← Table of contents
Twee Edellieden van Verona

Vierde Bedrijf.

L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation

Eerste Tooneel.

Een woud, tusschen Milaan en Verona.

Eenige Bandieten komen op.

Eerste Bandiet. Staat, mannen, staat; ik zie een reiziger.

Tweede Bandiet. Al waar’ ’t een tiental, deinst niet, slaat ze neer.

(Valentijn en Flink treden op.)

Derde Bandiet. Sta, heer, en lever uit al wat gij hebt, Of gij wordt neergelegd en uitgeschud.

Flink. Wij zijn verloren, heer; dat zijn de schurken, Waar alle reizigers beducht voor zijn.

Valentijn. Mijn vrienden,—

Eerste Bandiet. Wat vriend! dat zijn wij niet; noem vrij ons vijand.

Tweede Bandiet. Stil, laat hem spreken!

Derde Bandiet. Ja, bij mijn baard, hij is een flinke kerel.

Valentijn. Zoo weet dan, ik heb weinig te verliezen. Ik ben een man, door ’t ongeluk bestookt; Mijn rijkdom zijn mijn poov’re kleed’ren hier, En als gij daarvan mij ontblooten wilt, Dan neemt gij al mijn have en goed mij af.

Tweede Bandiet. Waar reist gij heen?

Valentijn. Naar Verona. 17

Eerste Bandiet. Van waar komt gij?

Valentijn. Van Milaan.

Derde Bandiet. Hebt gij daar lang vertoefd?

Valentijn. Ruim zestien maanden, en ik ware er nog, Zoo niet een heilloos lot mij had gedwarsboomd.

Eerste Bandiet. Hoe zoo, werdt gij verbannen?

Valentijn. Verbannen, ja.

Tweede Bandiet. Om welk vergrijp?

Valentijn. Om een, dat ik met wroeging thans vermeld. Ik doodde een man, wiens dood mij zeer berouwt; Schoon, ik versloeg hem in manhaften strijd, En niet door booze list of laag verraad.

Eerste Bandiet. Wel, geen berouw, indien het zoo zich toedroeg. En om zoo kleine schuld werdt gij verbannen?

Valentijn. Ja, en verheugd er zoo nog af te komen.

Tweede Bandiet. Verstaat gij talen? 33

Valentijn. Gewis, dit dank ik aan mijn jonglingsreizen; ’t Ware anders menigmaal mij slecht vergaan.

Derde Bandiet. Bij Robin Hood’s gemesten paters kruintje, Die borst mocht hoofd zijn onzer woeste bende.

Eerste Bandiet. Wij willen hem.—Gij mannen, hier; een woord!

Flink. Heer, sluit u bij hen aan; ’t Is recht fatsoenlijk stelen, wat zij doen.

Valentijn. Stil, schurk!

Tweede Bandiet. Spreek: hebt gij iets, waar gij op reek’nen kunt?

Valentijn. ’k Heb niets dan wat het lot mij brengt.

Derde Bandiet. Weet, een’gen onder ons zijn edellieden, Die de overmoed der teugellooze jeugd Uit de gemeenschap stiet van eerb’re lieden; Zoo werd ikzelf verbannen uit Verona, Wijl ik beproefde een jonkvrouw daar te schaken, Die rijk was en den hertog na verwant.

Tweede Bandiet. En ik uit Mantua, om een edelman, Wien ik in drift een dolk in ’t harte stiet.

Eerste Bandiet. En ik om even zulk een klein vergrijp. Doch nu ter zake; die belijd’nis strekte Slechts om ons rooverleven u te ontschuldigen; En daar wij zien, dat gij met kloeken bouw Begaafd zijt, en, zooals gijzelf daar meldt, De talen spreekt, kortom, geheel de man, Die ons bij dit beroep recht welkom ware,—

Tweede Bandiet. En dan vooral, wijl gij een balling zijt, Daarom voornaam’lijk spreken wij tot u. Neemt gij ons voorstel aan, ons hoofd te zijn, En met ons van den nood een deugd te maken, En in de wildernis, als wij, te leven?

Derde Bandiet. Wat zegt gij? wilt gij een der onzen zijn? Sla toe en word de hoofdman van ons allen; Dan doen we u hulde en volgen uw bevelen, En eeren u als onzen heer en vorst. 67

Eerste Bandiet. Maar als gij onze gunst versmaadt, dan sterft gij.

Tweede Bandiet. Gij leeft niet, dat gij op ons aanbod pocht.

Valentijn. ’k Neem ’t aanbod aan en wil met u hier leven; Doch op beding, dat gij steeds zwakke vrouwen En arme zwervers spaart, hen nimmer deert.

Derde Bandiet. Wijzelf verfoeien zulk een laag bedrijf. Kom nu, wij brengen u tot onze schare, En toonen u den buit, door ons vergaârd, Die, als wijzelf, tot uw beschikking sta.

(Allen af.)

Twee edellieden van Verona, Vierde Bedrijf, Tweede Tooneel.
Twee edellieden van Verona, Vierde Bedrijf, Tweede Tooneel.

Twee edellieden van Verona, Vierde Bedrijf, Tweede Tooneel.

Tweede Tooneel.

Milaan. Open plaats voor ’s Hertogs paleis, onder Silvia’s kamervenster.

Proteus komt op.

Proteus. Reeds was ik trouwloos jegens Valentijn; Nu moet ik Thurio ’t eigen onrecht doen; Want onder ’t mom, dat ik zijn voorspraak ben, Verwierf ik toegang voor mijn eigen liefde. Doch Silvia is te schoon, te trouw, te heilig, Dan dat mijn waard’loos aanbod haar verleidt. Betuig ik mijn genegenheid en trouwe, Dan werpt zij mij mijn valsche vriendschap voor; Bezweer ik de eeuw’ge macht van hare schoonheid, Dan zegt zij mij, te denken, hoe ik de’ eed Van trouw aan Julia, die ik minde, brak. En toch, trots al haar rassche booze woorden, Meer dan genoeg om alle hoop te dooven,— Hoe meer zij mijne liefde van zich stoot, Groeit die te meer en vleit haar kwisp’lend steeds. Doch Thurio komt; wij moeten aan haar venster Nu avondtonen ruischen in haar oor.

(Thurio komt op, met Muzikanten.)

Thurio. Zoo, Proteus, zijt gij ons vooruitgeslopen?

Proteus. Ja, waarde Thurio, want gij weet, de liefde Wil binnensluipen, waar zij niet kan gaan.

Thurio. Ja, maar ik hoop, heer, hier bemint gij niet.

Proteus. Ik doe het, heer, want anders ware ik elders.

Thurio. Wie, Silvia?

Proteus. Wie, Silvia?Silvia, ja,—om uwentwille.

Thurio. Ik dank u voor uw liefde.—Heeren, thans Gestemd, en ’t lied dan lustig aangeheven. 25

(De Waard en Julia komen op, op den achtergrond; Julia in pageskleeding.)

Waard. Nu, mijn jonge gast, mij dunkt, gij zijt mankeliek; mag ik vragen, waarom?

Julia. Och, goede vriend, wijl ik niet lustig zijn kan.

Waard. Kom, kom, wij zullen u wel lustig maken. Ik wil u brengen, waar gij muziek zult hooren en den edelman zien, waar gij naar gevraagd hebt.

Julia. En zal ik hem ook hooren spreken?

Waard. Ja, dat zult gij.

Julia. Dat zal muziek zijn.

(De muziek begint.)

Waard. Luister, luister!

Julia. Is hij daarbij?

Waard. Ja, maar stil, laat ons luisteren!

(Lied.)

Wie is Silvia? wat is zij? De jong’lingschap omzwiert haar.— Heilig, schoon en wijs is zij; Door ’s Hemels gunst versiert haar Al wat roem geeft en waardij.

Even goed is zij als schoon; Dit schenkt haar alvermogen; Amor koos haar oog ter woon En ziet nu door haar oogen, Zit, niet blind meer, daar ten troon.

Zingt dus Silvia, roemt haar macht En weêrgâlooze waarde, ’t Liefste schoon, de rijkste pracht, Den roem der glanslooze aarde! Huldekransen haar gebracht!

Waard. Hoe is het? zijt gij nog treuriger dan te voren? Hoe is het, jonkman? Is de muziek u niet goed genoeg?

Julia. Misgeraden; de muzikant is mij niet goed genoeg.

Waard. Hoe zoo, mijn beste knaap?

Julia. Hij speelt valsch, vadertje.

Waard. Hoe zoo? is het instrument valsch besnaard?

Julia. Dat niet, maar hij speelt zoo valsch, dat hij de snaren van mijn hart pijn doet.

Waard. Gij zijt fijn van gehoor.

Julia. O, ik wilde, dat ik doof was, want dit doet mijn hart zoo bonzen.

Waard. Ik merk het wel, gij houdt niet van muziek.

Julia. Volstrekt niet, als zij zoo snerpend is.

Waard. Hoor, welk een mooie overgang in die muziek! 68

Julia. Juist, die overgang doet mij zeer.

Waard. Gij zoudt wenschen, dat zij aldoor hetzelfde speelden?

Julia. Dat een hetzelfde door bleef spelen, wenschte ik.— Maar zeg, die Proteus, vriend, waar wij van spraken, Heeft hij met deze jonkvrouw veel verkeer?

Waard. Ik zeg u, wat Lans, zijn knecht, mij gezegd heeft:—hij bemint haar zoo, dat de kerfstok vol is.

Julia. Waar is Lans?

Waard. Zijn hond gaan zoeken, dien hij morgen, op bevel van zijn meester, aan de jonkvrouw ten geschenke moet gaan brengen.

Julia. Stil, stil, ter zijde; het gezelschap gaat heen.

Proteus. Wees niet bekommerd, Thurio; pleiten zal ik, Dat gij mijn sluwheid hooglijk roemen zult.

Thurio. Waar vind ik u?

Proteus. Waar vind ik u?Bij den Gregorius-put.

Thurio. Vaarwel!

(Thurio af, met de Muzikanten.)

(Silvia verschijnt aan haar venster.)

Proteus. Uwe Edelheid een goeden avond, jonkvrouw!

Silvia. Mijn dank voor uw muziekbegroeting, heeren! Wie is het, die daar sprak?

Proteus. O, kendet gij zijns harten zuiv’re trouw, Gij leerdet ras hem aan de stem te kennen.

Silvia. Signore Proteus, als ik het wel heb.

Proteus. Ja, Proteus, eed’le jonkvrouw, en uw dienaar.

Silvia. Wat wilt gij hier?

Proteus. Wat wilt gij hier?Eenswillend zijn met u.

Silvia. Dit staat aan u; niets anders is mijn wil, Dan dat gij daad’lijk u ter ruste spoedt. Gij loos, meineedig, valsch en trouwloos man! Gelooft gij mij zoo ijdel, zoo onnoozel, Dat mij uw vleitaal ooit verlokken zou, Hoe menigeen uw eeden ook bedrogen? Keer huiswaarts en doe boete aan uw geliefde. Ik, bij die bleeke koningin der nacht, Ik, verre van uw smeeken te verhooren, Veracht u om uw schand’lijk aanzoek diep, En ben geneigd mijzelve te verwijten, Dat ik nog zooveel tijd aan u verspil. 104

Proteus. Ja, ik erken, geliefde, ik minde een jonkvrouw, Doch zij is dood.

Julia (ter zijde). Ik kon hem logenstraffen, ’k Weet zeker, dat zij niet begraven is.

Silvia. Dit moog’ zoo zijn, maar Valentijn, uw vriend, Hij leeft nog, en met hem,—gij zijt getuige,— Ben ik verloofd; en schaamt gij u niet diep, Door uwen boozen aandrang hem te krenken?

Proteus. ’k Hoor, dat ook Valentijn gestorven is.

Silvia. Zoo reken mij het ook, want in zijn graf Is, weet dit, mijne liefde meebegraven.

Proteus. Vergun mij, dierb’re, uit de aard die op te raak’len.

Silvia. Ga, rakel uit uw liefste’s graf de hare, Of—dat er de uwe meebegraven zij!

Julia (ter zijde). Hij heeft dat niet gehoord.

Proteus. Mejonkvrouw, blijft uw hart zoo onvermurwbaar, Sta aan mijn liefde toch uw beelt’nis toe, De beelt’nis, die in uwe kamer hangt; Tot haar wil ik dan spreken, zuchten, weenen; Want daar gij ’t wezen van uw heerlijk zelf Hebt weggeschonken, ben ik slechts een schim, En wil uw schaduw trouwe liefde wijden.

Julia (ter zijde). Ja, waar’ ze een werk’lijk wezen, gij bedroogt het, Dat het een schim wierd, zooals ik het ben.

Silvia. ’k Ben recht ongaarne, heer, uw afgodsbeeld; Doch daar het met uw valschheid strookt, dat gij Voor schimmen knielt, een ijdel beeld aanbidt, Zoo laat het morgen ochtend bij mij halen. En nu, slaap wel!

Proteus. En nu, slaap wel!Als arme zondaars doen, Wie ’t halsgericht den and’ren morgen wacht.

(Proteus en Silvia af.)

Julia. Waard, gaat gij mede?

Waard. ’k Was op mijn woord, daar vast in slaap geraakt.

Julia. Waar woont die heer, die Proteus? zeg mij dit.

Waard. Wel, in mijn huis. Ik geloof waarachtig, dat het bijna dag is.

Julia. Dat niet; maar toch, het was de langste nacht, Die ik doorwaakte, en zeker ook de bangste.

(Beiden af.)

Derde Tooneel.

Aldaar.

Eglamour komt op.

Eglamour. ’t Is nu het uur, dat jonkvrouw Silvia mij Hier heeft ontboden om haar wensch te hooren. Voor iets gewichtigs eischt zij wis mijn dienst. Mejonkvrouw! jonkvrouw!

(Silvia verschijnt weder aan haar venster.)

Silvia. Wie roept daar?

Eglamour. Wie roept daar?Iemand, die uw dienaar is, Een vriend, die uw bevelen komt vernemen.

Silvia. Heer Eglamour, veel duizend goede morgens!

Eglamour. Niet minder, eed’le jonkvrouw, wensch ik u. Naar uw vereerende opdracht kom ik hier In ’t morgenuur vernemen, welken dienst Het u behaagd heeft aan mij op te dragen.

Silvia. O Eglamour, gij zijt een edelman,— Neen, ’t is geen vleitaal, die ik spreek, ik zweer het,— Wijs, dapper, diepgevoelend, waarlijk ridder. ’t Is u niet onbekend, wat diepe neiging Ik voor den balling Valentijn steeds voed, Noch, hoe mijn vader tot een echt mij dringt Met de’ ijd’len Thurio, dien mijn ziel verfoeit. Gij hebt bemind; ik hoorde zelve u zeggen, Dat nooit een leed zoo diep uw harte trof, Als toen uw dierbare uitverkoor’ne stierf, Wier graf uw eed van eeuw’ge trouw vernam. Heer Eglamour, ik wil naar Valentijn, Naar Mantua, waar hij, zoo hoor ik, toeft; En daar de wegen hoogst onveilig zijn, Zoo vraag ik, steunend op uw eer en trouw, Dat gij mij op de reis geleiden wilt. Neen, wijs mij op mijns vaders gramschap niet; Denk aan mijn leed slechts, eener vrouwe leed, En hoe ik recht heb om van hier te vluchten, Ten einde een hoogst onheil’gen echt te ontgaan, Door hemel beide en ’t lot met vloek bedreigd. Ik smeek u uit het diepste van een hart, Zoo vol van kommer als de zee van zand, Dat gij als mijn geleider mij verzelt; Zoo niet, dat gij verzwijgt, wat ik u zeide, Opdat ik ’t wagen moog’, alleen te gaan.

Eglamour. Mejonkvrouw, ik beklaag uw liefdekommer, En weet, hij geldt een deugdrijk edelman; Ik ben daarom bereid u te verzellen; En luttel acht ik wat mij treffen kan, Maar wensch te meer van harte u alle heil. Wanneer wenscht gij te gaan?

Silvia. Wanneer wenscht gij te gaan?Deze’ eigen avond.

Eglamour. Waar vind ik u?

Silvia. Waar vind ik u?In broeder Patrick’s cel, Waarheen ik, als ter biecht, mij zal begeven.

Eglamour. Ik zal er zijn, mejonkvrouw. Thans goeden morgen, lieve jonkvrouw.

Silvia. Dank; goeden morgen, ridder Eglamour.

(Beiden af.)

Twee edellieden van Verona, Vierde Bedrijf, Vierde Tooneel.
Twee edellieden van Verona, Vierde Bedrijf, Vierde Tooneel.

Twee edellieden van Verona, Vierde Bedrijf, Vierde Tooneel.

Vierde Tooneel.

Aldaar.

Lans komt op, met zijn hond.

Lans. Als een mensch zijn dienaar zich hondsch tegen hem gedraagt, ziet ge, dat is hard; een, dien ik van kindsbeen af heb opgebracht, een, dien ik voor verdrinken bewaard heb, toen drie of vier van zijn blinde broeders of zusters er aan moesten gelooven! Ik heb hem afgericht, juist zooals iemand, die zich voorneemt: “Zoo wil ik een hond africhten.” Ik werd gestuurd om hem ten geschenke te brengen van mijn meester aan juffer Silvia, en ik had nog nauwelijks een voet in de eetzaal, of hij vliegt me naar haar bord en steelt haar kapoenepootje. O, het is een kwaad ding, als een hond zich niet in ieder gezelschap weet te gedragen! Ik zou willen, om zoo te zeggen, dat een, die op zich neemt een hond te zijn, dan, als het ware, ook in allen deele een hond was. Als ik niet meer verstand had gehad dan hij, en het vergrijp, dat hij begaan had, niet op mij had genomen, was hij, dit geloof ik zeker, er voor gehangen; zoo waar ik leef, hij was er om koud geweest; oordeelt zelf. Hij dringt me zich daar in het gezelschap van drie of vier voorname honden onder de tafel van den hertog, en is me daar, met verlof, nog geen hondenpisje lang, of de geheele zaal ruikt hem. “Naar buiten met den hond!” roept de een; “Wat is dat voor een mormeldier?” zegt de ander; “Ranselt hem de deur uit!” zegt een derde; “Hangt hem op!” zegt de hertog. Ik, die de lucht van vroeger kende, wist dadelijk, dat het Krab was, en ik ga me naar den man van de hondenzweep; “Vriend”, zeg ik, “gij zijt van plan dien hond daar te ranselen?” “Ja waarachtig, dat ben ik”, zegt hij. “Dan doet gij hem groot onrecht”, zeg ik, “ik was het, die dat je weet wel, deed.” Hij maakt me geen verdere praatjes meer, maar zweept mij de kamer uit. Hoe veel meesters zouden dit voor hun dienaar doen? Ja, ik kan er een eed op doen, ik heb in het voetblok gezeten voor worsten, die hij gestolen had, anders was hij er om afgemaakt; ik heb te pronk gestaan voor ganzen, die hij gedood had, anders had hij er voor moeten bloeden; aan dat alles denk jij nu volstrekt niet meer.—Ja, en daar denk ik weer aan den streek, dien je mij gespeeld hebt, toen ik afscheid nam van jonkvrouw Silvia. Heb ik je niet altijd gelast, op mij te letten, en even zoo te doen als ik? Wanneer heb je mij ooit mijn been zien oplichten en wateren tegen een dame haar hoepelrok? Heb je ooit zulk een streek van mij gezien? 43

(Proteus en Julia komen op.)

Proteus. Sebastiaan heet gij? Nu, gij staat mij aan, En ’k zal terstond u met een dienst belasten.

Julia. Met wat gij wilt; doen zal ik wat ik kan.

Proteus. Dat hoop ik, knaap.—(Tot Lans.) Gij liederlijke lummel! Waar hebt gij sedert gist’ren rondgedwaald?

Lans. Wel, heer, ik heb aan juffer Silvia den hond gebracht, zooals gij mij bevolen hadt.

Proteus. En wat zegt zij wel van mijn klein juweel?

Lans. Wel, zij zegt, uw hond was een mormeldier, en laat u weten, dat een hondsche dank goed genoeg is voor zulk een geschenk.

Proteus. Zij nam den hond toch aan?

Lans. Neen, integendeel, hier heb ik hem weer meegebracht.

Proteus. Wat! heb je dien haar van mij aangeboden?

Lans. Ja, heer; het andere eekhoorntje werd mij op de markt door de knapen van den hondenslager ontstolen; en toen heb ik haar mijn eigen hond gebracht, die zoo groot is als tien van de uwen en daarom een zooveel grooter geschenk.

Proteus. Ga, pak u weg en breng mijn hond terug, Of kom mij nimmer weder onder de oogen! Weg, zeg ik! Blijft gij staan om mij te tergen? Gij knaap, die mij aldoor te schande maakt!

(Lans af.)

Sebastiaan, ’k heb u in dienst genomen, Ten deele, wijl ik mij een jonkman wensch, Die met verstand kan doen, wat ik hem opdraag, Want op dien lummel is geen staat te maken; Doch meest, wijl uw gelaat en uw manieren,— Indien mijn zienerskunst mij niet bedriegt,— Van goeden stand, geluk en trouw getuigen; Deswegen, weet dit, nam ik u in dienst. Ga nu terstond, neem dezen ring met u, En stel aan jonkvrouw Silvia dien ter hand; Die mij hem gaf, zij heeft mij zeer bemind.

Julia. Gij haar wis niet, dat gij haar pand zoo wegschenkt; Of is zij dood? 80

Proteus. Of is zij dood?Dat niet; ik denk, zij leeft.

Julia. Helaas!

Proteus. Wat roept gij daar “Helaas”?

Julia. Ik kan niet anders doen dan haar beklagen.

Proteus. Waarom beklaagt gij haar?

Julia. ’k Verbeeld mij, zij beminde u evenzeer, Als gij uw jonkvrouw Silvia nu bemint. Zij droomt van hem, die hare min vergat; Gij dweept met haar, die uwe min verwerpt. Wat leed, dat min zoo tegen min zich kant! Zie, dit bedenkend, riep ik uit: helaas!

Proteus. Nu, geef haar dezen ring met dezen brief;— Zie, ginds, dàt is haar kamer.—Zeg mijn jonkvrouw, Dat ik ’t beloofde hemelsch beeld haar vraag. En breng mij spoedig ’t antwoord; op mijn kamer Zult gij mij vinden, treurig en alleen.

(Proteus af.)

Julia. Die boodschap, hoeveel vrouwen brachten ze over? Ach, arme Proteus, gij hebt daar een vos Als herder uwer lamm’ren aangesteld! Ach, ik zottin! waarom beklaag ik hem, Die uit den grond zijns harten mij versmaadt? Omdat hij haar bemint, versmaadt hij mij; Omdat ik hem bemin, beklaag ik hem. Den ring hier schonk ikzelf hem bij ons afscheid, Opdat hij mijner liefde steeds gedacht; En ach, nu moet ik,—ik onzaalge bode!— Gaan vragen wat ik niet erlangen wil, Gaan brengen wat ikzelf geweigerd wensch, Gaan roemen, wien ik als ontrouw gesmaad wensch! Ik ben mijn heer een trouw en echt verloofde, Doch kan hem niet een trouwe dienaar zijn, Of aan mijzelve pleeg ik boos verraad. Toch wil ik voor hem smeeken, doch zoo koud, Als ik,—God weet het,—hare weig’ring wensch.

(Silvia komt op, met Gevolg.)

Mejonkvrouw, goeden dag! Ik bid u, help mij, Dat ik de jonkvrouw Silvia spreken kan.

Silvia. Zoo ik het waar’, wat zoudt gij van haar willen?

Julia. Zoo gij het zijt, dat gij geduldig aanhoort, Wat ik als boodschap overbrengen moet.

Silvia. Van wien?

Julia. Mejonkvrouw, van mijn heer, Signore Proteus.

Silvia. Hij zendt om een portret u hier, niet waar?

Julia. Zoo is ’t, mejonkvrouw. 121

Silvia. Ga, Ursula, en haal hier mijn portret.

(Er wordt een portret gebracht.)

Gij, breng dit aan uw heer, doch meld hem dit: Die Julia, die zijn wufte zin vergeet, Zou beter, dan die schim, zijn kamer sieren.

Julia. Wil, jonkvrouw, dezen brief van hem doorlezen.— Vergeef mij jonkvrouw, uit verstrooidheid reikte ik U daar een brief, dien ik niet geven mocht; Dit is het schrijven voor uw edelheid.

Silvia. Ik bid u, laat mij de’ andren nog eens zien.

Julia. Dit mag niet zijn; vergeef mij, beste jonkvrouw.

Silvia. Daar, neem dit weer! Ik wil het schrijven van uw heer niet inzien, ’k Weet, met geloften is het opgepropt, Met nieuw verzonnen eeden; maar hij breekt die, Zoo ras als ik hier zijn papier verscheur.

Julia. Hij zendt uw edelheid ook dezen ring.

Silvia. Te schand’lijker van hem, dien mij te zenden; Wel duizendmaal heb ik hem hooren zeggen, Dat hem zijn Julia dien bij ’t afscheid gaf. Maar hebb’ zijn valsche vinger dien ontwijd, De mijne zal zijn Julia zoo niet krenken.

Julia. Zij dankt u.

Silvia. Wat zegt gij?

Julia. Ik dank u, dat gij deel neemt in haar lot; Die arme maagd! mijn meester krenkt haar diep.

Silvia. Gij kent haar dus?

Julia. Bijna zoo goed als ik mijzelven ken; ’k Verzeker u, bij ’t denken aan haar leed, Heb ik wel honderdmaal om haar geschreid.

Silvia. Zij weet dus, dat haar Proteus trouwloos werd?

Julia. Ik denk van ja, en dat zij daarom treurt.

Silvia. En is zij niet zeer schoon?

Julia. Zij was veel schooner, jonkvrouw, dan zij is. Zoo lang zij dacht, dat haar mijn heer beminde, Was zij, zoo meen ik, even schoon als gij; Maar sinds zij niet meer in den spiegel ziet, En ’t masker, dat de zonne weerde, wegwierp, Verkleurt de lucht de rozen van haar wangen, En rooft aan haar gelaat zijn lelieblank; En werd zij even bruin, als ik het ben.

Silvia. Hoe groot was zij? 162

Julia. Van mijne lengte; want op Pinkst’ren werd Er door het jonge volk tooneel gespeeld, En viel aan mij de vrouwerol te beurt; Men stak mij in een kleed van jonkvrouw Julia; En dit zat mij naar aller oordeel zoo, Alsof het voor mijzelven was gemaakt; Zij moet dus juist van mijne lengte zijn. Ik bracht haar toen in allen ernst aan ’t weenen, Want inderdaad, aandoenlijk was mijn rol. ’k Was Ariadne, die haar wanhoop uit Om Theseus’ vlucht en schand’lijk laag verraad; Ik speelde zoo natuurlijk in mijn tranen, Dat, diep geroerd, mijn arme meesteres Recht bitter weende; en sterven wil ik hier, Voelde ik niet in mijn hart haar kommer mee!

Silvia. Zij is u dank verschuldigd, lieve jong’ling.— Die arme jonkvrouw! troostloos en verlaten!— Ikzelf moet weenen, denk ik aan uw woorden. Hier, jonkman, neem mijn beurs; ik geef u die Om uwer jonkvrouw wil, die gij zoo lief hebt. Vaarwel!

(Silvia met haar Gevolg af.)

Julia. En danken zal ze u, leert gij eens haar kennen.— Een eed’le jonkvrouw, lieflijk, zacht en schoon! Mijns meesters aanzoek, wacht ik, laat haar koud, Daar mijn meest’resse’s liefde haar zoo roert. Ach, wat kan liefde beuz’len met zichzelf! Hier is haar beelt’nis. Laat mij zien: mij dunkt, Met zulk een kapsel ware mijn gelaat Volstrekt niet minder lieflijk dan het hare; En toch, de schilder vleide haar wel iets, Tenzij ik al te zeer mijzelve vlei. Haar lokken zijn lichtbruin, de mijne blond; Maakt dit nu voor zijn liefde zulk verschil, Dan koop ik mij een haartooi van die kleur. Haar oog is blauw als glas, het mijne is ’t ook, Ja, doch haar voorhoofd laag, het mijne hoog. Wat kan het zijn, dat hem in haar behaagt, En hem niet ook in mij behagen moest, Waar’ niet de dwaze Liefde een blinde god? Kom, schaduw, kom, en neem die schaduw op, Uw mededingster! O gij zielloos beeld, Gij wordt gekust, vereerd, bemind, vergood; En ware er zin in zijn afgoderij, Zijn godsbeeld ware, in plaats van u, mijn wezen. ’k Wil om uw meesteres u goed behand’len, Zij deed het mij; want anders, bij den Hemel! ’k Had u de stikziende oogen uitgekrabd, Om van mijns meesters liefde u te berooven.

(Julia af.)

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings