HOOFDSTUK VII.
A. M. Kroon translation
Het opblazen van de coyote.
In de nieuwe opwinding, die al zijn zenuwen doortrilde, vergat Howland het gevaar, waarin hij verkeerde, vergat hij zijn vroegere voorzichtigheid en den angst, waaruit die ontstond, vergat hij alles—behalve Meleese en zijn eigen groot geluk. Want gelukkig was hij; gelukkiger dan hij nog ooit van zijn leven was geweest, gelukkiger dan hij ooit had gedacht te zullen worden. Hij bleef zichzelf gelijk, ook in de nieuwe, vreemde vreugde, die hem doortintelde; hij gunde zich geen tijd om al de dwaze gedachten te ontleden, die in hem opkwamen. Hij had Meleese in zijn armen gesloten, hij had haar zijn liefde bekend en hoewel zij slechts met zachte berusting naar hem had geluisterd, was hij toch verrukt zoo vaak hij terugdacht aan haar laatsten blik, die van zooveel geloof en vertrouwen in hem en wie weet van wat nog meer getuigde. Zijn geloof in haar was onbegrensd als het blauwe uitspansel boven hem. Hij kende haar nog maar heel kort, maar het leek hem alsof hij in dat tijdsverloop langer had geleefd dan in alle voorafgaande jaren te zamen genomen. Zij had hem voorgelogen, zij had hem maar ten deele haar naam toevertrouwd,—maar hij voelde als bij ingeving, dat daarvoor geldige redenen bestonden.
Morgenavond zou hij haar weerzien en dan—wat zou zij hem dan vertellen? Het moest en zou een belooning zijn voor zijn liefde. Dat verried het angstige beven in haar stem, de snikkende ademhaling, de zachte gloed in haar oogen. Zou zij—door liefde gedrongen—vertrouwen in hem stellen—en zou hij dan naar het Zuiden terugkeeren?
Hij lachte zacht en vroolijk.
Ja zeker,—hij zou naar het Zuiden teruggaan,—hij zou naar het einde van de wereld willen trekken,—als zij maar meeging. Wat beteekende de bouw van een spoorlijn tegenover dat andere groote, dat er in zijn leven gekomen was? Hij zag het begrip van plicht nu onder een licht, dat veel van het vroegere verschilde. Er waren lui genoeg, die een weg konden aanleggen; succes, fortuin, eerzucht—van de soort zooals hij tot nu toe had gekend,—zij werden geheel overschaduwd door zijn liefde voor dit jonge meisje.
Hij bleef staan om een pijpje te stoppen. De lekkere lucht van de tabak, de geurige rook in zijn mond, dat alles hielp om hem weer in zijn fatsoen te zetten en zijn verhit brein te bekoelen. Maar daarmee kwam ook de oude strijdlust weer boven. Naar het Zuiden gaan? Nog eenmaal stelde hij zichzelf die vraag en weer klonk er een lachje door het stille woud, toen hij, de vuisten ballend, dacht aan wat hem wachtte. Neen,—hij wilde dien spoorweg bouwen. En al bouwend, zou hij het meisje veroveren, wanneer zij werkelijk voor hem was weggelegd.
Met die kalmere gedachten keerde ook zijn voorzichtigheid terug; hij liep nu langzamer, zich in de schaduw houdend en af en toe stilstaand om te luisteren. Aan den rand van de open ruimte gekomen, hield hij in. Alles was doodstil rondom de hut; waarschijnlijk waren de twee mannen, die hij daar even in het bosch had gehoord, langs een anderen weg naar het kamp teruggekeerd. Zich steeds zooveel mogelijk in de schaduw houdend, liep hij naar de deur en trad hij binnen.
Met zijn voeten tegen de groote kachel zat daar Jackpine. Hij stond op, toen hij Howland zag en er was iets in de sombere uitdrukking van zijn gelaat, dat den jongen ingenieur aanleiding gaf om hem onderzoekend op te nemen.
„Iemand hier geweest, Jackpine?”
De oude Indiaan maakte een ontkennend gebaar en haalde de schouders op, tegelijkertijd wijzend naar een zorgvuldig opgevouwen papier, dat op de tafel lag.
„Thorne,” gromde hij.
Howland spreidde den brief uit en las bij het licht van de lamp:
„Waarde Howland,
„Ik vergat om je te zeggen, dat de mail-slede naar Le Pas morgenmiddag om twaalf uur vertrekt en aangezien het mijn voornemen is om de reis daarmee te maken, verzoek ik je dringend om zoo vroeg mogelijk bij mij te komen. Tusschen acht en twaalf kan ik je gemakkelijk de noodige inlichtingen geven omtrent het kamp.
THORNE.”
Howland gaf uiting aan zijn verbazing in een zacht fluiten.
„Waar slaap jij, Jackpine?” vroeg hij op eens.
„In een hut aan den zoom van het woud,” antwoordde de Cree.
„En hoe doen we dan met het ontbijt? Thorne heeft me nog niets verteld à propos van de maaltijden.”
„Thorne hij zegt, gij morgenochtend eten bij hem. Ik kom vroeg—u wakker maken. Als hij morgen weg, wij hier eten.”
„Je hoeft me niet wakker te maken,” zei Howland, zijn jas uittrekkend. „Ik zal Thorne wel vinden—waarschijnlijk nog vóór hij op is. Goedennacht!”
Jackpine had de deur al half geopend en één oogenblik kreeg de ingenieur een glimp te zien van het donkere, grijnzende gelaat, dat hem over den schouder nog aankeek. De Indiaan aarzelde even, als was hij op het punt van te spreken, maar in het volgende oogenblik ging hij, stil bij zichzelf lachend, naar buiten.
Howland schoof nu den grendel op de deur, stak een klein tafellampje aan en begaf zich daarmee naar zijn slaapkamer.
„Een beetje rust komt mij toch toe, al zou er nog zoo'n knaleffect op volgen,” mompelde hij bij zichzelf, zich in de dekens rollend.
Hoewel gewend om uit zichzelf en met den dageraad op te staan, moest hij dezen keer toch door Jackpine gewekt worden. Het kamp was nog maar nauwelijks ontwaakt, toen hij den Indiaan tusschen de houten huizen door naar Thorne's kwartier volgde. Deze was al op en in de kleeren.
„Het spijt me, dat ik je moest haasten, Howland,” begon hij, „maar ik moet weg met de mail. Onder ons gezegd—ik stel niet veel vertrouwen in onzen dokter. Mijn schouder is er miserabel aan toe—en mijn arm is nog ellendiger—en ik maak, dat ik zoo gauw mogelijk bij een goed chirurgijn kom.”
„Hebben ze je dan Weston niet meegegeven?” vroeg Howland. Hij wist, dat juist dr. Weston bij hun maatschappij de groote man was voor chirurgicale hulp.
„Ja, juist Weston,” antwoordde zijn collega, hem scherp aanziend. „Ik wil daarmee allerminst zeggen, dat hij niet goed is, Howland,” verbeterde hij zich snel. „Maar hij schijnt nu eenmaal geen oog te hebben voor mijn mankement.—Vóór ik het vergeet—ik heb de lijst van onze menschen nagegaan en er is geen enkele Croisset bij.”
Na het ontbijt verdiepten beide mannen zich een uur lang in kaarten, bescheiden en teekeningen, betrekking hebbend op de aangelegenheden van het kamp. Van Chicago uit had Howland steeds voeling gehouden met het werk en toen zij eenmaal zoo ver waren, dat zij konden overgaan tot de buiteninspectie, leek hij al genoegzaam meester van den toestand om den persoonlijken steun van zijn collega's te kunnen ontberen. Nog meer dan tevoren was hij er van overtuigd, dat het allerminst opzien tegen technische moeilijkheden was, wat hen naar Chicago terugdreef. Had hij misschien een oogenblik gemeend, dat hij het werk in ontredderden toestand zou vinden, al heel gauw merkte hij uit de voor hem opengelegde bescheiden, dat dit in geenen deele het geval was.
„Dit alles is het resultaat van een goed half jaar,” zei Thorne, toen zij klaar waren met hun inspectie. „Goeje God, man, toen we hier pas kwamen, had een konijn nog niet kunnen doordringen tot de plek, waarop je nu zit,—en kijk thans eens rond! Vijftig hutten, vier loodsen voor de maaltijden, twee van de grootste opslagplaatsen noordelijk van Winnipeg, een postkantoor, een ziekenhuis, drie smederijen en—een scheepswerf!”
„Een scheepswerf?” riep Howland ten zeerste verbaasd.
„Ja, zeker—en met een half afgewerkt schip van vijftig ton, dat nu in het ijs zit vastgevroren. Als je het in het volgende voorjaar afmaakt, zal het je van veel dienst kunnen zijn voor het aanbrengen van voorraden over de Wekusko. Nu gaat het nog langs het ijs en gebruiken we daarvoor paarden. Het kostte duivelsche moeite om er een vijftig van Le Pas hierheen te krijgen.—En buiten en behalve dit alles hebben we zuidelijk al zes mijlen van den onderbouw voor de nieuwe lijn gereed en noordelijk drie. Aan het uiteinde van elk stuk, waaraan gewerkt wordt, is een sub-kamp, maar de meeste lui geven er de voorkeur aan, om 's avonds naar hier terug te keeren.” Er werd nu geklopt en Thorne stond langzaam en moeilijk op. „Dat zal MacDonald zijn, de superintendent van het kamp,” legde hij uit. „Ik had hem om acht uur hier besteld—een handige kerel!”
Toen Thorne de deur opende, stapte een klein mannetje met rood haar naar binnen. Zijn oog viel niet zoodra op Howland of hij kwam met uitgestoken hand op den nieuwen chef af, glimlachend en vriendelijk met het hoofd knikkend.
„Howland natuurlijk!” riep hij. „Het doet me plezier u te zien! Ik ben tot mijn spijt wat laat, maar ze hebben zoo duivels veel moeite met een rotspartij, die ze vanmorgen willen laten springen en dat heeft me opgehouden.”
Van Howland keerde hij zich met de schichtige beweeglijkheid van een veldmuis naar diens ouderen collega.
„Hoe staat het met je arm, Thorne? En als je nog een greintje medegevoel in je corpus hebt, vertel me dan gauw of Jackpine sigaretten voor me heeft meegebracht uit Le Pas. Als hij, net als de laatste mail, ze vergeten heeft, dan sta ik niet voor zijn leven in.”
„Hij heeft ze meegebracht,” zei Thorne. „Maar à propos van die rotsen—ik dacht, dat alles klaar was om ze te laten springen.”
„Dat is het ook—nu! De zuidkant staat ten doode opgeschreven; die wordt om tien uur opgeblazen. De groote noordelijke rotsen moeten er vanavond aan gelooven. Het zal een schitterend vuurwerk worden—honderd vijf en twintig vaatjes buskruit en vier kisten, elk van vijftig ton dynamiet. Als je niet zoo ver kunt loopen, Thorne, dan nemen ze je wel op een slee mee er heen. Het zou jammer zijn, als je het niet zag!”
„Het spijt me, Mac, maar ik zal er niet bij tegenwoordig kunnen zijn. Ik vertrek met de mail naar het Zuiden. Het is juist daarom, dat ik je vroeg om vanmorgen hier te komen. Het is nu verder jouw taak om Howland bekend te maken met alle onderdeelen van het kamp.”
„Kostelijk!” riep de kleine Schot, met spontane geestdrift de handen wrijvend. „Greggy en Thorne hebben hier merkwaardige dingen gedaan, Mr. Howland. Je zult oogen opzetten, als je het ziet! Praat me van spoorwegbouw! We hebben elk record geslagen, we hebben ons door wouden, door moerassen en door die vervloekte bergketens heengewerkt—en hier zijn we nu vrij wel bij het uiteinde van de aarde. De nieuwe Trans-continental is er kinderwerk bij! De—”
„Afbellen, Mac!” riep Thorne en Howland zag hoe zijn collega nu lachend neerkeek op het roode gelaat vol zomersproeten van den superintendent. De man had van het eerste oogenblik af ook op hem een gunstigen indruk gemaakt.
„Hij is één bundel van dubbel geladen draden,” zei Thorne zacht, toen MacDonald voor hen uit liep. „En zoo is hij altijd—meestal kinderlijk gelukkig en de lieveling van het werkvolk—maar een lastige duivel, als hij het land aan je heeft. Ik weet niet wat we in het kamp zonder hem zouden moeten beginnen.”
Diezelfde gedachte kwam gedurende de eerstvolgende twee uren telkens en telkens weer bij Howland op. MacDonald scheen in werkelijkheid de ziel en de baas van het kamp te zijn, terwijl Thorne's houding den jongen ingenieur meer en meer een raadsel werd. De hoofdlieden van het kamp en de opzichters, die zij tegenkwamen, schenen bang te zijn voor den ouderen ingenieur, maar als zij de vroolijke stem van den kleinen, rooden Schot hoorden, glinsterden hun oogen van geestdrift. Neen, dat was niet langer de Thorne, die tien jaar lang oog, oor en stem was geweest van de grootste ondernemingen der vennootschap en wiens onbegrensd enthusiasme en werklust hem gestempeld hadden tot een man van meer dan nationale reputatie. Thorne leek niet op zijn gemak onder het werkvolk; er lag achterdocht in zijn blik, als zocht hij onder al die aangezichten naar één bepaald gelaat. De slimme oogen van MacDonald merkten Howland's verwondering op en eenmaal profiteerde hij zelfs van een gelegenheid om hem toe te fluisteren:
„Het wordt meer dan tijd, dat Thorne naar de beschaafde wereld terugkeert. Er is iets niet in den haak met hem. Weston vertelde me gisteren nog, dat het met zijn kneuzingen heel goed staat. Ik begrijp er niets van.”
Even later gingen zij met Thorne terug naar diens woning.
„Ik zou zoo graag willen, dat Howland het opblazen van dien zuidelijken rotswand zag,” zei MacDonald. „Kun je hem missen, Thorne? Vóór twaalf zijn we terug.”
„Zeker. Kom dan bij mij eten. Ik zal in dien tusschentijd een lijst maken van de dingen, die ik misschien vergeten heb.”
Howland meende, dat er opluchting klonk uit de stem van zijn ouderen collega, maar hij zei dat niet tegen den superintendent, toen zij samen zich naar het tooneel van de „opblazing” haastten. Alles was gereed om de mijn te laten springen. Die „coyote” zelf,—een tunnel van vijftig voet lengte, uitgehouwen in het zware rotsgesteente van den berg en eindigend in een kamer gevuld met springstoffen—was afgesloten door dicht opeengepakte massa's rotsgruis, MacDonald wees zijn metgezel den electrischen draad, die naar de lont in de kamer liep.
„Het is me voor den duivel een raadsel, waarom Thorne niet wil komen kijken!” riep hij na afloop van een laatste inspectie. „We zijn drie maanden lang bezig geweest met het boren van deze coyote en van de grootere naar het Noorden. Hier moeten we vier duizend vierkante meter rots laten springen en daar zes duizend. Het kan je misschien je leven lang niet meer overkomen, dat je zoo'n schot ziet en we krijgen geen tweede zóó tusschen hier en de baai. Wat heeft Thorne toch?”
En zonder op een antwoord te wachten liep MacDonald snel naar een heuvel rechts van hen. Er waren in den omtrek al overal wachten geplaatst en de schrille kreet van: „vuur!—vuur!—vuur!”, ter waarschuwing voortgeplant door spreekbuizen van berkebast vervaardigd, klonk dubbel dreigend door de stille wildernis, waar voor het oogenblik alle werk had opgehouden. Op den top van den heuvel stonden een vijftig arbeiders, die toen Howland en de superintendent zich bij hen voegden, terugweken van een grooten, platten steen, waarop een electrische batterij was geplaatst. MacDonald's gelaat zag rood en zijn oogen knipten, toen hij op het kleine knopje wees.
„God nog toe, hoe is het mogelijk, dat Thorne geen lust gevoelt om het te zien,” zei hij weer. „Denk toch eens, man!—zeven duizend vijfhonderd pond buskruit en tweehonderd pond dynamiet! Eén druk op dit knopje, één schicht door dien draad en de lont brandt. Dan nog een minuut of vijf en een berg, die van den scheppingsdag af op zijn plaats heeft gestaan, gaat de lucht in! Is het niet prachtig!?” Hij ging kaarsrecht staan en nam zijn hoed af.
„Mr. Howland, zoudt ge op dezen knop willen drukken?”
Met een vreemde gewaarwording boog Howland zich over de batterij, zijn blik gericht op de doffe, zwarte rotsmassa, die op een halve mijl afstands het noodlot scheen uit te dagen. Zijn vinger trilde, toen hij op het kleine, witte knopje drukte en er kwam een diepe stilte over de menigte. Een—twee—drie—vier—vijf minuten gingen voorbij, terwijl in het binnenste van de aarde de lont tot aan het einde toe voortbrandde. Toen steeg er een lichte stofwolk op, zonder geluid en gevolgd door een vlam,—en daarna—misschien twee seconden later—kwam de eigenlijke uitbarsting. Het was een gedruisch en een gestamp, alsof de aarde onder den voet werd geloopen; er stegen dikke zwarte rookmassa's op, die den berg in een ondoordringbaar lijkkleed schenen te hullen, om na enkele oogenblikken roodgloeiend te worden; en tegelijkertijd scheurde de lucht vaneen met een knal alsof duizend kanonnen tegelijk werden afgevuurd. Zoo ver het oog reikte, schoot er een vlammenzee uit den rook; die klom al hooger en hooger met bliksemende schichten, totdat de gloeiende tongen de luchtlagen tot op een kwart mijl boven de wildernis lekten. De eene uitbarsting volgde op de andere, enkele met een onderaardsch, weerkaatsend geluid, maar de meeste met een zwaren knal. De hemelen waren vol van tegen elkaar botsende rotssteenen; vaste massa's graniet van tien voet in het vierkant vlogen door de lucht; rotsen van meer dan een ton inhoud werden weggeslingerd als ballen, door een reuzenhand geworpen; brokken, zwaar genoeg om de hoogste gebouwen in puin te doen verkeeren, kwamen een derde of een halve mijl verder neer. Drie minuten lang hield de vreeselijke stuiptrekking aan. Toen stierf het licht weg uit de lijkwade van rook en begon die wade zelf zich te leggen. Howland voelde een greep om zijn arm. Hij keek om en zag in het nu bleeke en starende gelaat van den superintendent. Zijn eigen ooren suisden en elke zenuw in hem hing slap. MacDonald's stem klonk vreemd en spookachtig toen hij sprak.
„Wat zeg je dáárvan, Howland?”
De twee mannen namen elkaar bij de hand en toen zij weer opkeken, zagen zij—door stof en rook nog moeilijk te onderscheiden—vaneengescheurde en verspreide rotsblokken liggen op de plek, waar de hooge heuvelkam had gestaan, die den nieuwen weg naar de baai versperde.
Howland sprak maar weinig bij den terugkeer naar het kamp. Het tooneel, waarvan hij getuige was geweest, had hem aangegrepen; het had in hem de oude eerzucht, de oude geestdrift wakker geschud, maar geen van die twee zocht uiting in woorden. Hij was blij toen de maaltijd bij Thorne een einde nam en toen de mail-slede met zijn ouderen collega verdween, groeide die gewaarwording aan tot een gevoel van vreugde en verlichting. Nu was hij toch de verantwoordelijke persoon; van dit oogenblik af was het zijn lijn, zijn werk. En bij het afscheidnemen gaf hij MacDonald een handdruk, die meer zei dan woorden.
In zijn eigen hut teruggekeerd, wierp hij jas en hoed weg, stak hij een pijp op en trachtte hij de beteekenis te beredeneeren, die dit alles voor hem had. Hij was de verantwoordelijke chef bij den bouw van een der meest grootsche spoorwegen op het heele wereldrond—hij—Jack Howland—de jongen, die nog geen twintig jaar geleden uitgehongerd en blootsvoets kranten had verkocht in dezelfde straten, waar nu zijn roem luid werd verkondigd. Wat beteekende toch die zwarte vlek, die scheen opgekomen om zijn kansen te bedreigen, juist nu hij zeker meende te zijn van de overwinning? Hij balde de vuisten bij de gedachte aan wat er al gebeurd was,—aan den laaghartigen aanslag op zijn leven en aan de waarschuwingen—en zijn bloed steeg tot koortshitte. Dien avond, als hij Meleese weer had gezien, zou hij weten waar hij aan toe was. Maar intusschen stond één ding vast: hij zou zich niet laten verdrijven, zooals Gregson en Thorne.
Het duister van den nacht valt vroeg in den noordelijken winter en het werd al schemer, toen hij buiten een stem hoorde, weldra gevolgd door een luid kloppen op de deur. Howland deed open en zag het hoofd en de schouders van een man.
„Er is iets niet goed met de noordelijke coyote, Sir, en Mr. MacDonald vraagt of ge zoo gauw mogelijk wilt komen,” sprak de nieuw aangekomene. „Hij heeft mij daarom met een sleê hierheen gezonden.”
„En MacDonald meende daar straks, dat alles gereed was voor het opblazen,” zei Howland, naar jas en hoed grijpend. „Wat mankeert er aan?”
„Niet goed gestuwd, denk ik. Ik hoorde hem vloeken en tieren. Hij heeft geen rust vóór ge daar zijt.”
Een half uur later hield de sleê stil dicht bij de plek, waar Howland vroeger op den dag een twintigtal werklui bezig had gezien met het afladen en rangeeren van zakken buskruit en dynamiet. Er stonden tusschen de rotsen een stuk of zes lantaarns te branden, maar nergens was er eenig spoor van leven of beweging, totdat de voerman plotseling de lange zweep liet klappen en zich als antwoord een dof hallo uit de verte liet hooren.
„Dat is MacDonald, Sir. Ge zult hem daar ginds bij de tweede lantaarn vinden—daar is de opening van de coyote. Hij staat te razen tegen een half dozijn mannen, die het dynamiet op in plaats van onder het kruit hadden gestuwd.”
„All right,” riep Howland, zich tegen de rotssteenen opwerkend. Nauwelijks echter had hij een stap of wat gedaan, of achter hem schoot iets tusschen de rotssteenen uit, dat met een verpletterenden slag op zijn hoofd neerkwam. Hij viel kreunend voorover op zijn gelaat. Gedurende enkele oogenblikken hoorde hij nog stemmen om zich heen; hij voelde ook, dat mannenarmen hem optilden en wegdroegen, zóó, dat zijn beenen langs den grond sleepten. Daarna werd het hem als zonk hij weg—diep—diep—steeds dieper, totdat ten laatste elk gevoel van bestaan zich oploste in een chaos van pikzwarte duisternis.