HOOFDSTUK XII.
A. M. Kroon translation
Het Gevecht.
Howland hoorde hoe Jean bij de deur bleef staan. Er volgden enkele oogenblikken van stilte, als luisterde de nieuw aangekomene naar mogelijke geluiden in de kamer. Maar al spoedig tastte er een hand naar grendel en slot en vloog de deur naar binnen open.
„Bonjour, M'sieur,” riep Jean, nader komend, op vroolijken toon. „Hoe is het mogelijk, dat het geblaf van de honden u niet—”
Zijn oogen waren dadelijk naar de slaapstede gegaan. Howland zag, dat het gelaat van den half-ras mager en bleek was, niettegenstaande diens opgewekten groet. Maar verder zag hij niets, eer hij zich met heel zijn gewicht op den totaal onvoorbereiden Croisset wierp en zij samen op den grond rolden. Er was bijna geen strijd; al heel gauw lag Jean bewegingloos, plat op zijn rug, met de armen langs zijn zijden, terwijl Howland, zich schrijlings op het lichaam van zijn tegenstander zettend—en wel zóó, dat zijn knieën diens handen in bedwang hielden—kalm lussen begon te slaan in de touwen, die hij inderhaast van de tafel had meegesleurd. Maar op eens vlogen achter zijn rug Jean's beenen omhoog en sloten de stalen spieren van den half-ras zich als een tang om den nek van zijn belager, dezen achterover trekkend en hem met zooveel kracht tegen den tegenovergestelden muur werpend, dat het weinig scheelde of hij was voor altijd buiten gevecht gesteld.
Nog half doezelig van zijn val, strompelde Howland weer op zijn beenen en daar stond Jean Croisset al midden op den vloer. Hij had het buis van kariboehuid al uitgetrokken, hij balde de vuisten en in zijn oogen lag een gevaarlijke gloed. Die gloed verdween echter even snel als hij was opgekomen en toen de half-ras langzaam en met gebogen schouders naderde, glinsterden zijn witte tanden in een glimlach. Ook Howland glimlachte en schoot naar voren om hem op te wachten. Maar er school geen vriendelijkheid, geen humor in die lachjes. Beiden hadden die glinsterende tanden en dat doodelijke geflikker in de oogen meer gezien en beiden wisten wat dat beteekende.
„Ik geloof, dat ik u ga doodmaken, M'sieur,” zei Jean zacht. Er sprak geen opwinding, geen hartstocht uit zijn stem. „Ik heb al lang gedacht, dat ik u te eeniger tijd wel zou moeten dooden. Toen ik hier terugkwam, had ik eigenlijk mijn ziel al opgemaakt om u te dooden. Het zal niet meer dan een Godsgericht zijn, als ik u doodmaak.”
De twee mannen begonnen door het vertrek rond te draaien, als wilde beesten in een kooi—Howland met de houding van een bokser, Jean met gebogen schouders en met armen, die in een zwakke bocht langs het lichaam neerhingen, terwijl heel het gewicht van zijn lichaam scheen te rusten op de teenen van zijn in mocassins gestoken voeten. Plotseling wierp hij zich op zijn tegenstander en greep hij dien bij de keel.
Howland week bliksemsnel op zij en deelde een stomp uit, die Jean aan het hoofd trof en hem languit op den rug deed vallen. Even later echter kwam hij, hoewel nog half bedwelmd, weer op zijn voeten terecht. Het was voor het eerst, dat de half-ras kennis maakte met methodisch vechten. Hij was geheel van streek; zijn ooren suisden en hij voelde duizelingen. Intusschen deed hij toch weer een uitval op de snelle, katachtige manier, die hem eigen was en kreeg hij weer een stomp. Maar dezen keer bleef hij staan.
„Nu weet ik zeker, dat ik u dood zal maken, M'sieur,” zei hij, even koel als te voren.
Er was iets angstig kalms, iets heel gedecideerds in zijn stem. Hij was niet bang. Zijn handen gingen niet naar de wapens in zijn gordel en de glimlach verdween van Howland's lippen, toen hij al door om hem heen begon te draaien. De ingenieur had nog nooit met een man van deze soort gevochten; nooit eer had hij een zoo angstwekkend zelfvertrouwen aanschouwd; langzaam week hij terug, meer voor de oogen dan voor den persoon van zijn tegenstander. Die oogen volgden hem; zij lieten hem niet los. Altijd laaide het vuur daarin weer op en steeds werd het dieper. Er begonnen zich op de wangen van Croisset twee dof-roode vlekken te vertoonen en hij lachte zacht, terwijl hij plotseling een uitval deed, die Howland noodzaakte om hem een slag toe te brengen—welke slag miste. Beiden wisten nu wat hen wachtte.
Het was de wetenschap van de eene wereld, gericht tegen de wetenschap van de andere—de wetenschap van de beschaving tegen de wetenschap van de wildernis. Howland had van de zijne een studie gemaakt. Jean had bij wijze van sport gespeeld met gewonde lynxen, hij had de gave van opmerken, van instinct en ook de vlugheid van de wilde dieren, die vaak datzelfde spelletje met zijn geweervuur hadden gespeeld—van de sledehonden wier gevaarlijke slagtanden een onmiddellijken dood konden aanbrengen. Tot drie- en viermaal toe kwam hij binnen het bereik van Howland en telkens sloeg deze uit—en miste.
„Ik ga u doodmaken,” zei Jean opnieuw.
Tot nu toe was Howland kalm gebleven. Hij wist, dat bij zijn vechtmethode zelfbeheersching de halve zege was. Nu echter voelde hij een langzaam aangroeiende woede in zich opkomen. Dat glimlachje in Jean's oogen begon hem te prikkelen; het onbevreesde, uitdagende glinsteren van zijn tanden, zijn stoutmoedig zelfvertrouwen maakten hem ongeduldig. Tweemaal nog sloeg hij snel uit, maar Jean naderde en week als een pijl uit den boog. Zijn buigzaam lichaam, wel vijftig pond minder zwaar dan dat van Howland, deed denken aan een jongen, die in een interessante sport tracht te overwinnen. De half-ras spande zich niet in bij den aanval; hij volgde de tactiek van den wolf, die den eland op de hielen zit—van den lynx, die het gewei van de antilope voor zich ziet—hij trachtte zijn tegenstander af te matten en hem geen rust te laten.
Howland's spieren begonnen pijn te doen en zijn adem werd korter naarmate zijn pogingen geen uitwerking schenen te hebben op Croisset. Gedurende enkele oogenblikken volgde hij een offensieve tactiek en joeg hij Jean tusschen kachel en tafel door tot tweemaal toe het vertrek rond—tevergeefs trachtend om hem in een hoek te drijven en hem daar te treffen met een van die zwaaiende armbewegingen, die Croisset met bliksemsnelle vlugheid wist te vermijden. Toen hij eindelijk stilhield, was het om moeilijk en hijgend op adem te komen. Jean kwam wat dichterbij, koel en glimlachend.
„Ik ga u doodmaken, M'sieur,” zei hij opnieuw.
Howland liet de armen vallen, zijn vingers ontspanden zich en hij stiet den adem tusschen zijn lippen door, als was hij een uitputting nabij. Zijn methode had nog een paar kunstgrepen, maar hij wist, dat dit zijn laatste troeven zouden zijn. Hij week terug naar een hoek en Jean volgde hem, zijn oogen lichtend met stalen gloed en zijn lichaam steeds meer gestrekt.
„Nu ga ik u doodmaken, M'sieur,” zei hij op denzelfden zachten toon. „Ik ga u den nek omdraaien.”
Howland plaatste zich tegen den muur, eenigszins zijdelings als vreesde hij een aanval, dien hij niet af kon weren. Op Croisset's lippen lag een minachtende glimlach, toen hij zich in positie stelde. Daarop deed hij een sprong, maar terwijl zijn vingers naar de keel van Howland tastten, schoot diens rechterarm opwaarts met een korten, doodelijken stoot, die zijn tegenstander onder de kin trof. Zonder een woord te spreken week Jean terug, één oogenblik wankelde hij en daarop zakte hij ineen. Toen hij een minuut later de oogen opende, merkte hij, dat zijn handen op zijn rug waren vastgebonden en dat Howland aan zijn voeten stond.
„Mon Dieu, die kwam goed aan!” hijgde hij na een paar maal diep geademd te hebben. „Wilt ge me dien stoot leeren, M'sieur?”
„Sta op!” beval Howland. „Ik heb geen tijd te verliezen, Croisset.” Hij pakte den half-ras bij de schouders en hielp hem naar een stoel bij de tafel. Daarop nam hij bezit van diens wapens, waarbij de revolver, die Jean hem twee dagen te voren had afgenomen—en begon hij zich, steeds zwijgend, verder aan te kleeden.
„Snap je wat er nu gaat gebeuren, Croisset?” riep hij, toen hij klaar was—en zijn oogen flikkerden woest. „Snap je, dat wat je gedaan hebt, je voor tien jaar of langer achter de tralies zal brengen? Snap je, dat ik je mee terug ga nemen om je aan het gerecht over te leveren?—en dat ik, zoodra we de Wekusko bereiken, een twintig man zal uitsturen om het spoor van je vrienden te volgen?”
Het magere gelaat van Croisset werd vaalbleek.
„Groote God, M'sieur, dat zult ge niet doen!”
„Niet?!” Howland drukte zijn nagels in den rand van de tafel. „Bij je grooten God, Croisset, ik zal het wèl doen! En waarom ook niet? Omdat Meleese zich bij die bende struikroovers en moordenaars bevindt? Och, mijn beste Jean, je lijkt wel mal! Zij trachtten mij te vermoorden op het Pad, zij probeerden het opnieuw in de coyote en nu ben je zelf hier teruggekomen met het plan om mij dood te maken. Van het begin af ben je me vóór geweest. Nu is het mijn beurt. Ik durf er een eed op doen, dat we jelui allemaal te pakken krijgen, als ik je maar eerst naar de Wekusko terugbreng.”
„Als, M'sieur?”
„Ja, als.”
„En dat als—” Jean drukte zich tegen de tafel aan in zijn ijver.
„Staat aan jou, Croisset. Ik wil met je onderhandelen. Of ik breng jou terug naar de Wekusko, waar ik je aan de autoriteiten overlever om vervolgens een afdeeling achter de anderen aan te zenden—òf je moet mij naar Meleese brengen. Wat zal het zijn?”
„En als ik u bij Meleese breng, M'sieur?”
Howland richtte zich op en zijn stem trilde van agitatie.
„Als je me bij Meleese brengt en zweert, dat je zult doen, wat ik je beveel, dan zal ik noch jou noch je vrienden kwaad doen.”
„En Meleese—?” Jean's oogen werden weer donkerder. „Haar zult ge toch geen kwaad doen, M'sieur?”
„Haar kwaad doen?” Er klonk een trilling in den lach van Howland. „Goede God, man! ben je dan zóó blind, dat je niet eens ziet, hoe ik dit alles doe alleen om haar? Ik zeg je immers, dat ik haar liefheb en dat ik, al vechtende voor haar, zou willen sterven. Maar tot nu toe had ik geen kans. Jij en je vrienden, je hebt een lafhartig, onderhandsch spel gespeeld, Croisset. Je hebt me telkens in den rug aangevallen, maar nu, voor den duivel, zul je je aanpassen, of het zal spannen! Snap je? Als je me niet bij Meleese brengt, dan wordt er een schoonmaak gehouden, waarbij jij en je heele pan over boord gaat! Haar kwaad doen!” En weer lachte Howland, terwijl hij zijn wit gelaat tot Jean overboog. „Kom, Croisset, wat zal het zijn?”
In de oogen van den half-ras kwam een koud licht, gelijk aan de vonken, die ontsnappen, wanneer twee stukken staal op elkaar stooten. De vale bleekheid verdween van zijn gelaat en de raadselachtige glimlach, die Howland in hun gevecht zoo had geprikkeld, kwam weer te voorschijn.
„Ge vergist u in enkele opzichten, M'sieur,” zei Jean rustig. „Tot vandaag toe heb ik vóór en niet tegen u gestreden. Maar nu laat gij mij maar één kans. Ik zal u bij Meleese brengen en dat wil zeggen—”
„Goed! goed!” riep Howland.
„La, la, M'sieur—niet zoo goed als ge wel denkt. Dat wil zeggen, dat gij—even zeker als de honden ons er heen zullen brengen—nooit van daar zult terugkeeren. Mon Dieu, uw dood is een uitgemaakte zaak.”
Howland keerde zich snel naar de kachel.
„Hongerig, Jean?” vroeg hij wat vriendelijker. „Kom, laat ons niet kibbelen, man. Jij hebt eerst jouw zin gehad en nu krijg ik mijn zin. Al ontbeten?”
„Ik hoopte het genoegen te zullen smaken van dat met u te doen,” antwoordde Jean met grimmigen humor.
„En dan zou je, nadat ik je eerst gevoederd had, mij doodgemaakt hebben, beste Jean?” lachte Howland, een groot stuk kariboe-vleesch gewoonweg op de plaatijzeren kachel leggend. „Je bent een lieve jongen!”
„Maar ge moet immers dood, M'sieur.”
„Dat heb je al eerder gezegd. Als ik Meleese zie, wil ik weten waarom—of—”
„Of wat, M'sieur?”
„Of ik maak jou dood, Jean. Ik ben juist tot de conclusie gekomen, dat jij de persoon bent, die gedood moet worden. Als er iemand moet sterven daar, waar we nu heengaan, Croisset, dan zul jij het zijn.”
Jean hield zijn mond. Een minuut of wat later zette Howland het kariboe-gebraad, een bord met pannekoeken en een groote kan met heete koffie op de tafel. Daarop ging hij achter Jean om en maakte hij diens handen los. Zelf zette hij zich tegenover zijn gevangene, legde zijn revolver naast zijn tinnen bord en haalde den trekker over. Jean meesmuilde en haalde de schouders op.
„Het is ernst,” zei Howland op waarschuwenden toon. „Als ik te eeniger tijd tot de conclusie kom, dat je het verdient, dan schiet ik je dood wáár je bent, Croisset—pas dus op, dat je me geen argwaan geeft.”
„Ge hebt me uw woord gegeven,” zei Jean sarcastisch.
„En tot op zekere hoogte vertrouw ik op het jouwe,” antwoordde Howland, de koffie inschenkend. Plotseling nam hij de revolver op. „Je hebt me nog nooit zien schieten, wel? Zie je dat kopje?” Hij wees naar een kleinen, tinnen kroes, die op een pas of twaalf afstands aan den wand hing en zond er driemaal, zonder mankeeren, een kogel doorheen.
„Ik zal je het gebruik van handen en voeten teruggeven, behalve voor den nacht,” zei hij daarop, zich opnieuw—en nu lachend—tot Croisset wendend.
„Mon Dieu! ge kunt het veilig doen,” gromde Jean. „Ik geef u mijn woord, dat ik zal oppassen, M'sieur.”
De zon was al op, toen Croisset naar buiten afsloeg. Zijn span stond met de slee op een honderd yards afstands van het gebouw en Howland's eerste werk was om het geweer van den half-ras in bezit te nemen en er de patronen uit te verwijderen, terwijl Jean zelf den honden een paar brokken kariboe-vleesch toewierp. Toen zij gereed waren om te vertrekken, keerde de half-ras zich langzaam om en reikte hij den ingenieur de geschoeide hand.
„M'sieur,” zei hij zacht, „ik hou van u, al had ik u eigenlijk al lang geleden moeten doodmaken. Ik zeg u nog eens—er is maar één kans op de honderd, dat ge levend terugkomt, wanneer ge naar het Noorden trekt. Groote God, M'sieur, daar waar gij heen wilt, zullen tot de boomen toe op u neervallen en de kraaien u de oogen uitpikken! En die eene kans op de honderd, M'sieur—”
„Neem ik aan,” viel Howland hem beslist in de rede.
„Ik wilde zeggen,” vervolgde Jean koeltjes, „dat die eene kans verkeken is, tenzij dat hun, die gisteren de Wekusko verlieten, een ongeluk overkomen is. Gaat gij naar het Zuiden, dan zijt gij veilig—gaat gij naar het Noorden, dan ware het beter voor u om dood te zijn.”
„Het einde van de jacht belooft tenminste een beetje levendigheid,” lachte de ingenieur. „Kom, Jean—zet de honden maar aan.”
„Mon Dieu, gij zijt gek—maar toch een flinke kerel,” riep Croisset en hij liet zijn zweep krullen en klappen boven de gele ruggen van zijn huskies.