Sahlmann zat.—“Dáár, mijnheer de baljuw,—dáár! in onzen ouden... appelboom, die aan den hoek van de keuken staat.”—“Waarachtig! ja!—Dat is toch eene wonderlijke zaak!—Netje, in den winter!—Als ’t in den herfst was, als er appelen aan den boom zijn;—maar Netje, in den winter!”—“Och, Weber,” zeide zijne lieve vrouw, “hij oefent zich zeker daar maar op.”—“Fiek Besserdichs, gij hebt heldere oogen, wat doet hij daar?” vroeg de oude heer, terwijl hij door zijn lorgnet zat te turen.—“Wel, mijnheer, hij heeft daar een langen staak; maar wat hij er mee voornemens is, dat is voor mijne oogen verborgen. Hij maakt er allerlei bewegingen meê tegen ’t luik van den rookzolder.”—“Netje, tegen onzen zolder! Wat zou hij daar uitvoeren, Netje?”—”’k Weet het niet, Weber; maar ’t zal mij niet verwonderen, als er morgen weêr worsten weg zijn.”—“Kijk eens, kijk eens.—Ei, dat zou aardig wezen! Dat is waarlijk een prachtige boom voor mijn Frits Sahlmann. ’s Zomers appelen, en ’s winters worst!”—Dit zeggende maakte hij het venster open en riep: “Frits Sahlmann! Frits! kom daar uit, mijn jongen. Ge zoudt daar in den regen verkouden kunnen worden.”

Men zegt, dat het bekende dier, ’t welk luiaard genoemd wordt, zeven dagen noodig heeft, om in een’ boom te klimmen en zeven dagen, om er weder uit te komen. Nu, zóó veel tijd gebruikte Frits Sahlmann juist wel niet, toen hij uit den appelboom klom, maar het duurde toch lang genoeg, en van wege zijn’ broek klauterde hij zeker niet zoo bedachtzaam; en toen hij beneden was, toen was het blijkbaar, dat hij ernstig aan ’t overleggen was, of hij zou komen, of op den loop zou gaan. Doch Frits Sahlmann was een brave knaap; hij hield zich menigmaal slechts een beetje op.—“Fiek, wat doet hij daar achter het kruisbessenboschje?” vroeg de oude heer.—“Wel, mijnheer, hij heeft daar zeker wat achter gegooid.”—“Zoo?—Dat is dan iets anders.—Nu, Frits, kom door de keukendeur binnen! En jij, Fiek, ga eens heen, en pas goed op, dat hij niet door de voordeur weêr ontsnapt.”—Fieken ging heen, en Frits kwam, zoo langzaam als de dure tijd; maar hij kwam.—“Frits Sahlmann, mijn jongen, zóóveel verstand moest je al hebben, om in te zien dat het niet goed voor de gezondheid is, om als ’t regent, buiten te zitten; neem, als ’t weêr gebeurt, een parapluie meê, als je buiten zitten wilt; en zóóveel moest je ook wel inzien, dat het niet goed voor je broek is, bij een’ regenbui in een boom te klimmen; zoek in ’t vervolg een drogen tijd van ’t jaar daartoe uit. Maar zeg mij nu eens; wat deedt ge in dien boom?”—“Och, mijnheer de baljuw, dat was zoo maar eens.”—“Hm,” hernam de oude heer, “die reden is duidelijk. Maar wat ik eigenlijk vragen woû: heb je niets van mamsel Westphalen gezien?”

Frits Sahlmann, die eene geheel andere vraag vermoed had, leefde zichtbaar weder op en zeide heel opgeruimd: “Neen, mijnheer de baljuw.”—“Ha, mijn jongen, waarom zoudt gij ook van eene zaak wat weten, waarvan niemand wat weet? Maar, doe me nu ’t pleizier eens, en kijk me nu eens flink in de oogen.”—Frits Sahlmann deed hem dit pleizier; maar zijn blik was een valsch stuk geld, en de oude heer scheen het ook niet voor echte munt aan te nemen, want hij zeide: “Frits Sahlmann, hier is een mes, ga eens naar den tuin, en snijd eens uit de hazelaars, je weet immers, waar ze staan,—zoo’n klein stokje, zooals een—als een—nu, als je middelvinger dik, en jongenlief! dan heb je achter het kruisbessenboschje in den tuin wat verloren; roep Fiek Besserdichs, die zal je helpen zoeken, om toch je eigendom weêr te krijgen.—Maar, hoor je, Fiek Besserdichs moet meêgaan.”

Frits Sahlmann zag aldus onder zeer benauwde omstandigheden in eene treurige toekomst; hij steunde echter op twee zaken, waarop de menschen meestal in hunne verlegenheid vertrouwen, namelijk in de eerste plaats, op den hemel, dat die nog ter goeder ure den ouden heer bij zijn voornemen een’ steen in den weg zou leggen, en ten tweede, op zijne vroegere ervaring in zulke verlegenheden; hij had daarenboven nog eene hulp in den nood, van welke de gewone menschen niets weten, namelijk zoo’n klein pak akten, dat hij in bedenkelijke gevallen gewoon was onder zijn vest te knoopen; dit vergat hij dan ook heden niet. Hij ging dus thans tamelijk gerust gesteld naar den tuin, in de stille hoop dat Fieken, die met hem ging, zich in den juisten kruisbessenboom zou vergissen; maar terwijl hij bezig was, de geschiktste soort van hazelaartakken uit te zoeken, zag hij met inwendigen schrik, dat de deern juist naar het rechte boompje toeging en daar wat opraapte, wat hem in de verte veel overeenkomst met eene worst scheen te hebben. Hij moest zich dus op eene andere manier zien te helpen; vooreerst sneed hij een paar onmerkbare kerven in den hazelaarstok, wat juist niet zeer tot de stevigheid er van bijdroeg, en vervolgens beproefde hij Fieken het gevondene weêr af te bedelen, Dit gelukte hem evenwel niet, daar Fieken geen lust had, een tweede verhoor voor mijnheer den baljuw te ondergaan, en de gedachte kwam ook bij haar op, dat het misschien Frits Sahlmann wel geweest was, die haar, voor een dag of acht, eene hand vol kleingesneden varkenshaar in ’t bed had gestrooid. Zoo kwam dus Frits Sahlmann met den stok, en Fiek met eene kleine, aardige metworst weder voor den baljuw.

“Fieken,” zeide mijnheer de baljuw, haar de worst afnemende, “gij kunt nu heengaan, mijn kind!—Netje!” zeide hij tot zijne lieve vrouw, en hield de worst voor hare oogen, “dat noemen wij een corpus delicti.”—”’t Is mogelijk, Weber, dat ze in ’t Latijn zóó heet; wij zeggen er metworst tegen.”—“Best, Netje! zeg eens, kunt ge stellig verzekeren, dat het eene van onze metworsten is?”—“Ja, Weber, ik ken ze aan den band.”—“Frits Sahlmann, hoe ben je aan die worst gekomen?”

Dit was nu voor Frits eene infame vraag van den baljuw. De hemel kwam blijkbaar niet tusschen beiden: zijne ondervinding liet hem in den steek; mijnheer de baljuw stond voor hem; in de ééne hand hield hij de worst, in de andere den stok, en de stok was nauwelijks twee voet van zijn’ rug af; al zijne hoop was dus op het kleine pakje akten gericht, en dat was ook maar zóó—zóó; de baljuw had het al eens aan ’t klappen gemerkt. Hij achtte zich dus verloren, begon te schreien en zeide: “Ze is mij gegeven.”—“Dat jokt ge!” was het driftig antwoord van de vrouw van den baljuw; “je hebt ze met een stok van den rookzolder gehaald.”—“Netjelief, bedaard! geene suggestieve vragen!—Frits, wie heeft je die worst gegeven?”—“Mamsel Westphalen.”—“Frits, wáár?” “Toen ik in den boom zat.”—“Zat zij daar dan bij jou?” “Neen, zij zat op den rookzolder, en toen heeft zij de worst voor mij aan den stok gestoken; daar had ik een spijker ingeslagen.”—“Maar je hebt me straks nog gezegd, dat je niet wist, waar mamsel Westphalen was; Frits Sahlmann, je hebt dus gelogen.” “Mijnheer de baljuw, och, sla mij niet! Dat is mijne schuld niet. Ik en mijnheer Herse hebben samengespannen, en ik heb hem heilig moeten beloven, aan geen mensch, ook niet aan u, te zeggen, waar mamsel Westphalen was.”—“Krijg je bij den raadsheer kost en loon, of bij mij? Je hebt gelogen, Frits, en als je liegt, krijg je slagen, zóó staat het in ons kontrakt.” En met die woorden pakte de baljuw Frits bij den kraag en lichtte den stok op, en indien de hemel nog tusschenbeide wilde komen, was ’t nu hoog tijd daartoe, en—de hemel deed het.

Er werd buiten aan de deur geklopt en de politiedienaar Luth kwam binnen met: “’t Kompliment van mijnheer den burgemeester, en de zaak stond heel slecht voor den horlogemaker en den molenaar, en of mijnheer de baljuw wel zoo vriendelijk wou zijn, om zoodra mogelijk ginder te komen; maar vooral mamsel Westphalen meê te brengen, want haar getuigenis was hoofdzakelijk van groot gewicht.”—“Ik kom dadelijk, mijn lieve Luth,—Netje, de zaak is pressant. Frits Sahlmann, haal mij mijn jas, en Netjelief, ga gij naar dat arme schepsel op den rookzolder, en breng haar beneden.”—Hoe vlug bracht Frits Sahlmann den jas! Hoe ijverig was hij om den baljuw uit de oogen te komen! “Mevrouw,” zeide hij, “ik moet meêgaan; alleen voor u maakt zij niet open, en eigenlijk zit ze niet eens op den rookzolder, ze zit daar achter op een plekje, wat ik alleen weet.” Zoo liep hij dus vooruit en de vrouw van den baljuw volgde hem, maar zachtjes.

Frits klopte aan de deur: “Mamselletje, doe open, ik ben ’t!”—Geen antwoord.—“Mamselletje, wel, wel! Zuur varkensvleesch!”—Geen antwoord.—“Mamselletje, de Fransozen zijn weg!”—Toen liet zich wat hooren, en eene bedroefde stem werd vernomen: “Frits Sahlmann, ge zijt een befaamde leugenaar.—Leid mij niet in verzoeking!”—Middelerwijl riep nu ook de vrouw van den baljuw: “Westphalen, doe open! Ik ben het, uwe meesteres.”—“Ik kan mij niet voor u vertoonen,” riep de stem, “’k ben eene zondares, eene erge zondares!”—“Doe maar open; dan komt alles weder te recht.”

Na lang vragen en redeneeren deed mamsel Westphalen toch eindelijk open, en daar stond zij nu: haar aangezicht was rood en de tranen liepen haar langs de wangen. Maar tot op den huidigen dag weet nog niemand met zekerheid, of het van aandoening was of van den rook. Hoe het zij, hare tranen vloeiden, en indien die uitdrukking van eene corpulente, oudachtige jonkvrouw gebruikt kan worden, zou ik haast zeggen, daar stond zij als “een geknakt riet.”—“Mevrouw Weber,” zeide zij, “ik kan u niet onder de oogen komen; ik ben diep gezonken; meer dan twintig jaren ben ik in uw gezegend huis, en van mijn leven heb ik u niet het allerminste ontvreemd; een noodlottig uur heeft dat anders gemaakt; ik heb mij aan uw eigendom vergrepen.—“Och, Westphalen, laat dat rusten; en ga nu maar meê naar beneden!”—“Geen stap doe ik, mevrouw! Eerst eene omstandige bekentenis!—Zie! gij weet het, ik ben op de vlucht; de raadsheer Herse heeft mij helpen vluchten en deze bengel, deze Frits Sahlmann! en nu zit ik hier in angst en kommer en denk aan het lot van mijnheer Droi en aan al het andere, en denk dat deze bengel, deze Frits Sahlmann, mij bericht zal brengen, hoe ’t met de zaak gesteld is; toen hoor ik buiten vóór het luik hoesten, en toen wordt mijn naam geroepen, en terwijl ik naar het luik heensluip en naar buiten zie, denk ik dat ik eene beroerte zal krijgen; want, verbeeld u, mevrouw! dat ongelukskind is in den... appelboom geklommen en is langs de lange takken heengegleden en zweeft als eene kraai over den afgrond. “Jongen,” zeg ik, “Frits Sahlmann, wilt ge wel uit den boom komen!”—Toen grijnst die jongen mij aan. “Jongen,” roep ik, “ik kan dat niet voor je vader verantwoorden, je in zoo’n gevaar te zien.” Zie, mevrouw, toen lacht de jongen zoo hard hij kan en zegt: “Ik wou u maar bericht brengen: de horlogemaker wordt opgehangen; den raadsheer Herse hebben de Fransozen gekregen, die ligt in boeien, en een heel bataljon is uitgezonden, om u te zoeken.” Mevrouw Weber! dat was geen troostrijk bericht, en mijn angst was groot; maar ik kan ’t naar waarheid getuigen, mijn angst om dien jongen was nog grooter. “Jongen,” riep ik, “klim den boom uit!” Zie toen grijnst hij mij aan, als een aap op een kameel, en zegt: “Ja, als gij mij eene worst geeft.” En daarop begon hij allerhande grappen te maken, en sprong op de takken rond, als een konijn tusschen de kool, zoodat het mij groen en geel voor de oogen werd. Toen, mevrouw, dacht ik: wat is de waarde van een metworst, en wat is de waarde van een menschenleven? en in mijn angst heb ik mij aan uw eigendom vergrepen. Hij hield den stok hierheen, en ik stak er de worst voor hem op. Toen werd hij door den baljuw geroepen en terwijl hij uit den boom klom, riep hij mij zachtkens toe, dat hij mij wat wijsgemaakt had, dat van alles niets waar was. Daarom zeg ik, dat hij een leugenaar is, mevrouw, en daar blijf ik bij.”—“Laat dat maar rusten, Westphalen; hij heeft bij mijn’ man ook nog wat in ’t zout, hij zal zijn’ rechter niet ontkomen.”

Met moeite kreeg de vrouw van den baljuw de goede dame van den zolder af, en toen zij beneden kwamen, ging de baljuw, met zijn deftigen stap, in vol kostuum op en neder en wachtte reeds. ’t Kostte nu veel moeite, mamsel Westphalen te bewegen, om met den ouden heer naar het raadhuis te gaan—“in den geopenden leeuwenmuil,” zeide zij. Zij wilde lijden, wat zij door haar onverstand verdiend had, ofschoon het uit goedheid, en in eere was geschied;—maar, om voor al dat vreemde manvolk te staan en zich van wege mijnheer Droi te defendeeren, dat ging boven hare krachten, als fatsoenlijk vrouwspersoon, en indien mijnheer de baljuw toch daarop aandrong, dan moesten Fieken en Carolien ook meê, want die moesten weêr van haar getuigen, dat zij dien nacht bij haar in de kamer geslapen had.

Elfde hoofdstuk.

Waarom de bakker Witt, door zijn’ meerschuimen pijpekop, meê in ’t komplot komt, waarom Westphalen den baljuw als eene witte duif, en Fiek Besserdichs als een engel beschouwt, en welk eene meening zij van den Franschen auditeur heeft.

Ging het op het slot al vrij bont toe, zoo zag het er in de stad nog veel bonter uit. ’t Is waar, wanneer zoo’n troep inkwartiering eene kleine stad komt overvallen, wanneer de boeren van het land en de burgers uit de stad, tot diensten met hand en paard, bij elkaâr getrommeld worden, wanneer hier jammer en ellende weent en klaagt, en dáár de overmoed snoeft,—dan kan ’t niet stil toegaan, gelijk in de kerk. Maar toen in 1806 Murat en Bernadotte en Davoust den ouden Blücher achterna joegen, en hij hun bij het stadje Wahren de tanden liet zien, toen van Berlijn het fraaie stopwoord was uitgegaan: “rust is de eerste burgerplicht,” toen ging het toch rustiger toe, dan om dezen tijd; toen was er slechts van bevelen en gehoorzamen sprake. Toen werd wel door de Fransche heeren naar hartelust geplunderd en op brandschatting gesteld, maar het volk bukte, en de één schoof zich achter den ander, en allerwegen openbaarde zich de echte laaghartigheid, want ieder dacht aan zich zelven en zijne bezittingen, en meester Kähler in Malchow sprak tot zijne vrouw en kinderen: “Ik moet mij redden; aan jelui is niets gelegen; jelui blijft hier, als de Fransozen komen;”—en hij liep naar ’t elzenmoeras en kroop in ’t riet.—Bedorven en in kwaden reuk staande was alles, van boven tot beneden.

De tijden veranderen. Nood leert bidden, maar hij leert ook zich verweren. Schill rukte uit en de hertog van Brunswijk. In geheel Nederduitschland begon het te spoken; niemand wist, van waar ’t kwam; niemand wist, waartoe het leiden zou. Schill trok dwars door Mekklenburg naar Straalsund. Op bevel van Bonaparte moesten de Mekklenburgers hem den pas bij Bamgarten en Tribsees afsnijden; zij werden geslagen, want zij vochten schandelijk slecht. Een huzaar van Schill nam een geheel rot lange Mekklenburgsche grenadiers gevangen. “Kinderen,” riep hij hun toe, “zijt gij allen gevangen?”—“Neen,” zeide de brave korporaal, “niemand heeft ons wat gezegd.”—“Nu, gaat dan maar meê!” En zij gingen meê. Was dat lafhartigheid? Was dat vrees?—Wie onze landslieden in 1813 en 1814 gezien heeft, en wie iets van het Strelitzer huzaren-regiment heeft gehoord, oordeelt anders. Zoo één stam in Duitschland geschikt is, om op het slagveld te staan, dan is het de Mekklenburger.—Neen! dat was geene lafhartigheid, dat was onwil, om te strijden tegen datgeen, wat zij zelven in het diepste van hun hart droegen en wenschten. Het spookte in Mekklenburg; en, toen het in Pruisen losbarstte, was Mekklenburg het eerste land in Duitschland, dat volgde. Zóó is ’t geweest, en zóó moet het ook blijven.

En de tijden waren anders geworden. De Heer, onze God, had den Franschman, in den russischen winter, de goudschijnende slangenhuid afgestroopt. Hij, die vroeger overal als meester gepocht had, kwam als bedelaar en schooier terug en deed een beroep op het duitsche mededoogen, en deze edele gezindheid kreeg de overhand boven den woedenden haat. Niemand wilde de hand opheffen tegen den man, die van God geslagen was; het medelijden deed vergeten, wat hij misdaan had. Doch nauwelijks had de verkleumde slang zich weder hersteld in het warme duitsche bed, of zij liet ook de horens weder zien, en de rooverij zou weder beginnen, maar het spook in Nederduitschland was tot eene schim geworden, en die schim kreeg vleesch en been en kreeg een naam, en die naam werd luidkeels op de straat uitgeroepen: “Opstand tegen den menschenmoorder!”—Dat was het veldgeschreeuw. Maar het veldgeschreeuw was niet het geschreeuw van een dag. Niet een troep onervarene jongelieden; niet het janhagel op de straat begon daarmede; neen! de besten en verstandigsten vereenigden zich, niet tot eene samenzwering met wapenen en vergif, neen! tot eene verbroedering met weer en woord tegen aangedaan geweld; de ouden spraken het woord, en de jongere lieden zorgden voor de weer. Niet openlijk op de straat steeg de eerste vlam omhoog;—wij Nederduitschers houden niet van vuur op de straat;—neen! een ieder stak het stil in zijn huis aan, en de buurman kwam bij den buurman en verwarmde zich aan den gloed. Niet gelijk een vuur van dennenhout en stroo, wat ten laatste slechts een hoop asch overlaat, steeg de laaie vlam ten hemel; neen! wij Nederduitschers zijn een hard hout, dat langzaam vuur vat, maar dan ook hette geeft. En in den toenmaligen tijd was geheel Nederduitschland een groote kolenoven, die heimelijk en stil smeulde en gloeide, totdat de kolen doorgebrand waren; en toen zij vrij waren van rook en flikkervuur, toen wierpen wij ons ijzer in den kolengloed en smeedden er onze wapenen in, en de haat tegen den Franschman was de slijpsteen, die maakte ze scherp; en wat toen gebeurde, weet ieder kind op de straat, en mocht het zulks niet weten, dan is het Duitsche mannenplicht voor zijn vader, het hem zóó in te prenten, dat hij ’t in zijn leven niet vergeet.

Ook in onze streken smeulde en rookte de kolenoven, en de Franschen roken ’t in de lucht; zij voelden bij iederen voetstap, dat de grond, waarop zij marcheerden, onder hen beefde, als een met riet bezet moeras; zij moesten ondervinden, dat de anders zoo onderdanige ambtenaren en overheidspersonen begonnen zich te verzetten; zij zagen, dat burgers en boeren onwillig werden, en zij legden hunne hand nog zwaarder op het land. Dat was nu het middel niet, om den tegenstrevenden geest zachter te stemmen; het volk werd steeds weêrbarstiger, de bevelen van en voor de Franschen werden met opzet verkeerd verstaan; wat anders glad gegaan was, werd nu eene verwarring. Taai als leder, verzette het volk zich door listen van allerlei aard, en de Franschen, die wel merken konden, dat hun bestuur hier weldra een einde zou hebben, namen wat zij maar grijpen konden, want de soldaat wist, dat zijne officieren het niet beter maakten.

Zoo spoedig als dit werkelijk geschiedde, konden zij trouwens geen openlijken opstand vermoeden. Hadden zij ’t echter verstaan in de aangezichten te lezen, bij voorbeeld slechts in dat van den ouden bakker Witt, toen hij van des molenaars wagen uit de schuur teruggekomen was en nu over zijne onderdeur lag en zijne pijp rookte, en daarbij spuwde en de Franschen zoo kwaadaardig nakeek, zouden zij zich in acht genomen hebben den boog al te strak te spannen. Ten minste de Franschman, die daar juist voorbij ging en hem den meerschuimen pijpekop met zilveren beslag uit de tanden rukte, en toen in zijn overmoed daaruit bedaard voort rookte, zou zich haastiger uit de voeten gemaakt hebben. Nauwelijks toch had de oude man den ruk in de tanden gevoeld, of hij stoof de deur uit; raapte zoo’n kleinen steen, van eene vuist dikte, op en legde dien den Franschman min of meer onzacht in den nek, zoodat zijn kop en zijn pijpekop in de goot rolden. En juist toen mijnheer de baljuw met zijn stoet vrouwen op de markt aankwam, sloegen bakkersknechts en Franschen, en Franschen en boeren, met scherpe en stompe dingen op elkander, totdat er een officier bij kwam en hen uit elkander bracht. De oude bakker Witt werd met een bebloed hoofd naar ’t raadhuis gesleept, want hij had zich aan de grande nation vergrepen, en of hij al zeggen mocht, dat de grande nation zich aan zijn pijpekop vergrepen had, ’t hielp geen zier, hij moest meê.

Op het raadhuis zat de auditeur. Hij had den ouden molenaar Voss in ’t verhoor van wege den weggeraakten Franschman; de mantelzak met het geld lag op de tafel; de overste Von Toll, en mijn vader, als burgemeester, waren daarbij tegenwoordig. Mijn vader had het voorval, zoo ver het hem bekend was, geheel naar waarheid verhaald. Slechts dat de horlogemaker, op zijn bevel, de Franschen had moeten bang maken, had hij verzwegen, want hij dacht: waartoe dat?—De horlogemaker zal het zelf wel zeggen, of indien hij ’t niet zegt, moet hij toch, door mamsel Westphalen’s getuigenis, vrij komen. Met den molenaar zag het er daarentegen slechter uit; hij was, van allen, die in de zaak betrokken waren, de laatste geweest, die den Franschman gezien had; hij had hem willen medenemen naar zijn molen, en de kerel was niet te vinden. Wat in zijn voordeel sprak, was, dat hij zeer beschonken geweest was, en dat hij geheel uit eigen’ beweging het geld had geleverd, en ook het paard van den “chasseur” door hem, zonder omwegen, werd aangewezen, als zich in de schuur van den bakker Witt bevindende. Toen hij dit een en ander mededeelde en uit mijns vaders vragen had kunnen opmaken, dat zijne dronkenschap hem van nut kon wezen, maakte hij daarvan eene vreeselijk uitvoerige beschrijving en bleef op alle vragen antwoorden, dat hij van niets wist, want dat hij echt dronken was geweest; maar als ze het Frederik vragen wilden, die moest alles weten.

Zóó stond de zaak, toen buiten op de markt de kloppartij met den bakker Witt begon. Mijn vader liep de deur uit, om te zien, wat er aan de hand was, toen de oude Witt ook al nader gebracht werd, waarbij hij nu en dan een paar knepen met zijn geleide wisselde en voor zijn “gauwdieven en roovers,” een paar “bougres” en “sacres” terugkreeg. Daardoor, dat hij de rechtszaal ingeduwd werd, werd het daar binnen juist niet rustiger; hij schold en schimpte geweldig en mijn vader had alle moeite om hem maar half stil te krijgen.—“Mijn’ pijpekop, burgemeester! Een erfstuk van mijn vader! Wat? En nu dien zóó maar mij voor mijn oogen uit den mond te rukken! Wat? Ben ik een Stemhager burger, of niet?” De Franschen tierden en raasden daartusschen in; de overste Von Toll was naar buiten gegaan, en de auditeur gaf bevel, den bakker te binden, op den wagen te gooien en meê te nemen; het verdere zou zich wel vinden; hij had den Franschman aangevallen, en dat was genoeg. Toen kwam mijn vader daar tegen op en zette hem uitéén, dat de bakker een eerlijk man was, dat hij lasten en krijgsschattingen gedragen had en zich niet tegen het Fransche bestuur, maar enkel tegen een gemeenen gauwdief had geweerd; of begonnen nu de Franschen ook al pijpekoppen, met zilver beslagen, als krijgscontributiën aan te zien?—Hierdoor had hij den Franschman erg op de teenen getrapt; hij snauwde mijn vader toe en deed hem gevoelen, dat ook hijzelf alles behalve heel veilig was. Mijn vader was een prikkelbare kerel, en wanneer hij éénmaal iets voor recht hield, was hij zoo hardnekkig als een echte Mekklenburger slechts zijn kan. Hij zeide dat hij wist, dat tegenwoordig geen eerlijk man in zijn eigen land zeker was; doch, wat hem betrof, hield hij het voor zijn plicht, zijne burgers bij te staan in eene rechtvaardige zaak; en dat zou hij doen, al waren er ook zoo vele Franschen in het land, dat men er de varkens wel meê voeren kon.—De Franschman schuimbekte van woede en gaf bevel, mijn vader terstond te arresteeren en de kamer uit te brengen. Toen dit nu gebeuren zou, sprong de oude bakker Witt voor mijn vader op en liet een paar maal “schooiers en schurken” hooren, en ook de oude molenaar Voss was al bij de hand om zijne vuisten en zijn mondregister gereed te maken, toen de overste Von Toll weer binnenkwam, en vernemende, wat die beweging te beduiden had, zeide hij, dat de bakker in de pijpekops-historie gelijk had; hij had dit onderzocht, en dat gansche voorval was eene bijzaak; maar, de bakker was dezelfde man, die het chasseur’s-paard in zijne schuur had staan, en hem kwam het voor, alsof hier een moord in een groot complot begaan was, en bij deze woorden zag hij mijn vader zeer scherp aan,—en dat moest uitkomen, hij zette daar zijn leven voor te pand; en, zoo ’t er hier niet uit te krijgen was, dan wist hij eene plek, waar het er wel uitkomen zou, en die plek heette Stettin.

Mijn vader, de molenaar Voss en de bakker Witt werden nu gelast, de kamer te verlaten en in eene andere kamer in verzekerde bewaring gehouden, en mijnheer de baljuw werd binnen geroepen. De oude heer kwam in zijne geheele lengte opgericht en deftig, gelijk zulks voor een eersten ambtenaar met een goed geweten past, met zijn “Ziegenhainer” in de hand, de deur binnen. Een der Franschen wilde de deur achter hem dicht maken, maar dat ging zóó niet; mamsel Westphalen wrong zich stevig door de deur en achter haar schoven Fieken en Carolien in haar breed vaarwater mede naar binnen, want zij wilden ook niet, zoo als zij zeiden, tot spektakel voor de menschen tusschen al die leelijke Fransozen-kerels op de open gang staan; en mamsel Westphalen zeide, toen zij er doordrong: “Mosjeu Fransoos, pardoen! Waar mijnheer de baljuw blijft, blijf ik ook, want hij is mijn steun.”

Toen de oude heer binnenkwam, keerde de overste zich om en zag het venster uit. De auditeur vroeg nu aan mijnheer den baljuw, door den tolk, wie hij was en hoe hij heette.—“Ik ben eerste ambtenaar hier in het Stavenhager rechtsgebied en mijn naam is Jochem Weber.” En dit zeggende, legde hij hoed en stok op den stoel. Bij den naam “Jochem Weber” was het, alsof de Fransche overste scherp begon toe te luisteren; hij keerde zich half om en zag den ouden heer aan, en ’t scheen, dat hij hem naar iets wilde vragen; doch hij liet het blijven en keek weder het venster uit.

Men beduidde nu mijnheer den baljuw, dat hij zou gaan zitten. “Ik dank u,” zeide hij, “tot mijn gemak ben ik hier niet gekomen; en, verhoord te worden, is eene te ongewone zaak voor mij, om ze zittende te kunnen afdoen.”—Hij verhaalde thans, op de gedane ondervraging, alles wat hem van den chasseur bekend was. “En,” zeide hij aan ’t slot zijner rede, “indien iemand het den molenaar tot eene misdaad zou willen aanrekenen, dat hij dien kerel heeft helpen dronken maken, dan ben ik zelf daarvoor verantwoordelijk, want op mijn bevel heeft de molenaar zich met die zaak bemoeid en ik heb over hem te zeggen.”—Hier begon de auditeur recht schamper te lachen en zeide dat het grappig was, dat eerst mijnheer de burgemeester voor zijn bakker en nu mijnheer de baljuw voor zijn molenaar verantwoordelijk wilde zijn.—“En daar lacht gij om?” vroeg de oude heer, zoo bedaard, alsof hij met Frits Sahlmann te doen had. “Is dat in Frankrijk niet zóó? Zijn in uw land de ambtenaren alleen dáártoe aangesteld, om de menschen het vel over de ooren te halen? Moeten zij hen niet in eene rechtvaardige zaak bijstaan? En is dat geene rechtvaardige zaak, als men zich een roover en gauwdief, die de overmacht heeft, met een paar flesschen wijn van den hals schuift?”—Nu had de Franschman weêr eene gevoelige neep gekregen! Roover en gauwdief en een Fransche chasseur, dat waren dingen, die niet te zamen konden rijmen, of, beter gezegd, niet wilden. De overste had zich van het venster afgewend en ging met groote schreden achter den ouden heer op en neder; de auditeur grauwde hem harde woorden toe; mijnheer de baljuw bleef bedaard, ging naar de tafel en haalde uit den mantelzak van den Franschman een zilveren lepel voor den dag, stak den auditeur dien toe en zeide: “Zie eens hier, dit wapen! Ik ken het, en ik ken ook de lieden, die het voeren. Die soort van menschen verkoopen hunne zilveren lepels niet, en naar mijne meening heeft een eerlijk soldaat wel wat anders te doen, dan handel te drijven met zilveren lepels.”—Hiertegen viel nu niet veel te zeggen; de auditeur maakte dus een’ geschikten zijsprong en kwam nu op den horlogemaker; hij vroeg den ouden heer, hoe die aan de Fransche uniform was gekomen en wat hij dien nacht op het slot te doen had gehad?—“Daar vraagt gij mij te veel,” zeide mijnheer de baljuw; “ik heb het hem niet bevolen; ik heb hem enkel ’s avonds, toen de molenaar met den chasseur wegreed, vluchtig gezien, en dat hij ’s nachts op het slot gebleven is, is buiten mijn willen of weten geschied.” De auditeur scheen wel te bemerken, dat er met den ouden heer niet veel te beginnen was, hij brak de zaak af en gaf mijnheer den baljuw te kennen, dat hij kon heengaan, doch dat hij zich niet uit het raadhuis zou verwijderen. “Best!” zeide de oude heer, en keerde zich om. “Dus, totdat de zaak beslist is.”

Toen hij zich omkeerde en hoed en stok nemen wilde, had de Fransche overste zijn stok in de hand en keek op dien stok zóó strak en tevens zóó weifelend, als iemand die in de courant ziet, dat op zijn nummer het hoogste lot is gevallen. Op dien stok was ook werkelijk wat te lezen: hij was namelijk uit den Jena’schen studententijd van den ouden heer en onderscheidene namen waren er ingesneden. Mijnheer de baljuw zag de overste een oogenblik aan; daarop maakte hij zoo’n halve buiging, eenigszins uit de hoogte, voor hem en zeide: “Met uw verlof, mijnheer de overste, mijn stok.”—De overste zag een weinig verlegen op: gaf hem den stok, en toen de oude heer de kamer uitging, ging hij hem na. Mamsel Westphalen wilde hem volgen en Fieken en Carolien maakten zich ook daartoe gereed, maar “Alt, alt!” schreeuwde de auditeur, en wie de deur niet uitkwamen, waren de drie vrouwen.

Mamsel Westphalen heeft naderhand dikwijls en op velerlei tijden van dit verhoor, en hare gewaarwordingen daarbij, verteld; maar altijd begon zij met te zeggen, dat zij te moede was geweest, alsof zij op den Stavenhager klokketoren gestaan had, en al de klokken, groot en klein, haar in de ooren hadden geklonken; en toen mijnheer de baljuw van haar weggegaan was, was het geweest, alsof eene witte duif uit een galmgat van den toren was gevlogen, die zij wel had willen naspringen op leven of dood; maar de kerel, dien ze voor een auditeur uitscholden, had haar aan haren rokrand vast gehouden. “En,” liet zij er op volgen, “Juffrouw Stahl, ik heb wel een dozijn auditeurs gekend, die mijnheer de baljuw al te zamen geleerd heeft, en ’t waren allen luchtige vogels; maar zóó’n bonten vogel en zóó’n galgevogel, als deze Fransche auditeur, was er niet bij, want, ziet gij, juffrouw Stahl; de kerel had een bonten livrei-rok aan, en de galg stond hem op ’t gezicht.”

’t Ging mamsel Westphalen, zooals vele eerlijke zielen; zij hebben grooten angst voor een gevaar, dat in de verte dreigt, doch zijn ze er eenmaal midden in, dan spelen zij er mede; ze zijn als de muggen; den rook kunnen zij niet verdragen, maar het vuur trekt hen aan. Toen zij zag, dat de bruggen achter haar afgebroken waren, en dat de zaak ernst werd, zette zij hare handen in de zijden, ging naar voren en stelde zich juist op dezelfde plek, waar mijnheer de baljuw gestaan had. “Want,” zeide zij later, “ik had gezien, hoe trotsch hij daar gestaan had, en zijn geest kwam over mij.”

De auditeur vroeg nu; wat zij van den horlogemaker wist?—“Ik weet van hem niets, behalve dat hij een bederver van de taal is, dat hij voor brood “du pain”, en voor wijn “du vin”, zegt; en dat is alles.”—Hoe hij in de Fransche uniform was gekomen?—”’k Weet niet, hoe hij daarin komt, en ’k weet ook niet, hoe hij daaruit komt: dat zal hij wel zoo doen, als alle andere manspersonen.”—Waarom hij dien avond op het slot was geweest?—“Op het slot komen vele menschen, en louter eerlijke menschen, uitgezonderd die, die de gendarmes brengen; en als ik er mij om bekommeren moet, wat die allen voornemens zijn te doen, dan kon de hertog mij wel tot baljuw aanstellen, en mijnheer de baljuw zou dan de keuken kunnen waarnemen.”—Waarom de horlogemaker dien avond niet naar huis was gegaan? “Omdat het een weêr was, waarin men geen hond de deur zou uitgejaagd hebben; veel minder een christenmensch: en ik houd dien man voorloopig voor een christen, hoewel niet voor een echten; want, zooals ik wel eens gehoord heb, gaat hij ’s nachts op de hazenjacht,—waarom niet bij dag, zooals andere menschen?—en dan bedient hij zich van een zitbankje met één poot, dat hij zich van achteren vastgespt, en ieder ander christenmensch zit op een bankje met drie pooten;—en hij heeft onze Carolien willen bewegen tot deze zotte mode op de melkplaats na te volgen, maar daar heeft ze hem op gediend; als dat mode was, in zijn land, dan kon hij met zoo’n paal achteruit rondloopen, zij wou bij ’t melken niet voor uilenspiegel spelen.”—Maar, waarom zij toch den horlogemaker heimelijk in hare kamer had ontvangen?—Hier zweeg mamsel Westphalen stil; het bloed vloog haar in ’t aangezicht over de onbeschaamdheid van dien Franschen kerel; dat was de vraag, die haar op de vlucht gejaagd en naar den rookzolder gedreven had. Toen zij echter, in den angst haars harten naar een antwoord zocht, kreeg zij hulp. Fiek Besserdichs en Carolien drongen tot haar door en schoten er nu op los. “Dat zijn leugens! dat zijn stinkende leugens!” En zij wilden er op zweren, dat hare mamsel bij haar geslapen had, en zij zouden ’t aan mijnheer den baljuw zeggen. En als het zóó beginnen moest, dan kon het, wat haar betrof, maar beginnen.”—’t Werd een vreeselijk spektakel, en wanneer de auditeur nauwelijks stilte had verzocht, dan begonnen zij weder van voren af aan met scherpe aanmerkingen, totdat eindelijk het geheele gezelschap de kamer uitgebracht werd.

“Juffrouw Stahl,” sprak mamsel Westphalen naderhand tot de vrouw van den wever: “gij weet dat ik mij altijd heb geërgerd over den lossen mond van Fiek; maar geen engel zou mij in dit oogenblik getrouwer hebben kunnen bijstaan, dan zij met haar kijven. Lieve juffrouw, de mensch moet nooit iets verachten, wat hem van tijd tot tijd lastig is: men weet niet, hoe het soms te pas komen kan; en daartoe behoort een goed mondwerk; dat zeg ik en daar blijf ik bij. En ik zal er altijd aan denken, dat die deern mij zoo goed geholpen heeft.”

Twaalfde hoofdstuk.

Waarom mijnheer de baljuw en de Fransche overste elkander bijna gekust hadden; waarom mijne moeder den baljuw aan zijn jas trok, en de korsikaansche lintworm mijn’ vader en mijn oom Herse wegsleepte.

Toen mijnheer de baljuw uit de gerechtszaal ging, begaf hij zich regelrecht naar de andere zijde van de gang, naar eene plek, waar hij vóór en na dien tijd dikwijls gekomen was, naar de kamer mijner moeder;—want wij woonden in het raadhuis.

Mijne lieve moeder zat te naaien, en wij, kinderen, speelden om haar heen; want waar hebben kinderen toch erg in? Zij was echter angstig en droevig gestemd; zij zat stil en hoorde wellicht het leven niet eens, dat wij rondom haar maakten, zij wist misschien nog niets van de onaangename zaak, waarin mijn vader gewikkeld was; want het was zijne gewoonte niet, zijn zorgen spoedig meê te deelen. Maar met eene goede vrouw is het eigenaardig gesteld: weet een degelijk man onmiddellijk van waar de wind waait,—zoo weet eene goede vrouw al lang te voren, dat er iets aan de lucht broeit.

De oude baljuw kwam dus bij haar in de kamer en zeide: “Goeden morgen, lief kind! Hoe gaat het u? Veel beweging met al dat Fransche volk!” Mijne moeder reikte hem hare hand toe; zij hield veel van den ouden, eerbiedwaardigen man, die zoo menig uur bij haar zat, en, met veel wijsheid, de ondervinding van zijne grijze haren voor haar uitstortte, en die tevens levendig en vroolijk genoeg was, zoodat er hier en daar een weinig poeder tusschen door stoof; als hij van zijn’ studententijd in Jena vertelde, wat hij en zijn broeder, Adolf Diederik—“de professor juris utriusque in Rostock, kindlief!”—in een studentenclub zoo al uitgevoerd hadden. Mijne moeder stak hem hare hand toe, want opstaan kon zij niet; zij was in een zware ziekte verlamd geworden; en ik heb haar niet anders gekend, dan dat zij, in hare beste dagen op een stoel zat en naaide, zoo vlijtig, zoo vlijtig, alsof hare arme, zwakke handen gezond waren, en dat zij, in hare kwade dagen, te bed lag, en, te midden van haar pijn en smarten, in de boeken las. Wat dat voor boeken waren, weet ik niet meer: maar romans waren ’t niet, en dit alleen weet ik, dat de Marcus Aurelius van den ouden baljuw er bij behoorde; want dien moest ik heen en weêr brengen.

Nu was de oude heer niet gewoon, vrouwen bang te maken, en, in plaats van over het spektakel in de gerechtszaal te spreken, begon hij liever met het slechte weder, en hij gaf juist eene beknopte beschrijving van de modderpoelen op de Stavenhager markt,—want die was toen nog niet bestraat,—toen de deur geopend werd en de Fransche overste binnenkwam. Hij maakte eene buiging voor mijne moeder en ging naar mijnheer den baljuw toe.—Wij, kinderen, hielden met spelen op en kropen in den hoek bij de kachel op een’ hoop bij elkaâr, zooals de hoenders, als er een havik in de lucht is, en wij dachten zeker ook wel: “Wat moet dat worden?” Hetzelfde dacht mijne moeder waarschijnlijk ook; zij zag den ouden heer zoo angstig aan, omdat zich over zijn aangezicht eene uitdrukking van ernst en deftigheid verspreidde, die zij zóó niet van hem gewoon was. De Franschman scheen echter volstrekt niet barsch te zijn en er lag eene vriendelijke beleefdheid in zijn’ toon van spreken, toen hij den ouden heer vroeg: “Neem mij niet kwalijk, ik hoorde straks in de gerechtszaal den naam “Weber;” heet gij Weber?”—“Jochem Hendrik Weber,” zeide de oude heer en stond zoo rechtop als een paal.—“Hebt gij niet een broeder, die Adolf Diederik heet?”—“Adolf Diederik, professor in Rostock?” antwoordde de oude heer, en verroerde geen lid.—“Mijnheer de baljuw,” zeide de Franschman, en hij strekte zijne beide handen naar hem uit; laat ons vergeten, wat er dezen morgen tusschen ons is voorgevallen; ik heb meer betrekking op u, dan gij wel meent. Ik heb op uwen stok een’ naam gelezen die mij diep in ’t harte geschreven is. Zie eens, hier: “Renatus Von Toll,” “Nu, kent gij dien man?” vroeg de oude heer, en ’t was alsof in zijn gelaat een schoon morgenrood opdaagde. “Zou ik hem niet kennen!” riep de overste uit;—“hij is mijn vader.”—“Man!” zeide de oude heer: “man!—wat zegt gij?” En hij schoof den overste een eind van zich af en keek hem in de oogen; “zijt gij de zoon van Renatus Von Toll?”—“Ja! en hij heeft mij dikwijls en veel van zijne beste vrienden verteld; van de beide Weber’s, van de beide lange Mekklenburgers.”—“Kindlief,” riep de oude heer, zich tot mijne moeder wendende, “van wien heb ik u verteld?—het meeste verteld?—Niet waar? Van den braven Westphaler, van Renatus?” Mijne moeder knikte met het hoofd. Er was zoo iets in de blijdschap van den ouden heer, wat haar de tranen in de oogen deed komen; en wij, domme kinderen, kropen ook van achter de kachel uit, en werden vrijmoediger, en ’t was ons, alsof iemand van de naaste familieleden t’huis gekomen was.—“Jongske, jongske!” riep de baljuw, “’k had u moeten kennen, als maar die vervloekte Fransche uniform... Neen, wees bedaard! Dat wou ik niet zeggen,” voegde hij er schielijk bij, daar hij bemerkte, dat den overste het bloed naar ’t aangezicht vloog, “zeg eens, heeft uw vader nog die lichte, bruine oogen! En heeft hij nog dat bruine krulhaar?—Een kostelijk mensch, kindlief!” sprak hij tot mijne moeder, “een mensch, wien onze goede God den naam man op ’t voorhoofd geschreven heeft!”—De overste zeide nu, dat zijn vader nog wel dezelfde bruine oogen had, maar dat het bruine haar al verbleekt was.—“Ja wel,” sprak de baljuw, “dat moet wel zóó wezen; Adolf Diederik’s haar is ook al grijs.—Maar nu, manlief, ga nu met mij naar het slot en blijf een poosje bij mij. God weet het, ’t is de eerste maal, dat ik een Fransch officier uitnoodig, bij mij te blijven. Maar gij zijt toch eigenlijk geen Fransch officier; gij zijt immers een Duitscher. De zoon van Renatus Von Toll kan niet anders dan een braaf Duitscher zijn.” Mijne moeder, die zag, hoe de overste, bij de woorden van den ouden heer, nu rood en dan bleek werd, wenkte hem met de oogen toe, maar, te vergeefs; en toen hij iets dichter bij haar kwam, trok zij hem zachtkens aan zijn jas; dat hij zwijgen zou.—Nu draaide de goede man zich even om, en vroeg haar: “Kindlief, waarom trekt ge me aan mijn jas?” Thans was de beurt om rood te worden, aan mijne moeder. De overste had zich echter in dien tusschentijd hersteld; hij boog zoo half voor mijne moeder en zeide op ernstigen en bedaarden toon tot den ouden heer: “Mijnheer de baljuw, uwe uitnoodiging moet ik afslaan, want ik moet over een half uur marcheeren; en, wat deze uniform betreft, die u niet bevalt, ook niet bevallen kan,—dat wil ik toegeven,—ik wil haar toch niet onteeren, door haar uit te trekken in de ure des gevaars. Gij zegt, dat ik een Duitscher ben, dat mijns vaders zoon een Duitscher wezen moet,—gij hebt gelijk;—doch, zoo gij het mij als eene misdaad wilt aanrekenen, dat ik op de tegenovergestelde zijde sta, zoo moet gij hiermede geen beroep op mijn geweten doen, maar op dat van mijn’ landsheer. Toen ik soldaat werd, stond de keurvorst van Keulen in bondgenootschap met den keizer, en toen ik, voor vier jaren, naar Spanje moest gaan, huldigde hem geheel Duitschland, met al zijne vorsten. Sedert drie weken ben ik terug uit Spanje en ik vind Duitschland anders dan het geweest is;—wat mij door ’t hoofd en door ’t hart gegaan is, is mijne zaak, en indien ik daarover met eenig mensch spreken moest, dan kon het slechts met mijn’ vader geschieden; voor den besten vriend uit mijns vaders jeugd moet dat voldoende zijn: ’t is meer, dan ik nog ooit in mijn leven tot eenig ander mensch over deze aangelegenheid gesproken heb.”

Terwijl hij deze woorden sprak, stond de oude heer voor hem, en hij zag hem scherp in de oogen, en schudde nu en dan het hoofd; doch toen hij bespeurde, dat over het gelaat van den overste zulk een ware, trouwhartige ernst verspreid lag, zochten zijne oogen een ander punt, en bij het slot der woorden van den overste, zeide hij: “Dat is dan eene andere zaak!” Daarop keerde hij zich om, naar mijne moeder en sprak: “Kindlief, de man heeft gelijk. De zoon van Renatus Von Toll heeft gelijk. ’t Is maar jammer, dat hij gelijk heeft!” Daarop nam hij de hand van den overste en vroeg: “Mijn lieve jonge vriend, kunt gij waarlijk hier niet blijven?” En toen de officier hem verzekerde, dat dit onmogelijk was, riep hij mij. “Frits,” zeide hij, “jongen, je kunt al eene boodschap doen; loop eens naar Netje, naar de vrouw van den baljuw, en zeg haar, dat zij hier moet komen, dat hier een verblijdend voorval heeft plaats gevonden; hoor je wel! een verblijdend voorval. Anders maakt zij zich ongerust, kindlief,” zeide hij tot mijne moeder.

Nu, ik liep dus, wat ik loopen kon, naar het slot; en het duurde ook niet lang, of de vrouw van den baljuw ging naast mij; bedaard en zacht, zoo als ’t hare gewoonte was; en ik huppelde, als een kwikstaartje, om haar heen, zoodat zij maar werk had, mij voor de paarden en wagens te hoeden.

Toen wij de markt over gingen, waren de Franschen druk bezig, zich voor den afmarsch gereed te maken; de kanonnen stonden met paarden er voor, in orde, en het bataljon stond in ’t gelid, en men kon zien, dat het er op losgaan zou. De vrouw van den baljuw ging in het raadhuis, doch zij zou niet ver komen, want op de gang werd zij door mamsel Westphalen en de beide dienstmeiden aangehouden; en eer zij het zelve wist, stond zij midden in het kluwen van de moordenaars en doodslagers, bij den bakker Witt, en Droi, en den molenaar Voss; en ieder vertelde haar zijne zaak, en om dit kluwen wonden zich nu nog de vrouw en de kinderen van mijnheer Droi, met beden en tranen, en juffrouw Stahl hield mamsel Westphalen van achteren aan haar japon vast, en stelde zich aan, alsof die goede ziel in ’t water wou springen, en zij haar voor zelfmoord moest bewaren. De bakker Witt schoot zoo af en aan nog eens een “gauwdief” los, maar ’t halve vuur was toch maar in hem, en toen hij het gejammer van de vrouw van den horlogemaker gewaar werd, viel hem zijn eigen’ huishouding in en hij riep mij. “Fritsje,” zeî hij, “loop eens gauw naar mijn huis, mijn jongen; ge zult er een suikerkransje voor hebben; en roep mijn Johan en mijne dochter, de vrouw van Struwing, eens, en zeg hun, dat zij eens komen overloopen, want dat die gauwdieven, die Fransozen, mij nu ook wel zouden kunnen meênemen naar hun godvergeten land, gelijk zij ’t vroeger al met mijn vijfjarig bruintje gedaan hebben.”

Ik deed de boodschap, en toen ik met Johan en vrouw Struwing en het suikerkransje terugkwam, stond Hendrik Voss, de neef van den molenaar, met de oude molenaarsvrouw en Fieken Voss, al voor het raadhuis met zijn’ wagen stil, want de armee-gendarmes hadden ten laatste toch den rechten weg naar den Gielowschen molen gevonden, en daar het geheele nest uitgehaald.

Nu begon dus het gejammer en geschrei van voren af aan. De eenige, die bedaard bleef, was Fieken. Zij vroeg zachtkens aan haren vader: “Hebt gij het geld afgegeven?”—De oude molenaar wees naar de gerechtszaal en zeide: “Dáár ligt het.”—“Vader, wees dan maar getroost: onze goede God zal u niet verlaten.”

Mijn vader was al dien tijd stil en in zich zelven gekeerd op en neêr gegaan; ’t moest inwendig niet rustig bij hem wezen, want telkens stond hij stil en greep zich in het haar, als hij het schreien van de vrouwen hoorde; eenmaal ging hij naar mijnheer Droi en zeide, dat hij niet bang moest zijn, want dat het er voor hem niet zoo erg uitzag.

Mijnheer Droi knikte met het hoofd en zeide: “bon!” Hij werd een’ heelen duim grooter, strekte het ééne been naar voren en zette welgemoed zijn arm in de zijde.

Nu moest alles wel zoo ver in orde zijn, want de adjudant riep den overste uit de kamer mijner moeder, en toen die er uitkwam, was zijn voorkomen veel vriendelijker en hij ging met mijnheer den baljuw naar de gevangenen. Hij gaf nu bevel, dat mamsel Westphalen en de beide dienstmeisjes in vrijheid gesteld zouden worden en mamsel Westphalen dook driemaal met eene nijging onder en zeide: “Ik bedank u wel, overste Von Toll.”—Mijnheer de baljuw kreeg zijne lieve vrouw in den hoop te zien, en maakte haar ook vrij, en terwijl hij haar den overste voorstelde en haar mededeelde wat er gebeurd was, kommandeerde de adjudant: “Marsch!” En de molenaar Voss, de bakker Witt en mijnheer Droi zouden naar buiten gebracht worden. Fieken van den molenaar had den arm van haren Vader gevat en wilde hem niet loslaten, en toen zij met geweld van hem afgerukt werd, bleef zij volkomen bedaard en zeide: “Vader, waarheen ze u ook brengen mogen, ik blijf toch bij u.”—Met den ouden bakker ging het gemakkelijker: hij spuwde driemaal voor zich uit, schoot nog een paar “gauwdieven,” luk of raak, in de lucht af; gaf nog kortelijk aan Johan eenige inlichting omtrent de zaken, en ging de deur uit. Maar erger was het met den horlogemaker; zijne vrouw en zijne kleine kinderen klemden zich aan hem vast en jammerden in het Duitsch en in ’t Fransch, dat een steenen hart er van moest breken. Nu kon mijn vader het niet langer uithouden: hij trad voorwaarts en vroeg, waarom de horlogemaker gevankelijk weggevoerd moest worden? De man was een gezeten burger, wien men nog nooit iets ten laste had kunnen leggen; dat hij op het slot dien nacht geslapen had, kon niemand hem als eene misdaad aanrekenen, want de overste en zijn adjudant hadden er immers ook geslapen; en, dat hij eene Fransche uniform had, was natuurlijk, dewijl hij onder de Franschen had gediend; en dat hij ze nu en dan aantrok, dat konden de Franschen hem toch niet kwalijk nemen, want de man bewees hierdoor, dat hij nog met lust en liefde aan den tijd dacht toen hij ze in hunne rijen gedragen had.—Hij had de uniform misbruikt, schreeuwde de adjudant daartegen in.—Mijn vader riep, dat zulks niet waar was;—het was geen misbruik, zoo iemand zich door eene onschuldige list roovers en schurken van ’t lijf hield, en het bewijs dat zij met die soort te doen gehad hadden, was in den mantelzak van den Franschman te vinden.

De adjudant zag mijn’ vader woedend en kwaadaardig aan, alsof hij hem gaarne zijn degen’ wilde doen voelen, de overste trad nader met een gelaat, waarin een geheel onweder opkwam, en hij wenkte met de hand, dat men den horlogemaker weg zou brengen; doch mijn vader, die zijn toorn nu niet langer bedwingen kon, sprong naar voren en riep: “Halt, die man is onschuldig: en zoo hier iemand schuld heeft, dan ben ik het, want op mijn verlangen en bevel heeft hij dat alles gedaan: indien hier iemand gearresteerd moet worden, dan ben ik het.”—“Dat kan geschieden!” sprak de overste kortaf. “Laat dien man los en neemt dezen hier!”—“Kindlief,” riep mijnheer de baljuw hem toe, “wat doet gij?”—“Mijn plicht, mijnheer de baljuw,” zeide de overste, hem de hand gevende. “Vaarwel, mijnheer de baljuw; mijn tijd is verstreken.” Met die woorden ging hij het huis uit.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings