EERSTE BEDRIJF.
Alex. Gutteling translation
PLAATS:
Een ravijn van ijsrotsen in den Indischen Caucasus. Prometheus is zichtbaar, aan de steilte gebonden. Panthea en Ione zijn aan zijn voeten gezeten. Tijd: nacht. Gedurende het tooneel breekt langzaam de morgen aan.
PROMETHEUS.
Monarch van Goden, Demons, alle Geesten— Op Een na—waar die werelden van weemlen, De stralend-wentlende, door u en mij Alleen van al wat leeft met slaaplooze oogen Aanschouwd! Zie hoe deze aard krielt van uw slaven Die gij voor knieval, prijs, gebed, gezwoeg En offrand van gebroken harten loont Met vrees en zelfverachting, hooploosheid; Terwijl gij, blind in haten, mij uw vijand Deedt heerschen, triomfeeren, u tot hoon, Over mijn rampspoed en uw ijdle wraak. Drieduizend jaar van uren onbeschermd Door slaap, en oogenblikken steeds gekloofd Door felle pijnen, tot zij jaren schenen, Foltring en eenzaamheid, wanhoop en smaad, Die zijn mijn rijk:—eindloos roemruchtiger Dan de gebieden, die gij overschouwt Van onbenijden troon, o Machtge God! Almachtig, had de schande ik willen deelen Dier snoode dwinglandij, hing ik niet hier Genageld aan dees bergwand aadlaar-tartend, Zwart, wintersch, dood, onmeetlijk; zonder kruid, Insect of beest, vorm of geluid van leven. Wee mij! helaas! pijn, pijn, eeuwig, voor eeuwig!
Geen wissling, rust noch hoop! Toch houd ik vol. Ik vraag aan de Aard, voelden de bergen 't niet? Ik vraag den Hemel, heeft de alziende Zon Dit niet gezien? De Zee, in stilte of storm, 's Hemels nooit eendre Schaûw omlaag-gespreid, Hoorden haar doove golven niet mijn nood? Wee mij! helaas! pijn, pijn, eeuwig, voor eeuwig!
Gletschers, aansluipende, doorboren mij Met speren van kristal in maan bevrozen; De helle ketens vreten me in 't gebeent Met kou die brandt; 's Hemels gevlerkte hond, Met gif niet van hemzelf, van uwe lippen, Zijn bek bezoedelend, verscheurt mijn hart; En vormlooze gezichten zwerven aan, Spookge bevolking van het droomenrijk, Spottend met mij; de Aardbeving-demons moeten De spijkers uit mijn sidderende wonden Loswringen, wen de rots splijt en weer sluit; Wijl uit hun luide afgronden huilend zwermen Stormgeesten, 't razen van den wervelwind Opzweepend, treffend mij met scherpen hagel. En toch, hoe welkom zijn mij nacht en dag, 't Zij voor den een de morgenrijp verdwijnt, 't Zij sterrig, donker, langzaam, de ander stijg' In 't loodblauw Oosten; want dan leiden zij De wiekloos-kruipende Uren, waarvan een— Gelijk een sombre priester 't weigrig offer— U, wreede koning, sleuren zal om 't bloed Te kussen van dees voeten bleek, die dan U trappen konden, als zoo'n slaaf in 't stof Niet werd veracht door hen. Verachten! Neen! 'k Heb medelij met u. Welk een verwoesting Jaagt onbeschermd u dan door wijden hemel! Hoe zal uw ziel, van schrik ten kern gespleten, Hel-gelijk in u gapen! 'k Spreek in leed, Niet juichend, want ik haat niet meer, als toen, Eer 'k door ellende wijs werd. 'k Zou den vloek, Eens geâdemd over u, herroepen willen. Gij Bergen, wier veelstemmige Echo's wierpen Door mist van cataracten 't dondrend doemwoord! Gij ijzge Bronnen, stijf, rimplig bevrozen, Die trildet toen gij 't hoordet en dan kroopt Siddrend door Indië! Gij puurste Lucht, Waardoor de Zon schrijdt brandend zonder stralen! En snelle Wervelwinden gij, die hingt Op evenwichtge vlerken stom, beweegloos, Boven verstilden afgrond, toen een donder Luider dan die van u, de ronde wereld Schokte! Als mijn woorden toen een kracht bezaten, Schoon 'k zoo veranderd ben, dat in mij stierf Iedere kwade wensch, en 'k niet meer weet Wat haat is,—laat hen thans niet krachtloos zijn! Hoe was die vloek? gij allen hoordet mij.
EERSTE STEM, VAN DE BERGEN.
Driemaal drieduizend keer honderd jaren Staande boven Aardbevings bed, Trilden onze tallooze scharen Vaak als menschen vrees-ontzet:—
TWEEDE STEM, VAN DE BRONNEN.
Bliksemstralen zengden ons water, Door bitter bloed werden we ontwijd, Tusschen moordkreten zweeg ons geklater In een stad en een eenzaamheid:—
DERDE STEM, VAN DE LUCHT.
Ik die sinds de Aard verrezen is kleedde Verwoesting in kleuren, haar eigen niet, Voelde dikwijls mijn zuiveren vrede Splijten door scheurende kreet van verdriet:—
VIERDE STEM, VAN DE WERVELWINDEN.
Ons die beneden dees bergen vlogen Rustlooze eeuwen, hadden de dondren, Vulkanen die vlammenfonteinen spogen, Of welke macht ook van boven of ondren, Nimmer verstomd in verwondren:—
EERSTE STEM.
Maar nooit, nooit boog onze sneeuwige kam, Als toen ze de stem van uw smart vernam.
TWEEDE STEM.
Nimmer tevoren droegen wij Naar de indische golven zulk een schrei. Een loods in slaap op het huilende diep Sprong op van het dek in wanhoop en riep Toen hij het hoorde: "o wee mij, wee!" En stierf ontzind als de wilde zee.
DERDE STEM.
Nooit mijn stil rijk zoo vreeslijke kreten Van de Aarde tot den Hemel doorspleten: Toen de wond was gesloten, stond er een gloed Duister over den dag als bloed.
VIERDE STEM.
En wij schrikten terug: verwoestingsvizioenen— Wij vliênd naar ijsholen—vervolgden ons toen en Deden ons zwijgen—zuchten—zacht— Zwijgen, door ons een hel geacht.
DE AARDE.
Der rotsge heuvlen spraaklooze Spelonken Schreeuwden toen: "Wee!", de holle Hemel riep Tot antwoord: "Wee!", der Zee purperen golven Bestegen 't land, huilden 't zweepende winden Tegen, de bleeke volken hoorden 't: "Wee!"
PROMETHEUS.
'k Verneem geluid van stemmen, niet de stem Die klonk uit mij. Moeder, gij en uw zonen Hoont hem zonder wiens al-doorstaanden wil Onder de wreede almacht van Jupiter Niet zij alleen, ook gij vergaan zoudt zijn Als dunne mist, op morgenwind ontrold. Kent gij mij niet, den Titan? hem, die tegen Uw anders al-veroverenden Vijand Zijn lijden slagboom zijn deed? O in rotsen Schuilende weiden, sneeuw-gevoede stroomen,— 'k Zie u heel diep dwars door bevrozen dampen— Door wier beschaduwende wouden 'k eens Met Asia liep, het leven drinkend uit Haar dierbaar oog; waarom versmaadt de geest Die u bezielt, nu het verkeer met mij, Met mij alleen die intoomde, als wie demon- Getrokken voerman stuit, de kracht en valschheid Van hem die oppermachtig heerscht, en vult Daldiepte en waterige wildernissen Met kreten van rampzaalge slaven? Broeders, Antwoordt gij nóg niet, hoe?
DE AARDE.
Zij durven 't niet.
PROMETHEUS.
Wie durft? Want ik begeer dien vloek te hooren. Ha! welk een vreeselijk gefluister stijgt! 't Lijkt nauwlijks klank: het tintelt door het lijf Als bliksem tintelt, aarzlend eer hij slaat. Spreek, Geest! want door uw lichaamlooze stem Weet ik alleen dat gij mij nader komt, En liefhebt. Hoe vervloekte ik hem?
DE AARDE.
Hoe kunt gij, Die niet de taal der dooden kent, het hooren?
PROMETHEUS.
Gij zijt een geest die leeft, spreek zooals zij.
DE AARDE.
'k Durf niet als 't leven spreken, want des Hemels Grimmige Vorst zou 't hooren, aan een rad Van pijn zou hij mij kluistren, foltrender Dan dat waarop ik wentel. Gij zijt wetend Zoowel als goed, en schoon de Goden niet Deze stem hooren—gij zijt meer dan God: Vriendlijk en wijs zijnd,—hoor aandachtig nu.
PROMETHEUS.
Donker gaan door mijn brein, als doffe schaduwen Gruwbre gedachten, snel en dicht opeen. Ik voel me of ik bezwijm, als wie in liefde Vereenend zich omstrenglen, maar geen vreugd is 't.
DE AARDE.
Neen, gij kunt niet verstaan: gij zijt onsterflijk, Dees taal is enkel stervelingen bekend.
PROMETHEUS.
En wat zijt gij, o weemoed-volle Stem?
DE AARDE.
'k Ben de Aard, uw moeder, in wier steenen aadren Tot 't laatste nerfje van den hoogsten boom, Wiens dun geblaart trilde in de ijskoude lucht, Vreugd stroomde, als bloed stroomt in een levend lijf, Toen gij haar schoot gelijk een gloriewolk Ontreest—een wezen van geweldge vreugd! En bij uw stem hieven haar kranke zonen 't Gebogen hoofd op van 't bezoedlend stof; En onze almachtige Tyran werd bleek Van felle vrees,—totdat zijn donder hier U vastklonk. Toen,—zie die millioenen werelden Rondom ons brandend, wentlend,—hun bewoners Zagen mijn ronde licht in wijden hemel Slinken; de zee hief zich in vreemden storm; Nieuw vuur uit helle sneeuwgebergten, die De aardbeving spleet, schudde zijn dreigend haar Onder gefronsden hemel; bliksem, vloed, Kwelden de vlakten; blauwe distels bloeiden In steden, voedsellooze padden kropen Zuchtend in weelderige kamers rond, Toen Pest en Honger mensch, beest, worm beviel; En zwart bederf planten en boomen; 't koren, De wijnstok, 't weidegras, krielde van onkruid, Ondelgbaar, giftig, en hun groeikracht zuigend,— Want mijn vervallen borst was droog van leed; De dunne lucht, mijn adem, was bezoedeld Met de besmetting van een moeders haat, Dien ze op den pijniger aêmde van haar kind. Ja, 'k heb dien vloek gehoord, dien, moogt dan gij Hem kwijt zijn, mijn tallooze zeeën, stroomen, Bergen, holen en winden, wijde lucht, En 't onverstaanbaar doodenvolk, bewaren;— Gelijk een schat is die bezwering ons, Wij overpeinzen in geheime vreugd En hoop die vreeselijke woorden, maar Durven ze niet te spreken.
PROMETHEUS.
Waardge Moeder! Alle andre levenden die lijden, krijgen Van u eenge vertroosting: bloemen, vruchten, Blijde geluiden, liefde—al vliedt die snel. Dit 's niet voor mij:—mijn eigen woorden,—'k smeek u. Weiger die niet aan mij.
DE AARDE.
Gij zult ze hooren. Eer Babylon tot puin verging, ontmoette Mijn doode zoon, de Magiër Zoroaster, Zijn eigen beeltnis wandlend in den tuin. Hij enkel zag van 't menschdom die verschijning. Want weet, twee werelden bestaan, van leven En dood:—een, die ge aanschouwen kunt, maar de andre Is onder 't graf, daar, waar de schimmen wonen Aller gedaanten met gedachte en leven, Tot dood hen eent en nimmermeer zij scheiden; Droomen, lichte verbeeldingen der menschen, Al wat geloof schept of wat liefde hoopt, Vreeslijk, verheven, vreemd en schoon van maaksel. Daar zijt ook gij, en hangt, wringend een schim, In wervelwind-bevolkte bergen. Al De Goden zijn daar; al de Machten van Naamlooze werelden, reusachtge schaduwen, Geschepterd, en heroën, menschen, dieren; En Demogorgon, een schrikwekkend Duister; En hij, de Opper-Tyran, zit op zijn troon Van brandend goud. Zoon, een van hen zal uiten Den vloek dien ieder kent. Roep wien gij wilt, Uw eigen geest, den geest van Jupiter, Hades of Typhon, of wat machtger Goden Uit over-vruchtbaar Kwaad, sinds uw verderf, Rezen en trapten mijn geknielde zonen. Vraag, en zij moeten antwoorden: de wraak Des Hoogsten raze dan door holle schaduwen, Als regenwind door de verlaten poort Van een verwoest paleis.
PROMETHEUS.
Moeder, dat niets Van wat misschien verkeerd is weer mijn lippen Ontga, of die van iets dat mij gelijkt. Schaduw van Jupiter, verrijs, verschijn!
IONE.
Mijn wieken vouwde ik voor mijn ooren, Mijn wieken kruiste ik voor mijn oogen,— Toch zie 'k door zilveren schaduwbogen, Toch kan ik door sussende veedren hooren,— Een Schim, een klankenzwerm. Nadere u geen onheil nu, O veel-doorwonde, ocharm, Bij wien we, ons Zusterlief ten troost, Slapeloos waken onverpoosd.
PANTHEA.
't Geraas is van vuur, van wervlend geblaas Onder de aarde, van bergen die scheurend beven, De schim is vreeslijk als 't geraas. In donker purper, sterren-doorweven. Een schepter van bleek goud, Die zijn stappen schraag', trotsch over wolken traag, Zijn hand, de dooraderde, houdt. Wreed, maar toch kalm en sterk hij ziet, Als wie onrecht doet, maar lijdt het niet.
SCHIM VAN JUPITER.
Waartoe werd ik, een broze en ijle schaduw, Door dezer vreemde weerld geheime machten Hierheen gedreven op de wildste stormen? Wat ongewone klanken zweven er Op mijnen mond, een andre stem dan die Waarmee ons bleeke ras spookachtig spreekt In duister?—Trotsche lijder, wie zijt gij?
PROMETHEUS.
Ontzachlijke verschijning! gelijk gij zijt Moet hij zijn dien ge afschaduwt. 'k Ben zijn vijand, De Titan. Spreek de woorden die 'k wou hooren, Schoon geen gedachte uw leege stem beziel'.
DE AARDE.
Luistert! wel moet uw echo stom zijn, grijze Bergen, orakelholen, geestenbronnen, Stroomen rond eilanden, en oude wouden,— Verblijdt u hoorend wat gij niet kunt spreken!
DE SCHIM.
Mij grijpt een geest, die binnen in mij spreekt: Hij scheurt me als vuur een donderwolk verscheurt.
PANTHEA.
Zie hoe zijn machtge blik zich heft! de hemel Donkert omhoog!
IONE.
Hij spreekt! Wil mij beschermen!
PROMETHEUS.
Ik zie den vloek, in trotsch en koud gebaar, Blikken van vaste uitdaging, kalme haat en Wanhoop die met zichzelf glimlachend spot, Geprent als op een rol. Maar spreek, o spreek!
DE SCHIM.
"Duivel, ik daag u uit! kalm, vast van geest,— Zooveel gij slaan kunt bid ik u te slaan; Booze Tyran, door god en mensch gevreesd, Eén eénig wezen zult gij niet verslaan! Regen uw plagen altemaal, Krankzinnige angst, spookachtige kwaal Op mij, laat wisslend vorst en gloeden Knagen in mij, en zij uw woede Bliksem, snijdende hagel, tallooze vormen Van Furiën drijvend aan op wonden-slaande stormen!
"Ja, doe het ergste, almachtige! over 't al Behalve uzelf en mijn wil gaf 'k u macht! Zend uit dien hemeltoren 't talloos tal Onheilen snel, verzengend 't menschgeslacht. Dat uw boosaardge geest omzweef' In duister wie 'k mijn liefde geef: 'k Wil dat gij mij en de mijnen slaat Met de uiterste pijniging van uw haat; Zoo wijd 'k aan foltring, door geen slaap verdoofd, Zoolang gij heerscht omhoog dit nimmer-zinkend hoofd.
"Maar gij, die God en Heer zijt! Gij wiens ziel Vervult dees weerld van wee, Vijand die heerscht: Buigt niet in eerbied of in bang gekniel Voor u elk ding van heem'l en aarde om 't zeerst? Ik vloek u! Als berouw omgrijp' Eens lijders vloek zijn beul, en nijp', Totdat uw eindloosheid een kleed Gelijke van vergiftigd leed, En tot uw almacht zij een kroon van pijn, Klemmend als brandend goud rondom uw smeltend brein! "In naam van dezen Vloek staaple gij tal Van zonden op uw ziel, wees 't goede ziend Verdoemd dan, bei oneindig als 't heelal, Gij en uw eenzaamheid, zelf-pijnging biênd! Nog zit ge, een vreeslijke figuur Van kalme macht, maar kome t' uur, Waarin zal blijken wat gij zijt In allerdiepste inwendigheid, En, na veel zonden, valsche en vruchtelooze, Hoon volge uw tragen val, eeuwig, door 't eindelooze!"
PROMETHEUS.
Sprak ik zoo, moeder Aarde?
DE AARDE.
Zoo spraakt gij.
PROMETHEUS.
't Berouwt me: ijdel en haastig woorden zijn: Smart is een wijle blind, en zoo was mijn': Niets wat er leeft wensch ik dat lijdend zij.
DE AARDE.
Wee mij, wee, Dat Hij u eindlijk buigen deê! Klaagt, huilt luid, Land en Zee,— Aarde's gescheurde hart krijt mee! Geesten der levenden en dooden, schreit! Uw toeverlaat en steun thans overwonnen leit.
EERSTE ECHO.
Thans overwonnen leit?
TWEEDE ECHO.
Verwonnen leit!
IONE.
Vrees niet: die huivring zal niet duren,— De Titan is niet overmand.— Maar zie omhoog waar door de azuren Spleet van dien sneeuwtop scherp-getand, Op hellende winden tredend zijn voet In gouden sandaal—hij straalt Onder veeren gekleurd in purpergloed Ivoor gelijk door een roos bebloed— Een Gedaante daalt,— Uit zijn rechterhand oprijzend blinkt Een staf door een slang omkringd.
PANTHEA.
Mercuur, Jupiters boô, die 't al doordwaalt.
IONE.
En wie zijn die met hydraharen, En vlerken van ijzer, den wind bestijgend? De God, gefronsd, weerhoudt hun scharen Achter hem stoomenden damp gelijkend, Met luid geroep, een eindlooze troep— —
PANTHEA.
't Zijn Jupiters honden die hij met krijten En bloed verzaadt, zij bezweven de' orkaan, Wen zijn raadren op zwaavlige wolken gaan, En de grenzen der hemelen splijten.
IONE.
Of van de ijle doôn zij gezonden zijn, Zich te voeden met nieuwe pijn?
PANTHEA.
De Titan ziet als steeds vast, niet hoovaardig.
EERSTE FURIE.
Ha! ik ruik leven!
TWEEDE FURIE.
Laat mij in zijn oog maar zien!
DERDE FURIE.
De hoop van hem te foltren ruikt gelijk een stapel Van lijken na den slag voor een doodsvogel!
EERSTE FURIE.
Durft gij nog treuzlen, o Heraut? Verheugt u, Honden Der Hel! Hoe, als de Zoon van Maia dra Tot voedsel en vermaak ons strekken zou? Wie kan den Oppermachtge lang behagen?
MERCURIUS.
Terug naar jullie ijzren torens, knarst Met voedsellooze tanden, naast de stroomen Van vuur en weeklacht! Geryon, verrijs! Gorgon, Chimaera, Sphinx, de meest verfijnde Duivel, die 's hemels gifwijn reikte aan Thebe: Ontaarde liefde, en meer ontaarde haat!— Die zullen 't werk volvoeren.
EERSTE FURIE.
Medelij! O medelij! wij sterven in ons smachten: Jaag ons niet weg van hier!
MERCURIUS.
Neer dan en zwijgt!— Ontzachbre Lijder! Willens niet, onwillens Nader ik u: de wil des Grooten Vaders Dreef mij omlaag, dat ik een doem volvoer' Van nieuwe wraak. Helaas! 'k bemeelij u, En 'k haat mij zelf, dat ik niet meer kan doen. Ja, als ik weerkeer, nadat ik u zag, Schijnt voor een poos de Hemel mij een Hel, Zoo achtervolgt me uw magere gedaant Des daags, des nachts, en glimlacht een verwijt. Wijs sterk en goed zijt gij, maar woudt vergeefs Alleen weerstaan de' Almachtge; gindsche lampen, De heldre, die de moede jaren meten En scheiden, die niet een ontkomen kan, Leerden 't reeds lang en moeten 't lang nog leeren. Juist op dit oogenblik wapent uw foltraar Met vreemde kracht van nooitgedroomde pijnen Machten, die in de hel langzame ellenden Beramen, en aan mij werd opgedragen Hen hier te voeren, of wat wreeder, wilder, Verfijnder duivels in den afgrond huizen, Dat zij hun taak volbrengen! Zij het niet zoo! U, en van al wat leeft anders niet een, Is een geheim bekend,—den schepter van Den wijden Hemel kan het overdragen,— De vrees daarvoor verbijstert de' Oppergod. Kleed het in woorden, vraag of het zijn troon Bemiddelend omgrijp'; buig in gebed Uw ziel, laat in uw trotsche hart den wil Knielen, een smeekling in een prachtgen tempel: Weldaân, deemoedige onderwerping temmen Den meest vertoornde en machtigste tot zachtheid.
PROMETHEUS.
Kwade naturen wijzigen het goede Naar eigen aard. Ik gaf al wat hij heeft; En tot belooning ketent hij mij hier, Jaren, neen eeuwen, nacht en dag; hetzij De zon mijn droge huid doet barsten, 't zij In maannacht de kristal-gewiekte sneeuw Kleeft rond mijn haar; wijl mijn geliefd geslacht Vertreên wordt door wie zijn gedachte doen. Zoo is 't dat de Tyran vergeldt, 't Is recht: Hij die niet goed is kan geen goed ontvangen En voor een weerld geschonken of een vriend Verloren kan hij haat, vrees, schaamt gevoelen; Geen dankbaarheid. Hij loont mij enkel voor Zijn eigen misdaad. Vriendlijkheid is fel Verwijt voor zulk een, dat met scherpe steken Den lichten sluimer afbreekt van de Wraak. Gij weet, dat 'k mij niet onderwerpen kan: Welke onderwerping dan dat noodlot-woord, Doodszegel van des menschdoms slavernij, Als 't zwaard des Siciliaans, dat aan een haar hangt Bevend boven zijn kroon, zou hij aanvaarden, Of kon ik toestaan? Maar niet wil 'k ze toestaan. Laat andren Misdaad vleien waar hij troont In snel-verganklijke almacht! Veilig zijn zij: Want wen het Recht verwint zal 't meelij reegnen, Geen straf, op 't onrecht dat het leed, en dat Te over geboet werd door wie dwalen, 'k Wacht, Dus duldende, 't vergelding-brengende uur, Dat sinds wij spraken zelfs iets nader kwam. Maar luister, de Helhonden razen. Vrees Uitstel! want zie! de hemel donkert onder Uws Vaders frons!
MERCURIUS.
O bleve 't ons bespaard— Mij 't leed doen, u het lijden! Antwoord me éens nog: Kent gij het eindperk niet van zijn gezag?
PROMETHEUS.
Ik weet slechts dat het eind eens komt.
MERCURIUS.
Helaas! Gij kunt de jaren die uw pijn nog dure Niet tellen!
PROMETHEUS.
Zoolang Jupiter regeert, Houden zij aan, niet meer noch minder hoop Of vrees ik.
MERCURIUS.
Maar denk even na, en duik In de eeuwigheid, waar tijd dien ge u herinnert— Zelfs al wat we ons verbeelden, eeuw op eeuw— Een punt maar schijnt, en de weerstrevende Gedachte kwijnt, moe in de oneindge vlucht, Tot duizlend, blind, verloren, onbeschermd, Zij zinkt. Ze telde allicht de trage jaren Nog niet, die gij in foltring zonder uitstel Doorleven moet?
PROMETHEUS.
Misschien kan geen gedachte Ze tellen. Evenwel, zij gáán voorbij.
MERCURIUS.
Als gij mocht wonen bij de Goôn dien tijd, In wellustvreugd gekoesterd?
PROMETHEUS.
Toch zou 'k niet Willen verlaten dezen zwarten afgrond, Noch deze pijnen, wien geen pijndoen rouwt.
MERCURIUS.
Helaas! 'k verbaas mij, maar beklaag u toch.
PROMETHEUS.
Beklaag des hemels slaven, die zichzelf Verachten, maar niet mij: want in mijn geest Zit heldre vrede, als in de zon het licht, Ten troon. Hoe doelloos is het spreken. Roep De duivels op.
IONE.
O zuster, zie! Wit vuur Spleet dien geweldgen sneeuw-beladen ceder Tot aan de wortels. Hoe ontzettend huilt Gods donder 't achterna!
MERCURIUS.
Ik moet zijn woorden En die van u gehoorzamen! Helaas! Hoe hangt zich zwaar de wroeging aan mijn hart!
PANTHEA.
Zie waar het Hemelkind, gewiekt van voet, Omlaagsnelt langs het schuine daagraad-zonlicht.
IONE.
Dierbare zuster, sluit uw veedren nu Over uw oogen, anders ziet ge en sterft. Zij komen, komen, zwartend dags geboorte Met vlerken zonder tal, waaronder 't hol is Gelijk de dood!
EERSTE FURIE.
Prometheus!
TWEEDE FURIE.
Kampioen Van 's Hemels slave'!
DERDE FURIE.
Onsterfelijke Titan!
PROMETHEUS.
Hier is hij dien een vreeselijke stem Aanroept, Prometheus, de geboeide Titan. Gruwbare vormen, wat en wie zijt gij? Nimmer nog kwamen zoo afgrijslijke Droombeelden door de hel die monsters teelt Uit Jupiters alles wanscheppend brein. Wijl 'k zoo verfoeilijke wezens zie, Is 't me of ik lijken ga op wat ik schouw En lach en staar in walglijke gemeenschap.
EERSTE FURIE.
Wij zijn de dienaars van ontgoocheling, Van pijn en vrees en wantrouwen en haat, En zonde die zich vastklemt aan de ziel, Als ranke honden die door woud en meer Een jeugdig hert, geraakt en snikkend, volgen, Gaan we alles na wat weent en bloedt en leeft, Wanneer de groote Vorst hen overlevert Aan onzen wil.
PROMETHEUS.
O veel vreeslijke wezens In éenen naam! ik ken u; en dees meren En echo's kennen 't duister en 't gedruisch Van uwe vlerken. Maar waarom verrijst gij Leelijker dan uw walgingwekkend wezen Vergaderd in legioenen uit den afgrond?
TWEEDE FURIE.
Dat wisten wij nog niet. Verheugt u, Zusters!
PROMETHEUS.
Kan iets om zijn wanstaltigheid verblijd zijn?
TWEEDE FURIE.
Schoonheid van wellust maakt verliefden blij, Starende naar elkaar,—zoo zijn ook wij. Als van de roos, die knielend plukken wil Voor feestelijken bloemkroon de priestres, De bleeke, een roode schijn valt op haar wang Waardoor zij bloost, zoo kleedt ons onze vorm: De schaûw van smarten die ons offer wachten,— Anders zijn vormloos we als ons' Moeder Nacht.
PROMETHEUS.
'k Bespot uw macht en die van wie u zond, In diepsten hoon. Giet leeg uw kelk van pijn.
EERSTE FURIE.
Bedenkt gij dat we u zullen scheure' uiteen, Zenuw voor zenuw, been voor been, als vuur Vretend in u?
PROMETHEUS.
Pijn is mijn element, Als haat het uwe. Gij verscheurt mij nu, Het raakt mij niet.
TWEEDE FURIE.
Stelt ge u wel voor, dat we in Uw lidlooze oogen zullen lachen?
PROMETHEUS.
'k Schat Niet wat gij doet, maar wat gij lijdt, kwaad zijnde. Wreed was de macht die u, of wat dan ook, Zoo slecht, in 't licht riep.
DERDE FURIE.
Denkt gij hier wel aan, Dat we in u zullen leven, een voor een, Als dierlijk leven, en ofschoon wij niet De ziel die in u brandt kunnen verduistren, Dat wij daarneven zullen wonen, als Een ijdle luide menigt, folterend De zelftevredenheid der wijste menschen; Wij zullen zijn ontzettende gedachte Onder uw brein, en leelijke begeerte Rond uw verbaasde hart, en bloed dat kruipt In doolhof van uw aadren als zieltoging.
PROMETHEUS.
Wel, nu reeds zijt gij zoo, toch ben ik vorst Over mijzelf en heersch over die volten Die in mij worstlen en me inwendig martlen, Gelijk over uw menigt Jupiter Regeert, wanneer de Hel aan 't muiten slaat.
KOOR VAN FURIËN.
Van de einden der aard, van de einden der aard, Waar zijn graf heeft de nacht en de morgen klaart, Komt, komt, komt! Wier vreugdkreet de heuvelen schokkend doorvaart Wen steden zinken in puin met gesteen! Wier vlerklooze voetstappen treên op de zeên, Die snatert—Schipbreuk en Hongersnood vlak Op het spoor—van pret op het voedselloos wrak, Komt, komt, komt! Laat het bed, laag, koud en rood, Waar een natie neerligt, dood; Laat de haat, want in de sintels Bleef nog vuur dat straks moog' flakkeren: 't Zal opvlammen in bloediger krinkels Als, spoedig terug, gij 't aan zult wakkeren; Laat de zelf-walg die verovert Jeugdige zielen zinnen-betooverd, Nog onontstoken haard van leed; Laat het Hel-geheim, half onthuld Den waan-bevangen droomer;—wreed, Meer dan gij die de haat bewoog, Werd hij door vrees voor schuld. Komt, komt, komt! Uit den wijden hellepoort stoomen we omhoog, Wij bezwaren de vlagen van de lucht, Maar ons doen is vergeefsch totdat gij tot ons vlucht!
IONE.
Zuster, 'k hoor 't donderen van nieuwe vlerken.
PANTHEA.
Dees vaste bergen trillen van 't geluid Gelijk de sidderende lucht: hun schaduwen Doen 't zwarter zijn dan nacht tusschen mijn veedren.
VIERDE FURIE.
Uw roep was als een gewiekte wagen, Op wervelwinden snel en ver gedragen, Hij kwam van rooden krijgskolk ons verjagen;
VIJFDE FURIE.
Van wijde steden waar de honger woedt,
ZESDE FURIE.
Van klachten half-gehoord, en ongedronken bloed;
ZEVENDE FURIE.
Van konings-raden, barsch en koud, Waar bloed verkwanseld wordt om goud;
ACHTSTE FURIE.
Van den oven, wit en heet, Waar—
EEN FURIE.
Spreek niet, daar 'k alles weet Wat gij woudt zeggen—wil niet fluistren— Breken mochten de tooverkluistren, Waardoor straks buig' de strenge van gedachte, Dien niets nog buigen deed: De diepste macht der Hel blijft hij verachten.
EEN FURIE.
Scheur het floers!
EEN ANDERE.
Het is door.
KOOR.
't Bleek gesternt van Auroor Schijnt op smart zwaar te dragen. Bezwijmt gij erdoor, Machtge Titan? Wij lachen hoon-schaatrend in koor! Roemt ge op wetenschap klaar, die den mensch gij deedt dagen? Toen ontgloeide er een dorst in hem, nimmer verslagen Door die stervende waatren, een koortsdorst verterend, Liefde, twijfel, hoop, smachten, hem eeuwig verheerend. Een verscheen van zachte waarde Lachend op de bloedroode aarde: Zijn woorden duurden, snel venijn Gelijk, verdelgend waarheid, deernis, vrede. Zie! langs de wijde kimmelijn Rondom, veel dichtbevolkte steden, Braaksels rookend in de heemlen klaar! Hoor dien kreet van wanhoop zwaar! 't Is zijn zachte en teedre geest die treurt Om 't geloof door hem ontstoken. Zie opnieuw! de vlam die hoog zich beurd' Tot een glimworm-lamp ineengedoken: De overlevenden rondom de kolen Verzaamlen zich ontzet. Vreugd! vreugd! vreugd! Het verleên overstelpt u, maar iedere eeuw heugt; En het heden—de toekomst blijft duister verholen— Is voor 't sluimerloos hoofd u een dorenenbed!
HALFKOOR I.
Droppen van bloedige ellende leken Van zijn voorhoofd, 't sidderend bleeke. Gun een kort heraadmen thans. Zie een volk zijn ban verbreken, 't Springt uit moedloosheid als morgenglans; Aan Waarheid wijdde het zijn staat En Vrijheid leidt het voort, haar maat;— Een legioen aaneengesloten broeders, Die Liefde kindren noemt—
HALFKOOR II.
Van andre moeders Zijn ze, zie hoe verwanten magen moorden! Het is de wijnoogst-tijd voor Zonde en Dood. Bloed schuimt als nieuwe wijn zoo rood. Straks wordt, wanneer haar Wanhoop smoorde, Die worstelende wereld prooi van slaven en despoot.
(Al de Furiën verdwijnen, op een na.)
IONE.
Hoor zuster! wat een diep maar wreed gekreun, Gansch niet teruggehouden, 't hart verscheurt Van de' eedlen Titan, gelijk stormen 't diep, Wanneer de dieren hooren hoe de zee Huilt in de holen onder 't binnenland! Durft gij te zien hoe hem de duivels martlen?
PANTHEA.
Helaas! Ik keek tweemaal, doch doe 't niet meer.
IONE.
Wat zaagt ge?
PANTHEA.
Een smartlijk schouwspel: een geduldig Starende jonkman aan een kruis genageld.
IONE.
Wat meer?
PANTHEA.
De hemel in het rond, en de aard Omlaag, was dicht bevolkt met vormen van Menschlijken dood, alle verschriklijk, en Gewrocht door menschehand; en enkle schenen Het werk van menscheharten, moordend traag Door frons en glimlach. Andere gezichten, Te schandlijk om te noemen en te leven, Dreven voorbij. Laat ons niet ergre vrees Verzoeken door te zien: voldoende smart Is dat gekreun.
FURIE.
Zie een symbool: dat zij Die voor den mensch diep onrecht lijden, hoon En keetnen, enkel duizendvoudge foltring Wentelen op zichzelf en ook op hem.
PROMETHEUS.
Verzacht den doodsnood van dat stralend staren; Sluit nu die lippen bleek, doe 't doorn-doorwonde Voorhoofd van bloed niet stroomen: met uw tranen Vloeit het ineen! Stil, stil 't gefolterd oog In vrede en dood,—dat niet uw kranke weeën Schudden dat kruis,—dat niet die vingren bleek Met uw geronnen bloed meer spelen! O, Afgrijslijke! Uwen naam wil ik niet spreken: Hij is een vloek geworden! 'k Zie, ik zie De wijzen, zachten, eedlen en rechtvaardgen,— Uw slaven haten hen, die zijn als gij— Enklen verdreven uit huns harten huis, Een vroeg-gekozen, laat-bejammerd huis, Door vuile leugens: panters die geblinddoekt Een opgejaagde hinde dicht vervolgen; Enklen in giftige kelders saamgeketend Met lijken; enklen—hoor 'k de menigt daar Niet lachen luid?—omsloten door traag vuur; En machtge rijken drijven aan mijn voet, Gelijk eilanden door de zee ontworteld, Wier zonen zijn gekneed in één plas bloed, Bij rooden brandgloed van hun eigen huizen.
FURIE.
Bloed kunt gij zien, en vuur, en kreuning hooren,— Ergere dingen resten, ongehoord En ongezien.
PROMETHEUS.
Ergere?
FURIE.
In 't menschehart Wordt prooi, dien het verslond, steeds overleefd Door schrik. De edelsten vreezen dat wat hún Te laag schijnt om te denken waarheid zij; Gewoonte, huichlarij maken hun geest Tempels van meengen thans versleten godsdienst. Zij durven voor den toestand van den mensch Geen heil beramen, en zij weten niet Dat zij 't niet durven. Zij die goed zijn hebben Geen macht, en kunnen enkel vruchtloos weenen; De machtgen missen goedheid—dat gebrek Is erger; wijzen missen liefde; en wie De liefde hebben missen wijsheid; zoo Is al 't uitmuntendste verkeerd in kwaad. Velen zijn sterk en rijk, wilden wel goed zijn, En leven toch onder hun medemenschen Die lijden, of er niemand iets gevoelde: Zij weten zelf niet wat zij doen.
PROMETHEUS.
Uw woorden Zijn als een wolk gevlerkte slangen; toch Bemedelij ik wie zij niet doen lijden.
FURIE.
Bemedelijdt ge? Ik spreek niet meer!
(verdwijnt.)
PROMETHEUS.
Wee mij! Wee mij! helaas! pijn, pijn, eeuwig, voor eeuwig! Ik sluit mijn traanlooze oogen,—o verfijnde Tyran! uw werken zie ik klaarder in Mijn leed-verlichten geest. In 't graf is vreê: Het graf verbergt al schoone en goede dingen. Ik ben een God, en kan haar dáár niet vinden—, Noch zou 'k haar zoeken: want, schoon wreede wraak, Dit is verslagen zijn, niet zegepralen, O felle Koning! De gezichten waar Gij mij mee foltert, sterken mijn gemoed Met meer volharding, tot het uur verschijnt Dat zij geen beeld meer zijn van wat bestaat.
PANTHEA.
Helaas! wat zaagt gij?
PROMETHEUS.
Er is tweeërlei Ellende: zien, en spreken:—spaar me er een. Namen, die 't heilig wachtwoord der Natuur zijn, Droeg men omhoog in blinkende blazoenen; De volken wemelden in 't rond en riepen Eenstemmig luid: "Waarheid, Vrijheid en Liefde!" Plotseling viel er van den hemel wilde Verwarring: er was strijd, bedrog en vrees: Tyrannen stoven aan, deelden de buit. Dit was de schaduw van de waarheid die 'k Aanschouwde.
DE AARDE.
'k Voelde uw foltring, zoon, met zoo Gemengde vreugd als pijn en deugd kan geven. Nu, om uw toestand te verheldren, vraag ik Die fijne en schoone geesten op te stijgen, Wier woonstede in de donkere gewelven Der menschgepeinzen is en die, als vooglen Den wind bezeilen, thuis in dier gedachten Wereld-omcirkelenden ether zijn. Zij zien achter dat schemerig gebied, Als in een spiegel dat wat komen zal: O dat zij spreken om u troost te schenken!
PANTHEA.
Zie zuster, waar zich zaamlen geestenscharen, Als wolkenkudden in der Lente klaren Hemel, verruklijk blauw!
IONE.
En zie! meer komen, Als bronnedampen 't dal uit opwaarts stoomen, Wen winden zwijgen, in verspreide lijnen. En hoor! is het de ruisching van de pijnen? Is 't van het meer? Is het de waterval?
PANTHEA.
't Is iets veel droever, zoeter dan dat al.
KOOR VAN GEESTEN.
Wij zijn 't die van de oudste tijden Teer beschermen en geleiden 't Menschdom dat de Goôn doen lijden. We aadmen—nooit kon het ons krenken— De atmosfeer van 't menschlijk denken, Zij ze ook donker, nat en grauw Als een dag door storm gebluscht, Nog doorvloeid van glanzen flauw, Zij ze stralend als wat rust Tusschen wolkenlooze lucht En rivieren zonder zucht, Lieflijk, stil, in klaar genucht. Als de vooglen in den wind, Als de visschen in den vliet, Als wat 's menschen ziel verzint Vloeit door 's levens licht gebied, Leegren wij daar vlot en vrij: Als de wolken onweerhouden reizen wij Door die sferen die geen grens verkleint: Daaruit dragen wij de profeetsij, Die in u begint en eindt!
IONE.
Meer komen, een voor een: de lucht in 't rond Ziet schittrend als de lucht rondom een ster.
EERSTE GEEST.
Door een krijgstrompet met kracht Opgestooten in den nacht, Kwam 'k hierheen in snelle jacht. Uit het stof van eeredienst versleten, Van tyrannenvaan uiteengereten, Klonken daar vermengde kreten, Die rondom mij medestegen: 't Luidde: Vrijheid! Hoop! Dood! Zege! Tot ze omhoog versuizlend zwegen. Eén geluid klonk voor mij uit: Liefde's ziel, en 't ruischte en deind' Onder, boven, rondom mij: 't Was de hoop, de profeetsij Die in u begint en eindt.
TWEEDE GEEST.
Een regenboog stond op de zee Die woelde omlaag, in vreemde vreê, Waardoor, alsof veroovraar toog Onder triomfpoort trotsch en snel, De stormwind zegevierend vloog, Meevoerend veel gevangen wolken: Vormlooze, donkre, vlugge volken,— Elke gekliefd door 't weerlicht schel. 'k Hoorde 't dondren: schor geschater— 'k Zag beneên, als kaf uiteen Verstrooid, verspreid op 't witte water, Machtge vloten—een hel van dood. 'k Daalde er op een groote boot— Bliksem spleet haar romp vaneen—, Op de zucht vlood ik hierheen Van een die aan een vijand schonk Zijn plank, en zijwaarts dook en zonk.
DERDE GEEST.
'k Zat naast eens wijzen legersteê, Een rosse schijn van 't lamplicht gleê Langs 't boek dat straks hem peinzen deê,— Toen een Droom—als vlammen straalde Zijn gevedert—nederdaalde. En ik wist in hem verschenen Wie ontstak eeuwen voorhenen Deernis, eedle taal, en pijn; Korten tijd droeg schaduwschijn Van zijn luister 't aardeduister. Hierheen droeg hij mij met spoed Als Begeerte's bliksemvoet: Dat 'k hem wederbreng' voor morgen, Of de wijze ontwaakt in zorgen.
VIERDE GEEST.
'k Sluimerde op een dichtermond, Droomend als wie liefde vond In zijn aêm geluid nog suizend,— Aardsche vreugden zoekt noch vindt hij, Hemelsch kust hij en bemint hij Wezens in de wouden huizend Der gepeinzen. Van het dagen Tuurt hij soms tot 's avonds duister: O van gele bijen ruischt er 't Bloesemen der klimophagen, 't Gouden zonlicht hoogt hun luister, 't Weergekaatste door het meer; Wat hij ziet, hij weet het niet, Maar herschept het in zijn lied Tot gestalten werklijk, méer Dan de mensch die levend heet: Kindren der Onsterflijkheid. Een van dees me ontwaken deed: 'k Ging u troosten, daar gij lijdt.
IONE.
Ziet gij niet naadren van het Oost en 't West Twee wezens? glijden tot één dierbaar nest Duiven niet zoo, een tweelingpaar gevoed Door de atmosfeer die alles leven doet, Op snelle, stille vlerken naar omlaag? En hoor! die stemmen zoet, toch vol geklaag: 't Is leed vermengd met liefde tot éen lied.
PANTHEA.
Spreekt gij nog, zuster? Woorden vind ik niet.
IONE.
Hun schoonheid geeft mij stem. Zie hoe zij drijven: Op wieken rusten zij van hemel-kleur, Oranje en hemelsblauw verdiept tot goud: De lucht straalt van hun lach als van een ster.
KOOR DER GEESTEN.
Hebt gij de Liefde-zelf aanschouwd?
VIJFDE GEEST.
Toen 'k over wijde landen Haastte als de vlugge wolken die de luchtwoestijn bevaren, Vloog die gestalte ster-gekroond op vleugelen die brandden Van weerlicht aan en schudde heil uit ambrozijnsche haren; Haar stappen spreidden licht op de aard. Maar dra verdween dat stralen, Verwoesting gaapte: waanzin bond wie hooge wijsheid zeiden; Helden verdwaasd, jonglingen bleek die stierven zonder smalen, Zag 'k in den nacht. En ik ging voort, tot gij, o vorst van Lijden, Glimlachend wreedste erinnering verkeerdet in verblijden.
ZESDE GEEST.
't Vernielende is iets zeer verfijnds, o Zuster! weet waarom: Het wandelt niet op de aard, het zweeft niet in de heemlen, Maar het vertreedt met stap die stilt en 't koelt met vlerken stom De teedre wenschen die in 't hart der besten, eêlsten, weemlen; Die door het waaierend geveêrt in valsche rust gewiegd En door 't bewegen melodieus dier zachte en snelle voeten, Droomen van bovenaardsche vreugd en noemen 't monster Liefd' En, wakker, zien de schaduw Pijn, als hij dien thans wij groeten.
KOOR.
Schoon nu Verwoesting schaduw zij Der Liefde, volgend haar nabij Op 't witte Doodspaard, dat gevleugeld Als een stormwind onbeteugeld— Ook de snelste ontvliedt het niet— Trapt op onkruid en gebloemt, 't Slechte en schoone saâm verdoemt, Menschen en gediert vertreedt— Eens stuit gij dien ruiter wreed, Hart en lichaam ongedeerd.
PROMETHEUS.
Geesten, zegt wie u dit leert!
KOOR.
Zijn dan niet in onze luchten (Evenals wen de sneeuwstorm vluchtte Voor de Lente en knoppen gloeien,— 't Vlierbosch trilt in winden mild,— Ook de herders dolend weten Dat de meidoorn gauw zal bloeien) Recht en Vrede, Liefde en Weten: Glans die worstlend wijder schijnt,— Als de winden zacht en blij Den herdersknaap, de profeetsij Die in u begint en eindt?
IONE.
Waar vloôn de Geesten heen?
PANTHEA.
Niets blijft er over Dan een gevoel van hen, gelijk de toover Van tonen, wen bezielde stem en luit Verruischen, eer het antwoordend geluid Nog zweeg, dat in de diepe ziel blijft dolen Als echo's winden door oneindge holen.
PROMETHEUS.
Hoe schoon dees lucht-geboren wezens! Toch Voel 'k alle hoop vergeefsch behalve liefde! En gij zijt ver, Asia, die wen mijn wezen Overliep, als een gouden beker waart Voor heldren wijn, anders in dorstig stof Vervloeid.—Alles is stil. Helaas! hoe zwaar Weegt deze rustge morgen op mijn hart! 'k Zou kunnen slapen met mijn leed, ofschoon Ik droomen zou, waar' slaap mij niet ontzeid. 'k Zou willen zijn wat ik eens wezen zal, De redder en de kracht van 't lijdend menschdom, Of in de oer-baaiert van 't heelal verzinken. Er is geen smart, geen heul die nu nog rest: Aard heeft geen troost, Hemel geen foltring meer.
PANTHEA.
Hebt gij vergeten een die bij u waakt In kouden duistren nacht, en nimmer slaapt, Dan wen de schaduw van uw geest haar aanroert?
PROMETHEUS.
'k Noemde alle hoop vergeefsch, slechts liefde niet, En gij hebt lief.
PANTHEA.
Innig voorwaar. Maar zie, De ster van 't Oosten is verbleekt, en Asia Wacht in dat ver-verwijderd Indisch dal, 't Oord van haar droeve ballingschap, eens ruw, Eenzaam, bevrozen, gelijk dit ravijn, Doch nu gehuld in schoon gebloemte en kruid, Vol zoete winden en geluiden zwevend In 't woud en langs den vloed, door de atmosfeer Van haar herscheppend bijzijn, die zou kwijnen Als zij niet éen met de uwe waar'. Vaarwel.