← Table of contents
Thet Oera Linda Bok, Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw

Het tweede geschrift.

J. G. (Jan Gerhardus) Ottema translation

Vijftien maanden na deze laatste algemeene vergadering was het Vriendschaps- of Winnemaand. Iedereen gaf toe aan lustige vreugde en blijdschap, en niemand had zorg dan zijn vermaak na te jagen. Doch Wr.alda wilde ons aantoonen, dat de waakzaamheid niet mag verflaauwen. Te midden van het feestvieren kwam de nevel onze oorden in dichte duisternis hullen. Het vermaak vlood, en de waakzaamheid wilde niet terugkeeren. De strandwakers waren van hunne noodvuren weggeloopen, en op de toegangen was niemand te zien. Toen de nevel optrok, keek de zon door de reeten der wolken op aarde neder. Iedereen kwam weder uit om te juichen en te joelen, het jongvolk trok zingende met de (zakpijp?), en deze vervulde de lucht met haar lieffelijken adem. Maar, terwijl daar iedereen zich in vreugde baadde, was verraad geland met paarden en ruiters; gelijk al het booze waren zij geholpen door de duisternis, en binnengeslopen door de paden van Lindaswoud. Voor de deur van Adela trokken twaalf meisjes met twaalf lammeren en twaalf knapen met twaalf hokkelingen, een jonge Saksman bereed een wilden buffel, dien hij zelf gevangen en getemd had. Met allerlei bloemen waren zij versierd, en de linnen jurken der meisjes waren omboord met goud uit den Rijn.

Toen Adela uit haar huis op de straat kwam viel een bloemregen op haar hoofd, allen juichten luide, en de toethoornen der knapen klonken boven alles uit. Arme Adela, arm volk, hoe kort zal de vreugde hier vertoeven! Toen de lange schare uit het gezicht was, kwam een troep Magyaarsche ruiters lijnrecht aanrennen op Adelas erf. Haar vader en haar man waren nog gezeten op de stoepbank. De deur stond open en daar binnen stond Adelbrost haar zoon. Als hij zag hoe zijne ouders in vrees waren, greep hij zijn boog van de wand, en schoot naar den voorste der roovers; deze wankelde en tuimelde op het gras neder; over den tweede en derde was een gelijk lot beschoren. Intusschen hadden zijne ouders hunne wapenen gegrepen en trokken langzaam naar Jons huis. De roovers zouden hen spoedig gevangen genomen hebben, maar Adela kwam (op de burgt had zij alle wapens leeren hanteeren, zeven aardvoet was zij lang, en haar zwaard even zoo lang, dit zwaaide zij driemaal over haar hoofd en toen het nederkwam beet een ridder in het gras.

Helpers kwamen om den hoek van de laan weg. De roovers werden geveld en gevangen. Doch te laat! een pijl had haar boezem getroffen. Verraderlijke Magy! De pijlspits was in vergif gedoopt en daaraan stierf zij.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings