← Table of contents
Twee vroolijke geschiedenissen

Note 2 — Uit den Franschen tijd. (continued 2)

Eliza Laurillard translation

Op dit punt moest de baljuw dus toegeven, en toen mamsel Westphalen naar hare kamer was gegaan, om voor zich in allerijl een’ doek en eene warme wollen muts te halen, liep de oude heer met groote schreden, in gedachten verdiept, op en neder en zwaaide met zijn Jena’schen “Ziegenhainer”2 in de lucht rond, want zonder dezen ging hij van zijn leven niet uit. Eindelijk zeide hij: “Netje, zij heeft gelijk; dat de meiden meêgaan, kan geen kwaad. Maar Netje,” en hij snoof zoo’n beetje in de lucht rond; “’t ruikt hier zoo naar gerookte paling; is de oude Neils uit Gulzow met zijn’ paling hier geweest?”—“Wat praat je toch, Weber? dat is van haar, zij heeft immers over het uur op den rookzolder gezeten.”—“Dan is ’t iets anders!” zeide de oude heer; en zijne vrouw moest de beide dienstmeisjes roepen. Zoodra mamsel Westphalen gekomen was, ging de stoet weg, nadat de mamsel van mevrouw Weber een afscheid als op leven en dood had genomen. Niemand sprak een woord; slechts toen zij aan de slotpoort kwamen, boog mamsel Westphalen zich achterwaarts en zeide: “Fieken, als wij op de markt komen, Loop dan eens even naar dokter Lukow, en verzoek hem, dat hij aanwezig zij bij mijn ongeluk; er kon mij soms wat overkomen, want ik kon in flauwte vallen.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings