← Table of contents
Twee Edellieden van Verona

Derde Bedrijf.

L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation

Eerste Tooneel.

Milaan. Een voorzaal in ’s Hertogs paleis.

De Hertog, Thurio en Proteus komen op.

Hertog. Heer Thurio, laat ons eenigen tijd alleen, Wij hebben iets vertrouw’lijks te bespreken.

(Thurio af.)

Nu, Proteus, spreek, en zeg mij wat gij wenscht.

Proteus. Doorluchtig heer, wat ik moet openbaren, Gebiedt de wet der vriendschap mij te helen; Maar roep ik voor mijn geest de groote goedheid, Door u aan mij, onwaardige, betoond, Dan spoort mijn plicht mij aan, u mee te deelen, Wat mij geen goed ter wereld hadde ontlokt. Weet, eed’le vorst, dat Valentijn, mijn vriend, U deze nacht uw dochter wil ontstelen; Ikzelf werd deelgenoot van ’t plan gemaakt. Ik weet, voor Thurio hebt gij haar bestemd, Die door uw schoone dochter wordt gehaat, En als zij nu aldus u werd ontroofd, Waar’ ’t op uw jaren u een zware slag. Dies dreef mijn plicht mij aan, dat ik veeleer Mijn vriend verkoos te stuiten in zijn opzet, Dan door ’t verhelen, u een last van kommer Op ’t hoofd te hoopen, die, niet afgewend, U voor den tijd ten grave buigen zou. 21

Hertog. Ik dank u, Proteus, voor uw trouwe zorg; Eisch ied’ren dank van mij mijn leven lang. ’k Heb zelf reeds dikwijls beider min bespeurd, Als zij wellicht in diepen slaap mij waanden; En nam ook vaak mij voor, aan Valentijn Mijn hof en haren omgang te verbieden, Maar, duchtend, dat mijn argwaan dwalen mocht En zoo den jongling schreeuwend onrecht doen,— Een overijling, die ik altijd meed,— Bleef ik hem gunstig aanzien, tot ikzelf Ontdekte, wat door u mij wordt gemeld; En,—hieruit blijke u, dat ik vreeze voedde, Bewust, hoe teed’re jeugd verleidbaar is,— Ik laat haar op een hoogen toren slapen, Waarvan ikzelf den sleutel bij mij draag, En daarom is ’t onmoog’lijk haar te schaken.

Proteus. Weet, eed’le vorst, toch werd een plan gesmeed, 38 Hoe hij haar kamervenster zal beklimmen, En langs een koorden ladder haar gaan halen; De jonge minnaar ging daar juist op uit En komt er daad’lijk dezen weg mee langs; Zoo ’t u behaagt, gij kunt hem licht betrappen. Doch doe dit zoo behendig, beste vorst, Dat niemand ooit vermoedt, dat ik het aanbracht, Want liefde jegens u, geen haat voor hem, Dreef mij, dit plan mijns vriends u te openbaren.

Hertog. ’k Geef u mijn woord, hij zal het nooit vermoeden, Dat gij mij een’gen wenk gegeven hebt.

Proteus. Vaarwel, mijn vorst; ik hoor hem daar reeds komen.

(Proteus af.)

(Valentijn komt op.)

Hertog. Zoo, Signor Valentijn, waarheen zoo ijlings?

Valentijn. Vergun mij, uw Genade, een bode wacht, Om brieven aan de mijnen mee te nemen, En daarom haast ik mij hem die te brengen.

Hertog. Zij zijn dus van gewicht?

Valentijn. Hun inhoud is alleen, dat ik gezond ben En aan uw hof mij recht gelukkig voel.

Hertog. Nu, dan geen haast, maar toef een wijl bij mij; Ik heb u in vertrouwen ’t een en ander, Dat van nabij mij aangaat, mee te deelen. ’t Is u niet onbekend, dat ik mijn dochter Met Thurio, mijnen vriend, verloven wil.

Valentijn. Dit weet ik, heer; en, zeker, die partij Waar’ rijk en eervol; bovendien verdient De man door ridderdeugd en eed’len aard Ten volle een gade als uwe schoone dochter. Heer, kunt ge in haar geen liefde tot hem wekken?

Hertog. Volstrekt niet; ze is weerspannig, geem’lijk, nukkig, 68 Trotsch, stug, onwillig, zonder plichtsbesef; Zij houdt niet in het oog, dat zij mijn kind, En mij als vader eerbied schuldig is; En, ’k wil ’t u zeggen, dit trotseeren heeft— ’k Heb lang geweifeld—haar mijn liefde ontroofd; En dacht ik vroeger ’t overschot mijns levens, Door hare kinderzorg verpleegd, te slijten, Nu is ’t mijn vast besluit, een vrouw te nemen; En hààr mag houden, wie haar hebben wil; En moog’ haar schoonheid dan haar bruidsgift zijn; Want mij, en wat ik heb, zij telt het niet.

Valentijn. Wat wenscht gij, vorst, dat ik in deze doe?

Hertog. Er leeft een jonkvrouw hier in deze stad, Die mij behaagt; doch, schuw en keurig, acht zij Mijn oudemans-welsprekendheid als niets; En daarom wensch ik u mij tot een raadsman,— Want lang verleerde ik reeds mijn hof te maken; Ook is ’t gebruik veranderd na mijn tijd;— Hoe ik het aan moet leggen, dat haar oog, Haar zonnenoog, mij met haar gunst bestraal’.

Valentijn. Helpt spreken niet, zoo win haar door geschenken; Een stom juweel heeft zwijgend redekunst, En wint vaak, eer dan woorden, vrouwengunst.

Hertog. Wat ik haar zond, versmaadde zij verstoord.

Valentijn. Een vrouw versmaadt soms, wat haar ’t meest bekoort. Zend haar iets anders, geef haar zoo niet op, Want eerste smaad voert later liefde in top. Blikt zij verstoord, ’t is niet, dat zij u haat, Zoo spoort ze u aan, dat gij geen rust haar laat. En kijft zij, daarom zendt zij u niet heen, Een vrouw wordt dol, houdt gij haar neen voor neen. Laat u de deur niet wijzen, wat ze ook zegg’, Want zegt zij: “ga!” dan meent zij niet: “ga weg!” Vlei, prijs haar, roem haar gaven; ziet zij zwart, Verklaar toch, dat haar blankheid eng’len tart. ’k Zeg, heeft een man een tong, hij is geen man, Als hem zijn tong geen vrouw veroov’ren kan.

Hertog. Doch die ik meen beloofden haar verwanten Reeds aan een jong en waardig edelman; Zij wordt voor mannenomgang streng behoed, Zoodat bij dag geen man haar naad’ren kan.

Valentijn. Welnu, dan zou ik haar bij nacht bezoeken.

Hertog. De deur is toe, de sleutel goed bewaard, Zoodat geen mensch haar ’s nachts genaken kan.

Valentijn. En wat belet haar venster te beklimmen? 112

Hertog. Hoog is haar kamer, verre van den grond; De muur zoo steil, dat niemand dien beklimt, Dan wie zijn leven roekloos wagen wil.

Valentijn. Nu, met een ladder, hecht van touw gemaakt, Met een paar haken, die men vast kan werpen, Beklimt men eener tweede Hero toren, Zoo maar Leander stout het wagen durft.

Hertog. Nu, spreek, zoo waar gij aad’lijk bloed bezit, Waar kan ik zulk een ladder mij verschaffen?

Valentijn. Wanneer behoeft gij die? Meld dit mij, heer.

Hertog. Deze eigen nacht, want Liefde is als een kind, Dat haakt naar alles, wat bereikbaar is.

Valentijn. Te zeven uren breng ik u zulk een ladder.

Hertog. Doch hoor,—ik ga geheel alleen tot haar,— Hoe krijg ik best die ladder daar ter plaatse?

Valentijn. Zij is niet zwaar, en onder elken mantel, Mits die niet al te kort zij, licht te bergen.

Hertog. Een mantel, zooals de uwe, waar’ dus goed?

Valentijn. O ja, mijn vorst.

Hertog. O ja, mijn vorst.Zoo laat me uw mantel zien, Ik schaf er mij een aan van zulk een lengte.

Valentijn. O, ied’re mantel kan u dienen, heer.

Hertog. Hoe hang ik zulk een mantel mij wel om’? Ik bid u, laat mij dien van u beproeven.— Wat is dat voor een brief? Aan wie?—“Aan Silvia”! En hier een werktuig, juist als ik behoef. Ik ben zoo vrij het zegel te verbreken. (Hij leest.) “Bij Silvia toeven nacht op nacht mijn brieven; Ik doe ze vliegen op mijn wenk als slaven; O, kon hun meester zoo de ruimte klieven, Hij zou zijn ziele, waar zij slapen, laven! Aan ’t reine hart ontvangt gij mijn gezanten; En ik, de koning, die hen zond, moet lijden, Dat gij uw gunsten schenkt aan mijn trawanten; Ik vloek hen, wijl ikzelf hen moet benijden, Ik vloek mijzelf, dat ik dit nooit bedacht, Hun ’t heil doe smaken, waar ikzelf naar smacht.”— Wat volgt nog? 150 “Doch ik bevrijd u, Silvia, deze nacht.” Zoo staat er; en die ladder moest u dienen. Gij Phaëton, gij and’re Merops-zoon, Verstout ge u ’s hemels zonnespan te mennen En de aard te blaak’ren in uw euvelmoed? Grijpt gij naar sterren, wijl zij u bestralen? Van hier, verwaten dief! vermeet’le slaaf! Vlei uws gelijken met uw zoete lachjes, En acht het mijn genade,—en onverdiend,— Een gunst, dat gij heelhuids van hier ontkomt; Dank hier mij meer voor dan voor alle gunsten, Die ik maar al te rijk’lijk u bewees; Doch toeft gij lang’ren tijd op mijn gebied, Dan gij behoeft om met den meesten spoed Ons vorstlijk hof te ontvluchten, dan, ik zweer het, Dan overtreft mijn gramschap ver de liefde, Die ’k ooit mijn dochter toedroeg of uzelf. Vertrek! en zwijg! geen uitvlucht of verschooning; Maar ijlings, hebt ge uw leven lief, van hier!

(De Hertog af.)

Valentijn. Waarom niet dood, in plaats van sparend folt’ren? Want sterven is verbanning van mijzelven; En Silvia is mijzelf; van haar verbannen, Is zelf van zelf; het is verbanningsdood! Welk licht is licht, is Silvia mij onzichtbaar? Wat vreugd is vreugd, is Silvia niet aanwezig? Tenzij ik als aanwezig haar kan denken En teer van ’t schijnbeeld harer heerlijkheid. Tenzij ik in de nacht bij Silvia ben, Huist geen muziek meer in den nachtegaal; Tenzij ik op den dag mijn Silvia zie, Is er geen dag, om iets te zien, voor mij. Zij is mijn wezen; ik houd op te zijn, Tenzij haar lieflijke invloed mij bestraal’, Verwarme en koest’re, mij in ’t leven houd’. Mijn vlucht ontvlucht den doodsdoem, niet den dood; Vertoef ik hier, dan wacht ik slechts den dood, Maar vlucht ik heen, dan vlucht ik weg van ’t leven.

(Proteus en Lans komen op.)

Proteus. Loop, loop, knaap, loop en spoor hem op!

Lans. Waar ik hem weet! waar ik hem weet!

Proteus. Wat ziet gij?

Lans. Den haas, dien wij jagen; geen haar op zijn hoofd, of ’t is een Valentijn.

Proteus. Gij daar, Valentijn?

Valentijn. Neen.

Proteus. Wie dan? zijn geest?

Valentijn. Ook niet.

Proteus. Wat dan?

Valentijn. Niets.

Lans. Kan niets spreken? Moet het er op los, meester?

Proteus. Waar wilt gij op los?

Lans. Op niets. 201

Proteus. Schurk, houd op.

Lans. Nu, heer, ik ga op niets los; ik bid u,—

Proteus. Stil, knaap, houd op!—Vriend Valentijn, een woord!

Valentijn. Mijn oor is vol; ’t is doof voor goede tijding; Zoo is ’t van booze tijding reeds vervuld.

Proteus. ’k Begraaf in somber zwijgen dan de mijne, Want ze is wanluidend, ruw en slecht; ’k zeg niets.

Valentijn. Is Silvia dood?

Proteus. Niets, Valentijn.

Valentijn. Niets-Valentijn, dit ben ik, is zij engel.— Heeft Silvia mij verzaakt?

Proteus. Niets, Valentijn.

Valentijn. Niets-Valentijn, dat ware ik, als zij ’t deed. Spreek dan, uw nieuws?

Lans. Er is omgeroepen, heer, dat gij geballast zijt.

Proteus. Gebannen zijt,—ja, ja, dat is het nieuws,— Van hier, van Silvia, en van mij, uw vriend.

Valentijn. O, deze smart heb ik alreeds geproefd, En nu zal de overdaad mij overladen. Weet Silvia reeds, dat ik verbannen ben?

Proteus. Ach ja; en haar ontstroomde bij het vonnis,— Dat, blijft het onherroepen, scherp u dreigt,— Een zee van vloeib’re parels, held’re tranen; Die stortte ze aan haars vaders wreede voeten; Zelf zeeg ze in deemoed knielend voor hem neer, En wrong de handen, ach, zoo marmerwit, Als waren zij door ’t plotsling wee verbleekt, Maar zuchten, steunen, zilv’ren tranenvloed, Gebogen knieën, kuisch geheven armen, Niets, niets verweekt des harden vaders hart; Neen, grijpt men Valentijn, dan moet hij sterven. En dan, haar voorspraak heeft hem zoo vergramd, Toen ze om herroeping van het vonnis smeekte, Dat hij beval, zeer nauw haar op te sluiten, Met scherpe dreiging, zoo ze ontsnapping waagt.

Valentijn. Niets meer, tenzij het eerste, dat gij spreekt, De macht bezitte ’t leven mij te ontnemen; Zoo ja, dan bid ik, blaas het mij in ’t oor, Als graflied, dat mijn eindloos wee doet einden.

Proteus. Klaag niet om wat gij niet verhelpen kunt; 241 Poog te verhelpen wat u klagen doet. De tijd verwekt en voedstert al wat goed is. Al blijft gij hier, uw liefste ziet gij niet; En ook, uw blijven snijdt uw leven af. Eens minnaars staf is Hopen; neem dien met u, En zwaai hem, zoo de Wanhoop u besluipt. Hoe ver ge ook zijt, door brieven kunt gij hier zijn; Zend die aan mij, dan zorg ik, dat zij rusten Bij uw geliefde en aan haar blanken boezem. ’t Is nu geen tijd tot smalen op het lot; Kom, ik geleid u door de poort der stad, En spreek voor ’t scheiden alles met u af, Wat ik voor uwe liefde hier kan doen. Denk, zoo niet om uzelf, om Silvia’s wil, Aan ’t fel gevaar, dat dreigt, en laat ons gaan!

Valentijn. Ik bid u, Lans, ziet gij mijn dienaar, zeg hem, Ten spoedigste aan de Noorderpoort te komen.

Proteus. Ga, knaap, en zoek hem op.— Kom, Valentijn.

Valentijn. Ach, dierb’re Silvia! arme Valentijn!

(Valentijn en Proteus af.)

Lans. Ik ben slechts een domme kerel, ziet gij, maar ik heb toch het verstand om te merken, dat mijn meester een soort van schurk is; maar dat doet er niet toe, als hij maar geen dubbele schurk is. Die man moet nog geboren worden, die weet, dat ik verliefd ben; en toch, ik ben verliefd; maar geen span paarden zal mij dit uit mijn gemoed rukken, en ook niet, op wie ik verliefd ben; en toch, het is een vrouw; maar wat voor een vrouw, wil ik mijzelf niet eens vertellen; en toch, het is een melkmeisje; en toch, het is geen meisje, want ze heeft al peten aan het werk gezet; en toch is het een meisje, want zij is het melkmeisje van haar meester en zij dient om loon. Zij verstaat meer kunststukjes dan een hond, die te water gaat, en dat is veel voor een eenvoudig christenmensch. Hier is de invidiaris van haar eigenschappen. (Hij haalt een papier voor den dag.) “Imprimis, Zij kan halen en dragen.” Wel, een paard kan niet meer doen; neen, een paard gaat niet halen, het draagt alleen; daarom is zij beter dan een knol. “Item, Zij kan melken,” ziet eens, een beminnelijke deugd in een meisje, dat schoone handen heeft.

(Flink komt op.)

Flink. Zoo hoe gaat het, sinjeur Lans? Is er van uw heerschap ook wat nieuws te hooren?

Lans. Wel, mijn heerschap is met uw heerschap aan het rondzwalken. 282

Flink. Och, uw oude kwaal, woordverdraaiing! Zeg, is er geen nieuws in dat papier daar van u?

Lans. Het zwartste nieuws, dat ge ooit gehoord hebt.

Flink. Hoe zoo, kerel? zoo erg zwart?

Lans. Wel, zoo zwart als inkt.

Flink. Laat het mij eens lezen.

Lans. Foei, schaam u, botterik, gij kunt niet eens lezen.

Flink. Gelogen; of ik het kan!

Lans. Ik wil u toetsen. Vertel mij dus: wie heeft u bij uw moeder verwekt?

Flink. Wel, de zoon van mijn grootvader.

Lans. O ongeletterde dagdief! het was de zoon van uw grootmoeder. Dat is een bewijs, dat gij niet lezen kunt.

Flink. Kom, dwaas, komaan; toets mij met uw papier.

Lans. Daar, en toon door Sint-Nicolaas u flink!

Flink. “Imprimis: Zij kan melken.”

Lans. Ja, dat kan zij.

Flink. “Item: Zij brouwt goed bier.”

Lans. En daar vandaan het zeggen: “Gods zegen hier; gij brouwt goed bier.”

Flink. “Item: Zij kan naaien.”

Lans. Dat wil zeggen: voor scheuren weet zij raad, met naald en draad.

Flink. “Item: Zij kan breien.”

Lans. Breit zij mij kousen en ik kan schoenen koopen, Dan zal ik niet op sloffen moeten loopen.

Flink. “Item: Zij kan wasschen en boenen.”

Lans. Een bijzonder groote deugd; dan behoeft zij niet gewasschen en geboend te worden.

Flink. “Item: Zij kan spinnen.”

Lans. Dan kan ik het rad van Fortuin laten rollen, als zij er haar levensonderhoud van kan afspinnen.

Flink. “Item: Zij heeft vele naamlooze deugden.”

Lans. Dat is zooveel als basterddeugden, die haar vader niet kennen en daarom geen naam hebben.

Flink. “Hier volgen haar ondeugden.”

Lans. Haar deugden dicht op de hielen.

Flink. “Item: Zij is niet wel nuchter te kussen, van wege haar adem.” 327

Lans. Nu, dat gebrek is door een ontbijt te verhelpen. Lees door.

Flink. “Item: Zij is een lekkerbek.”

Lans. Dat maakt haar onlekkeren adem weer goed.

Flink. “Item: Zij praat in haar slaap.”

Lans. Dat hindert niet, als zij maar niet slaapt in haar praat.

Flink. “Item: Zij is langzaam in het spreken.”

Lans. O schurk, die dat bij haar ondeugden zette! Langzaam in het spreken is bij een vrouw een eenige deugd. Ik bid u schrap dat uit en zet het bij haar deugden bovenaan.

Flink. “Item: Zij is ijdel.”

Lans. Dat ook door; dat is haar door Eva vermaakt en haar niet te ontnemen.

Flink. “Item: Zij heeft geen tanden!”

Lans. Dat hindert ook niet, want ik ben dol op korstjes.

Flink. “Item: Zij is bits.”

Lans. Nu, dan is het maar goed, dat zij geen tanden heeft om te bijten.

Flink. “Item: Zij vindt een slokje overheerlijk.”

Lans. Als haar slokje goed is, dan moet zij het doen; en als zij het niet doet, doe ik het; want als iets overheerlijk is, moet het gezegd worden.

Flink. “Item: Zij is al te mild.”

Lans. Met haar woorden, is onmoog’lijk, want wij hebben hier zwart op wit, dat zij daar langzaam mee is; met haar beurs zal zij het niet wezen, want die zal ik dicht houden; nu kan zij het nog met iets anders zijn, maar daar kan ik niet aan doen. Verder maar.

Flink. “Item: Zij heeft meer haar dan verstand, en meer gebreken dan haren, en meer geld dan gebreken.”

Lans. Houd op; ik wil haar hebben: zij was mijn en niet mijn, twee- of driemaal in dat laatste artikel. Lees dat nog eens.

Flink. “Item: Zij heeft meer haar dan verstand,”—

Lans. Meer haar dan verstand,—dat mag wel: ik wil het bewijzen: het deksel van het zoutvat overdekt het zout, en daarom is het meer dan het zout; het haar, dat het verstand bedekt, is meer dan het verstand, want het grootere overdekt het kleinere. Wat volgt?

Flink. “En meer gebreken dan haren,—”

Lans. Dat is verschrikk’lijk; o, stond dat er niet!

Flink. “En meer geld dan gebreken.” 376

Lans. O, dat woord maakt de gebreken bekoorlijk! Goed ik wil haar hebben; en als wij een paar worden, zooals geen ding onmoog’lijk is,—

Flink. Wat dan?

Lans. Wel, dan zal ik u vertellen,—dat uw meester aan de Noorderpoort op u wacht.

Flink. Op mij?

Lans. Op u! ja, wat zijt gij er voor een? Hij heeft op een beteren kerel dan gij zijt, gewacht.

Flink. En moet ik naar hem toe gaan?

Lans. Gij moet naar hem toe rennen, want gij hebt zoo lang gewacht, dat gaan bijna niet meer helpen kan.

Flink. Waarom hebt gij mij dat niet vroeger gezegd? naar den duivel met uw minnebrieven!

(Flink af.)

Lans. Nu zal hij klop krijgen, omdat hij mijn brief gelezen heeft! Een onbeschaamde vlegel, die in een andermans geheimen dringt!—Ik loop hem na, om mij in de tuchtiging van dien kerel te verkneukelen!

(Lans af.)

Tweede Tooneel.

Aldaar. Een kamer in ’s Hertogs paleis.

De Hertog en Thurio komen op; later Proteus.

Hertog. Beminnen zal ze u, Thurio, twijfel niet, Nu Valentijn van haar verbannen is.

Thurio. Na zijn verbanning haat zij mij nog meer, Wil niets meer van mij weten, hoont mij zoo, Dat ik den moed geheel heb opgegeven.

Hertog. Zwak is die liefdesindruk, als een letter, In ’t ijs getrokken; schijn’ de zon een uur, Zij is verwaterd, ied’re trek verdwenen. Een weinig tijds smelt haar bevroren geest; Dan is die lage Valentijn vergeten.— Zoo, gij daar, Proteus? Is uw landgenoot Op ’t uitgevaardigd hoog bevel vertrokken?

Proteus. Vertrokken, heer en vorst.

Hertog. Zijn heengaan heeft mijn dochter diep bedroefd.

Proteus. Een weinig tijds, heer, doet die droef’nis sterven.

Hertog. Dit wacht ik ook, maar Thurio denkt van neen. Proteus, ik heb een goeden dunk van u; En dit,—gij gaaft mij proeven van uw ijver,— Is oorzaak dat ik verder u vertrouw. 19

Proteus. Niet langer, dan ik trouw blijf aan uw hoogheid, Zij ’t leven mij gegund, en bij uw hoogheid.

Hertog. ’t Is u bekend, hoe gaarne ik een verloving Tot stand bracht tusschen Thurio en mijn dochter.

Proteus. Ik weet het, heer.

Hertog. En toch is u niet onbekend, vermoed ik, Hoe zij zich tegen mijnen wil verzet.

Proteus. Toen Valentijn nog hier was, deed zij ’t, heer.

Hertog. Zij is van die verkeerdheid niet bekeerd. Hoe doen wij ’t meisje Valentijns verliefdheid Vergeten en op Thurio verlieven?

Proteus. Het zekerst door belast’ring; Valentijn Zij trouwloos, laf gebleken, laag van afkomst; Drie dingen, diep verfoeid door elke vrouw.

Hertog. Goed, maar zij denkt gewis, dat haat dit ingeeft.

Proteus. Ja, zoo een vijand dit getuignis geeft; Daarom zij ’t haar omstandig meegedeeld Door iemand, die haar als zijn vriend bekend is.

Hertog. Gij moet dus die belast’ring op u nemen.

Proteus. En dit zou ik ongaarne doen, mijn vorst; Het is een taak, een edelman onwaardig, Vooral zoo dit zijn boezemvriend moet treffen.

Hertog. Zoo hem uw voorspraak niet van nut kan zijn, Kan hem uw achterklap ook nimmer deren; Daarom kunt gij gerust die taak aanvaarden, Waartoe gij door uw vriend wordt aangezocht.

Proteus. ’k Geef mij gewonnen, heer. Zoo ’k iets vermag Door wat ik in zijn nadeel zeggen zal, Dan zal zij zeker hem niet lang meer minnen. Doch wordt haar liefde uit Valentijn gewied, ’t Volgt niet, dat die in Thurio wort’len zal.

Thurio. Tracht daarom hare liefde van hem af En daad’lijk op mijn kluwen op te winden, Eer ze in de war raak’ en voor niemand deug’; En dit gebeur’, door mij niet min te prijzen, Dan gij ten nadeel spreekt van Valentijn.

Hertog. En, Proteus, hierin kunnen we u vertrouwen, 56 Omdat ons Valentijn heeft meegedeeld, Hoe ge aan de Liefde trouw gezworen hebt; En nimmer af zult vallen of verand’ren. Om dezen waarborg zult gij toegang hebben Tot Silvia, dat gij vrij’lijk met haar spreekt. Wel is zij stug, zwaarmoedig, zeer bedrukt, Maar u zal ze om uws vriends wil gaarne zien; Bepraat haar dus nu zoo, dat Valentijn Van haar gehaat worde en mijn vriend bemind.

Proteus. Ik zal ’t beproeven, doen wat ik vermag. Doch Thurio, gij moet feller haar bestoken; Lijmroeden leggen, lokken moet gij haar Door fraai gerijmde, klagende sonnetten, Met eeden van uw hulde zwaar bevracht.

Hertog. Ja, goed bedacht; Groot is van ’t Godskind Poëzie de macht.

Proteus. Zeg dit: op ’t outer van haar schoonheid offert Gij uwe tranen, zuchten, en uw hart. Schrijf tot uw inkt verdroogt, en maak hem dan Weer met uw tranen vloeibaar; menig dicht Vol diep gevoel tuig’ van uw hart; besnaard Met dichterspezen was de luit van Orpheus, Wiens gouden tonen staal en steen verweekten, Den tijger temden, woeste Leviathans Uit de’ afgrond lokten tot een dans aan strand. Na zulke hartverscheurende elegieën Genaakt gij ’t venster uwer liefste ’s nachts Met lieflijke muziek en heft daarbij Een roerend klaaglied aan; de doodsche nacht Maakt zulke liefdeklachten dubbel roerend. Of dit, of niets verovert u haar hart.

Hertog. Dit voorschrift toont, dat gij het hof gemaakt hebt.

Thurio. En ’k voer uw raad deze eigen nacht nog uit. Daarom, mijn beste Proteus, gij mijn gids, Begeven wij terstond ons naar de stad, En zoeken daar bedreven muzikanten. Ik heb een minnedicht, dat dienen kan, En daarmee zij uw goede raad beproefd!

Hertog. Aan ’t werk, gij heeren!

Proteus. Tot slapenstijd, mijn vorst, staan we u ten dienst, En zorgen dan vol ijver voor ons plan.

Hertog. Neen, daad’lijk nu aan ’t werk! Ik laat u vrij.

(Allen af.)

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings