← Table of contents
Twee vroolijke geschiedenissen

Note 1 — Uit den Franschen tijd.

Eliza Laurillard translation

Op zekeren dag,—’t was in den tijd, toen dat gemeene gespuis, die Franschen, uit Rusland terug gekomen waren, en toen er bij ons al wat beweging begon te komen,—klopte iemand aan de kamer van mijnheer den Baljuw. “Binnen!” riep de oude heer en binnen kwam de oude molenaar Voss uit Gielow, met den verkeerden kant het eerst, en hij maakte eene buiging, die drommelsch scheef uitviel, alsof hij den baljuw, vóór alle dingen, eerst moest laten zien, van welke soort van goed het kruis van zijne broek gemaakt was. “Goeden dag, mijnheer de baljuw!” zeide hij. “Goeden morgen, molenaar!” zeide de oude heer.—Nu, al gebruikten zij ook verschillende tijden van den dag bij hun groeten, ze hadden toch beiden, ieder op zijne manier, gelijk: want de molenaar stond ’s morgens klokke vier op, en bij hem was ’t na den middag, en bij den baljuw was ’t vroeg in den morgen, want hij stond te elf uren op. “Wat wil je, molenaar?”—Want de molenaars werden toen nog jij en jou genoemd.—“Wel, mijnheer de baljuw, ik kom tot u wegens eene zaak van belang.—Ik woû u maar kennis geven, dat ik nu ook bankroet wou gaan.”—“Wat wou je, vriendlief?”—“Bankroet gaan, heer baljuw.”—“Hm, hm!” bromde de oude heer, “dat is immers eene desperate zaak.” En hij krabt zijn hoofd en gaat in de kamer op en neder. “Hoe lang woon je al in ’t Stemhager1 rechtsgebied?”—“Dat wordt met toekomenden Sint-Jan drie en dertig jaar.”—“Hm, hm,” bromt de baljuw verder, “en hoe oud ben je, molenaar?”—“Met den erwtenoogst word ik vijf en zestig jaar; ’t kan ook mogelijk wezen, dat het zes en zestig is; want onze oude domeneer Hammersmid, die was niet zeer voor de kerkboeken en de domeneersjuffrouw, die ’t schrijfwerk overnam, liet dat altijd een jaar of drie oploopen, omdat dan de schrijverij eerst de moeite waard was, en dan ging zij eens op een namiddag door het dorp en schreef de kinderen op:—maar dat ging dan altijd meer naar de lengte en naar de dikte, dan naar den ouderdom, en mijne moeder zei altijd, dat zij mij een jaar te kort gedaan had, omdat ik een achterlijk kind was. Maar, van vijf en zestig behoef ik mij niets te laten afnemen, daar ben ik wis en zeker van.”—De oude baljuw heeft ondertusschen op en neêr loopende met een half oor geluisterd en staat nu voor den molenaar stil, kijkt hem scherp in de oogen en zegt barsch: “Molenaar Voss, dan ben je veel te oud voor je plan.”—“Hoezoo dat?” vraagt de molenaar geheel ontsteld.”—“Bankroet maken is eene moeielijke zaak; dat krijg jij op jou jaren niet meer gedaan.”—“Denkt gij dat, heer baljuw?”—“Ja, dat denk ik. Wij zijn daarvoor beiden te oud, dat moeten we aan jongelieden overlaten.—Denk eens na, wat zouden de menschen zeggen, als ik bankroet woû maken? Ze zouden zeggen: de oude baljuw op het slot is gek geworden,” en hij legde hem vertrouwelijk de hand op zijn schouder, “en zij zouden gelijk hebben, vrind Voss! Nu, wat dan?”—De molenaar kijkt naar de punten zijner laarzen en krabt achter zijne ooren: “De waarheid is ’t, mijnheer!”—“Wel,” vraagt de oude heer, en hij schudt den molenaar zoo’n beetje aan de schouders: “Waar drukt de schoen je dan? Wat kwelt je dan voornamelijk?”—“Kwellen? zegt gij, mijnheer de baljuw!” riep de molenaar uit, en ’t was, als had hem eene bij achter ’t oor gestoken, zóó krabde hij: “Villen, mijnheer, moet gij zeggen, villen!—De jood! de vervloekte jood! En dan de prinses, mijnheer de baljuw! de vervloekte prinses!”—“Zie je wel, molenaar? dat is ook een hansworstestreek van je, dat je, op jou jaren, je met een proces ophoudt.”—“Och, mijnheer, toen ik dat begon, was ik nog in de goede jaren, en ik dacht ook, dat ik ’t nog bij mijn leven zou klaar krijgen; maar ik merk wel, dat zoo’n prinses één langeren adem heeft, dan een eerlijke molenaarslong kan uithouden.”—”’t Loopt nu toch, als ik het wel heb, haast ten einde.”—“Ja, mijnheer de baljuw! maar dan loopt het mij dood, want mijne zaak zal wel slecht staan, en de avekaten hebben ze verbroddeld, en de zoon van mijn vaders broeder, den ouden Jochem Voss, de jongen, die nu alles erven zal, dat moet een listige knaap zijn, en de menschen zeggen immers, dat hij er op gezworen heeft, mij van het goed van Borchert te Malchin af te zullen smijten.—En, mijnheer de baljuw! ik heb toch eene rechtvaardige zaak voor, en hoe ik aan een prinses gekomen ben, dat weet ik op ’t oogenblik nog niet, want de oude vrouw Borchert, toen zij nog leefde, was de tante van de dochter van de zuster van mijne moeder, en Jochem Voss, die mijn neef was...”—“Ik weet het geval,” sprak mijnheer de baljuw, “en, als ik je een raad mag geven, tracht dan tot eene schikking te komen.”—“Dat kan ik niet, mijnheer! Onder de helft doet Jochem’s lummel het niet, en als ik die betalen moet, dan ben ik een bedelaar.—Neen, mijnheer de baljuw, ’t mag gaan zoo ’t wil, toegeven doe ik niet, dan zoek ik het tot bij den hertog.—Zoo’n lummel, zoo’n kwast, die met zijn vaders geld in den zak kan gaan en trekken, waarheen hij wil, en den toestand niet begrijpt van een mensch, die een huisgezin moet onderhouden in deze slechte tijden; hij, wien de verdoemde schurken, de Fransozen, zijn vee niet hebben afgenomen en zijne paarden niet uit den stal gehaald en zijn huis niet geplunderd hebben, die wil zich op mij wreken?—Mijnheer de baljuw, gij vergunt mij wel, dat ik niet buig voor zoo’n bengel, en neem ’t mij niet kwalijk, als ik onbescheiden ben.”—“Molenaar Voss,” zegt de oude heer, “wees bedaard, molenaar Voss! Het proces komt immers ook eens ten einde! want het is in vollen gang.”—“In gang, mijnheer de baljuw? Neen, ’t is in den zwaai, zooals de duivel zei, toen hij den bijbel aan de zweep gebonden had en om zijn kop rondslingerde.”—”’t Is waar, vrind Voss, ’t is waar! Maar dit kan u intusschen op ’t oogenblik toch niet zoo drukken.”—“Drukken?—Zeg liever klemmen, mijnheer!—klemmen, dat een mensch het bloed onder de nagels uitkomt.—Die jood, mijnheer de baljuw, die driemaal overgehaalde jood!”—“Welke jood is dat?” vraagt de baljuw. En de molenaar draait zijn’ hoed in zijne hand rond, en hij ziet zoo halverwege om, of hem ook iemand hoort en gaat zóó met slependen tred dichter naar den ouden heer toe, legt de hand aan zijn’ mond en fluistert half overluid: “’t Is Itzig, mijnheer de baljuw.” “Foei!” zegt de oude heer, “hoe komt gij aan dien kerel?”—“Mijnheer de baljuw, hoe komt de ezel aan zijne lange ooren? Sommigen gaan om aardbeien te plukken en bezeeren zich aan een’ brandnetel, en de koster van Gagelow meende, dat hij zijn kruiwagen vol heilige engelen had, en toen hij boven op den berg kwam, en dacht, dat ze nu zouden gaan vliegen, toen zat er het grootje van den duivel in, en grijnsde hem aan, en zei: “Vader, wij spreken elkaâr wel nader!”—In mijn grootsten nood, toen de vijand mij alles afgenomen had, heb ik twee honderd daalders van hem geleend, en nu heb ik sinds twee jaar van termijn tot termijn altijd moeten onderteekenen, en de schuld is opgeloopen tot vijfhonderd daalders, en overmorgen moet ik ze betalen.—“Molenaar, heb je dat onderteekend?”—“Ja, mijnheer de baljuw.”—“Dan moet je ’t ook betalen. Wat geschreven is, is geschreven.” “Wel, mijnheer de baljuw, ik dacht....”—”’t Helpt je niets: wat geschreven is, is geschreven.”—“Maar, de jood....”—“Molenaar, wat geschreven is, is geschreven.”—“Ja maar, mijnheer de baljuw, wat moet ik dan daaraan doen.”—De oude heer ging in de kamer rond en wreef zich het hoofd en zag den molenaar dan weder zoo recht ernstig aan, en de molenaar keek hem weder evenzoo aan, en eindelijk zeide hij: “Molenaar, jongelieden kunnen zich uit zulke ongelegenheden beter helpen dan oude; stuur één van je jongens eens bij mij.”—De oude molenaar keek weder naar de punten van zijne laarzen en keerde zich zoo wat half om. Toen zeide hij met een stem, die den ouden baljuw door merg en been ging: “Och, mijnheer, wien zal ik sturen? Mijn Jochem heeft zich dood gemalen, en Karel hebben de Franschen verleden jaar meêgenomen naar Rusland, en hij is niet teruggekomen.”—“Molenaar,” zegt de oude baljuw, en hij strijkt den ouden molenaar hierbij langs zijn rug: “Heb je dan in ’t geheel geen kinderen?”—“Ja, mijnheer de baljuw,” zegt hij, terwijl hij zijne oogen afwischt, “nog zoo’n klein deerntje.”—“Ja,” antwoordt de oude heer, “vrind Voss, ik heb het niet erg op de meisjes; meisjes zijn mij te teemachtig.”—“Dat zijn ze, mijnheer! ze zijn teemachtig!” “En in zulke omstandigheden kunnen zij je niets helpen, molenaar!”—“Wat zal er dan van mijne zaak worden?”—“Executie, oude vriend; de jood zal alles wat je hebt, laten wegdragen.”—“Nu, mijnheer de baljuw, dat heeft de Fransoos al tweemaal gedaan, dan kan de jood ’t nou ook eens probeeren. De molensteenen zal hij wel laten liggen. En om bankroet te maken, denkt gij, dat ik te oud ben?”—“Ja, mijn goede vrind.”—“Nu adjuus dan, mijnheer de baljuw.” Daarop ging hij heen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings