TWEEDE BEDRIJF.
Alex. Gutteling translation
EERSTE TOONEEL.
Morgen. Een liefelijk dal in den Indischen Caucasus.
ASIA.
alleen.
ASIA.
Uit al des hemels vlagen daaldet gij! Ja, als een geest, als een gedachte dringt Naar hoornige oogen ongewone tranen, En het verlaten hart met kloppen kwelt, Dat rust moest leeren, zijt gij neergedaald, Gewiegd in stormen; wordt gij wakker, Lente, O veler winden kind! Zoo plotseling Komt ge als de erinring van een droom die nu Verdrietig is omdat hij eenmaal zoet was; Gelijk bezieling, gelijk vreugde, oprijzend Van de aarde als 't ware, kleedend in goudwolken De leegheid van ons leven.— Dit is het jaargetij, de dag, het uur; Bij 't rijzen van de zon zoudt, zoete Zuster, Gij komen, kom, te lang verwachte, nu! Te lang vertoeft gij! Hoe de vleugellooze Seconden traag gelijk doodswormen kruipen! Nog steeds trilt van éen witte ster de stip Diep in de' oranjen lichtschijn van den morgen Die zich verwijdt voorbij de purpren bergen: 't Donkerder meer weerkaatst haar door een spleet Van wind-gedeelde mist. Nu flauwt zij heen, Maar blinkt weer, wijl de golven bleeker worden En wijl de gloênde draên van wolkenweefsels Verrafelen in bleeke lucht. Ze is weg! En door dier toppen wolk-gelijke sneeuw Trilt het rozige zonlicht. Hoor ik niet De Aeolische muziek van haar zeegroen Gevedert, dat de roode daagraad klieft?
(Panthea verschijnt.)
Ik voel, ik zie die oogen brandend door Geglimlach dat in tranen flauwt, als sterren Half uitgedoofd in mist van zilvren dauw. Beminde en schoonste, die de schaduw draagt Dier ziel waardoor ik leef,—wat zijt gij laat: De ronde zon beklom de zee; mijn hart Was ziek van hoop, voor de indruk-looze lucht Het naadren voelde van uw late veedren.
PANTHEA.
Vergeef mij, groote Zuster! maar mijn wieken Waren zoo traag door zaalge erinnering Van wat ik droomde, als 's middags het geveêrt Van zomerwind, verzaad met zoete bloemen. Ik was gewoon aan storeloozen slaap, En ik ontwaakte steeds verfrischt en kalm, Eer's heilgen Titans val, en uwe liefde, De onzaalge, door gewoonte en medelij Bei liefde en smart mijn hart gemeenzaam maakten, Gelijk ze uw hart al werden, 'k Sliep voorheen In grotten blauw van de' ouden Oceaan, In scheemrige prieelen, waar het mos Groen was of purper,—onzer jonge Ione Teedere en melkwitte armen sloten zich Toen, gelijk nu, achter mijn haren donker En vochtig, wijl 'k mijn wangen en dichte oogen Drukte in gevouwen diepte van haar boezem, Die leven ademde; maar niet als nu,— Sinds ik de wind ben, zwijmend onder tonen Die 'k draag van woordeloos verkeer met u; Sinds, opgelost in het gevoel waarmee De liefde spreekt, mijn rust onrustig was En lieflijk toch, en de uren die ik waakte Te vol van zorg en pijn.
ASIA.
Licht óp uw oogen, Dat ik uw droom daar leze.
PANTHEA.
'k Zeide reeds, Hoe 'k aan zijn voeten sliep met ons Zee-zuster. De neevlen van 't gebergte, op onze stem Onder de maan verdichtend, hadden zacht Hun sneeuwge vlokken uitgespreid, beschermend Onzen vervlochten slaap voor 't snijdend ijs. Twee droomen kwamen toen. Een is me ontgaan. Maar in den andren vielen van Prometheus Zijn bleeke, wond-verminkte leden af; De azuren nacht werd stralend van de glorie Van die gestalt' die onveranderd leeft In hem, en o zijn stem viel als muziek, Die duizlen doet het donkre brein, bezwijmd Door de bedwelming van zoo helle vreugd: "Zuster van haar wier stappen de aard bespreien Met lieflijkheid—schoonste behalve haar Wier wederschijn gij zijt—zie op tot mij." Ik hief mijn oogen. 't Overweldgend licht Van die onsterflijke gestalte zag 'k Gansch overschaduwd door de liefde die Zijn zacht-vloeiende leên, lippen half-open In hartstocht, vurige doch droomrige oogen, Ontstoomde als dampend vuur; een atmosfeer Die in haar al-smeltend geweld me omsloot, Als warme lucht, van morgenzon omhuld, Eer zij haar drinkt, een wolk zwervende dauw. Ik zag niet, hoorde niet, bewoog mij niet; Maar voelde alleen zijn tegenwoordigheid Vervloeien en vereenen met mijn bloed, Tot het zijn leven werd, en 't zijne mijn. Zoo was 'k als opgeslorpt,—maar 't ging voorbij; En, als de dampen, wen de zon verzinkt, Zich weer in dropplen zaamlen op de pijnen, En sidderend als zij, verdichtte zich Mijn wezen in den diepen nacht; en wijl De stralen der gedachte langzaam weer Verzameld werden, kon 'k zijn stem nog hooren, Wier tonen talmden voor zij henenstierven Gelijk voetstappen van een zwak geluid. Uw naam hoorde ik alleen, in tal van klanken, Van het misschien-verstaanbre, ofschoon 'k bleef luistren In 't duister, toen er geen geluid meer klonk, Ione ontwaakte toen, en zei tot mij: "Kunt gij soms raden wat mij verontrust Vannacht? Ik wist voorheen steeds wat ik wenschte En vond geen vreugde ooit in vergeefschen wensch. Maar nu kan ik niet tolken wat ik zoek: Weet ik het zelf? 't is zoet, want zoet is 't al Om te begeeren. 't Is, trouwlooze zuster, Een spel van u; ge ontdekte een ouden toover, Wiens ban mijn geest stal toen ik sliep en met Uw geest vereende: want, toen straks wij kusten, Voelde ik de zoete lucht die mij deed leven In uwer lippen kier, en o de warmte Van 's levens bloed, door wier gemis ik zwijm, Beefde in den boog onzer vervlochten armen." 'k Antwoordde niet, want de Oosterster werd bleek, Maar vlood tot u.
ASIA.
Gij spreekt, maar ach, uw woorden Zijn als de lucht: ik voel ze niet. O! licht Uw oogen op, dat ik zijn ziel, daarin Geschreven, leze!
PANTHEA.
'k Hef ze, schoon zij zinken Onder de zwaart' van wat zij spreken wouden: Wat kunt gij zien dan uw lieflijkste schaduw Daar afgebeeld?
ASIA.
Uw oogen zijn gelijk De diepe, blauwe, grenzenlooze hemel, Tesaamgedrongen tot twee cirkels onder Hun lange fijne wimpers: donker, ver, Mateloos, kring in kring en lijn in lijn Vervlochten.
PANTHEA.
Waarom kijkt ge, of er een geest Voorbijging?
ASIA.
Anders wordt het: achter 't diepst Dier diepte zie 'k een schaduw, een gestalte: 't Is Hij, gekleed in van zijn eigen glimlach Het zachte licht dat om hem henen spreidt Als straling van de wolk-omkringde maan! Prometheus, het is de uwe! Vlied nog niet! Zegt niet die glimlach dat we elkander eens Weer zullen vinden in die heldre tent Die zijn gestraal bouwe op de woeste wereld? De droom is uitgezeid!—Wat schim is dat, Tusschen ons? Zijn ruig haar verwart de wind Die 't opwaait, wild en levend is zijn blik, Toch is 't een wezen van de lucht: er schijnt Door zijn grijs kleed de gouden dauw wiens sterren De middag niet gebluscht heeft.
DE DROOM.
Volg, o volg!
PANTHEA.
Het is mijn andre droom.
ASIA.
Zie, hij verdwijnt.
PANTHEA.
Hij komt nu in mijn geest. 'k Verbeeldde mij, Wij zaten hier, en open sprongen al De knoppen, bloem-omwikklend, van daarginds De' amandelboom, dien bliksem heeft verzengd, Toen snel van witte Scythische woestijn Een wind aanvlaagde, rimplend de Aard met vorst. Ik keek,—al bloesems waren neergewaaid, Maar op elk blaadje stond—verhalen zoo De blauwe hyacintheklokjes niet Apollo's daar geschreven leed?—"Volg, volg!"
ASIA.
Terwijl gij spreekt, vullen uw woorden, poos Na poos, ook mijn slaap dien 'k vergeten was, Met beelden. 't Scheen me of wij tesamen schreden Onder de jonge grijze dageraad Over grasperken, en een menigte Van zware, witte, wolge wolken dreef In dichte kudden langs de bergen heen, Geherderd door den trage' onwilgen wind. De witte dauw op 't nieuw-ontsproten gras, Even de donkere aard ontschoten, hing Heel stil. En er was meer dat me is ontgaan. Maar op de schaduwen der morgenwolken, Dwars op de purpren helling van 't gebergt, Stond ook geschreven: "Volg, o volg!" en wijl ze Verdwenen, en op elken halm waarvan De dauw des hemels neergevallen was 't Zelfde gedrukt werd als met welkend vuur, Rees wind tusschen de pijnen; die ontschokte Gerank van melodieën aan hun twijgen En toen hoorde ik geluiden, laag, zoet, zacht, Als het vaarwel van geesten: "Volg, volg, volg!" Toen zei 'k tot u: Panthea, zie mij aan: Maar in de diepte van die dierbare oogen Zag ik nog altijd: "Volg, o volg!"
ECHO.
"O volg!"
PANTHEA.
De rotsen, op dees klaren voorjaarsmorgen, Spotten met onze stem, als spraken geesten.
ASIA.
Het is een wezen zwevend rond de rotsen. Wat fijne heldere geluiden! Luister!
ECHO'S.
(onzichtbaar).
Echo's wij, luister! Wij wijlen niet: Als dauwdrups luister Ge kort maar ziet— Zee-geboorne!
ASIA.
Hoor! Geesten spreken! Vloeiende echo's klinken Nog van hun hemelstemmen na.
PANTHEA.
Ik hoor.
ECHO'S.
Volg, o volg! Wen ons lied dreigt te zwijgen, Waar een grot ons verzwolg— Waar wouden stijgen—
(meer verwijderd)
Volg, o volg, Waar een grot ons verzwolg. Ga ons na als 't lied versuist, Waar de wilde bij nooit ruischt, Door het diepe middagdonker, Langs het nachtgebloemte loom, Geuren aadmend in zijn droom, Langs de golfjes, waar geflonker Van een bron in holen blinkt, Wijl onstuimig en toch zoet Ons gezang speelt met uw voet Die zoo zacht ter aarde zinkt, Zeegeboorne!
ASIA.
Zullen wij 't zingen volgen? Zachter wordt het En verder.
PANTHEA.
Hoor! het koor komt nader nu.
ECHO'S.
In het onbekende Slaapt een ongesproken stem; Slechts als gij u daarheen wendde, Wekt gij hem; Zeegeboorne!
ASIA.
Hoe op den wind die ebt de tonen zinken!
ECHO'S.
Volg, o volg, Waar een grot ons verzwolg! Ga ons na als 't lied verflauwt; Door het dauwig middagwoud, Langs de meren en fonteinen, Bosschen door, en grilge lijnen Van gebergten, naar de spleten, Diepten, scheuren, waar 't vaneengereten Lijf van de Aarde rustte van zijn lijden Op den dag toen Hij en Gij Zijt gescheiden— Paar dat nu hereenigd zij;— Zeegeboorne!
ASIA.
Mijn lieve Panthea, kom, geef mij uw hand, En volgen we, eer de stemmen zijn verruischt.
TWEEDE TOONEEL.
Een bosch, afgewisseld door rotsen en holen. Asia en Panthea gaan het in. Twee jonge faunen zitten luisterend op een rots.
HALFKOOR I VAN GEESTEN.
Het pad waarlangs dat lieflijk paar Schreed onder ceder, taxis, pijn, Al donkre boomen die er zijn, Scheidt van den hemel wijd en klaar Een ondoordringbaar loofgordijn Wind, regen, zon- noch maneschijn Vindt zich een weg door die geweven Prieelen, slechts een wolk van dauw Drijft somtijds langs de stammen grauw Op winden mee die de aard bezweven, Doet overal een parel beven In bloesems bleek, opnieuw ontbloeid, Van 't lauwergroen, en buigt de kroon Van een teer-lieflijke anemoon, Waarna ze stil vervloeit. Of wen een ster, van velen een, Die stijgt en drijft in steilen nacht, De eenige kloof vond waardoorheen Nog dalen kan der stralen pracht,— Voordat zij vliedt voorbij, voorbij: De heemlen, nimmer rusten zij,— Sprenkelt zij droppend gouden schijnen Als nooit vereenende regenlijnen:— En 't heilig duister is in 't rond; Omlaag is de bemoste grond.
HALFKOOR II.
Daar zijn den heelen heldren noen Verliefde nachtegalen wakker. Wen een bezwijmt van heil of smart En zinkt door 't windloos klimopgroen Stervend van zoete liefde op 't hart, Het toon-doortrilde, van zijn makker; Verheft een ander die daar wachtte, In bloesems heen en weer bewogen, Het kwijnende eind der laatste klachten Om in te vallen, plots ten hoogen De wieken van den weeken zang,— Tot eigen lied uit nieuwen drang Van voelen rijst,—en 't woud wordt stom; Men hoort alleen door donkre lucht Van vlerken 't ritselend gerucht, En evenals fluiten, wen rondom Een meer zich spreidt, bedwelmen 't brein Klanken zoo zoet dat vreugde zweemt naar pijn.
HALFKOOR I.
Als tooverkolken spelen daar Zoet-stemmige echo's en zij tijgen Door Demogorgons machtge wet, Smeltend verrukt of zoet ontzet, Langs 't heimlijk pad een geestenschaar; Als stroomen die van bergdooi stijgen Schepen uit land naar zee toe voeren. Tot wie door slaap of zacht gepraat Geboeid zijn eerst een fluistren gaat; 't Wekt de verkoornen; zacht ontroeren Trekt hen en stuwt hen voort. Ja, zwoeren Niet zij die 't zagen dat een wind Achter hen stoomt van de aadmende aard, Die veedren optilt en wiens vaart Hen verder drijft gezwind, Terwijl zij denken dat hun voet En eigen vleuglenpaar zoo snel Gehoorzaamt aan hun wenschen zoet? Zoo drijven zij—tot, lieflijk wel Nog steeds, maar krachtiger en luid De storm van klank zwelt voor hen uit, Haastend, als opgeslorpt; zij volgen, En weer verzaamlen zich zijn golven, Die naar den berg van 't noodlot dragen Als wolken de wijkende lucht doorjagen.
EERSTE FAUN.
Kunt ge u verbeelden waar die geesten leven, Die in het woud zoo fijne melodieën Doen klinken? In de minst bezochte holen En dichtste lommerlegers wonen wij En kennen deze wildernissen wél, Doch hen ontmoeten nooit we, ofschoon wij vaak Hen hooren: waar toch, denkt ge, schuilen zij?
TWEEDE FAUN.
't Is zwaar te weten. Wel heb ik gehoord, Dat andren meer bekend met geesten zeiden: De bellen die de zonnetoover zuigt Uit bleeke, teere waterbloemen die Den slijkgen bodem van de heldre meren En plassen overspreiden, zijn de tenten Waarin die wezens wonen en doorzweven De groene en gouden atmosfeer, ontstoken Door 't middaguur onder het blaadrenweefsel; En wen die barsten en de dunne lucht, De vuurge, die zij aêmden in die helle Gewelven, stijgt om meteoorgelijk Te vliegen door den nacht, rijden zij dáarop En sturen hun onstuimge vaart en buigen Hun flonkerende kuiven, en in vuur Glijden zij weer onder der aarde waatren.
EERSTE FAUN.
Als zulke zoo bestaan, leven dan andre Weer andre levens, onder anemonen, Of in de klokjes van de weidebloemen, In de gevouwen diepte van viooltjes, Of op hun stervende zoetgeurigheid Wanneer zij sterven, of in 't zonlicht van De ronde dauw?
TWEEDE FAUN.
Ja, velen, wel te raden.— Maar als wij praten bleven werd het middag, En knorrige Silenus zou zijn geiten Nog ongemolken vinden, en ons brommend Die wijze en liefelijke zangen weigren, Van Noodlot, Toeval, God, en ouden Chaos, Liefde, en den droevgen doem van den geboeiden Titan, en hoe die eens, bevrijd, heel de aard Eén broederschap zal maken: schoone liedren, Die onze eenzame schemers blij doen zijn, En die tot luistrend zwijgen zelfs bekoren De niet naijverige nachtegalen.
DERDE TOONEEL.
Een rotspunt tusschen bergen. ASIA en PANTHEA.
PANTHEA.
Hier droeg 't geluid ons heen, naar het gebied Van Demogorgon, en de machtge poort, Gelijk van een vulkaan de meteoor- Aadmende spleet, waaruit de orakeldamp Opwervelt, dien de eenzamen in hun jeugd Rondzwervend drinken, en zij noemen hem Waarheid of deugd, bezieling, liefde of vreugd,— Die levenswijn die als ontzind doet zijn, Wiens droesem zij tot diepe dronkenschap Gansch leedgen, en dan heffen zij de stem, Gelijk Maenaden luidkeels "Evoë!" Uitgalmend, die de weerld besmetting dunkt.
ASIA.
Waardig een troon voor zulk een Macht! Hoe schoon! Wat zijt gij grootsch, o Aarde! En als gij zijt De schaduw van een geest, nog lieflijker,— Schoon kwaad zijn werk bevlekke, en of ook hij, Gelijk zijn schepping, zwak doch heerlijk zij,— Dan zou ik kunnen knielen en u beiden Vereeren! Ja, ook nu aanbidt mijn hart. Hoe wonderbaar! Zie, Zuster, eer de damp Uw brein beneevle. Omlaag is een wijd veld Golvende mist, gelijk een meer, plaveiend Onder de morgenlucht met blauwe golven, Barstend in zilverschijn, een Indisch dal. Zie hoe het rolt onder de stollende winden, En hoe 't den bergtop waar we in 't midden staan Aan alle zijden tot een eiland maakt, Omkringd door wouden, donker en in bloei, Scheemrige weiden, stroom-verlichte holen, En zwerfsche mist-gestalten: winden-toover; En ver omhoog werpen de scherpe bergen, Den hemel splijtend, van hun ijzge spitsen, Stralend als zonneschijn, den dageraad, Als der geheven zee verblindend schuim Omhooggespat tege' een Atlantisch eiland, Den wind bestert met lamp-gelijke dropplen. Het dal is door hun muren als omgordeld, Gehuil van katarakten, uit ravijnen, Door dooi gekliefd, verzaadt den wind die luistert, Aanhoudend, wijd, geweldig als de stilte. Hoor! 't stuwen van de sneeuw! de zon-ontwaakte Lawine! wier drievoudig door den storm Gezifte massa vlok bij vlok verzaêmd was, Gelijk in geesten die den hemel tarten Gedachte wordt gestapeld op gedachte, Totdat een groote waarheid losraakt, rondom Weergalmen dan de volken, tot hun wortels Daavrend geschud, als thans de bergen doen.
PANTHEA.
Zie hoe de onstuimge zee van neevlen breekt In purper schuim, en juist aan onzen voet! Zij rijst als de oceaan bij manetoover Rondom schipbreukelingen zonder voedsel Op een laag, slijkig eiland.
ASIA.
De wolkflarden Verspreiden zich naar boven. 'k Voel den wind Die ze optilt warren in mijn haar; de golven Drijven over mijn oogen nu, mijn brein Duizelt; ziet gij gedaanten in de mist?
PANTHEA.
't Is een gelaat—zijn glimlach wenkt—er brandt Azuren vuur in zijn goudlokken. Zie! Nog een en nog een! Luister! zij gaan spreken!
ZANG VAN GEESTEN.
Naar omlaag, naar omlaag, Daal, daal! Door de schaduw vaag Van den slaap, en de dampen Waar de Dood en het Leven kampen; Door den slagboom van 't zijnd' En het waas van wat schijnt, Naar de treden van troon in den versten zaal, Daal, daal! Wijl 't geluid kolkt in 't rond, Daal, daal! Als het hert trekt een hond, Als den bliksem de damp, Als een vlinder de lamp, Wanhoop dood, liefde zorgen, Tijd beî, heden morgen, Als de geest van den steen doet gehoorzamen 't staal, Daal, daal! Door het grijs leeg ravijn, Daal, daal! Maan noch sterren er zijn, Geen prisma de lucht is, Om de rotsen geducht, is Geen hemelsche luister Noch aardeduister,— Doordrongen van Een is het t'eenemaal— Daal, daal! Naar het diepst van den kolk, Daal, daal! Als bliksem in slaap in een wolk, Als de in kolen gekoesterde vonk, Als, door Liefde herdacht, een laatste lonk, Als van een edelen steen de schijnen Op den donkeren rijkdom der mijnen, Wordt een toover gezwegen, die voor u zich vertaal'— Daal, daal! Wij bonden, wij leiden u, Daal, daal! Met de heldre gestalte bezijden u; Schuw niet dat ge ontkracht zijt: Zoo machtig is zachtheid, Dat de Eeuwge, de Onsterflijke, Door de poort van het Werklijke, Moet loslaten den Doem, die beneên zijn troon slaapt in slange-spiraal, Alleen om haar.
VIERDE TOONEEL.
De grot van Demogorgon. ASIA en PANTHEA.
PANTHEA.
Wat voor gesluierde gestalte zit Ginds op dien ebben troon?
ASIA.
De sluier viel.
PANTHEA.
'k Zie een geweldig Donker, 't vult den zetel Dier Macht; stralen van duister schieten rond Als licht van middagzon, door geen bestaard, En zonder vorm. Leden, gedaant' noch omtrek; Toch voelen wij: het is een Geest die leeft.
DEMOGORGON.
Vraag wat gij weten wildet.
ASIA.
Maar wat kúnt Gij openbaren?
DEMOGORGON.
Al wat gij durft vragen.
ASIA.
Wie schiep de weerld die leeft?
DEMOGORGON.
God.
ASIA.
Wie schiep al Wat ze in zich sluit? gedachte, hartstocht, rede, Wil en verbeelding?
DEMOGORGON.
God, de Almachtge God.
ASIA.
Wie schiep 't gevoel, dat bij het ongemeenst Bezoek van Lentewind, of bij de stem Van een beminde alleen in jeugd gehoord, Tranen 't verflauwende oog ontwellen doet, Die, vallend, van 't niet rouwende gebloemt Den hellen blik verduistren,—dat deze aard, De dicht-bevolkte, als eenzaam achterlaat, Wen het niet weerkeert?
DEMOGORGON.
De barmhartge God.
ASIA.
En wie schiep schrik, waanzin, berouw en zonde, Die, van de schakels van den grooten keten Der dingen, tot de nietigste gedachte In 's menschen geest, regeeren en zwaar sleepen, En elkeen wankelt naar den kuil des doods Onder dien druk; hoop die men opgaf; liefde Verkeerd in haat; en zelfverachting, wranger Een drank dan bloed; leed, wiens geluid, gemeenzaam, Onopgemerkt, luid huilt en heftig krijt Dag in dag uit; en Hel, of voor de Hel De hevige angst?
DEMOGORGON.
Hij heerscht.
ASIA.
Zeg hoe hij heet! Een weerld in pijn verkwijnend vraagt zijn naam Alleen: haar vloek zal hem zijn troon af sleuren.
DEMOGORGON.
Hij heerscht.
ASIA.
Ik voel, ik weet het: wie?
DEMOGORGON.
Hij heerscht.
ASIA.
Wie heerscht? In 't eerst was er de Hemel, de Aarde, Het Licht, de Liefde; dan Saturnus, van Wiens troon, als een naijverige schaduw, De Tijd viel. De eerste schepselen der aard Leefden, toen hij regeerde, als in de vreugd, De kalme, van gebloemt en levend loof, Voordat de wind of zon het welken deed, En half-levende wormen. Maar hij wilde 't Geboortrecht van hun wezen hun niet geven: Kennis en macht, de kunst die de elementen Handelbaar maakt, gedachte die als 't licht Dit donker Al doordringt, zelfheerschappij, En majesteit van liefde; en zij verkwijnden Van dorst daarnaar. Toen schonk Prometheus wijsheid, Dus kracht, aan Jupiter, en met deze eisch Alleen: "Zij 't menschdom vrij," bekleedde hij Hem met de macht over den wijden Hemel. Te kennen trouw noch wet noch liefde, almachtig Maar zonder vriend te zijn, is heerschappij. Jupiter heerschte nu; want op 't geslacht Des menschen viel eerst honger, toen gezwoeg, Toen ziekte, strijd en wonden, en de dood, Spookachtig, en voorheen nimmer aanschouwd; De ontijdige getijden dreven toen Met wisselende schichten: ijs en vuur, Hun onbeschutte bleeke benden heen Naar bergspelonken; in hun leege harten Zond hij heevge begeerten, zinlooze onrust, En ijdle schaduwen van onwerklijk goed, Die onderlingen oorlog stichtten, 't leger Verwoestend waar ze in raasden. Maar Prometheus Zag het, en deed der Hoop legioenen rijzen, Die in 't gevouwen elyseesch gebloemt, Bloesems die nooit verwelken, Amarant, Nepenthe en Moly, sluim'ren, dat hun dunne Regenboog-wieken Doods gedaant' verborgen; En Liefde zond hij dat zij binden zou De uiteengescheurde ranken van dien wijnstok Die 's levens wijn doet rijpen: 't menschenhart; Hij temde 't vuur dat als een roofdier speelde, Vreeslijk doch lieflijk, onder 's menschen frons; En naar zijn wil martelde hij het ijzer En 't goud, de slaven en 't symbool der Macht, Juweelen en vergiften, al 't verfijndste Dat onder bergen en in golven schuilt. Hij gaf den Mensch de taal, taal schiep gedachte, Die van 't heelal de maat is; kennis schokte De tronen van den hemel en van de aard, Die trilden maar niet stortten; en de ziel Vol harmonie uitte zich al-profetisch In zang; muziek hief, tot hij zorg-bevrijd, Godgelijk schreed over de klare golven Van zoet geluid, den luisterenden geest; En menschenhanden bootsten na, bespotten Ten laatste, met gestalten geboetseerd Lieflijker dan hun eigne, 's menschen vorm, Totdat het marmer godlijk werd, en moeders Die het beschouwden er de liefde dronken Die menschen in hun kroost weerspiegeld zien En 't ziende sterven. Van gewas en bronnen Zei hij wat kracht zij bergen, en de Ziekte Dronk en vond slaap. De Dood werd slaapgelijk. Hij onderwees de veel-vervlochten banen Geweven door 't wijd-zwervende gestarnt, En hoe de zon van plaats verandert, hoe De bleeke maan, door een geheimen toover, Wisselt van vorm, wen haar breed oog niet staart Op de onverlichte zee. Ook leerde hij, Als 't leven ledematen stuurt, te heerschen Over de storm-gewiekte zeeëwagens, En Kelt en Indiaan kenden elkaar. Steden verrezen toen, en door hun sneeuw- Gelijke zuilen vloeiden warme winden, En scheen de azuren lucht en zag men 't blauw Der zee en schaduwige heuvlen. Dit Werd door Prometheus aan den mensch geschonken Tot een verlichting van zijn toestand, daarvoor Hangt hij en kwijnt in opgelegde pijn. Maar wie regent het Kwaad neer, de ongeneesbre Plaag, die wijl godgelijk de mensch zijn schepping Beschouwt en ziet haar heerlijkheid, hem voortjaagt, 't Wrak van zijn eigen wil, de spot der Aarde, De eenzame, de verlaten uitgestootne? Niet Jupiter. Terwijk zijn frons den Hemel Nog schokte,—en hem zijn tegenstander vloekte, In diamant geketend, trilde hij Gelijk een slaaf. Zeg mij, wie is zijn meester? Is hij een slaaf, ook hij?
DEMOGORGON.
Al geesten zijn 't, Die 't slechte dienen: en of Jupiter Zoo'n geest is, ja of neen, dat weet gij zelf.
ASIA.
Wien noemt gij God?
DEMOGORGON.
Ik sprak slechts gelijk gij, Want Jupiter is de opperste van al Wat leeft.
ASIA.
Wie is de meester van den slaaf?
DEMOGORGON.
Als de afgrond zijn geheimen uit kon werpen.... Maar er ontbreekt een stem, de diepe waarheid Is beeldloos; wat zou 't helpen of 'k u 't wentlen Der weerld aanschouwen deed? of spreken liet Lot, Toeval, Tijd, Kans en Verandering? Aan deze is alles onderworpen, enkel De eeuwige Liefde niet.
ASIA.
Zoo veel vroeg 'k reeds Voorheen, en 't antwoord dat gij gaaft, gaf ook Mijn hart; van zulke waarheden moet elk Zichzelf 't orakel zijn. Nog éen ding vraag ik; Antwoord gij mij gelijk mijn eigen ziel Antwoorden zou, wist zij maar wat ik vraag. Prometheus zal verrijzen en voortaan De zon zijn van deze opgetogen wereld: Wanneer zal de bestemde stond verschijnen?
DEMOGORGON.
Zie!
ASIA.
De rotsen spleten, door den purpren nacht Zie 'k wagens, regenboog-gewiekte paarden Trekken ze en treden op de duistre winden: In iedren staat een voerman wild van blik, Hun vlucht aanhitsend. Enklen zien naar achter, Of duivels hen vervolgden, toch zie 'k niets Dan 't schitterend gestarnt: met brandend oog Buigen zich andren over, die den wind Van de eigen vaart met greetge lippen drinken, Alsof dat wat zij minden voor hen vlood En nu, juist nu, zij 't grepen. Heldre lokken Ontstroomen hun gelijk het flikkrend haar Van een komeet: zij allen haasten verder.
DEMOGORGON.
Dit zijn de onsterflijke Uren waar ge om vroegt. Eén wacht op u.
ASIA.
Een Geest, vreeslijk van aanblik, Beteugelt bij de rotsge krocht zijn wagen, De donkre. Uw broedren ongelijke voerman, Spookachtige, wie zijt gij? Waarheen woudt gij Mij dragen? Spreek!
GEEST.
Ik ben de schaduw van Een vreeselijker noodlot dan mijn aanblik. Eer gindsche ster verzonk, zal 't met mij stijgend Duister des Hemels koningloozen troon In eeuwgen nacht omwikklen.
ASIA.
Wat bedoelt gij?
PANTHEA.
Die vreeselijke Schaduw vliegt omhoog Van zijn troonzetel, als de doodsche damp Van steden die de aardbeving heeft verwoest Over de zee. Zie! hij bestijgt den wagen; De paarden rennen als ontzet! Aanschouw Zijn pad tusschen de sterren, nacht-verduistrend!
ASIA.
Zoo word ik beantwoord: vreemd!
PANTHEA.
Zie, bij den zoom Een andre wagen,—een ivoren schelp, Doorvloeid van purper vuur dat komt en gaat Binnen haar rand, gebeeldhouwd vreemd en fijn Van lijnensier. De jonge Geest, haar sturend, Heeft de oogen van de Hoop, de duif-gelijke. Hoe haar zacht lachen lokt de ziel! als 't licht Vliegende insecten door lamplooze lucht.
GEEST.
Mijn renpaarden voedde het weerlicht, Zij drinken van 's wervelwinds vloed, En zij baden in 't purperen meer zich, 't Frisch meer van den morgenzon-gloed. Hun sterkte volstaat voor hun spoed;— Stijg dan op met mij, Zeegeboorne! Ik verlang,—door den nacht vaart een lichtschijn; Ik vrees,—zij ontvlieden de' orkaan; Eer de wolken om de' Atlas gezwicht zijn, Omcirklen wij de aarde en de maan. Dat wij rusten wen 't werk is gedaan:— Stijg dan op met mij, Zeegeboorne!
VIJFDE TOONEEL.
De wagen houdt stil in een wolk op den top van een sneeuwigen berg. Asia, Panthea, en de Geest van het Uur.
GEEST.
Op de grens van den daagraad en 't duister Zijn mijn paarden veraadming gewend; Maar van de Aard hoorde ik juist een gefluister Dat sneller dan 't vuur dient gerend: Drinkt verlangen en vaart ongekend!
ASIA.
Op hun neusgaten blaast gij, maar mijn adem Zou hun meer snelheid geven.
GEEST.
Kon dat maar!
PANTHEA.
O Geest! vertoef; zeg, waar is 't licht vandaan Dat deze wolk vult? Nog verrees geen zon.
GEEST.
De zon zal niet verrijzen voor den noen. Verwondring houdt Apollo in den hemel, En 't licht dat dezen damp doorvloeit, niet anders Dan van de rozen die een bron aanstaren Doorzichtge tint het water vult, ontstroomt Uw machtge Zuster.
PANTHEA.
Ja, ik voel 't—
ASIA.
Wat is er, Zuster? Gij zijt zoo bleek.
PANTHEA.
O hoe veranderd Zijt gij! 'k durf u niet aanzien, ik gevoel Maar zie u niet. Ternauwernood doorsta ik De straling van uw schoonheid. Zeekre goede Verandring werkt in de elementen, die Uw tegenwoordigheid ontsluierd dulden. De Nereïden zeggen, op den dag Toen 't heldre zeekristal bij uw verrijzen Spleet, en gij stondt in een dooraarde schelp, Die aandreef op den kalmen zeeëspiegel Tusschen de Egeïsche eilanden en langs Den oever die uw naam draagt,—barstte er liefde, Als de atmosfeer van zonvuur 't levende Al Vullend, uit u, dat aarde en hemel straalden, De diepe zee en de zonlooze holen, En al wat daarin woont; tot leed verduistring Wierp op de ziel waaruit dat schijnsel kwam. Zoo zijt gij thans; en ik ben 't niet alleen— Uw zuster, gezellin, uwe uitverkoorne— 't Is heel de wereld, die uw liefde zoekt. Hoort gij geen klanken in de lucht die uiten Liefde van al wat stem heeft? Voelt gij niet Hoe de onbezielde winde' op u verliefd zijn? Luister!
(Muziek)
ASIA.
Uw woorden klinken zoeter mij Dan wat ter wereld ook, behalve zijne, Wier wederklank zij zijn: doch alle liefde Is zoet, of men haar schenke of zelf ontvang'. Liefde is als 't licht voor iedereen en al, En haar vertrouwde stem verveelt niet, immer. Gelijk de wijde hemel en de lucht Die alles leven doet, maakt zij 't reptiel Den God gelijk. Zij die haar 't meest doen voelen Zijn zalig, gelijk ik thans, maar wie 't meest Haar voelen, zijn nog zaalger, na lang lijden,— Als ik gauw zijn zal.
PANTHEA.
Luister! Geesten spreken.
STEM IN DE LUCHT, DIE ZINGT.
Levens Leven! doen uw lippen Niet van liefde uw adem gloeien? Van uw lachjes, voor zij glippen, Brandt de koude lucht,—dan vloeien Ze in die blikken waar wie lazen Zwijmen warrende in hun mazen. Kind van Licht! Uw leden schijnen Door de plooien die ze omspreiden, Als de helle morgenlijnen Door de wolken ongescheiden, Deze hemelsch-teedre glans, Waar ge ook blinkt, omhult u gansch. Schoon zijn andren; geen aanschouwt u. Maar uw stem zacht-lieflijk ruischt er Als de schoonste,—hij onthoudt u Aan 't gezicht, die vloeibre luister,— Ieder voelt, maar ziet u nimmer, Als thans ik, vergaan voor immer! Lamp der Aarde! Uw stralen doopen Oovral donkre vorme' in klaarte, Zielen die gij liefhebt loopen Op de winden zonder zwaarte. Tot zij zwijme' als ik, verslagen, Duizlig, zwijm, doch zonder klagen!
ASIA.
Mijn ziel is een bekoorde kaan, Die als een sluimerende zwaan Drijft op de zilverzee van uw zoet kweelen; Engelgelijk zit de uwe daar Neven het roer geleidend haar, Wijl melodiên door alle winden spelen. Zij drijft, naar 't schijnt, immer, voor immer: De waatren staken 't kronklen nimmer Tusschen ravijnen, bergen, wouden— 't Wildst paradijs dat 'k ooit aanschouwde! Tot, als een die sluimring bond, Naar de' oceaan gedragen 'k neerdrijf in het rond, In diepe zee van klank die eindloos opwaarts bront. Nu heft uw geest in reinste rijken Van zang zijn vleuglen, en zij grijpen Winden, die in dien zaalgen hemel beven; Wij zeilen voort, ver weg, zoo ver, Zonder een koers, zonder een ster, Slechts door den drang van zoeten klank gedreven; Tot ge eindelijk door eilandgaarden, —O schoonste loods!—te schoon voor de aarde, Waar nooit een sterflijk scheepje glijdt, De boot van mijn begeerte leidt; Liefde is wat we aadmen hier, liefde volkomen, Bewegende in den wind en op de stroomen, Makend deze aard gelijk aan 't geen we omhoog ons droomen. Ouderdoms ijzge holen varen Voorbij we, en ruwe donkre baren: Volwassenheid; en de effen zee der Jeugd, Glimlachend maar bedrieglijk; langs den spiegel Der Kindsheid vlieden wij, vol schaûw-gewiegel, Door Dood, Geboorte, naar volmaakter vreugd:— Daar welven zich prieelen tot een Eden, Verlicht door bloemen starend naar beneden, En waterpaden die zich windend spoên Door wildernissen kalm en groen, Bevolkt door wezens, al te stralend klaar Om aan te zien, onverontrust,—bijna als gij voorwaar— Die schrijden op de zee, en zingen wonderbaar!