← Table of contents
Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw

Hier is nu mijn raad.

J. G. (Jan Gerhardus) Ottema translation

Zijt gij alzoo begeerig, dat gij de aarde alleen wilt beërven, zoo behoort gij nimmer meer eene andere taal over uwe lippen te laten komen als godestaal, en dan behoort gij te zorgen, dat uw eigen taal vrij blijft van uitheemsche klanken. Wilt gij nu dat er sommige van Lydas kinderen en van Findas kinderen blijven, dan doet gij even zoo. De taal der Oost Schoonlanders is door de vuile Magyaren verdraaid; de taal der Keltana volgers is door de smerige Golen verdorven. Nu zijn wij zoo mild geweest om de terugkeerende Hellenia volgers weder in ons midden te nemen, maar ik schroom en ben zeer bezorgd, dat zij onze mildheid zullen vergelden met verontreiniging van onze zuivere taal.

Veel hebben wij wedervaren, maar van alle burgten die door de booze tijd verstoord en verdelgd zijn, heeft Irtha Fryasburgt onverlet behouden; ook mag ik daar bij vermelden dat Fryas of Gods taal hier even ongeschonden behouden is.

Hier op Texland moest men dus scholen stichten; van alle staten, die het met de oude zeden houden, moest het jong volk hier heen gezonden worden; daarna mochten zij die volleerd waren, de anderen helpen die te huis verbeiden. Willen de andere volken ijzerwaren van u koopen en daarover met u spreken en dingen, dan moeten zij tot godestaal terugkeeren. Leeren zij Godstaal, dan zullen de woorden vrij zijn en recht hebben tot hen inkomen, in hun brein zal het dan beginnen te glimmen en te gloren tot dat alles tot eene vlam wordt. Deze vlam zal alle slechte vorsten verteeren en alle schijnvrome en smerige priesters.

De inlandsche en uitlandsche zendboden hadden genoegen van dat geschrift, doch er kwamen geene scholen. Toen stichtte Adel zelf scholen, na hem deden de andere vorsten hetzelfde. Jaarlijks gingen Adel en Ifkja de scholen in oogenschouw nemen. Bevonden zij dan onder de inlanders of buitenlanders zoodanige, die elkander vriendschap toedroegen, dan lieten zij beide groote blijdschap blijken. Hadden sommige zoodanige elkander vriendschap gezworen, dan lieten zij alle menschen bij elkander komen, en met groote staatsie lieten zij dan hunne namen in een boek schrijven, door hun het boek der vriendschap genoemd: daarna werd feest gevierd. Al deze gebruiken werden onderhouden om de afzonderlijke takken van Fryas stam weder te zamen te snoeren. Doch de maagden die op Adel en Ifkja afgunstig waren zeiden, dat zij het nergens anders om deden, dan om een goeden roep en om allengs te heerschen over een anders staat.

Bij mijn vaders schriften heb ik een brief gevonden geschreven door Luidgert den Geertman, behalve sommige zaken die mijn vader alleen aangaan, geef ik hier het andere ten beste.

Pangab, dat is vijf wateren, en waar nevens wij weg komen, is eene rivier van bijzondere schoonheid, en vijf wateren genoemd, omdat vier andere rivieren door zijn mond in zee stroomen. Heel verre oostwaarts is nog eene groote rivier, de heilige of vrome Ganges geheeten. Tusschen deze beide rivieren is het land der Hindos. De beide rivieren loopen van de hooge bergen naar de laagte neer. Die bergen, waar zij van afstroomen, zijn zoo hoog, dat zij tot den hemel reiken (laia), daarom wordt het gebergte Himmellaia gebergte genoemd. Onder de Hindos en andere uit die landen zijn er sommige lieden die in stilte bij elkander komen. Zij gelooven dat zij onverbasterde kinderen van Finda zijn. Zij gelooven dat Finda van uit het Himmellaia gebergte geboren is, van waar zij met hare kinderen naar de delte of de laagte getrokken is. Sommigen onder hen gelooven, dat zij met hare kinderen op het schuim van de heilige Ganges naar beneden gegaan is. Daarom zoude die rivier de heilige Ganges heeten. Maar de priesters die uit een ander land weg komen lieten die menschen opsporen en verbranden; daarom durven zij voor hunne zaak niet openlijk uitkomen. In dit land zijn alle priesters dik en rijk. In hunne kerken worden allerlei gedrochtelijke beelden gevonden, daaronder zijn vele van goud. Bewesten Pangab zijn de Yren (Iraniers) of wrangen (Drangianen), de Gedrosten (Gedrosiers) of weggeloopenen, en de Urgetten of vergetenen. Al deze namen zijn hun door de nijdige priesters gegeven, omdat zij hen ontvlieden wegens de zeden en het geloof. Bij hunne komst hadden onze voorouders zich ook aan den oostelijken oever van den Pangab neergezet, maar om der priesteren wille zijn zij ook naar den westelijken oever gevaren. Daardoor hebben wij de Yren en anderen leeren kennen. De Yren zijn geen wilden, maar goede menschen, die geen beelden toelaten noch aanbidden: ook willen ze geen kerken noch priesteren dulden, en even als wij het heilige licht van Fasta aanhouden, zoo houden zij allerwege vuur in hunne huizen brandende. Komt men later heel westelijk, zoo komt men bij de Gedrosten. Van de Gedrosten: deze zijn met andere volken verbasterd, en spreken alle afzonderlijke talen. Deze menschen zijn wezenlijk wilde moordenaren, die altijd met hunne paarden over de velden dwalen, die altijd jagen en rooven, en die zich als soldaten verhuren aan de omwonende vorsten, ter wier wille zij alles neder houwen, wat zij kunnen bereiken. Het land tusschen den Pangab en de Ganges is even vlak als Friesland aan de zee, afgewisseld met velden en wouden, vruchtbaar in alle deelen; maar dit kan niet beletten dat daar bijwijlen duizenden bij duizenden van honger bezwijken. Deze hongersnood mag daarom noch aan Wralda, noch aan Irtha geweten worden: maar alleen aan de vorsten en priesters. De Hindos zijn even bloode en vervaard voor hunne vorsten als de hinden voor de wolven zijn. Daarom hebben de Yren en anderen hen Hindos genoemd, dat hinden beteekent. Maar van hunne blooheid wordt afschuwelijk misbruik gemaakt. Komen er uitheemsche kooplieden om koren te koopen, dan wordt alles te gelde gemaakt, en door de priesters wordt het niet geweerd, want deze nog listiger en hebzuchtiger als alle vorsten te zamen, weten heel goed, dat al het geld eindelijk in hunne buidels komt. Buiten en behalve dat de menschen daar veel van hunne vorsten lijden, moeten zij ook nog veel van het vergiftige en wilde gedierte lijden. Daar zijn groote olifanten, die bij geheele kudden loopen, die soms geheele koornvelden vertrappen en geheele dorpen. Daar zijn bonte en zwarte katten, tijgers geheeten, die zoo groot als groote kalveren zijn, die mensch en dier verslinden. Buiten vele andere kruipende dieren zijn er slangen van de grootte van een worm af tot de grootte van een boom. De grootste kunnen eene geheele koe verslinden, maar de kleinste zijn nog vreeselijker als die. Zij houden zich tusschen bloemen en vruchten verscholen om de menschen te overrompelen, die ze willen afplukken. Is men daardoor gebeten zoo moet men sterven, want tegen haar vergif heeft Irtha geene kruiden gegeven, alzoo dat de menschen zich hebben schuldig gemaakt aan afgoderij. Voorts zijn daar allerlei soort van hagedissen, schildpadden en krokodillen; al deze disken zijn evenals de slangen van een worm tot een boomstam groot; naar dat zij groot of vreeselijk zijn, zijn hunne namen, die ik alle niet noemen kan, de allergrootste adisken heeten alligators omdat zij even gretig bijten in het verrotte vee, dat met de stroom van boven naar de laagte drijft, als in het levende gedierte, dat zij kunnen overrompelen. Aan de westzijde van Pangab, waar wij van daan komen, en waar ik geboren ben, bloeijen en groeijen dezelfde vruchten en granen als aan de oostzyde. Te voren werden er ook dezelfde kruipende dieren gevonden, maar onze voorvaderen hebben alle kreupelbosschen verbrand, en al zoo vaak achter het wilde gedierte gejaagd, dat er slechts weinige meer over zijn. Komt men heel westelijk van Pangab, dan vindt men nevens vetten kleigrond ook dorre geestlanden, die eindeloos schijnen, bij wijlen afgewisseld met liefelijke streken, waaraan het oog geboeid blijft. Onder de vruchten van het land zijn er vele, die ik hier niet gevonden heb. Onder allerlei koorn is er ook goudgeel; ook goudgeele appelen, van welke sommige zoet zijn als honing, en andere zoo wrang als azijn. Bij ons worden noten gevonden zoo groot als kinderhoofden; daar zit kaas en melk in; worden ze oud dan maakt men er olie van; van de bast maakt men touw, en van de kernen maakt men kelken en ander huisraad. Hier in de wouden heb ik kruip- en steekbessen gezien. Bij ons zijn bessenboomen zoo groot als uwe lindeboomen, waarvan de bessen veel zoeter en driewerf grooter zijn als uwe doornbessen zijn. Wanneer de dagen op het langste zijn en de zon uit het toppunt schijnt, dan schijnt ze lijnrecht op uw hoofd neder. Is men dan met zijn schip heel ver zuidelijk gevaren, en men des middags met zijn gelaat naar het oosten gekeerd, zoo schijnt de zon tegen uwe linkerzijde, gelijk zij anders aan uwe rechterzijde doet. Hiermede wil ik eindigen, maar na mijn schrijven zal het u licht genoeg vallen, om de leugenachtige verhalen te kunnen schiften van de ware berichten. Uw Liudgert.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings