← Table of contents
Op het onheilspad

HOOFDSTUK XIII.

A. M. Kroon translation

De Vervolging.

Howland liep achter de slee en Croisset rechts van het span. Een paar maal als hij omkeek, ontmoette zijn blik dien van den ingenieur. Hij klapte dan met de zweep en lachte en Howland's tanden glinsterden koud terug. Die blikken verrieden genoegzaam, dat zij elkaar begrepen. Door een plotselinge spurt zou de half-ras gemakkelijk een grooten afstand tusschen hen kunnen brengen, maar de kogels van zijn tegenpartij zouden dien kunnen dekken. Howland had zijn ziel opgemaakt om vastberaden en met algeheele toewijding te vuren, zoodra Croisset maar de minste poging waagde om te ontsnappen. Werd hij gedwongen om hem te dooden of ernstig te wonden, dan wilde hij toch alleen de reis voortzetten met de honden; het spoor van Meleese en Jackpine moest toch even duidelijk zijn als dat, waarlangs zij nu—voorloopig weer in zuidelijke richting—terugtrokken.

Voor de tweede maal sinds hij naar het Noorden was gekomen, voelde Howland zijn bloed door de aderen bruisen, als op den eersten avond in Prince Albert, toen hij op den berg het gehuil van den eenzamen wolf had gehoord en later door het raam van het hotel het mooie gelaat had gezien. Hij was een van die weinige menschen, die een onbeperkt geloof in zichzelf bezitten, die tot op zekere hoogte trotsch zijn op hun physieke, zoowel als op hun verstandelijke vermogens—en ook nu was hij vol zelfvertrouwen. Zijn succes in de worsteling met de hinderpalen van een groote stad had dit vertrouwen tot een onafscheidelijk deel van zijn persoon gemaakt. Het was dit vertrouwen, dat zijn wangen deed kleuren van opgewekte geestdrift, terwijl hij achter de honden aanliep. Jean Croisset leek het een raadsel.

„Mon Dieu, ik moet bekennen, dat ge een flinke vent zijt,” riep de half-ras, toen hij de honden stapvoets liet gaan na eenigen tijd gedraafd te hebben. „Bij alle Heiligen, ge lacht en ik verzeker u, dat het allerminst lachwekkend is.”

„Spreekt het dan niet van zelf, dat een man schik heeft, wanneer hij op weg is naar zijn eigen bruiloft, Jean?” hijgde Howland, terwijl hij een oogenblik stond uit te blazen.

„Maar hij heeft geen schik, wanneer hij op weg is naar zijn eigen begrafenis, M'sieur.”

„Als ik een van je gelukzalige Heiligen was, Croisset, dan zou ik een bliksemstraal op je afsturen. Goede God, draag je dan geen hart onder je kleeren, man? We gaan naar een oord, waar zich het mooiste meisje van de wereld bevindt. Ik heb haar lief. Zij heeft mij lief. Waarom zou ik niet gelukkig zijn, nu ik weet, dat ik haar gauw zal weerzien—en haar zal meenemen naar het Zuiden?”

„Duivels!” mompelde Jean.

„Misschien ben je jaloersch, Croisset—” opperde Howland, „great Scott, dààr heb ik nog nooit aan gedacht!”

„Ik heb mijn eigen vrouw, M'sieur en ik heb haar lief; ik zou haar voor niemand ter wereld willen ruilen.”

„Verd.... als ik je begrijp!” vloekte de ingenieur. „Je lijkt maar half menschelijk; je zegt, dat je zelf liefhebt en toch wil je liever je eigen leven wagen dan Meleese en mij voort te helpen. Hoe zit dat toch?”

„Maar, M'sieur—ik help Meleese juist voort! Ik zou haar alleen nog meer dienst hebben gedaan, als ik u daar ginds op het Pad had gedood en uw lichaam, van kleeren beroofd, had laten liggen ten prooi aan de dieren—die het zouden willen verslinden. Ik heb u al dikwijls gezegd, dat uw dood een Godsgericht zal zijn. En sterven zult ge—en gauw ook, M'sieur.”

„Neen, Jean, ik ga niet sterven. Ik ga naar Meleese en zij trekt met mij naar het Zuiden. En als je heel lief bent, dan mag jij ons terugbrengen naar de Wekusko, Croisset en dan word je bruidsjonker bij mijn huwelijk. Wat zeg je er van?”

„Ik zeg, dat ge gek zijt—of onnoozel!” gaf Jean terug, nijdig met de zweep klappend.

Kort daarna verlieten de honden op eens het spoor naar het Zuiden om zich noordwestelijk te richten.

„Op die wijze sparen we een dagreis uit,” zei Croisset in antwoord op een achterdochtige vraag van zijn metgezel. „We zullen het andere spoor op een twintig mijl westelijk van hier ontmoeten—en als wij teruggingen tot aan het punt waar zij afsloegen, dan zouden wij zestig mijl moeten afleggen om diezelfde plek te bereiken. De eene kans ten honderd, die gij hebt, M'sieur, hangt daarvan af. Als de andere slee al voorbij is—”

Hij haalde de schouders op en zette de honden aan.

„Zeg eens,” riep Howland, die nu naast hem liep,—„wie zijn er in die andere slee?”

„De mannen, die op het Pad en in de coyote beproefden om u te dooden, M'sieur,” antwoordde Jean snel.

Howland viel een pas of wat terug. Na een uur zag hij zich verplicht om telkens even uit te rusten door op de slee te gaan zitten—wat hun voortgang vertraagde. Jean luisterde niet langer naar zijn vragen. De half-ras liep knorrig rechts van den voorsten hond en Howland zag, dat hij, om welke reden dan ook, evenzeer verlangend was om vooruit te komen als de ingenieur zelf. Diens ongeduld groeide aan naarmate de uren voorbijsnelden. Jean's verzekering, dat de geheimzinnige vijanden, die hem tot tweemaal toe naar het leven hadden gestaan, zich op betrekkelijk korten afstand achter hen bevonden, vervulde hem opnieuw met allerlei wanhopige plannen. Hij voelde, dat die mannen van de Wekusko zijn voornaamste vijanden waren; had hij hen afgeschud en behield hij Croisset in zijn macht, dan zou de strijd dien hij daar ginds ging voeren, al half gewonnen zijn. Daar toch zou Meleese de eenige zijn, die hem kende.

Zijn hart was vol hoop en vol blijdschap en hij boog zich voorover in de slee om het geweer van Croisset na te kijken, dat niet geladen was. Het was een repetitie-geweer en de half-ras, die over de hoofden van zijn dravende huskies heen, af en toe naar den ingenieur gluurde, zag dat deze glimlachte. Howland begon nu weer meer te loopen en zelfs over langere afstanden. Met elke mijl, die werd afgelegd, stond zijn besluit om een beslissenden strijd uit te lokken, nog vaster. Bereikten zij het spoor van Meleese en Jackpine nog eer de tweede slede daar was gepasseerd, dan wilde hij zich verdekt opstellen en zijn vijanden afwachten; waren die hem vóór geweest, dan zou hij trachten hen in te halen en hen 's nachts in hun kamp overvallen; hoe ook, het voordeel zou altijd aan zijn kant zijn.

Met dezelfde attentie voor onderdeelen, die hij bij het ontwerpen van een brug of van een tunnel aan den dag legde, maakte hij nu in zijn geest het schema op voor een volledig plan van aanval met al de daaraan verbonden eventualiteiten. Er zouden waarschijnlijk twee mannen op die slee zijn en misschien wel drie. Gaven zij—uit angst voor zijn geweer—zich zonder vechten over, dan zou hij Jean dwingen om hen met hondenstrengen te knevelen, terwijl hij zelf het heele troepje onder schot hield. Spartelden de vijanden tegen, dan zou hij vuren. Met het repetitie-geweer kon hij er minstens drie à vier dooden of verwonden, nog vóór zij de wapens van de slee hadden gegrepen. De toestand was nu zóó gespannen, dat hij ten eenenmale vergat in hoeverre de belangen van Meleese met dit alles gemoeid konden zijn.

Al voortgaande in noord-westelijke richting, merkte Howland op, dat het dichte woud langzamerhand overging in breede uitgestrektheden van lage naaldboomen en dat de talrijke rotspartijen en dichtbegroeide moerassen, die eerst hun voortgang hadden bemoeilijkt, nu minder vaak voorkwamen. Een uur vóór den middag nog wees Croisset, nadat zij met veel moeite een bevrozen bergtop hadden beklommen, hem op een groote, effen vlakte, die zich tusschen hen en den eerstvolgenden heuvelrug, vèr in het Noorden, uitstrekte.

„Dit is een stukje van het woeste land, dat langs gindsche bergen naar beneden is gekropen, M'sieur,” zei hij. „Ziet ge, dat donkere woud, dat tegen de sneeuw op een verkoold stuk hout gelijkt? Dat is de pas, die naar het land van de Athabasca leidt. Ergens tusschen hier en daar moeten we het spoor tegenkomen. Ik had half en half verwacht, dat wij hen hier op de vlakte zouden zien.”

„Wie? Meleese en Jackpine, of—”

„Neen, de anderen, M'sieur.—Zullen we hier den maaltijd gebruiken?”

„We rusten niet vóór en aleer we het spoor hebben,” antwoordde Howland. „Ik ben zoo benieuwd om te weten te komen, welke die eene kans ten honderd is, Croisset, waar je mij hoop op hebt gegeven. Als zij voorbij zijn—”

„Als zij voorbij zijn, zoudt ge evengoed daarginds kunnen gaan staan en mij vragen om u een kogel door het hoofd te jagen, M'sieur.”

Jean ging naar de honden en leidde die langs de ruwe helling naar omlaag, terwijl Howland de toboggan tegenhield. Drie kwartier slingerden zij zwijgend tusschen de struiken door over de vlakte. Van elken sneeuwheuvel af verkende Jean de witte wildernis om hen heen en telkens keerde hij—als er geen menschelijk wezen te bespeuren viel—bij den ingenieur terug niet een weinig goeds voorspellend schouderophalen. Eens ontlokten een stuk of drie kariboe's, op misschien een mijl afstands, hem een snellen uitroep; Howland zag hoe een plotselinge blos zich op het donkere gelaat afteekende, onmiddellijk gevolgd door een blik van teleurstelling. Van dit oogenblik af hield hij zijn metgezel nog meer in het vizier. Zij hadden nog niet de helft van den afstand afgelegd, die hen van de kariboe's scheidde, toen Croisset—op een open ruimte gekomen, waar geen enkel sprietje groeide—plotseling luid zijn stem verhief en het span stilstond.

„Wat denkt ge van dàt, M'sieur—wat denkt ge van dàt?” riep hij, op de sneeuw wijzend.

Op den zoom van de open plek was de dikke ijskorst hier en daar gebroken; het leek alsof de boomen van een slee er over heen waren gegaan. Gedurende één seconde vergat Howland om voorzichtig te zijn; volijverig boog hij zich, met den rug naar zijn metgezel gekeerd, voorover om de sporen te onderzoeken. Toen hij weer opkeek, zag hij een wonderlijke, lachende uitdrukking in Jean's blik.

„Dieu! wat zijt ge onvoorzichtig, M'sieur!” riep de half-ras. „Pas toch op! Breng me niet in verzoeking!”

„Voor den duivel! je hebt gelijk!” zei Howland, snel terugwijkend. „Dank je, Jean. Als het niet was om het moreele effect, dan zou ik je de hand willen drukken. Hoe ver denk je, dat ze ons vóór zijn?”

Croisset lag nog op zijn knieën bij het spoor.

„De ijskorst is hier versch gebroken,” zei hij na een oogenblik. „Zij kunnen ons niet meer dan twee of drie uur vóór zijn—misschien sedert vanmorgen.—En zie nu eens naar dit witte, glinsterende laagje op het eerste spoor, M'sieur, met wel een millioen scherp opstaande naaldpunten. Dat moet het werk zijn van drie of vier dagen vorst. Zóó lang is het dus al geleden sedert de eerste slee—die van Meleese en Jackpine—hier voorbij trok.”

Howland keerde zich om en greep naar zijn geweer. De half-ras keek aandachtig toe, toen hij het met een aantal patronen laadde.

„Als er nog koude spijs in het pak zit, haal die er dan uit,” beval de ingenieur. „We zullen onder het loopen ons maal gebruiken—tenminste, als je wat hebt, dat zich daartoe leent. Heb je dat niet, dan zullen we honger lijden. We moeten die laatste slee vanmiddag of vanavond inhalen of—we zijn geschochten!”

„Bij alle Heiligen, M'sieur—dan zijn we geschochten!” hijgde Jean. „En als wij het niet zijn, dan toch in elk geval de honden. Neen—het is niet mogelijk!”

„Is er wat te eten?”

„Een stuk koud vleesch, dat is alles. Maar ik herhaal, dat het onmogelijk is. Die slee—”

Met een gebaar van ongeduld viel Howland hem in de rede.

„En ik zeg, dat je dat eten te voorschijn moet halen—en gauw ook, Croisset! We zullen die kostelijke vrienden van je inhalen en ik waarschuw je, dat het zal spannen, als je een poging doet om tijd te verliezen. Snap je?”

Jean had zich al gebogen om het pak, dat op de slee lag, open te maken; er kwam een nijdig licht in zijn oogen bij het dreigement van den ingenieur. Een oogenblik was het alsof hij ging spreken, maar hij hield zich in en reikte Howland de grootste helft van het vleesch. Daarop nam hij zijn oude plaats weer in naast de honden. In het eerstvolgende uur keek hij maar een- of tweemaal om en na elk van die keeren verdubbelde hij zijn pogingen om de huskies tot meerderen spoed aan te zetten. Intusschen—nog hadden zij den rand niet bereikt van het lage, zwarte pijnwoud, dat Jean hem van de overzijde van de vlakte had gewezen, of Howland zag al, dat hun span het niet langer volhield. De voorste hond hinkte en af en toe legden al de dieren zich om eerst weer voort te gaan, wanneer Croisset de lange zweep liet klappen. Daarbij merkte de ingenieur, dat ook hij zelf niet langer bij machte was om Jean en de honden bij te houden en verzwaarde hij de slee door zijn gewicht, dan sleepten de huskies nog meer.

Zoo trokken zij tot diep in het lage woud en nu liep Jean—klaarblijkelijk de uitputting van mensch en dier vergetend—vóór het span uit, aldoor den blik gevestigd op het ijle spoor vóór hen. Het kon wel niet anders of Howland moest merken, dat de noodelooze bedreiging een uur of wat geleden tegen den half-ras geuit, dezen nog hinderde en herhaaldelijk deed hij van zijn kant een poging om de stilte te verbreken. Maar Jean bleef, in nijdig zwijgen gehuld, voortloopen, alleen antwoordend op rechtstreeksche vragen. Ten laatste sprong de ingenieur van de slee en voegde hij zich weer bij zijn metgezel.

„Hou in, Jean!” riep hij. „Ik heb er genoeg van. Jij hadt gelijk en ik vraag je nederig om excuus. Wij zijn geschochten—dat wil zeggen—de honden en ik, we zijn geschochten en we kunnen het eigenlijk wel opgeven, totdat we wat te eten hebben gehad. Wat zeg jij?”

„Ik zeg, dat ge juist bijtijds hebt stilgehouden, M'sieur,” antwoordde Croisset gedwee. „Nog een half uur en we zouden uit het bosch zijn en juist daarvóór, op den rand van de vlakte, bevinden zich de menschen, die gij zoekt—Meleese en haar vrienden. Ik had u dat daarginds al willen vertellen, maar ge liet me niet uitspreken. Mon Dieu, als het niet was om Meleese, dan zou ik u laten voorttrekken. En dan—wat zou er dan wel geschieden, M'sieur, wanneer ge zoo op klaarlichten dag bij hen aankwaamt?—Luister!”

Waarschuwend hief Jean de hand op. Heel flauw drong het vèr verwijderde geblaf van een hond tot hen door.

„Dat is een van onze Mackenzie's,” ging hij zacht voort met geheimen triomf in zijn stem. „En nu, M'sieur, welke zijn uw verdere plannen, nu ik u eenmaal tot hier gebracht heb? Zullen we doorgaan en zien om het middagmaal te gebruiken bij de lui, die u willen dooden, of wenscht ge hier een uur of wat te wachten? Wat zal het zijn?”

Eén seconde bleef Howland roerloos staan, als was hij onder den indruk van Jean's woorden. Maar hij herstelde zich snel. Zijn oogen schitterden met metaalachtigen gloed, toen zij de bedekte uitdaging van Croisset's koelen glimlach opvingen.

„Als ik je niet had tegengehouden, zouden we dan voortgegaan zijn?” vroeg hij kortaf.

„Zeker, M'sieur,” gaf Croisset, altijd nog glimlachend, ten antwoord. „Ge hadt immers gezegd, dat ik geen tijd mocht verliezen en dat het zou spannen als ik dat wèl deed!”

Met een snelle beweging trok Howland zijn revolver en richtte die op het hart van den half-ras.

„Als je ooit tot je Heiligen hebt gebeden, Jean Croisset, doe het dan nu. Ik maak een eind aan je leven!” riep hij woest.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings