SOMBERHEID
Reading edition
„Wat zijn dat voor redenen, die gij al wandelend met elkander wisselt?” vraagde de Heer aan Kleopas en zijn metgezel.
En zij staarden somber voor zich heen.
Hoe is 't mogelijk, vraagt men zich af, dat menschen somber zien, met wie de Heiland wandelt op den weg? Dat was voor deze beide „Emmaüsgangers” alleen mogelijk, omdat zij Hem niet kenden, omdat hun oogen „werden gehouden”.
Straks, als hun oogen opengaan, verdwijnt alle somberheid als sneeuw voor de zon, en blijft er niets over dan blijdschap. En zij vragen zich met verbazing af, hoe 't toch mogelijk was, dat weinige uren te voren hun hart nog zonder reden zoo vervuld was van droefheid, terwijl toch de Heiland leefde en er alleen oorzaak was om blijde te zijn.
Wordt nu in die Emmaüsgangers, vóór zij den Heer hadden herkend, niet de toestand geteekend van zoo menig Christen?

Een Christen behoort blijde te zijn; het is zijn recht en zijn plicht. Want hij heeft den eenigen waren levensgrond gevonden. En die zekerheid mòet hem met blijdschap vervullen. Wanneer dus de blijdschap ontbreekt, is dat een bewijs, dat ook de zekerheid ontbreekt. En een Christendom zonder zekerheid, zonder vasten grond, en dus zonder blijdschap, mag den naam van Christendom niet dragen. Een mensch kan Christus in zijn onmiddellijke nabijheid hebben en Hem toch niet herkennen, en dus toch de blijdschap des geloofs missen. Hoevele Christenen staren somber voor zich heen, gaan moeilijk het leven door; tobben, klagen en murmureeren! En het kòn zoo anders zijn! Het mòest zoo anders zijn!
Jezus is bij hen. Maar zij, zij herkennen Hem niet. Door ongeloof, wereldzin, aardschgezindheid, zondelust, worden hun oogen gehouden.
Och, dat hun oogen mochten opengaan! Hoe anders zou hun leven worden!
