Aanteekeningen.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
Van dit stuk is geen oudere druk bekend dan die in de Folio-uitgave van 1623 te vinden is; dat het reeds vóór 1598 was opgevoerd, blijkt uit de vermelding er van door Francis Meres in zijn Palladis Tamia (zie boven blz. 47 en 120). Maar ongetwijfeld is het stuk eenige jaren ouder. Let men op den ganschen bouw er van, op den versbouw, het veelvuldig voorkomen van het rijm en van knuppelverzen, op de woordspelingen, op de wijze waarop de twee dienaren als Clowns optreden, op de overeenstemming met gedachten, in “Venus en Adonis” en in Sonnetten uitgedrukt, dan wordt men hiervan ten stelligste overtuigd. Het vermoeden, dat het stuk van 1591 dagteekent, komt zeker der waarheid zeer nabij. Of het ouder of jonger is dan “de Klucht der vergissingen” en “Veel gemin, geen gewin” is ondertusschen niet wel uit te maken.
Bij de poging om dit stuk te beoordeelen, stuit men op groote moeilijkheden, zooals wel uit het zeer verschillend oordeel van uitgevers en critici blijken kan, waaromtrent men Knight in zijn Imperial edition van Shakespeare moge naslaan. Terwijl men, het geheele stuk door, den dichter aan zijn zeggingskracht, zijn versbouw, zijn rijkdom van gedachten, zijn wijze om de personen te karakteriseeren herkent, treft men in het beloop van het stuk zooveel tegenstrijdigheden aan, dat men tot het besluit moet komen, een verminkt en door onbevoegde hand gewijzigd stuk van Shakespeare voor zich te hebben. Men oordeele. Valentijn en Proteus worden naar het hof des keizers gezonden, maar komen bij een naamloozen hertog te Milaan aan; van een schoonen ridder Eglamour wordt in Verona verteld, dat hij naar Julia’s hand dingt, en in Milaan wordt van Eglamour getuigd, dat hij, om de nagedachtenis zijner gestorven geliefde in eere te houden, de gelofte van eeuwige kuischheid heeft afgelegd; hij wordt door Silvia gekenschetst als ridder zonder smet of blaam en door haar als beschermer gekozen op haar reis, maar weet, door roovers overvallen, verbazend snel beenen te maken; Julia heeft in het eerste bedrijf een vader, maar geeft, als zij haar tocht gaat ondernemen, het beheer van haar vermogen, landerijen enz. aan haar kamerjuffer en vertrouwde over; als Proteus een poos met Silvia gekeuveld heeft, zegt hij: “Ik heb nog alleen hare beeltenis gezien”; Julia geeft aan Silvia eerst een verkeerden brief en daarna den rechten, maar van den eersten hoort men niets meer; Silvia ontmoet volgens afspraak den ridder Eglamour bij de cel van broeder Patricius, en toch zegt later haar vader, dat zij er niet geweest is; Valentijn zucht in het bosch om Silvia, ontrukt haar aan de handen van zijn trouweloozen vriend Proteus, die door Silvia verafschuwd wordt, maar staat, zoodra Proteus schuld belijdt en berouw toont, hem zijn Silvia oogenblikkelijk af, en deze heeft niets hiertegen te zeggen.
Bij nauwkeurige beschouwing vindt men enkele bijzonderheden, die ons vermoeden, dat het stuk gewijzigd is geworden, zeer versterken. Waarschijnlijk kwamen Valentijn en Proteus wel aan ’s keizers hof aan, en is de keizer tot hertog gedegradeerd; want tot tweemaal toe zegt de hertog, eerst van Proteus, daarna van Valentijn, dat zij de liefde eener keizerin waardig zijn; van den laatste, dat hij in den raad eens keizers op zijn plaats zou wezen; de omgang van Valentijn met Silvia getuigt van een zeer groot verschil in stand; daarmede strookt de hoogheid van de verwijten des hertogs aan Valentijn, die van het koninklijk hof verbannen wordt; de omgang van Valentijn met Silvia was ongetwijfeld door den keizer argeloos toegelaten, omdat het verschil in rang zeer groot was.—Dat de keizer tot een hertog wordt, die de wenschen van een minnaar als Thurio begunstigt, is zeker aan een lateren bewerker te danken.—In het oorspronkelijk stuk was Silvia’s portret zeker van meer beteekenis en werd door Proteus gezien en bewonderd, vóór hij haar zelf zag. Eglamour was waarschijnlijk ook een ander persoon; misschien had Valentijn de reis van Silvia met Eglamour en beider vertrouwelijken omgang verkeerd opgevat en zijn geliefde voor trouweloos gehouden, zoodat hij daarom bereid is, haar aan Proteus af te staan.—Julia zal waarschijnlijk een brief van Proteus, die aan haarzelf gericht was, aan Silvia overhandigd hebben en zich daardoor aan deze bekend gemaakt.—Wat er van dit alles zij, zooveel kan uit het bovenstaande blijken, dat het stuk, ons door de Folio-uitgave van 1623 bewaard gebleven, vermoedelijk aanmerkelijk afwijkt van wat de dichter geschreven heeft; de leemten, die wij er in opmerken, kunnen niet wel aan een plan- of gedachteloosheid des dichters zijn toe te schrijven. Het is dus hoogstwaarschijnlijk, dat het oorspronkelijk stuk door een omwerker is gewijzigd; misschien was het verminkt geraakt of verloren gegaan, en heeft een onbevoegde hand het met behulp van gedeeltelijke handschriften of uitgeschreven rollen weder trachten samen te stellen.
I. 1. 2. Thuiszitten maakt een jonkman tot een huishen. Die niet verder ziet dan de muren van zijn huis. In ’t Engelsch: Homekeeping youth have ever homely wits.
I. 1. 17. Want ik wil voor u bidden, Valentijn. For I will be thy beadsman, Valentine. Een man die aangesteld is om gebeden voor iemand te doen.
I. 1. 27. Wat, laarzen? enz. In ’t Engelsch is hier een drievoudige woordspeling met boots, laarzen, to give the boots, belachelijk maken, en to boot, baten, bevoordeelen.—De Spaansche laarzen, hier genoemd, zijn het bekende foltertuig.
I. 1. 53. Want aan de haven wacht enz. In ’t Engelsch staat at the road, aan de reede; men zou dus zeggen, dat Verona hier als een zeestad beschouwd moet worden. Er zijn bewijzen genoeg, dat Shakespeare met de geographie van Italië zeer goed vertrouwd was; men behoeft hem volstrekt niet van onwetendheid te verdenken. De toeschouwers waren Londenaars; bij grootere reizen naar een anderen staat moesten waterwegen gevolgd worden; de dichter maakt er voor zijn personen daarom ook gebruik van en stelt hiermede de reis zijn toeschouwers aanschouwelijk voor oogen; al ontleent hij de namen van personen en plaatsen aan Italië, Engelsche toestanden staan hem voor den geest; hier geeft hem een oogenblik later het nagenoeg eveneens klinken van ship en sheep (schip en schaap) aanleiding tot een woordspeling; later wil Lans (II. 3. 58.) het stroombed met tranen vullen, waarbij den toeschouwers de Theems voor den geest kwam; bij struikroovers dachten deze terstond aan de bekende roovers van Sherwoodforest, bij wie broeder Tuck kapelaan was; daarom laat de dichter (IV. 1. 36.) Italiaansche roovers bij de geschoren kruin van dien pater zweren. Zulk een dichterlijke vrijheid, die de voorgestelde zaken recht aanschouwelijk maakte, veroorloofden zich in de middeleeuwen de dichters algemeen, en dit gebruik was tot den tijd van Shakespeare in zwang gebleven. Aan onwetendheid des dichters behoeft men niet te denken.
I. 1. 101. Ik, een verloren schaap, gaf uw brief aan haar, een verkoren schaap. In ’t Engelsch: I, a lost mutton, gave your letter to her, a laced mutton. Een woordspeling met lost en laced, waarbij men bedenke, dat in Sh.’s tijd de a in laced nog niet met den e-klank werd uitgesproken, zoodat de overeenkomst van lost en laced toen grooter was dan thans. Laced beteekent eigenlijk gevangen of vastgehouden, daar het substantief lace of strik (in ’t Latijn laqueus) of ook een net beteekent, zoodat laced een goede tegenstelling met lost vormt. Men denke dus niet aan een met kanten behangen jonkvrouw en veel minder geve men laced mutton de beteekenis van “licht vrouwspersoon”,—want al is Flink, die woedend is, dat hij geen fooi ontvangen heeft, brutaal genoeg om zich zulk een uitdrukking ten opzichte van de geliefde zijns meesters te veroorloven, zijn heer zou toch zeker zulk een gezegde niet zoo kalm aanhooren.
I. 1. 110. U te schutten, enz. Dit geheele gesprek van Proteus met zijn dienaar is vol woordspelingen. Hij gebruikt hier het woord pound in de beteekenis van in de schutskooi steken, zooals men verdwaald vee doet. Flink vat het op als een pond sterling en splitst daarna het woord pinfold, schaapskooi, in pin, een speld, een waardeloos ding, en fold. Daarop volgt weer de samenvoeging van nod, knikken, met het voornaamwoord I, ik, of het bevestigende ay, ja, tot noddy, onnoozele bloed.—In het origineel voegde Theobald achter het zeggen: But what said she? als waarschijnlijk uitgevallen, de woorden: Did she nod? welke op blz. 160 ook in de vertaling zijn opgenomen; zoo kon het onvertaalbare noddy door een andere woordspeling vervangen worden.
I. 1. 152. De grootte uwer mildheid enz. Hier heeft het Engelsch een woordspeling met testify, betuigen, en testern, met een tester,—een geldstukje van een halven shilling waarde, waar een kop, testa, tête, op gestempeld was,—begiftigen, een woord van Sh.’s maaksel.
I. 1. 156. Gij zijt de veiligheid van ’t schip. Op het zeggen, dat wie voor de galg bestemd is, niet verdrinkt, zinspeelt Sh. ook in den “Storm”, I. 1. 30.
I. 2. 55. Meisjes zeggen zedig neen. Een Engelsch spreekwoord zegt: Maids say nay, and take it, “meisjes zeggen neen en tasten toe”.
I. 2. 83. Luchte liefde. Een lied, “Light o’ love” beginnend, waarop gedanst werd; zooals men toen gewoon was te doen; dezelfde wijs wordt genoemd in “Veel leven om niets”, III. 4. 44, waar gezegd wordt: “zing gij het, dan zal ik dansen”.—In het volgende worden allerlei uitdrukkingen, voor muziek gebruikelijk, tevens in een anderen zin opgevat; zoo beteekent burden zoowel “refrein” als “last”, base “basstem” en tevens een op het land gebruikelijk krijgertjesspel, ook prison base of prison bars geheeten, waarbij to bid the base, het uittarten is van den speler, dat hij niet gekregen kan worden; men zie “Venus en Adonis” reg. 303 en “Cymbeline” V 3. 19.
I. 2. 114. Mijn boezem zij uw bed. De dames hadden voor aan haar keurs een zakje voor het bergen van brieven; meermalen wordt hierop gezinspeeld, men zie bijv. in dit stuk III. 1. 144 en 250.
I. 2. 137. Dat gij ze diep vereert. Er staat: you have a month mind to them, gij zijt er zeer belust op, zooals een vrouw soms heftige, voorbijgaande verlangens heeft.
II. 1. 2. Die hoort mij niet. In ’t Engelsch is een woordspeling met on en one, wat toen tamelijk gelijk werd uitgesproken.
II. 1. 26. Als een bedelaar op Allerheiligen. Op Allerheiligen liepen bedelaars, zacht zingende, de huizen af en ontvingen dan zielekoeken, soulcakes, als het loon hunner gebeden voor de dooden.—Voor het stappen als een leeuw staat in ’t oorspronkelijke: “als een der leeuwen”, waardoor de dichter zijn gehoor de leeuwen van den Tower voor den geest bracht.
II. 1. 79. Zijn hoosbanden. Het vergeten der hoosbanden wordt door Shakespeare meermalen als een teeken van verliefdheid aangehaald, zie “Elk wat wils” (As you like it), III. 2. 397; men vergelijke ook “Hamlet” II. 1. 80.—Flink overdrijft nu nog, en zegt, dat Valentijn zelfs vergat zijn hozen aan te trekken.
II. 1. 106. Heer Valentijn, mijn dienaar. In Sh.’s tijd werden de vereerders of minnaars eener schoone of gebiedster, Madam of Mistress, vaak servant genoemd, wat dus nagenoeg hetzelfde beteekent als lover.
II. 3. 4. De verloopen zoon. In ’t Engelsch zegt Lans prodigious voor prodigal en imperials voor emperor’s of imperial.—De naam van den hond, Crab, beteekent wilde appel.
II. 3. 39. Het tij verloopt. Het Engelsch heeft hier een woordspeling met tide, “getij” en tied, de vastgebondene (de hond).
II. 4. 152. Een macht, een overheid. Van een hoogen rang in de engelenschaar; zie Paulus’ Brief aan de Romeinen, VIII. 38.
II. 4. 192. Gelijk een gloed een and’ren gloed verdringt. Men vindt dezelfde beelden in “Coriolanus”, IV. 7. 54.
II. 4. 196. Is ’t nu mijn oog. Het Engelsch is hier onvolledig; Is it mine or enz. Het is waarschijnlijker dat hier gelezen moet worden met Warburton: Is it mine eye or enz. dan, met Malone, Is it her mien or enz.
II. 4. 201. Zooals een wassen beeld bij ’t vuur. Men vergelijke “Koning Jan” V. 4. 24. Er wordt gedacht aan wassen beelden, die door toovenaars bij het vuur werden gehouden, om door smelten van het beeld de persoon, die er door werd voorgesteld, te doen wegkwijnen.
II. 5. 1. Welkom in Milaan. In den tekst der folio-uitgave staat Padua, zooals in III. 1. 81 en V. 4. 129. Verona voor Milaan. Het is mogelijk, dat Shakespeare zelf zoo geschreven heeft, voor hij vast bepaald had, waar hij het stuk zou laten spelen, maar ’t kan ook aan een omwerker liggen.
II. 5. 61. Dat gij een Christenmensch een glas bier gunt. In ’t Engelsch: As to go to the ale with a Christian. “Ale” beteekent bier, maar ook een christelijk volksfeest, waarop, vóór de hervorming, het door de geestelijken gebrouwen bier verkocht werd, aan het volk op het kerkhof, aan de aanzienlijken in de kerk zelf; de opbrengst was voor het onderhoud der kerken bestemd. Naar de plaats en het jaargetijde droeg het bier verschillende namen: Lamb-ale, Bride-ale, Church-ale, Whitesun-ale.—Als Flink met Lans niet naar een Ale, naar zulk een kerkelijk feest, wil gaan, is hij geen christenmensch.
II. 7. 53. Met een klep. In ’t Engelsch staat: with a codpiece, wat aldus verklaard kan worden: “a part of the male dress, very indelicately conspicuous in the poet’s time”. Het werd nog al sterk opgevuld, zoodat het wel als een speldenkussen dienst kon doen, waarom er ook in andere comedies van dien tijd de draak mee gestoken wordt. Men bezigde dit deel ook wel als zak om de beurs in te bergen, zie “Winteravondsprookje”, IV. 4. 623.
III. 1. 81. Hier in deze stad. In den tekst staat: in Verona here.
III. 1. 153. Gij Phaëton, gij and’re Merops-zoon. De vertaling is hier niet letterlijk; er staat eigenlijk: “Wat! Phaëton,—want gij zijt Merops’ zoon”.—Phaëton was de zoon van Helios, den Zonnegod, en van Clymene, die met den koning Merops, in Aethiopië, gehuwd was; deze was dus Phaëton’s aardsche vader te noemen. De tusschenzin want enz. kan eenvoudig beteekenen: “want gij zijt inderdaad een Phaëton”, en dan is de vertaling op blz. 175 zeer juist. Wil men er uit lezen: “want gij zijt een zoon van Merops, niet van den zonnegod, maar van een mensch, dus van een lage afkomst”,—dan moet de hier gegeven, meer letterlijke vertaling gevolgd worden; deze verklaring komt mij echter vrij gezocht voor en het “want”, for, past er slecht bij; de eerste schijnt mij de ware te zijn.
III. 1. 263. Dubbele schurk. In meer dan één opzicht een schurk.
III. 1. 300. Toon door Sint Nikolaas u flink. Sint Nikolaas was de beschermheilige der scholieren en moest daarom Flink in ’t lezen bijstaan. De legende verhaalt, dat hij reeds als knaap bisschop werd.
III. 1. 307. Zij kan naaien. In ’t Engelsch: she can sew, waarvoor in de folio-uitgave sowe geschreven wordt, zoodat de volgende vraag can she so het woord herhaalt. Hier moest de vertaler zich anders helpen; evenzoo bij het volgende, waar het woord stock eerst in de beteekenis van “kapitaal”, “geld”, daarna in die van “sok”, wordt opgevat.
IV. 1. 36. Bij Robin Hood’s enz. De bandiet zweert bij de kale kruin van broeder Tuck, den priester en biechtvader van den gevierden roover en wilddief Robin Hood, van Sherwoodforest, die aan iederen Engelschman bekend was en die ook in Scott’s Ivanhoe voorkomt. Zie boven blz. 190.
IV. 2. 76. Dat de kerfstok vol is. Dat het niet meer te berekenen is.
IV. 4. 39. Toen ik van jonkvrouw Silvia afscheid nam. Steevens achtte het beter hier Julia te lezen in plaats van Silvia. Het schijnt inderdaad, dat Lans aan een vroeger afscheid dacht.
IV. 4. 60. Door de knapen van den hondenslager. Er staat eigenlijk “door de knapen van den beul”, “the hangman’s boys”. Sommigen verkiezen the hangman boys, waarbij hangman als adjectief beschouwd wordt, zoodat het beteekenen zou: de ellendige, schurkachtige jongens, de galgenbrokken.
V. 4. 129. Geheel Milaan beschermt u niet. In ’t Engelsch staat: Verona shall not hold thee. Zie boven de aanteekening op II. 5. 1.