DERDE BEDRIJF.
Alex. Gutteling translation
EERSTE TOONEEL.
De Hemel. Jupiter op zijn troon, Thetis en de andere Godheden verzameld.
JUPITER.
Gij hemelmachten hier verzaêmd, die deelt De glorie en de kracht van wien gij dient, Verblijdt u! want voortaan ben ik almachtig. Ik onderwierp al 't andre, alleen de ziel Des menschen, dat onuitgebluschte vuur, Brandt nog den hemel tegen, fel verwijtend, Twijflend, weeklagend, in gebed weerstrevend, Ophuilend muiterij, die ons oud rijk Wankelbaar maken kon, al is 't gebouwd Op oudst geloof en vrees, hel's evenouder. En schoon mijn vloeken, gelijk vlok bij vlok De sneeuw op onbegroeide kruinen valt, Dalen door zwevende atmosfeer en kleven Aan haar,—schoon ze in het duister van mijn toorn Stijgt op des levens rotsen stap na stap, Gelijk het ijs den ongeschoeiden voet Haar wondend,—tòch blijft zij de ellende meester, Strevend, niet onderdrukt;—maar weldra valt zij. Juist nu baarde ik een wonder, een vreemd wonder— 't Noodlottig kind, de schrik van de aard, slechts wachtend Tot de bestemde stond verschijnen zal (Dragend van Demogorgons leedgen troon De vreeselijke macht van eeuwge leden, Die ongezien dien schrikbren geest bekleedden) Om, weer gedaald, dien sprankel te vertreden. Pleng 's hemels wijn, o Ida's Ganymeed, Doe hem als vuur de kunstge bekers vullen, En van den bloem-doorweven godenvloer, Verrijs, al-zegevierende muziek, Als dauw van de aard onder der scheemring starren! Drinkt! dat de nectar door uw aadren cirklend De ziel der vreugde zij, gij eeuwge Goden, Tot jublen uitbarst in één wijde stem, Als melodie van de Elyseesche winden. En gij, stijg naast me, omsluierd in het licht Van het verlangen dat u eent met mij, Thetis, o stralend beeld van de eeuwigheid! Toen ge uitriept: "God, niet-te-verduren macht! Spaar me! ik doorsta de snelle vlammen niet, 't Doordringend bijzijn; heel mijn wezen smolt, Als dat van hem die tot een dauw vervloeide Door 't gif van de Numidische haagdis,— Zinkende door zijn grondvest;" toen juist maakten Twee machtge geesten saâm vereend een derden, Machtger dan bei, die onlichaamlijk nu Tusschen ons zweeft, gevoeld schoon niet aanschouwd, En de gestaltenis verbeidt die stijgt (Hoort gij den donder van de vuurge wielen, Snijdend den wind?) van Demogorgons troon. Zegepraal! Zegepraal! Voelt gij niet, wereld! De aardbeving van zijn wagen die de' Olympus Opdondert? (De Wagen van het Uur verschijnt. Demogorgon stijgt af, en gaat naar den Troon van Jupiter). Vreeslijk wezen, spreek! wat zijt gij?
DEMOGORGON.
De Eeuwigheid. Vraag niet een gruwbrer naam. Daal van uw troon en volg me in d'afgrond neer. Ik ben uw kind, als gij Saturnus' kind, Machtger dan gij. En samen moeten wij Voortaan in duister. Licht uw bliksems niet. De dwinglandij des hemels moog' voortaan Niet een zich nemen, krijgen of behouden Na u: doch wilt ge—daar 't het noodlot is Van wormen daar me' op treedt dat ze zich kronklen Totdat ze dood zijn—toon wat ge vermoogt.
JUPITER.
Vloekbre misboorte! zóo dan treed ik u Neer onder diepte van Titanen-holen— Draalt ge nog? O erbarmen! o erbarmen! Geen deernis, geen bevrijding, geen respijt. Maakte mijn vijand ge tot rechter mij, Hemzelf, die hangende aan den Caucasus Door mijn langduurge wraak verdord is—Hij Zou mij niet zóo verdoemen. Is hij niet, De zachte en vreeslooze en rechtvaardige, De koning van de wereld? Wat zijt gìj dan?— Geen toevlucht, geen verhooring! Zink dan mét mij! Verzinken beiden we in de wijde baren Van ondergang, gelijk een gier en slang, Ontkracht, in onontwarbren strijd vervlochten, Neerstorten, in een strandlooze' oceaan. De hel ontsluit' nu haar omwalde zeeën Van stormend vuur, en overstelpe daar In 't boômloos leeg deze verlaten wereld, En u, en mij, verwinnaar en verslaagne, En 't wrak van dat waarom zij streden. Wee! Wee! De elementen zijn mij niet gehoorzaam! Duizelend zink ik neer, eeuwig, voor eeuwig! En, als een wolk, verduistert met zijn zege Mijn vijand van omhoog mijn val! Wee! Wee!
TWEEDE TOONEEL.
(De mond van een groote rivier in het eiland Atlantis. Oceanus is zichtbaar rustend bij het strand, Apollo staat naast hem).
OCEANUS.
Hij viel onder den frons van zijn verwinnaar, Zoo zegt ge?
APOLLO.
Ja, bij 't einde van den strijd, Waardoor de bol dien ik bestuur verduisterd' En 't vast gestarnte trilde, werd de hemel Beschenen door de ontzetting van zijn oog Met bloedrood licht, door dichten flardenzoom Van 't zegepralend duister, wijl hij viel: Gelijk de laatste glans van rooden doodsstrijd Des daags, die door een spleet der vuurge wolken Ver brandt over het storm-doorgroefde diep.
OCEANUS.
Zonk hij naar de' afgrond, naar het donker Leêg?
APOLLO.
Gelijk een aadlaar op den Caucasus Gevangen in een wolk die splijt; zijn vlerken Waarmee de donder spot, in wervelwind Verward; zijn oogen die de zon aanstaarden Zonder verblind te zijn, door 't witte weerlicht Verbijsterd; wijl de zware hagel slaat Zijn worstlende gestalt', die eindlijk zinkt Voorover, en het hemelsche ijs omklemt haar.
OCEANUS.
Voortaan zal 't hemelspieglend zeeëveld— Mijn rijk—opdeinen, door geen bloed bevlekt, Onder de winden die het rijzen doen Als 't graanveld golvende in de zomerlucht; Mijn stroomen zullen rijkbevolkte kusten Omvlieten en gelukkige eilandrijken. En van hun glazen tronen zullen Proteus, De zeeëblauwe, met zijn vochtge nymfen, De schaduw zien van schoone schepen (zoo Zien menschen, hoe de licht-beladen maan: Drijvende bark, saam met die witte ster: Kroon van onzichtbren loods, wordt meegedragen Op zee die ebt: snelle zonsondergang—); Volgend hun pad niet meer door bloed en klachten, Verwoesting, en dooreengemengde stemmen Van slaafschheid en bevel—maar door het licht Van golf-weerkaatst gebloemt, drijvende geuren, Zachte muziek, en vriendelijke en vrije, Zachtmoedge stemmen: lieflijkste muziek, Waarvan de geesten houden.
APOLLO.
En ik zal Niet meer op daden staren die mijn geest Verduisteren met smart, gelijk de eclips Den bol dien 'k leid verdonkert.—Luister! 'k hoor De kleine, klare, zilvren luit waarmee De jonge Geest speelt in de Morgenster.
OCEANUS.
Nu moet gij gaan. Uw paarden zullen rusten Vanavond—tot zoolang zeg 'k u vaarwel. Het luide diep roept mij juist nu naar huis, Om het te voeden met azuren kalmte Uit de smaragden urnen, die voor eeuwig Gevuld, neven mijn troon staan. Zie de Nymfen, Onder de groene zee, 't beweeglijk lijf Gedragen op den wind-gelijken vloed, Haar armen blank boven haar stroomend haar Getild, met kransen bont en sterge kronen Van zeegebloemt, zich haastende om te sieren De vreugde die haar machtge zuster beidt. (Een geluid van golven wordt gehoord.) 't Is de ongeweide zee hongrend naar kalmte. Monster, wees stil; ik kom. Vaarwel.
APOLLO.
Vaarwel.
DERDE TOONEEL.
(De Caucasus. Prometheus, Hercules, Ione, de Aarde, Geesten; Asia en Panthea, in den wagen met de Geest van het Uur.) HERCULES ontboeit PROMETHEUS die neerdaalt.
HERCULES.
Roemruchtigste der Geesten! zoo dient Kracht Wijsheid en Moed en lang-duldende Liefde, En u, die 't wezen zijt dat zij bezielen,— Gelijk een slaaf.
PROMETHEUS.
Uw vriendelijke woorden Zijn zoeter zelfs dan vrijheid, lang begeerd En lang verschoven. Asia, 's levens licht, Afglans van onaanschouwde Schoonheid; gij ook, Lieflijke zusternymfen die 't erinren Dier lange jaren van ellende zoet maakt Door liefde en zorg; nu scheiden wij niet meer. Er is een grot, gansch overgroeid met geurge Kruipende planten, die den dag afsluiten Met blaadren en gebloemte, en geplaveid Met aderig smaragd; en een fontein, Wier klank ontwaken doet, springt middenin. Van het gebogen dak hangen omneer Bevrozen tranen van den berg, als zilver Of sneeuw of lange diamanten spitsen, Waaruit een twijfelachtig schijnsel stroomt. Daar hoort men de altijd-door bewogen lucht, Erbuiten fluisterend van boom tot boom, Vogels en bijen, en in 't rond zijn zetels Van mos; de ruwe wanden zijn bekleed Met lang zacht gras:—'t is een eenvoudge woning, Die de onze zijn zal; waar wij neergezeten Veel zullen spreken over tijd en wissling, Wanneer de wereld ebt en vloedt, doch wij Dezelfden blijven. Want wat zou den Mensch Kunnen vrijwaren voor verandering?— En, wen gij zucht, zal ik glimlachen; gij, Ione, zult zee-melodieën zingen, Totdat ik ween,—dan zal uw glimlach drogen De tranen die zij wekte, nochtans zoet. Wij zullen knoppen, bloemen, en de stralen Die fonklen aan den zoom van de fontein Verwinden, en tot vreemde vormen vlechten 't Gewone, als kleine menschenkindren doen In korte onschuldigheid. Wij zullen zoeken Met blikken en met woorden onzer liefde Naar schuilende gedachten, elke schooner Dan de voorafgegane, in onze zielen, Nooit uitgeput; en gelijk luiten bevend Onder 't bespelen van verliefden wind, Hemelsche harmonieën, altijd nieuw, Uit lieflijke verscheidenheid, waar nooit Oneenigheid kan zijn, tesamenweven. En hierheen komen, op bekoorde winden Die van elk hemeleind elkaar ontmoeten (Als bijen die van iedre bloem, gevoed Door 't hemelsche Enna, bij hun eigen huizen Op 't eiland Himera tesamenkomen) De echo's aansnellen van de menschenwereld, Die spreken van de zachte stem der Liefde, Schier ongehoord, en van 't gemurmeld leed Van Medelij duif-oogig, en Muziek, Zelf de echo van het hart,—al wat het leven Des menschen, vrij nu, zachter, beter maakt. En lieflijke verschijningen, eerst scheemrig, Dan stralend,—als de geest, helder ontrijzend Schoonheids omhelzing (daarvandaan de vormen Waar deze 't schaduwbeeld van zijn) haar kleedt In stralenbundels—die zijn werklijkheid,— Zullen daar tot ons komen; het onsterflijk Nakroost van Schilderschoon en Beeldhouwkunst En opgetogen Poëzie, en andre, Die zullen zijn, schoon wij niet weten hoe. Zwervende stemmen zijn ze en schaduwen Van al wat 't menschdom past, bemiddelaars Van liefde—'t beste dat men eeren kan— Door hen en ons geschonken en beantwoord; Snelle gestalten en geluiden, schooner En zachter naar de mensch wijs wordt en teeder, En kwaad en dwaling storten, floers na floers. Dat is 't vermogen van de grot en 't oord. (Zich wendend tot de Geest van het Uur.) Voor u, lieflijke Geest, rest nog éen arbeid, Ione, geef haar die gebogen schelp, Die de oude Proteus gaf als bruidsgeschenk Aan Asia, ademend een stem daarin, Die zal verwerklijkt worden,—en die gij Verborgt in gras onder de holle rots.
IONE.
Gij van alle Uren meest begeerde, meer Bemind en minnenswaard dan al uw zusters, Dit is de tooverschelp. Zie 't bleek azuur Dat overgaat in zilver, het bedekt haar Inwendig met een zacht maar gloeiend licht: Schijnt het geen zwijgende muziek daar sluimrend?
GEEST.
Waarlijk, het schijnt de mooiste schelp der zee; Haar klank moet tegelijk zoet zijn en vreemd.
PROMETHEUS.
Ga, door uw wervelwind-voetige paarden Over de steden van den mensch gedragen; Snel nu nog eens rondom de ronde wereld De zon voorbij, en blaas, terwijl uw wagen De ontgloeide lucht klieft, in die bochtge schelp, Zoodat haar machtige muziek bevrijd wordt: 't Zal zijn als donder, menglend met klare echo's. Kom dan terug, en woon naast onze grot. En gij, o Moeder Aarde!—
DE AARDE.
Ik hoor, ik voel. Uw lippen raken mij, en hun beroering Stroomt langs mijn zenuwen van marmer neer Tot, middenin, het diamanten duister; 't Is leven, vreugd,—en door mijn oud, verwelkt En ijzig lijf schiet nu in kringloop weer De warmte van onsterfelijke jeugd. Voortaan zullen de vele schoone kindren, Omstrengeld in mijn leven-gevende armen, Alle gewassen, kruipende gedaanten, Insecten regenboog-gevleugeld, vogels, Dieren, visschen en menschlijke gestalten, Die ziekte en pijn mijn droge borst ontzogen Drinkend het gif van wanhoop,—van mij krijgen En onderling uitwisselen zoet voedsel. Als zuster-antilopen zullen zij Mij worden, die éen schoone moeder voedt, Sneeuwblank en snel gelijk de wind, waar 't wemelt Van lelies naast een boordevollen stroom. De dauwge mist van mijn zonloozen slaap Zal onder het gestarnt als balsem vlieten, 's Nachts opgevouwen bloemen zullen zuigen Terwijl zij rusten onverwelkbre kleuren; Wijl mensch en dier in blijden droom zal zaamlen Kracht voor den dag die komt en al zijn vreugd. Dood zal de laatste omhelzing zijn van haar Die 't leven dat zij schonk herneemt: een moeder Die spreekt, haar kind omarmend: "Blijf thans bij me."
ASIA.
O moeder! waartoe noemt den naam des doods gij? Houden zij op te lieven, te bewegen, Te ademen en te spreken, zij die sterven?
DE AARDE.
Wat zou het baten of 'k u antwoord gaf? Gij zijt onsterflijk, en dees taal verstaan Enkel de doôn die nooit iets mededeelen. Dood is de sluier dien de levenden Het leven noemen, en een slaap bevangt hen, Dan wordt hij opgetild. En onderwijl Zullen in lieflijke verscheidenheid De lieflijke seizoenen, met hun buien Van regenboge' omboord, en geurge winden; En lange blauwe meteoren zuivrend Den doffen nacht; en pijlen, die het leven Ontbranden doen, van de al-klievende boog Der helle zon; en dauw-vermengde regen Van kalme manestralen, zacht van werking,— De wouden en de velden kleeden—ja, De rots-gebouwde woestenijen zelfs Van 't naakte diep—met steeds-levende blaadren, En vruchten, en gebloemt.—En gij! Er is Een grot waaruit mijn ziel zich opwaarts zuchtte In foltring, wijl uw pijn mijn hart verdwaasde. Zij die haar aêmden werden ook verdwaasd, En bouwden daar een tempel, en zij spraken Orakeltaal, en lokten de misleide Volken in 't rond tot wederkeergen krijg, En trouweloosheid, gelijk Jupiter U heeft betoond. Die adem rijst ook nu, Maar als violengeur in het hooge onkruid, Vullend met klaarder licht en roode lucht, Hevig doch zacht, de rotsen en de wouden In 't rond. Hij voedt den snel-groeienden wijnstok, Slangachtig kronklend, en de donkre klimop, Vast aan elkaar wild vlechtende, en de bloesems, Knoppend, ontbloeid, of welkende van geur, Die wen de wind erdoor stroomt hem besterren Met stippen kleurig licht; en heldre gouden Vruchtbollen, hangende in hun eigen hemel, Die groen is; en, door aderige blaadren En amberkleurge stengels, het gebloemt Welks purpren en doorschijnge bekers altijd Te schuimen staan van hemeldauw, den drank Van geesten. En hij kringt in 't rond, gelijk Van middagdroomen zacht-wuivende wieken, Kalme en gelukkige gedachten wekkend, Gelijk de mijne, nu ge in eer hersteld zijt. Dees grot zal de uwe zijn.—Verrijs! Verschijn! (Een Geest rijst op in de gedaante van een gevleugeld kind.) Dit is mijn fakkeldrager, die zijn lamp In ouden tijd liet uitgaan door te staren Naar oogen, waar opnieuw hij haar ontstak Aan liefde, die als vuur is, dochterlief, Want die in de uwe is zoo.—Loop, koppige jongen, Leid dit gezelschap langs den top van Nysa, Den Bacchus-berg, waar de Maenaden huisden, Voorbij den Indus en schatplichtge stroomen Tredend de bergriviere' en glazige meren Met voeten onbevochtigd, onvermoeid, En nergens poozend; dan het groen ravijn op, Dwars door het dal, naast den kristallen vijver, Waarop geen wind waait en waar altijd stil Het door geen golven uitgewischte beeld Ligt van een tempel op den top gebouwd, Duidelijk zichtbaar met zijn kapiteelen Als palmen, architraven, zuilen, bogen, En overal bewerkt en weemlend van Het levendst beeldwerk, zoo Praxiteles Eens schiep, wier marmeren geglimlach vult Met eeuwge liefde de gestilde lucht. Hij is verlaten nu, maar eenmaal droeg hij Uw naam, Prometheus. Daar werd u tot eer Door de naijverige jonglingschap De lamp—uw zinnebeeld—door 't heilig duister Gedragen; eevnals zij die door den nacht Van 't leven naar het graf de toorts der hoop, Die zij niet afstaan, torsen; eevnals gij Die hebt gedragen—schoonste zegepraal!— Naar dit ver doel der Tijden.—Gaat. Vaartwel. De grot, voor u bestemd, ligt naast dien tempel.
VIERDE TOONEEL.
(Een bosch. Op den achtergrond een grot. Prometheus, Asia, Panthea, Ione, en de Geest van de Aarde.)
IONE.
Zuster, hij is niet aardsch! Zie hoe hij glijdt Onder de bladeren! hoe op zijn hoofd Een lichtschijn brandt gelijk een groene ster Wier stralen van smaragd vervlochten zijn Met zijn blond haar! hoe, als hij gaat, de glans In vlokken op het gras valt. Kent gij hem?
PANTHEA.
Het is de fijne geest, die de aard geleidt Door 't hemelruim. De volkrijke gesternten Noemen, van ver, dat licht het lieflijkste Van de planeten;—en somwijlen ook Vliegt over 't schuim hij van de zoute zee; Of maakt zijn wagen van een mistge wolk; Of wandelt door de velden of de steden Terwijl het menschdom slaapt, of over toppen Van bergen, of stroomafwaarts op rivieren, Of door de groene, woeste wildernis, Als thans, verbaasd om al wat hij aanschouwt. Voor Jupiter regeerde, minde hij Ons beider zuster Asia; elk vrij uur Kwam hij om uit haar oogen 't vochtig licht Te drinken, waar hij zóo naar dorstte, zei hij, Als een die door een dipsas werd gebeten; Hij schonk aan haar zijn kinderlijk vertrouwen En al wat hij te weten kwam of zag (Want hij zag veel, maar wat hij zag verklaarde Hij vaak verkeerd) vertelde hij aan haar, En noemde haar—want hij wist evenmin Als ik zijn afkomst—"moeder, lieve moeder."
DE GEEST V. D. AARDE.
(op Asia toesnellend). Moeder, o moederlief, mag 'k dan weer spreken Met u, als ik gewend was? Mag 'k mijn oogen In uw zachte armen bergen, als uw blikken Ze moe van vreugde maakten? Mag 'k dan spelen Naast u, den langen middag, wen geen werk Te doen valt in de heldre stille lucht?
ASIA.
Ik min u, teederst wezen, en voortaan Zal u te koestren mij niet éen misgunnen. Toe, spreek: uw simple taal die eens mij troostte, Vervult mij nu met blijdschap.
DE GEEST V. D. AARDE.
Ik ben wijzer Geworden, moeder (schoon een kind niet zóo wijs Kan zijn als gij) vandaag, en ook gelukger. Gelukkiger en wijzer allebei. Gij weet, dat padden, slangen, vieze wormen, Vergiftige en kwaadaardige gedierten, En takken, schadelijke bessen dragend, In 't woud, mij altijd stoorden bij mijn tochten Over de groene wereld, en dat ook, Waar 't menschdom woont, mannen met hard gelaat, Of trotsche en booze blikken, of met kouden En starren gang, of valschen, hollen glimlach, Of dommen grijns van ijdle onwetendheid, Of andre leelke maskers waarmee slechte Gedachten 't schoone wezen dat wij geesten Mensch noemen, gansch verbergen,—en ook vrouwen, Afzichtelijkst van al wat leelijk is (Schoon lieflijk, in een wereld zelfs waar gij Liefelijk zijt, wen zij oprecht en vrij, Vriendlijk en goed zijn, dus op u gelijken), Wanneer zij valsch of stuursch zijn,—als 'k voorbijging Ofschoon zij sliepen en 'k onzichtbaar bleef— Mijn hart ziek maakten.—Nu, mijn pad leidde onlangs Dwars door een groote stad naar bosschige heuvels Die haar omringden, en een schildwacht vond ik Sluimerend aan de poort; toen er opeens Een klank gehoord werd, zoo geweldig luid, Dat in het manelicht de torens trilden, Doch zoeter dan ooit stem, behalve de uwe, Die 't allerzoetst is, klonk; een lang geluid, Zoo lang, alsof het nimmer eindgen zou; En al de inwoners sprongen plotseling Op uit hun rust, bijeengaande in de straten, Verwonderd opziend naar den hemel, wijl Nog altijd de muziek voortgalmde. Ik borg mij In een fontein op 't openbare plein, Waar 'k lag als de weerspiegling van de maan Gezien in 't water onder groene blaadren. En weldra vloeiden die onschoone vormen En aangezichten van de menschen heen,— Waarvan ik zei dat zij mij leed aandeden—, De lucht door, en verwelkend in de winden Die ze verstrooiden, zij van wie zij weken Schenen zachtmoedge, lieflijke gedaanten Nadat een leelijke vermomming viel. En allen waren eenigzsins veranderd, En na kortstondige verwondering En groeten blij-verbaasd, gingen zij allen Weer slapen.—En, toen 't daagde,—kondt gij denken Dat padden, slangen, salamanders, ooit Schoon konden zijn? En toch waren zij schoon,— Met weinig wijzging van hun vorm of kleur. En alles had zijn slechten aard verloren. Ik kan mijn vreugd niet zeggen, toen ik zag Boven een meer, op een gebogen twijg Omrankt van nachtschaduw, twee blauwe ijsvogels, Hangende naar omlaag en etend van Een heldre tros van amberkleurge bessen Met snelle lange snavels, en in 't diep Zag ik die lieflijke gestalten spieglen, Als in een hemel. Zoo, met mijn gedachten Vol van die heerlijke veranderingen, Vinden we elkaar—zoetste verandring!—wêer.
ASIA.
En scheiden nimmer, tot uw kuische zuster, Die de bevrozen, wisselende maan leidt, Op uw gelijker, warmer licht zal zien Totdat haar hart ontdooit, als vlokken van Aprilsneeuw, en ze u liefheeft.
DE GEEST V. D. AARDE.
Wat, als Asia Prometheus liefheeft?
ASIA.
Stil, lichtzinnige jongen, Je bent nu nog niet oud genoeg. Wat denk je, Door 't staren in elkanders oogenlicht, Je lieve wezens te vermenigvuldgen En den maanloozen hemel te doen weemlen Van vuurge bollen?
DE GEEST V.D. AARDE.
Moeder, als mijn zuster Haar uitgebrande lamp verzorgt, is 't dan Niet hard dat 'k duister zijn moet?
ASIA.
Luister; zie! (De Geest van het Uur verschijnt.)
PROMETHEUS.
Wij voelen wat gij hoorde en zaagt; maar spreek!
DE GEEST VAN HET UUR.
Na 't eindgen van den klank, wiens donder vulde De afgronden van de lucht en de wijde aarde, Was er weldra verandering: de ontastbre, Dunne atmosfeer en 't al-omrondend zonlicht Werden vervormd, alsof 't gevoel van liefde Daar opgelost, zich om de ronde wereld Gewikkeld had. Mijn oog werd helder toen, En de heelal-geheimen kon 'k doorzien. Duizelig als van wellust zweefde ik neer, Waairend de heldre lucht met loome vlerken. Mijn paarden zochten in de zon het oord Van hun geboorte, waar zij voortaan vrij Van arbeid zullen leven, bloemen grazend Van een plantaardig vuur; en waar mijn wagen, Gelijk de maan, zal staan binnen een tempel, Bestaard door beelden, als van Phidias,— Van u, en Asia, en van de Aarde, en mij, En u, lieflijke nymfen, die de liefde Die wij gevoelen in uw blikken draagt,— Als een gedachtnis van de tijdingen Die hij gedragen heeft,—onder een koepel, Versierd met beitelwerk dat bloemen nabootst, In evenwicht op twalef zuilen van Schittrend gesteent, en open naar den hemel, Die hel en lieflijk is. Daaraan geboeid Door een aan beide zijden in een kop Eindgenden slang, zal 't beeld dier vleugelpaarden Den spoed waarvan zij rusten als bespotten. Helaas! waarheen zwierf mijn eenzijdig praten, Wijl al wat gij woudt hooren ongezegd blijft? Zooals ik zeide, vloog ik neer naar de aard: Het was, als 't nù nog is, de bijna pijn Lijkende zaligheid van te bewegen, Te aadmen, te zijn. En zwervend ging ik naar De huizen en verblijven van het menschdom, En was in 't eerst teleurgesteld, daar 'k nergens Zoo machtgen omkeer zag als ik gevoeld had Vanbinnen, uitgedrukt in het uitwendge. Maar weldra zag 'k nauwlettender, en zie! De tronen waren koningloos, en menschen Zag 'k schrijden met elkaar als geesten doen. Niet een die kroop, niet een die trapte; haat, Minachting, vrees, zelf-liefde of zelf-versmading Stonden op 't menschenhoofd niet meer geschreven, Als op de hellepoort: "Laat alle hoop Varen, gij die hier intreedt."—Geen was toornig, Geen beefde, niemand staarde naar eens andren Koud en bevelend oog met felle vrees, Tot het slachtoffer van tyrannenwil Veracht werd (erger noodlot!) door zijn eignen, Die hem ter dood spoorde als een krachtloos paard. Geen boog zijn mond in lijnen die de waarheid Verstrikten en den leugen die zijn tong Niet wilde spreken door een glimlach uitten. Geen die met harden grijns in 't eigen hart De sprankelen vertrad van liefde en hoop, Tot daar die bittere asch bleef van een ziel Die door zichzelf verteerd is, en de ellendge Gelijk een vampier onder 't menschdom kroop, Alles besmettend met zijn leelke kwaal. Geen sprak die algemeene, valsche, koude, Ledige praat die het hart ontkennen doet Het ja dat 't ademt, en die nochtans maakt Dat het die ongemeende huichlarij Nog ondervraagt met naamloos zelfmistrouwen. En vrouwen ook, oprecht, vriendlijk en schoon, Gelijk de vrije hemel die frisch licht En dauw op de wijde aarde regent, zag 'k Voorbijgaan,—stralende, lieftalge wezens, Gezuiverd, vrij, van der gewoonte smet, De wijsheid die zij eens niet konden denken Uitsprekend, en gevoelens die zij eens Vreesden te voelen in haar blikken dragend, Tot alles wat zij eens niet dorsten zijn Veranderd,—nu zij 't waren, maakten zij Van de aarde een hemel. Trots, naijver, nijd, Noch valsche schaamte, bitterste dier droppen Van opgespaarde gal, bedierven meer Den zoeten smaak van de nepenthe, liefde. Tronen, altaren, kerkers, rechterzetels, Waarop, waarnaast, ellendelingen droegen Schepters, tiara's, zwaarden, ketens, boeken Beredeneerd onrecht, gevleid door domheid,— Waren gelijk die monsterlijk-barbaarsche Gestalten, geesten van vergeten roem, Die van hun onversleten obelisken Staren in zegepraal over paleizen En tomben van wie hun verwinnaars waren, Rondom vergaande. Die verbeeldden ook— Hoogmoed van koningen en priesters wekkend— Een donker, sterk geloof, een macht zoo wijd Als het door haar verwoeste deel der wereld, En wekken thans niets dan verbazing meer. Zoo staan ook de symbolen en werktuigen Der laatste slavernij van 't menschgeslacht Tusschen de woningen der volkrijke aard, Niet omgeworpen, maar door geen beschouwd. En al die slechte wezens, god en mensch Tot walging; onder meengen naam en vorm, Vreemd, woest, spookachtig, duister en afschuwlijk, Jupiter zijnde, de tyran der wereld,— En die de volken, angst-geslagen, dienden Met bloed en harten door langduurge hoop Gebroken, en met liefde die zij sleurden Voor hun bezoedelde, onversierde altaren En moordden, waar de menschen tranen weenden Niet weer-opeischend, vleiend wat zij vreesden— Een vrees die haat was—, toornen, snel vergaand, Over hun leedge heiligdommen thans. 't Gekleurde floers—leven genoemd door hen Die wáren—dat al 't geen de mensch geloofde Of hoopte, nabootste, als met ijdle kleuren, Is weggescheurd. Het walglijk masker viel. De mensch blijft over,—schepterloos en vrij, Zonder beperking mensch: allen gelijk, En niet verdeeld in klassen, stammen, volken, Vrij van ontzag, vereering, stand, en koning Over zichzelf, rechtvaardig, zacht en wijs, Maar mensch. Hartstochteloos? dat niet,—maar vrij Van schuld of leed—die wáren, want zijn wil Schiep of verduurde ze; en nog niet bevrijd Van kans, verandring, dood, ofschoon als slaven Die trits beheerschend,—zware aanhangsels nog Van dat wat anders hooger stijgen zou Dan verste ster van de' onbeklommen hemel, Torenend scheemrig in 't geweldig Leêg.