← Table of contents
Op de Levensreis

JOSUA'S GEZICHT

Reading edition

EENE OVERDENKING

Josua 5: 13–15

W
W

Wij willen met het verhaal zelf beginnen, 't milieu, waarin wij er door worden verplaatst. Met ons den toestand eenigermate in te denken, waarin de man, dien wij er in zien optreden, Josua, op dat oogenblik verkeerde; de gedachten, die hem vervulden, om daarin het aanknoopingspunt voor de hem ten deel gevallene verschijning te zoeken, en zóó er de blijvende kern, het Woord Gods, niet enkel voor hem, maar nog altijd voor ons ook, in op te sporen.

Mozes was gestorven. En Josua, nog bij diens leven er toe aangewezen, had de leiding van het Israëlietische volk op zich genomen. Gewis niet zonder schroom was dit geschied, niet zonder groot tegenopzien. Wel had het hem reeds tot dusverre niet aan teekenen, aan bizondere ervaringen van Gods gunst ontbroken. De Heer zelf had tot hem gesproken. Droogvoets en ongedeerd was hij met Israël den Jordaan overgetrokken. Thans evenwel is 't nog wat anders, en staat hij voor 't eerst in Kanaän zelf, bij 't eigenlijk begin van zijn taak. Nu zal het dus zijn.

O, 't is zulk een onderscheid of wij iets nog slechts op een afstand, in een meer of minder ver van ons verwijderd verschiet tot ons zien naderen, dan wel of wij 't op eens vlak vóór ons zien staan. 't Is hier zoo echt gelijk de hemelsche verschijning tot Josua zegt: Nu ben ik gekomen. Nú! Het groote „nú” van zijn leven is dáár.

In zijne onmiddellijke nabijheid ligt Jericho met zijn hooge wallen, zijn vaste muren en poorten. En achter dat Jericho, daar ziet hij ze éen voor éen oprijzen, die vele, vele steden en vesten, die moeten worden genomen. En nog verder heel dat land, al die volken met hunne vorsten, die moeten worden ten onder gebracht. En iets heel onbeschrijflijks valt op hem, een groote angst, een bange vrees. 't Wordt alles donker en verward daar vóór hem. Alles loopt in elkander. Nergens een vast punt. Duizend vragen, die hem bestormen. Zal 't gaan? Zal Israël het uithouden? Zal hij zelf, zal zijn geloof het uithouden? Of is alles wat hij tot dusverre van overwinnen gedroomd heeft een waan slechts? En 't einde straks toch een neêrlaag? En dan op eens, wanneer hij de oogen opheft, staat hetgeen hij inwendig heeft doorgemaakt, ook uitwendig hem tegenover. Al zijn vreezen, al het jagen en vragen zijner ziel, hij ziet het als tot vleesch en bloed geworden hier vóór zich. Het subjectieve geobjectiveerd. Het inwendige veruitwendigd. Een man met een uitgetogen zwaard in de hand.

Wat wil die man? Wat wil dat zwaard? En Josua overmant zich, en hij treedt toe op die gestalte. Duizendmaal beter zekerheid te hebben, laat het de vreeslijkste wezen, dan die onzekerheid van daareven. Vandaar zijne vraag: Wie zijt gij? En wat zijt gij? Zijt gij van ons of van onze vijanden? Komt gij aan onze zijde u scharen, of u tegen ons keeren?

En nu het antwoord, dat hij ontvangt. Eigenlijk geen antwoord. Althans niet een rechtstreeksch. Maar een vooralsnog de zaak in het midden laten. Neen, zoo luidt het. Neen, noch het één noch het ander. Noch vóór noch tegen. Dat zal eerst later blijken, en hangt er van af, of en in hoeverre Josua de gestalte daar vóór hem, in welke hij voor 't oogenblik nog niet anders ziet en kan zien dan een man, een mensch van gelijke beweging als hij zelf, zal erkennen en aannemen als te zijn wat deze hem zegt: Neen, maar ik ben de Vorst van het heir des Heeren; ik ben nu gekomen! 't Zal hiervan afhangen: of Josua het op 't geen hier hem gezegd wordt wil en durft wagen, alles wagen. 't Wagen alleen en onvoorwaardelijk met wat en zooals het van God tot hem komt, onverschillig hoe het zal zijn: Overwinning of neêrlaag, leven of dood.

En Josua zegt: ja. Ja, dat wil ik. Hij vraagt niet nog verder: Zijt gij van ons of van onze vijanden? Niet: wat zal de toekomst mij brengen? Niet: langs welken weg zal het gaan? Wat mag ik hopen? Wat moet ik vreezen? Niets er van. Maar hetgeen wij van hem zien en hooren is iets geheel anders. Toen, zoo wordt ons verhaald, viel Jozua op zijn aangezicht en aanbad, en zeide tot hem: wat spreekt mijn Heer tot Zijn knecht?

Josua gelooft. Dit is alles. Hij vraagt niet meer als zoo even: Wat zal ik? Maar: Wat moet ik? Niet meer: Hoe zal dit en hoe dat? Hoe kom ik hier door, en hoe dáár over? Maar: Wat wil mijn God? En zooals Hij wil, wil ik; ik ben Zijn knecht. Hij wil slechts dienen, gehoorzamen, volgen.

Josua gelooft. En nog eens: Dit is alles. Maar ook, dit brengt hem tot alles. Hij is onoverwinbaar.

Maar ook dit laatste zal hij eerst later ervaren. Dit is de beteekenis van hetgeen hier thans nog verder tot hem gezegd wordt. Toen zeide de Vorst van het heir des Heeren tot hem: Trek uwe schoenen uit van uwe voeten, want de plaats, waar gij staat, is heilig.

Heilig. Dit is hier bedoeld in den schoonen en diepen zin, dien dit woord oorspronkelijk in het Oude Testament heeft. Den zin van afgezonderd, door God Zich vóórbehouden, Gode toegewijd en toebehoorend, Zijn bizonder eigendom.

En dit geldt niet enkel van die éene bepaalde plek, waarop wij hier Josua zien staan, maar 't geldt van heel het land, dat hier voor 't eerst door hem wordt betreden. Gansch Kanaän is heilig land. In dit geloof, in dit bewustzijn heeft Josua het ook verder te betreden en het straks in bezit te nemen. In het geloof dus dat de volken, die het voor 't oogenblik bewonen, er niet de eigenlijke, de rechtmatige bezitters van zijn. Maar dat het toebehoort aan den Heer, en aan hen, voor wie Deze 't bestemd heeft. En dat is hier dus het Israëlietische volk. Dat heeft het geloof te zijn, de kracht, waarmede Josua den strijd aanbindt.

Maar hij heeft het te doen, zooals hem verder gezegd wordt, met ontbonden schoenzool. Dat is: bij het heilig land behoort het besef van heilige roeping, de zekerheid: tot hetgeen ik ga doen ben ik door God geroepen, door God uitverkoren.

En.... Josua deed alzoo. Daarmede besluit het verhaal, even sober als schoon. En daarmede kan het besluiten. Daarmede toch is alles gezegd, is heel het verdere van den weg en het leven van dezen mensch geteekend. Het kan niet meer anders: 't zal, 't moet hem gelukken. Tot dusverre 't verhaal zelf. En nu het blijvende in deze dingen, de eeuwige kern. Het Woord Gods nog altijd voor ons.

Nú ben ik gekomen. Zóó klonk het eenmaal van de lippen dier hemelsche verschijning een Josua tegen.

Nú. Zoo zijn er nog altijd in het leven van iederen mensch, ook in het onze, van die „nú's”. Oogenblikken van groote beslissing. Oogenblikken, die meer dan andere spreken. Die beslag op ons leggen, en die het met zoo grooten nadruk en klem ons toeroepen: Nú ben ik gekomen. Nú komt het er op aan. Nú moet er worden gehandeld, nú worden gekozen.

We staan voor een nieuw begin in ons leven. Voor een nieuwe taak, die ons wacht. Een nieuwen werkkring, die de inspanning van al onze krachten komt opeischen. Nieuwe toestanden, nieuwe verhoudingen, waar wij ons moeten inleven. Daar is zulk een „nú”. Nu ben ik gekomen.

Of ook, iets wat sedert overlang dreigde is gebeurd. We zagen een paar oogen, die tot hiertoe de vreugde en de zonneschijn van ons leven geweest zijn, voor altijd zich sluiten. Een hand, waarop wij ons leven lang gewoon waren te steunen, en buiten welker vasten en vriendelijken druk wij niet konden, ontgleed voor goed aan de onze. En nu moeten wij het verder zonder haar doen. Alleen moeten wij verder. Ons zelven een weg banen. Zelf optreden, zelf handelen. O, wat kan het dan onbeschrijflijk leeg in een menschenziel wezen! Wat kan het dan jagen en stormen daarbinnen! Wij durven de oogen nauwelijks opslaan en vóór ons uit zien. En toch, wij moeten. Alweêr zulk een „nú”. Nú ben ik gekomen.

En wanneer wij 't dan doen, als wij vooruitzien,—neen, dan wordt het er nog niet gemakkelijker op. Dán daar vóór ons een toekomst, die zich onbekend en onbegrensd uitbreidt. En in die toekomst alles zwijgend en zwart, een onpeilbaar donker, waar wij in staren. Echt, zooals bij Josua, een dreigende gestalte, een gewapend man, die op ons toetreedt. Een zwaard flikkert ons tegen. Maar wàt het ons brengt, wáár het op wijst,—wij weten het niet.

Duizend gebeurlijkheden, die vóór ons oprijzen. Menschen, die op ons toetreden. Dingen, die op ons aandringen. Omstandigheden, die ons bestormen. Beslissingen, waar wij ons voor geplaatst zien. O, zoo verward en verwarrend dit alles. En wij weten geen raad. Wij zien er geen weg en geen licht in. Hoe dit moet, en hoe dat zal. Wat hier te doen, en hoe daar te handelen. Wij kunnen slechts vragen: Zijt gij van ons of van onze vijanden? Dat vele, vele, daar vóor ons, wat zal het, wat wil het? Komt het aan onze zijde zich scharen, of komt het zich tegen ons keeren? Wat komt het ons brengen? Zegen of kruis, overwinning of neêrlaag, leven of dood? Mogen wij hopen? Moeten wij vreezen?

Ja, vraag maar, vraag maar,—'t baat u toch niet. Gij krijgt op àl uw vragen geen antwoord.

Of beter gezegd, gij krijgt wèl een antwoord. Maar een geheel ander dan gij verwacht hadt. Een antwoord, dat u aanvankelijk toeschijnt geen antwoord te zijn. Eén, dat begint met „neen” tot u te zeggen. Neen, uw vragen zelf deugt niet. De wijze, waarop gij vraagt, deugt niet.

Gij ziet louter „menschelijke” gebeurtenissen, louter „menschelijke” machten, „menschelijke” verhoudingen, waarmeê gij te doen hebt. Maar zoo is het niet. Gij hebt met een ander, met een meerdere dan met die menschen te doen. Met God.

In die toekomst, in al dat menschelijke, naar gij meent, is God, en treedt God u tegen. Maar zóó, dat gij Hem daar maar niet altijd zoo aanstonds in herkent en terugvindt. God, een geheel ander als gij Hem u gedacht hadt. Een gansch andere ook als gij Hem tot hiertoe gekend hebt, en als Hij tot dusverre tot u is gekomen. God. Niet zooals wij allen Hem 't eerst hebben gezien, en wij voor 't eerst van Hem hebben gehoord, in de verhalen van vader en moeder, van leermeester en vrienden. Niet de Liefdevolle en de Ontfermende, de armen wijd uitgestrekt om ons in op te vangen en vast te omklemmen. Niet de zegenende Heiland, die 't ons zoo vriendelijk toeroept: Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Neen, maar God als een gewapend man. God met een zwaard in de hand. Een zwaard, dat veeleer ons bedreigt dan bemoedigt; dat veeleer met angst en vrees dan met hoop en troost ons vervult. En toch is het God.

En nu is de vraag maar, de groote vraag, waarvoor hetzij vroeger hetzij later een ieder onzer in het leven zich ziet geplaatst, of wij God, zooals Hij tot ons komt, ook wanneer Hij zoo echt als de Onbegrepene en de Onbegrijpelijke tot ons komt, als „God” willen aanvaarden. 't Ook dán, 't altijd, met Hem durven te wagen. Alles te wagen.

Wij kunnen „neen” zeggen. 't Met duizenden en nog eens duizenden zeggen: Neen, in al dat donkere en dikwijls dreigende daar vóór mij, in al dat onverklaarbare en onbeantwoorde, in al die moeilijke wegen, waarlangs ik geleid word, kan ik God niet zien en ontdekken, en ik wil het ook niet. O, ik kan en wil er alles in zien, noem het toeval, noem het noodlot, noem het natuurwet, noem het hoe en wat ge wilt, 't kan mij niet schelen. Maar noem het niet God. Dring er mij niet een liefdevolle hand in op, niet een wijze bestiering, niet het hart van een vader. Zeker, dit alles kunnen wij, en wie weet hoe veel meer nog. Maar dan moeten wij wèl weten wat wij daarmede doen. Dan is ook werkelijk God ons tegen. En dan wordt alles ons tegen. Paulus zegt ergens: Zoo God vóór ons is, wie zal tégen ons zijn? Maar 't omgekeerde is even waar: Zoo God tégen ons is, wie zal vóór ons zijn? Dan wijkt gaandeweg alle kleur en glans uit ons leven; alle blijdschap en hoop, alle moed en geloof uit ons hart. En dan wordt alles om ons en in ons zoo koud en zoo kil. Dan moeten wij ook werkelijk alleen, geheel alleen verder. Enkel op ons zelven, op onze eigene zwakke kracht aangewezen, den strijd in en tegen. Een strijd, die, hoe wij ook worstelen, wij weten 't bij voorbaat, met een nederlaag eindigt. 't Bang vertwijflen aan alles. 't Wegzinken in 't bodemloos donker. 't Sterven zonder hoop.

Illustration from Op de Levensreis

Maar wij kunnen ook anders. Doen wat wij in dat oude verhaal een Josua zien doen, neêrvallen en aanbidden. Neen, 't is zoo. Wij begrijpen Gods doen en Gods optreden niet. Wij begrijpen niet al dat vele, vele, dat soms zoo donker ons aanstaart. Maar toch, wij wagen 't er op: God eenvoudig te nemen, zooals Hij is; met Hem alles tegen te gaan, ook het op zich zelf meest dreigende en raadselachtige, zooals Hij 't daar vóór ons plaatst. We vragen niet meer: Hoe zal het? Maar wij vragen iets anders: Wat spreekt mijn Heer tot Zijn knecht? Niet: Wàt zal het zijn, dat ook nú weêr mij wacht? Overwinning of neêrlaag? Zegen of kruis? Licht of donker? Gaat het met mij de hoogte in, of de diepte tegen? Neen, niet dáárom is 't ons als 't eerste en 't meeste nu verder te doen. Maar om God zelven. Om Hem te hebben. Om Hem overal dicht bij en om ons te weten.

Daarmede, dit weet ik ook wel, zijn volstrekt niet alle vragen voor ons beantwoord. In geenen deele alle moeilijkheden weg, alle duisternissen verdwenen. Neen, dat niet. Maar wel is het benauwende, het verwarrende, het schrikaanjagende er uit weg. Wij voelen: Er is een hand, die mij leidt; er is een oog, dat mij volgt; er is een zwaard, dat voor mij strijdt. Wij ervaren en doorleven 't telkens op nieuw: Het gaat wat ik nooit gedacht had dat zou gaan, er is een weg ook door het donkerste donker. Wij hooren een stem, die 't ons toeroept: Vrees niet want Ik heb u verlost. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn. En door de rivieren, zij zullen u niet over stroomen. Wanneer gij zult gaan door het vuur, gij zult niet verbranden, geen vlam zal u deren. Alle dingen zijn mogelijk dien, die gelooft. Dengenen, die God liefhebben, werken alle dingen mede ten goede.

Ja, alle dingen. En al is er dan ook in ons verleden nog zooveel droevigs; het leven, dat achter ons ligt, nog zoo vol graven. En al wierde ook in de toekomst, zooals die daar onbekend vóór ons ligt, het éene graf na het gedolven. Graven in letterlijken, graven in figuurlijken zin ook, waar wij o zoo veel, wat wij hebben liefgehad en nagestreefd, in zien wegzinken. Plan op plan. En wensch op wensch. Bij ieder graf staat een Heiland, die het ons toefluistert: Heb maar geen angst, heb Ik u niet gezegd dat, zoo gij gelooft, gij Gods heerlijkheid zien zult?

En dan zien wij haar ook. Heerlijkheid. Groote heerlijkheid. Gods heerlijkheid, ook door de donkerste wolken en nevelen blinken. Wonder op wonder. Redding op redding. Uitkomst op uitkomst.

Alles wordt anders. 't Gansche leven „heilig land.” Overal heilig de bodem, waar wij op staan en op gaan. Heel het leven met al zijn samengestelde verhoudingen en toestanden; ook de toekomst daar vóór ons;—'t wordt alles iets heiligs; iets, waarin God tot ons nadert; iets, waardoor God ons opzoekt. En waarin wederkeerig wij Hem hebben te zoeken, Zijn stem hebben te beluisteren, Zijn werk hebben te verrichten. 't Gansche leven wordt vol aanrakingspunten met Hem. Overal God, die ons tegenkomt; God, die Zijne hand ons toesteekt, die ook door en over 't allermoeilijkste heenhelpt.

Alles is het uwe. Zoo roept een Apostel van Christus ons toe. Alles, 't leven in zijn ruimsten omvang en zijn verschillendst gebied. Alles, de menschen, hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Céfas. Alles, de dingen, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood. Alles, wat er is en wat er komt, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen. Ze zijn alle de uwe. De uwe dáárin, dat zij ten slotte alle u ten zegen hebben te worden, alle u moeten dienen. Doch gij zelf zijt van een ander. Doch gij, zoo vervolgt de Apostel, zijt van Christus, en Christus is van God. Uw leven behoort niet u zelven meer toe. En mag ook u zelven niet meer toebehooren. Gij dient.

Met ontbonden voetzool hebben wij dan ook verder door 't leven te wandelen. Dat is: in het besef van een heilige roeping, een heilige taak, die wij in dat leven hebben te vervullen. In het besef tegelijk van een heilige kracht, die daarbij ons draagt.

Hoe verder alles zal loopen? Wij weten het niet. Wat het leven daar vóór ons ons nog zal brengen, wat ook ons ontnemen? Niemand, die het ons zegt. Maar van één ding zijn wij gewis. Zij moeilijk en donker, zij licht en effen de weg, wij hebben er niet ons zelf op geplaatst, maar wij zijn er op gezet door onzen God. Wáár wij staan, en wáárheen wij gaan, onze Heer en onze Heiland is met ons.

Dát maakt onverwinlijk, en doet overwinnen.

decoratieve illustratie
decoratieve illustratie
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings