HOOFDSTUK XV.
A. M. Kroon translation
In het Slaapvertrek.
Toen Howland het plat had bereikt, waar de trap op uitliep, bleef hij even, tegen den zwarten muur gedrukt, staan. Zijn tastende hand vond een deurstijl en van schrik hield hij den adem in, toen een ijzeren klink onder zijn aanraking rammelde. Hij waagde zich een schrede of wat verder en kwam nu tot bij het raam; hij liet zich op zijn knieën in de sneeuw zakken en kreeg op die wijze een overzicht van bijna de heele kamer. Tegenover zich had hij een matig verlichten wand, bij het raam stond een kleine tafel vol boeken en tijdschriften en daarnaast een chaise longue bedekt met een groote witte berenhuid. Boven de tafel, buiten zijn gezichtskring hing de lamp. Hij schoof zich nog een duim of wat verder door de sneeuw en rekte zich uit, totdat hij het voeteneinde zag van een wit bed. Nog een handbreed en hij lag doodstil, het witte gelaat letterlijk tegen de ruiten gedrukt.
Op het bed met het gelaat naar zijn zijde gekeerd, zat Meleese. Haar kin rustte op de palm van haar hand; een peignoir hing haar los om de leden en hij merkte op, dat het mooie haar in glinsterende golven om haar heen hing, als had zij het juist voor den nacht geborsteld. Elke lichte beweging, elke kleine verandering in de richting van haar blik zou maken, dat zij hem zag. Hij voelde zich ten prooi aan een alles overheerschenden drang om zijn gelaat nog dichter tegen het raam te drukken, om daar tegen te kloppen, om haar blik tot zich te trekken, maar toen hij de hand ophief om aan die begeerte te voldoen, was er iets, dat hem weerhield. Langzaam toch beurde het meisje het hoofd op en een volgende impulsie deed hem terugwijken tot zijn gestalte zich opnieuw oploste in het geheimzinnige sneeuwwaas. Hij zag nog hoe zij—zich van hem afwendend—haar lokkenpracht naar achteren wierp om zich in die wolk van goud en koper te verliezen; hij bleef haar van verre aanstaren, half angstig en half weifelend, terwijl zij de haarmassa in drieën deelde om er één zware, glanzige vlecht van te maken.
Opnieuw gleed zijn blik rond. Zij was alleen in de kamer. Hij zag een deur en hij begreep, dat die naar een ander vertrek moest leiden, dat mede bereikt kon worden door de deur op het plat achter hem. Met de zakelijkheid hem eigen trok hij dadelijk een conclusie. Dit was de woning van Meleese; die woning stond geheel op zichzelf in de nederzetting—en het jonge meisje was bezig met haar toebereidselen voor den nacht. Was die buitendeur niet gesloten, dan kon hij binnengaan en wie zou hen storen? Het was al laat. Alle menschen sliepen. Er was geen ander licht dan dat van het raam, waardoor hij staarde.
Nauwelijks kwam het idee bij hem op, of hij stond al bij de deur. De klink klikte zacht onder zijn vingers. Voorzichtig deed hij open en schoof hij hoofd en schouders naar binnen. Er kwam hem een kille, vochtige atmosfeer tegemoet. Hij stak een arm uit naar rechts en zijn hand stuitte op een ruwen muur; hij deed nog een stap voorwaarts en reikte naar links—en ook daar een muur. Hij bevond zich dus klaarblijkelijk in een nauwe gang. Vóór zich uit zag hij onder de deur, die naar de kamer van Meleese leidde, een dunnen lichtstraal. Zichzelf moed insprekend voor den laatsten worp, ging hij daar resoluut op af, klopte even aan als om te waarschuwen en trad vervolgens binnen. Meleese was weg! Nauwelijks zijn oogen geloovend, sloot hij de deur achter zich dicht en tegelijkertijd ontdekte hij, heel aan het eind van de kamer, een gordijn, dat zacht heen en weer ging, als bewoog zich iemand aan de andere zijde daarvan.
„Meleese!” riep hij zacht.
Doodsbleek en druipnat van sneeuw, met een gelaat waaruit al het bloed scheen weggevloeid, ten gevolge van de hevige aandoening, stond hij met half uitgestrekte armen midden in het vertrek, toen het gordijn op zij werd geschoven en het jonge meisje te voorschijn trad. Eerst herkende zij hem niet in zijn spookachtig besneeuwde kleedij. Maar vóór er nog een angstkreet over haar lippen kon komen, verving een blos de doodelijke bleekheid van haar gelaat. Gedurende enkele oogenblikken zwegen beiden, gescheiden als zij daar stonden door de breedte van het vertrek—Howland met smeekend gebaar de armen opheffend naar het jonge meisje—Meleese met de handen tegen den boezem gedrukt, zacht snikkend met niet meer geluid dan het zachte geklapwiek van een jongen vogel.
En toen Howland door de kamer op haar toeschreed, had ook hij geen woorden; hij vergat alles wat hij had willen zeggen om haar alleen naar zich toe te trekken en haar hoofdje tegen zijn borst te leggen; zeker als hij was, dat niets haar op meer welsprekende wijze zou kunnen overtuigen van zijn liefde, dan het hevige kloppen van zijn hart en zijn hartstochtelijk drukken van zijn eigen gelaat tegen het hare.
Ten laatste werd de stilte verbroken door een korten, half gesmoorden kreet, terwijl het gelaat, dat zich plotseling tot hem keerde en dat nu door angst beroofd was van zijn blos, slechts getuigde van een vrees, die vooralsnog geen uiting vond in woorden. Hij voelde hoe de armen zich trachtten te bevrijden en hij las in den starenden, vragenden blik, dat zijn tegenwoordigheid haar angst aanjoeg. Die omkeer was hem niet onwelkom. Hij had dien schrik en dien tweestrijd verwacht en hij riep al zijn krachten bijeen voor wat komen zou. Hij opende zijn armen en Meleese gleed er uit, haar handen nog steeds geklemd tegen de los neerhangende draperie van haar kleed.
„Ik ben gekomen om je te halen, Meleese,” zei hij, als was zijn komst niet onverwacht. „Jean is mijn gevangene; ik dwong hem om mij naar de hut op den heuvel te brengen en daar wacht hij mij met de honden. We vertrekken nog dezen nacht—nu dadelijk!” Plotseling sprong hij naar haar toe en werd zijn stem één luide, smeekende bede. „Groote God, zie je dan niet hoe lief ik je heb?” ging hij voort, haar wit gelaat tusschen zijn beide handen nemend. „Begrijp je het niet, Meleese?—Jean en ik, we hebben gevochten—hij ligt aan handen en voeten gebonden in gindsche hut—en ik wacht alleen maar op jou—op jou—” En hij drukte haar lief gelaat zoo vast tegen het zijne, dat hij den bevenden adem op haar lippen voelde. „Ik ben gekomen om je te halen—en ik zal om je vechten, als je niet meegaat,” fluisterde hij, vastbesloten.
„Ik weet niet, waarom je vrienden mij voortdurend naar het leven staan—ik weet niet waarom zij mij willen dooden en het kan mij nu ook niet meer schelen waarom. Maar jou wil ik hebben. Ik heb van het oogenblik af, dat ik je voor het eerst door het raam van het hotel zag, elke minuut, elk uur naar je verlangd en ik zal je niet opgeven, zoolang ik leef. Als je niet mee wilt gaan, als je niet nu—vannacht nog—met me wilt wegtrekken—” hij hield haar vast tegen zich aangeklemd en zijn stem beefde in haar lokken—„dan blijf ik hier—bij je!”
Die laatste woorden, door hem op beslisten toon geuit, sloten meer in zich, dan al wat hij te voren had gezegd en ontlokten Meleese, die zich nu weer meer van hem verwijderde, een luiden kreet van protest.
„Neen, neen, neen!” hijgde zij, terwijl haar handen zijn arm vastgrepen. „Je moet weggaan—dadelijk—nu—” Zij drong hem naar de deur en toen hij, een schrede terugwijkend, haar in het gelaat keek, zag hij hoe zij sidderde en hoorde hij opnieuw haar onrustige ademhaling. „Ze zullen je vermoorden, wanneer ze je hier vinden!” riep zij. „Zij denken, dat je dood bent, dat je door het ijs gezakt en verongelukt bent. Als je me niet gelooft, als je niet aannemen kunt, dat ik nooit met je kan meegaan, zeg dan aan Jean—”
Het was of de woorden haar verstikten en zij deed een vergeefsche poging om voort te gaan.
„Zeg dan aan Jean—wat?” vroeg hij zacht.
„Wil je dan weggaan?” riep zij snikkend, maar dringend alsof hij haar al begreep. „Wil je weggaan als Jean je alles vertelt van mij—van—”
„Neen!” viel hij haar kortaf in de rede.
„Als je alles maar wist, dan zou je heengaan—dan zou je me nooit meer wenschen te zien. Je zou dan begrijpen—”
„Ik zal nooit begrijpen,” viel hij haar weer in de rede. „Ik verzeker je, dat jij het bent, Meleese, die niet begrijpt. Het kan mij niets schelen, wat Jean te vertellen heeft. Wat er ook gebeurd mag zijn, naar jou zal mijn verlangen altijd uitgaan. Begrijp je dat dan niet? Wat er ook gebeurd is—of nog gebeuren kan, tenzij—”
Hij hield een oogenblik in en keek haar recht in de oogen.
„Tenzij, Meleese,” herhaalde hij daarop bijna fluisterend, „tenzij je daar ginds op het Pad bij de Wekusko gelogen hebt, toen je zei, dat ik geen zonde beging als ik je liefhad.”
„En als ik je nu zeg—als ik nu beken, dat dit wèl het geval is—dat ik daar ginds onwaarheid heb gesproken—wil je dan heengaan?” vroeg zij snel.
Haar oogen vlamden hem tegen met een vreemd licht.
„Neen,” zei hij kalm—„dan zou ik je eenvoudig niet gelooven.”
„Maar het is waar. Ik heb gelogen—ik heb je daar ginds op vreeselijke wijze voorgelogen. Ik heb zelfs nog erger kwaad bedreven—neen, je moet gaan! Als er iemand kwam en je hier vond—”
„Dan zou er alleen een worsteling plaats vinden,” zei hij streng. „Ik was al op vechten voorbereid, toen ik hierheen kwam.” Hij zweeg en in de stilte, die nu volgde, boog het bruine hoofdje vóór hem zich langzaam en liep er een siddering door haar slanke gestalte. Van Howland's gelaat daarentegen was de bleekheid verdwenen. De stomme overgave, het zachte snikken in haar ademhaling, de bekentenis, die hij las in haar zwijgende smart, dat alles deed zijn hart sneller kloppen; weer sloot hij haar in zijn armen en keerde hij haar gelaat naar het zijne. Nu bood zij geen tegenstand meer—nu smeekte zij hem niet langer om heen te gaan; maar opnieuw las hij in haar oogen de bede, waarmee zij tot hem was gekomen op het Pad aan de Wekusko en opnieuw verried de bevende roode mond dezelfde liefde, denzelfden tweestrijd en dezelfde halve overgave, die zich toen reeds in zijn ziel had gegrift. En uit zijn blik spraken liefde, triomf en een eindeloos vertrouwen; hij drukte haar gelaat nog nauwer tegen het zijne, totdat de lieve mond als een roos gereed lag om zijn kus te ontvangen.
„Ja—eenmaal heb je me iets verteld, dat niet waar was—dat was daar ginds—” fluisterde hij, „en je hebt me toen beloofd, dat je het nooit weer zou doen. Ik weet, dat je geen kwaad hebt bedreven in den zin dien ik bedoel—al tracht je om mij dat te doen gelooven.” Zijn armen sloten zich nu nog vaster om haar heen en in zijn stem klonk wilskracht en vastberadenheid. „Waarom toch wil je me niet alles vertellen?” vroeg hij. „Je denkt, dat ik, als ik geheel op de hoogte van je doen en laten was, nooit zou wenschen om je weer te zien—dat ik dadelijk zou terugkeeren naar het Zuiden. Je hebt dat zelf gezegd. Maar waarom vertel je me dan dat alles niet nu, wanneer je werkelijk wenscht, dat ik wegga? Zijn daar onoverkomelijke bezwaren aan verbonden—welnu, laat het dan rusten en trek nog vannacht met mij mee. We zullen gaan, waarheen je wilt—naar het einde van de wereld—”
Hij zweeg, toen hij de uitdrukking zag, die over haar gelaat was gekomen; als verlamd door een plotselingen schrik hield zij den blik gevestigd op het raam, waartegen de sneeuw tikte. Onwillekeurig volgde zijn oog het hare en nu zag hij het hoofd van een man, die—zich dicht tegen de ruiten drukkend—naar binnen keek. Howland kreeg een vluchtigen indruk van een paar woeste oogen, die hen aanstaarden en van een wilden, zwaren baard, die geheel wit was van sneeuw. Hij herkende dat gelaat. Het was hetzelfde, waarnaar hij had opgekeken, toen, tijdens den overval op het groote Pad naar het Noorden bij Prince Albert, het leven uit hem scheen te wijken en hij las op dat gelaat nog denzelfden haat en dezelfde duivelsche woestheid, die het toenmaals hadden gekenmerkt.
Snel sprong hij ter zijde en richtte hij zijn revolver op de plek, waar hij het had aanschouwd. Maar reeds was het verdwenen; hij zag nu boven den glinsterenden loop van zijn wapen alleen de zacht neervallende sneeuwvlokken, die hem schenen te bespotten, terwijl tegelijkertijd een luid geschreeuw zich liet hooren, gevolgd door een niet minder luid geroep van namen en een woest openstooten van de buitendeur op het plat.
Howland maakte een halve wending en richtte het pistool op de kamerdeur. Maar het jonge meisje was hem vóór en hij had nog maar juist den tijd om zijn wapen met een waarschuwenden kreet hooger te richten. In een oogwenk had zij den grendel voorgeschoven, die de deur aan de binnenzijde afsloot en was zij tot hem teruggekeerd met doodsbleek gelaat en stokkenden adem. Zij sprak geen woord; angstig kreunend greep zij hem bij den arm en trok zij hem mee voorbij het licht en tot achter het gordijn, dat haar had verborgen, toen hij enkele minuten te voren de kamer was binnengekomen. Zij bevonden zich nu in een tweede vertrek, zwak verlicht door het schijnsel van een kolenvuur, dat uit de open deur van een potkachel straalde. Ook hier was een venster, dat uitzag in den donkeren nacht en onstuimig trok zij hem daarheen, haar vingers als in doodsangst, diep in het vleesch van zijn arm drukkend.
„Zie door dit raam weg te komen!” riep zij met gesmoorde stem. „Gauw!—O God, waarom haast je je niet? Wil je dan niet gaan?”
Howland was blijven staan. Uit de duistere gang klonk een hevig gebeuk van zware vuisten op de deur; een toornige stem vroeg om toegang en tegelijkertijd liet zich buiten een luid geroep en een vinnig geblaf hooren.
„Waarom zou ik vluchten?” vroeg hij. „Een minuut geleden zei ik je immers, dat ik was gekomen, bereid om zoo noodig te vechten. Ik blijf, Meleese—en ik zal vechten!”
„Och, ik smeek je, ga—ga toch!” snikte zij, hem dichter naar het raam trekkend. „Je kunt wegkomen onder bedekking van den sneeuwstorm. Die wischt je spoor uit en als je blijft, zullen ze je dooden—dooden—”
„Ik wil liever al vechtende sterven, dan zonder je te vluchten,” viel hij haar in de rede. „Als je wilt—”
Zij drukte zich opnieuw tegen zijn borst.
„Nu niet—ik kan niet—langs dien weg,” snikte zij. „Maar ik zal bij je komen. Ik beloof het je—ik zal je volgen.” Eén oogenblik nam zij zijn gelaat tusschen haar handen. „Wil je gaan, als ik het je beloof?”
„Je zweert, dat je me zult volgen?—dat je naar de Wekusko zult komen?—Bij God, Meleese, spreek je de waarheid?”
„Ja, ja—ik zal komen, als je nu maar weggaat.” Zij maakte zich los en hij hoorde haar bezig bij het raam. „Ik zal komen—ik zal komen—maar niet aan de Wekusko. Dien weg zullen je vijanden inslaan. Trek dadelijk door naar Prince Albert—naar het hotel, waar ik door het raam naar je keek.—Ik kom daar te eeniger tijd—zoo gauw mogelijk—”
Een koude windvlaag streek hem over het gelaat. Hij had het pistool in den holster gestoken en nu opnieuw sloot hij Meleese vast in zijn armen.
„Zul je mijn vrouw worden?” fluisterde hij.
„Ja—als je me nog hebben wilt, wanneer je weet, wie ik ben. Ga nu—om Gods wil, ga—”
Hij wrong zich door het raam; één oogenblik bleef hij nog hangen.
„Als je niet komt—binnen een maand—dan zie je me hier terug!” riep hij.
Nog eenmaal legde zij haar handen op zijn gelaat. Opnieuw—zooals op het Pad bij de Wekusko—voelde hij den zachten druk van haar lippen.
„Ik kom,” fluisterde zij.
Haar handen stieten hem weg en hij moest zich laten vallen in de dikke sneeuw daar omlaag.
Nauwelijks hadden zijn voeten die bereikt, of hij hoorde in zijn onmiddellijke nabijheid het woedende geblaf van een hond, die hem—toen hij onder bedekking van den storm voortsnelde—van heel nabij op de hielen zat. Het was een Mackenzie—een bastaardras, dat zich uit het Zuiden een weg heeft gebaand naar het Noorden en dat de eigenaardigheid heeft van onder het loopen aldoor te blaffen. Tusschen het alarm van den hond en het zich daarbij aansluitende geroep van de mannen verliep nauwelijks een seconde. Aldra werd er van het plat een serie geweerschoten gelost. De kogels floten den vluchteling om het hoofd, terwijl een schorre stem, zich in het geweld mengend, den hond nog aandreef, die nu tot op een sprong genaderd was.
Howland begon te begrijpen, dat de sneeuw en de duisternis hem onder dergelijke omstandigheden van niet veel dienst konden zijn bij zijn strijd om het leven. Die hond vervulde hem met ongekenden angst en het beest zweeg geen oogenblik. Er bleef den vluchteling maar één kans over en die greep hij aan. Langzaam zijn vaart verminderend, trok hij zijn revolver en spande hij den haan om zich vervolgens plotseling om te wenden en te trachten de Nemesis te dooden, die hem op de hielen zat. Tot driemaal toe vuurde hij, snel achtereen, op een beweeglijk punt in den sneeuwnevel en ten laatste verried een jammerlijk gehuil, dat het moordende lood doel had getroffen.
Opnieuw worstelde hij voort met een gesmoorden kreet van woede op de lippen. Nooit nog had het strijdvuur zóó in hem gewoed als in deze oogenblikken. Daar ginds, achter dat raam, zat Meleese, in doodsangst luisterend en voor hem biddend. En het was juist de overtuiging, dat zij zich daar bevond, dat hij haar ten laatste had gewonnen en dat hij om haar bezit streed, die hem vervulde met een aan krankzinnigheid grenzende blijdschap. Niets kon hem nu langer tegenhouden; al dravend laadde hij opnieuw zijn revolver. Maar naarmate hij verder kwam, hield hij een weinig in; in den sneeuwstorm zou men zijn spoor toch maar met den gewonen looppas kunnen volgen.
Aan Jean Croisset, die daarginds op den heuvel, aan handen en voeten gebonden, in een kleine hut lag te wachten, dacht hij niet meer. Toen hij in het laatste moment van zijn samenzijn met Meleese, nog aan het raam hing, vóór hij den sprong waagde, was het in hem omgegaan, dat het eigenlijk dwaas zou zijn om naar den half-ras terug te keeren.
Meleese toch had beloofd om bij hem—Howland—te zullen komen. Hij vertrouwde op die belofte—en dus had hij Jean niet langer noodig. Hij wilde zich alleen verbergen in de wildernis, hij wilde alleen zijn weg zoeken naar het Zuiden; zijn revolver zou hem van voedsel voorzien, zijn kompas en de lucifers in zijn zak moesten de rest doen. Maakte hij geen gebruik van een slee, dan konden zijn vijanden het spoor ook niet volgen en dan zou niemand hem verraden. Nog geen duizend man zouden in staat zijn om hem te vinden, als de sneeuw van dezen nacht eenmaal zijn voetstappen had uitgewischt en mocht de een of ander daar toch in slagen, welnu dan zouden zij maar met hun beiden zijn en dan konden zij het uitvechten.
Een oogenblik bleef hij staan luisteren en keek hij terloops achter zich in de duisternis. Toen hij zich omkeerde om verder te gaan, stond zijn hart stil. Er was—een pas of zes voor hem uit—een schaduw opgerezen uit den nacht en eer hij nog zijn revolver kon opheffen, werd die schaduw verlicht door een vuurstraal. Howland wankelde, zijn vingers lieten het pistool los en toen hij in de sneeuw ineenzakte, hoorde hij boven zich de schorre stem, die den hond had aangezet. Daarop volgden oogenblikken van stilte—een zwarte chaos zonder leven en zonder gedachten—en eindelijk het geluid van naderende menschen, dat zich op zijn beurt oploste in één enkele, kreunende en snikkende stem, die aldoor zijn naam riep—een stem, die tot hem scheen te komen van heel ver weg en waarin hij die van Meleese herkende. Hij trachtte te spreken en zijn armen op te heffen, maar zijn tong was als lood en handen en voeten leken geketend door ijzeren banden.
De stem stierf weg. Het was hem als maakte hij een nacht door zonder spreken en zonder pijn, waarin ten laatste een glimp van den dageraad doorbrak; als gingen er jaren voorbij sedert zijn pogingen om zich te bewegen en zich uit den chaos op te heffen. Maar ten laatste overwon hij; zijn oogen openden zich en hij richtte zich op. Zijn eerste gewaarwording was, dat hij niet langer in de sneeuw lag en dat de storm hem niet meer in het gelaat sloeg. In plaats daarvan voelde hij een vochtige gevangenisatmosfeer. Overal was het zwart—overal behalve op één plek, waar een vurig geel-rood oogje hem aankeek en hem toewenkte. Eerst leek dat oog hem mijlen ver weg. Maar het kwam al nader en nader, totdat hij ten laatste zag, dat het een kaars was, die plechtig als een lijktoorts op een paar meter afstands van hem stond te branden.