← Table of contents
Op de Levensreis

OVER GELOOF EN ONGELOOF

Reading edition

V
V

Voor zoover mij bekend, wil niemand gaarne voor een onverstandig mensch gehouden worden. In een periode die nu vrij-wel achter ons ligt, noemden de voorstanders van een bepaalde richting op staatkundig gebied zichzelven, met beminnelijke bescheidenheid, „het denkend deel der natie”; misschien hebben zij hunne zaak nooit grootere schade gedaan dan met deze onbenulligheid. En toch komt een dergelijke argumentatie nog menigmalen voor; ja, waar de bedenking niet onder woorden gebracht is, ligt zij toch wel te sluimeren op den bodem onzer voorstellingen, dat bij iemand die het vlak en vierkant onééns met ons is, het een of ander aan zijn denkvermogen hapert.

Er zijn groote kringen in ons land en daarbuiten waar, men het ééns is met een nederlandsch aphorisma „alle geloof is bijgeloof”. In Fransch Zwitserland, waar ook zooveel wezenlijk godsdienstig leven wordt aangetroffen, zijn vlak daarnaast tal van huisgezinnen waar het geloof aan een God, die hemel en aarde geschapen heeft, belachelijk wordt genoemd; een der duitsche afgevaardigden naar het eeuwfeest van het nederlandsche bijbelgenootschap verzekerde ons dat in Bremen, onder jonge menschen, iemand die den bijbel las, werd aangezien als een voorwereldlijk dier; de schrijvers van het belangrijk werk „facing the facts”, an englishman's religion, komen voor breede kringen uit Engeland, Schotland en Ierland, met bedroevende mededeelingen; en uit ons vaderland kunnen voorbeelden van gelijke strekking worden aangevoerd. Er zijn uitzonderingen, maar de meerderheid onzer intellectueelen schijnt het geloof niet vriendelijk gezind. Mij kwam ter oore hoe een hoogleeraar op zijn college zeide dat, wie een aantal gedegenereerden bij elkaar wilde zien, maar eens het uitgaan van eene afgescheiden kerk moest gadeslaan, en dit was niet met een booze bedoeling gezegd.

Nu is dit niet voor het eerst dat zulke dingen over geloovigen beweerd zijn. Op den pinksterdag werd er over Petrus en de andere apostelen gespot; men hield ze voor dronken; vol zoeten wijn, buiten hunne zinnen. Festus, de Romeinsche stadhouder, heeft iets dergelijks van Paulus verklaard en hem verzekerd dat hij raasde, al werd er dan beleefdheidshalve bij gevoegd dat het zijne groote geleerdheid was, die hem tot razernij gevoerd had; ja onze Heiland zelf is wel voor uitzinnig gehouden; en Paulus weet zelf het best de aanleiding die hem drong om aan de Corinthiërs te schrijven: „wij zijn dwazen, om Christus wil”.—De jonge geloovigen die dus in onze dagen hier of daar een schouderophalen ontmoeten, zijn nog niet bepaald in slecht gezelschap.

Toch wensch ik hier eens met hen de vraag te behandelen: is het nu wezenlijk zoo onverstandig om aan God te gelooven? Is het wezenlijk waar dat het verstand zich verzet tegen het geloof? Ik ben er van overtuigd dat er onder onze beschaafde en gestudeerde jonge mannen en jonge vrouwen, tal van eerlijke oprechte karakters zijn, die wel gaarne zouden willen gelooven, maar meenen dat ze het niet kunnen; dat de bezwaren tegen het gelooven onoverkomelijk zijn; dat zij de waarheid geweld moeten aandoen en hun wetenschappelijk geweten het zwijgen moeten opleggen, om te kunnen gelooven. En aan bedrog meedoen, dat willen ze niet; ook niet aan zelfbedrog.

Nu zou ik die eerlijke twijfelaars wel eens gaarne een dienst bewijzen; juist die eerlijke twijfelaars. En ik zou willen beginnen met een heel eenvoudige vraag. Wij hooren nog wel eens luid verzekeren: „geloof is bijgeloof!” Maar wat is ongeloof? Bebel, de bekende overleden leider der sociaal democraten in Duitschland heeft gezegd: „de resultaten der wetenschap rooven aan het christendom den grond onder den voet weg, en brengen het ten val.” Haeckel, de hoogepriester van het monisme, verzekert: „de kosmologische grondwet bereikt den hoogsten intellectueelen vooruitgang, nl. den val van God, vrijheid en onsterfelijkheid”;—en een zeker soort van halfbeschaafde napraters verzekeren ons met groote stelligheid: „daar is geen God, natuurlijk niet!” Maar wanneer we nu eens niet voor groote woorden uit den weg gaan, is dit ongeloof niet óók een „geloof”?

Dat geloof van Bebel en Haeckel wordt ons wel als wetenschap aangeprezen; maar het is geloof; en, ik vind, bijgeloof. De wetenschap, óók de natuurwetenschap, bevestigt de filosofie van Bebel en van Haeckel niet, maar verklaart zich daar in den laatsten tijd eer tégen dan vóór. De wetenschap heeft aan het christendom als zoodanig nog heelemaal geen grond onder de voeten weggenomen. Toch leeft dit waandenkbeeld in vele harten. In sommige gemoederen zit het muurvast.

Maar dat is geen reden om er voor uit den weg te gaan; een waanvoorstelling blijft een waanvoorstelling, ook al neemt het getal harer aanhangers toe. Neen, het verstand staat het gelooven niet in den weg; veeleer het onverstand.

Ik moet hier nog eerst eene inleidende opmerking maken; en wel deze: gelooven is niet hetzelfde als volkomen begrijpen. Dat denken sommigen; en zij zeggen van iets: „ik geloof het niet”, wanneer zij eigenlijk bedoelen: „ik begrijp niet hoe dat toegaat.” Eene verstandige, nu reeds bejaarde dame, vertelde mij daar een aardig staaltje van. Zij woonde in hare prille jeugd met haar vader in het zuiden van ons land; toen daar de eerste spoorwegen werden aangelegd; ze was toen een meisje van zes of zeven jaar. Haar vader had haar verteld van een rijtuig dat voortbewogen zou worden zonder paarden, even hard, ja harder dan zij ooit een rijtuig had zien rijden. „Dat geloof ik niet!” had ze gezegd. Een paar dagen later ziet ze den eersten spoortrein rijden; was ze nu overtuigd? Wel neen! ze zei: „ik zie het, maar ik geloof het toch niet!” Natuurlijk bedoelde zij: „ik begrijp niet hoe dat in elkaar zit”; „ik begrijp het niet.” Maar ze beweerde: „ik geloof het niet.” Sommige groote meisjes doen nog wel als dit kleine meisje; en nog wel anderen ook.

Zij vertelde mij nog iets anders. Vader, die een kundig dokter was, had haar verzekerd dat het witte licht kon breken in zeven stralen, de zeven kleuren van den regenboog. „Dat geloof ik niet!” had het kind al weer gezegd; en stilletjes had ze haar verfdoos genomen, en de zeven kleuren van den regenboog dooreengemengd. Natuurlijk kwam er toen geen wit. „Zie je wel, dat dit samen geen wit wordt?” had ze gezegd; en triomfantelijk er bij gedacht: „ik heb toch maar schoon gelijk gehad met dit niet te gelooven!”

Deze kleine vertegenwoordigster van de empirische filosofie was even eerlijk overtuigd van haar goed recht en hare goede trouw als menig volwassen ongeloovige; en ondertusschen had haar vader toch gelijk; en ging het witte licht maar voort zich in zeven stralen te breken, telkens als het door een prisma opgevangen werd. Ik heb er dikwijls aan gedacht. Behalve door hare eigenwijsheid, waarmede zij vaders woord in twijfel trok, maakte het kind het zich onnoodig moeilijk dewijl zij „gelooven” verwarde met „begrijpen.”

Doen wij het nooit? Ik vrees van wel; maar dan maken wij het onszelven onnoodig moeilijk. Neen „aan God gelooven” is niet hetzelfde als „God begrijpen.” Er zullen altijd wel raadselen overblijven, en moeilijkheden; maar dat doet er eigenlijk heel weinig toe. De raadselen en de moeilijkheden liggen eigenlijk op een ander terrein, en hebben met het gelooven al heel weinig te maken.

Eene andere opmerking is deze: „gelooven” geeft geene mindere zekerheid dan „weten”; maar zekerheid op een ander gebied. Wanneer ik iets weet, dan heb ik het niet te gelooven; en waar iets een voorwerp is van mijn geloof, daar kan mijn wetenschap thuisblijven. Ik weet wel dat het spraakgebruik daar alle dagen tegen zondigt; maar dat maakt het niet beter. Wij zijn gewoon gelooven een minderen graad van zekerheid te achten; maar dat is een slordige manier van doen. Gelooven geeft geen mindere zekerheid dan weten, maar zekerheid op een ander gebied. Laat een voorbeeld mijn meening verduidelijken.

Het was in 78 of 79. Ik was op mijn eerste standplaats, Wilhelminadorp, „de polder” bij Goes. Daar waren in die dagen de verhoudingen nog al gespannen; de „heeren” die zich liberaal noemden, waren nog al vijandig en onverdraagzaam; sommigen, wanneer het niet al te oneerbiedig klinkt, sommigen waren bekrompen; en kenden geen grooter pleizier dan een geloovige voor den mal te houden. Eens kom ik in den trein tegenover een meneer te zitten, dien ik van aangezicht en van reputatie al wel kende; een „papenvreter”; en bij gebrek aan een paap verorberde hij ook wel eens een dorpsdominé. Hij scheen dien morgen een goeden eetlust te hebben; althans, hij viel dadelijk aan. „Is u niet de nieuwe dominé uit den polder?” Ik was zoo vrij.

„Een naar baantje, dominé!”

Wel? Hoezoo?

„Nu, dat is toch nog al duidelijk; u moet allerlei dingen preeken die u zelf niet gelooft, en ook niet kunt gelooven. Ik, meneer, ik geloof heelemaal niets!”

Komaan, meneer, dat is merkwaardig. Mij dunkt, u moest in uw testament bepalen dat men u later op sterk water zet, en in een museum bewaart, als een mensch die wezenlijk niets geloofd heeft. Maar mag ik weten wie u is?

„Ik ben meneer R.”, en hij noemde een welbekenden naam in Goes.

Zoo, zoo, dus dat gelooft u!

„Wat? gelooven? Welneen, dat weet ik zeker!”

Best, meneer; bewijs u het mij dan maar.

„Nu, dat kunt u in Goes op het stadhuis vernemen, dat ik ben”, en hij liet zijn twee of drie voornamen rollen door de coupé; die en die R., zoon van den ouden R. enz.”

Jawel, meneer; zeker. Dat bewijst nog niet anders dan dat ze dat in Goes op het stadhuis ook gelooven. Ik wil het ook wel gelooven, met veel genoegen; maar weten is iets anders!

Enfin, het eind van de geschiedenis was, dat hij erkennen moest niet te „weten” dat hij een zoon van zijn vader was. „Dan zal ik maar in het vervolg zeggen: ik geloof dat ik meneer R. uit Goes ben!” grinnikte hij, toen hij in Dordt den trein verliet.

Best, meneer; en dan zal u meteen geleerd hebben dat u er niets minder zeker van is, dan toen u dacht het te weten. Want gelooven geeft geen minderen graad van zekerheid dan weten. Het komt er maar op aan, dat men gelooft op goede gronden.

Inderdaad, wij „wandelen door geloof”.—De heer R. en ik beiden hadden geloof in de directie van de S. S. toen we in den trein plaats namen. Wij vertrouwden den weg, den staat der groote spoorwegbruggen, Moerdijk, Dordrecht, Rotterdam; het materieel, den machinist of de machinisten. Hij zou al zeer vreemd opgekeken hebben, mijn sceptische reisgenoot, wanneer men hem in Dordt gevraagd had: „wie was de machinist op uw trein?”—Hij had zich toch aan dien man toevertrouwd!

Wij „wandelen door geloof”, veel meer dan wij weten. Wij hebben geloof in den architect en de werklui die het huis hebben gebouwd dat wij bewonen; in den ingenieur en zijne medewerkers die de spoorlijn hebben gelegd waarlangs we ons bewegen; in den koopman, die ons zijn koopwaar brengt; in de onbekenden uit verre landen, die hem de opbrengst van hun oogst hebben gezonden. Wij zijn, eerlijk gezegd, hier nooit zonder geloof geweest; ook niet de slimme meneer R, die „heelemaal niets” geloofde. Want we zijn hier aangekomen onwetend, absoluut onwetend; maar niet ongeloovig. We hebben met vertrouwen de lucht ingeademd die zich aanbood; de melk gedronken die ons voeden moest, zonder dat wij haar chemische bestanddeelen kenden; ja zonder te weten dat wij een maag hadden en hoe de spijsvertering toeging. Maar wanneer wij het geloof verliezen, dan gaan we dood. Ik denk hier aan een man, een fabrieksarbeider, een arme, sombere man die niemand vertrouwde, en met zijn volle weekgeld naar de omstreken van Haarlem liep, omdat hier de waterleiding vergiftigd was. Hij is van Vrijdag tot Dinsdag uitgebleven en had in dien tijd vijftien centen verteerd. Holoogig en uitgehongerd kwam hij terug; we hebben hem naar een gesticht moeten brengen; waarom? Omdat hij eerlijk, consequent, alle geloof verloren had. Want het geloof is onmisbaar in het leven; zonder geloof wordt het leven onmogelijk.

Maakt het ongeloof de menschen beter? Is door het ongeloof wel eens ooit een mensch van zijne zonde verlost? Gij kent het oude verhaal van Jozef; die in een groote verleiding is staande gebleven; en gevraagd heeft; „zou ik zoo groot kwaad doen en zondigen tegen God?” Wanneer hij „een dwaas” geweest was, die in zijn hart gezegd had: „daar is geen God”, dan had hij dezen steun niet gehad, en was misschien niet staande gebleven. Wij hebben allen wel gehoord van den Christushater Voltaire; en ook kent ieder den naam van Graaf von Zinzendorf, den stichter van de Hernhutter gemeente: uit liefde tot Christus heeft Von Zinzendorf in West-Indië het lot der slaven op de plantages gedeeld, enkel om hen met het evangelie bekend te maken. In dienzelfden tijd had Voltaire aandeelen in een schip, voor den slavenhandel bestemd. In het Frankrijk der negentiende eeuw heeft de vrijdenkerij zich ongehinderd uitgebreid; ik wil volstrekt niet beweren dat daar geen nobele oprechte menschen zijn onder de vrijdenkers, maar het systeem is niet wezenlijk verdraagzaam; en waar het de macht had, heeft het geleid tot tirannie. Herinner u den gouverneur van Madagascar, socialist en materialist; die zijne macht als bewindhebber gebruikt heeft om het chistendom uit te roeien op dat groote Afrikaansche eiland. Eerst heeft hij getracht de kerken te sluiten; daarna den bouw van nieuwe verhinderd; hij heeft den zendelingen allerlei belemmeringen in den weg gelegd; de christelijke jonge mannen-vereenigingen tegengewerkt, en als men hem vroeg waarom? Dán kwam eerst recht zijn bekrompen onverdraagzaamheid aan het licht; „die christelijke zending maakt hier zelfstandige mannen en die wil ik niet: die zijn te moeilijk te regeeren!” Toen hij in zijn vaderland terug was, liet hij zich aan een banket van vrijdenkers aldus uit: „de emancipatie begint pas; de christelijke kerk is gevaarlijker dan ooit. Het is nu niet een strijd tusschen kerk en staat, maar een krijg tusschen hen die gelooven en die niet gelooven. Wij moeten de godsdienstige gedachte zelve aanvallen!”

Dit is nu wat erg ruw, wat erg ronduit gezegd; maar het is niets nieuws. Het ongeloof als systeem is onverdraagzaam.

En kan het vertroosten in den dood?

Ik heb aan het sterfbed gestaan van een man die „atheistisch redenaar” van de socialisten geweest was. Op een vroeger ziekbed, aan den rand van het graf gekomen, had hij niet genoeg aan zijn ongeloof gehad; en hij heeft dat later ook openlijk erkend. „Ik heb wel kunnen leven in theoretisch atheïsme,” zoo sprak hij; „maar ik heb er niet mee kunnen sterven.”—Een jong meisje van 15, 16 jaar ligt aan de tering; haar vader was een atheïst, hare moeder een christin. Ouders en dochter beiden wisten dat het met haar niet lang meer zou duren. Op zekeren middag is zij met haren vader alléén. „Vader!” vraagt het meisje, „op welk geloof moet ik nu sterven; op het uwe of op dat van moeder?” De vader staart een oogenblik vóór zich uit. Maar daarna zegt hij met bewogen stem: „sterf liever in het geloof uwer moeder, mijn kind!” Ik denk dat velen in een zelfde geval zouden doen als deze vader.

En kan het ongeloof den mensch kracht geven in zijn leed? Dr. Dubois-Reymond, een geleerde Darwinist, die een oogenblik gemeend heeft, dat zijn wetenschap hem dwong tot atheïsme, maar daar al spoedig van teruggekomen is, Dr. Dubois-Reymond wijst er op hoe alléén het levend godsvertrouwen kan troosten onder het leed des levens: „Troost eens een zaal vol kankerlijders met de verzen van Goethe of Schiller” zegt hij. Het is dan ook wel voorgekomen dat godloochenaars door de diepe wegen van lijden en droefheid bekeerd zijn van hunnen dwaalweg. Maar het levend geloof; het echte, niet de namaak en niet het surrogaat, dat maakt geduldig en moedig. Dat is eene ervaring aan de ziek- en sterfbedden.

Het is soms vermakelijk om op te merken hoeveel bijgeloof er heerscht in ongeloovige kringen. Daar wil men niet met dertien aan tafel zitten; niet op Vrijdag op reis gaan; als men zout gestort heeft, spoedig een paar korreltjes over den schouder op den grond werpen, anders brengt elke zoutkorrel een ongelukkigen dag. Zijt gij gelukkig gezond in een tijd van veel ziekten, vertel het niet zonder drie maal op de tafel te kloppen en daarbij te zeggen „unberufen!” Men kan nooit weten! Bij het nemen van een beslissing zijn er vóórteekenen die niet verwaarloosd behooren te worden; en waarzeggers, kaartenlegsters, mediums worden in stilte opgezocht door menschen die voor ongeloovigen willen doorgaan. Lord Herbert van Shaftesbury had een boek geschreven waarin hij de openbaring Gods bestreed; maar toen het af was, wist hij niet of hij het wel uitgeven mocht; hij knielde neder en bad om een teeken uit den hemel als goedkeuring op zijn boek! En de overtuigde „positivist” Auguste Comte vond in de tweede helft van zijn leven een godsdienst uit met eene godheid „de humaniteit”, wier hoogepriester hij zichzelven maakte, hij Auguste Comte, de positivist.

Wat gelooft toch eigenlijk een „ongeloovige”? Als gij het hem vraagt, dan zegt hij waarschijnlijk, precies als mijn zeeuwsche meneer in den trein: „ik geloof heelemaal niets!” Want hij wil zijn geloof voor wetenschap laten doorgaan. Maar dat gelukt hem niet. Zijn ongeloof is ook een geloof. Hier hebt gij artikel I van zijn geloofsbelijdenis.

„Ik geloof aan de almachtige stof en de almachtige kracht; die van eeuwigheid zijn en tot in alle eeuwigheid duren; die alles uit zich zelven geschapen hebben, ook den menschelijken geest, ofschoon zij zelve geen geest zijn en geen geest hebben; en die de natuur met wonderbare wijsheid ingericht hebben, ofschoon zij niet wisten dat ze dit deden.”

Ziedaar eigenlijk het eerste en éénig artikel van het materialistische geloof. Ik voor mij vind het christelijke geloof veel verstandiger, dat belijdt: „ik geloof aan God, den Vader, den Almachtige, den Schepper des hemels en der aarde”.

Kent gij, lieve lezer, het mooie gedicht „de Schepping”, van ten Kate? Sommigen uwer hebben er wel eens van gehoord; niet velen van de jongeren kennen het. Ik heb mij altijd verstout er mooie passages in aan te treffen, en het deed mij onlangs goed aan mijn eigenwijze hart, in eene studie van een der „jongeren” te lezen dat ten Kate toch maar mooier verzen had geschreven dan de tachtigers wisten. „Ja, ja,” knikte ik mijn wel doorvoeden criticus toe; „véél meer!” Ik zou lust hebben u eens de passage op te zeggen, die juist zoo mooi bij ons onderwerp past; hoe God zich openbaart in de natuur; het is in het zevende tafreel te vinden; aldus begint het:

Met de middlen, met de wegen Van Zijn goedheid, van Zijn macht Komt de Algoede zijn geslacht Op den hangen dwaalweg tegen; En daar straalt een spoor van zegen Door de wanorde en den nacht;

Gij moet het maar eens lezen, in het zevende tafreel; ook die mooie regels:

„God is goed en groot” herhalen Alle heuvlen met hun dalen; Alle bergen die daar staan Als voor de eeuwigheid geschapen, Aan wier borst de wolken slapen; Aan wier voet, gelijk de blaân, Volken komen en vergaan; 's Heeren stem is op de waatren, Die Hij van Zijn vingertop Sprenkelde als een regendrop, En, wanneer de diepten schaatren, 't Bliksemvuur de wolken deelt, En de zee heur psalmen speelt Onder 't loeiend onweerklaatren, Dan ontblooten zelfs Gods haatren Met een huivring 't schennig hoofd; En—de twijfelaar gelooft!

Zooals ik zeg, ik herinner mij nauwelijks den tijd dat ik dit vers niet kende, en ik verstout mij nog het mooi te vinden. Maar laat mij u nu eens vertellen wat mij onlangs gebeurd is. Een mijner jonge vrienden, een literair genie van de bovenste plank, komt bij mij, en vraagt mij:

„Weet u wel dat de Schepping niet van ten Kate is?”

Ja, zeker weet ik dat, die is van God!

„Nu, wees niet flauw; het gedicht „de Schepping” bedoel ik.”

„Zoo”, zeg ik; (ik kreeg al een beetje binnenpret!) „ik heb anders den dichter nog zelf gekend—en hem stukken er uit hooren voordragen; en ik verzeker u, niemand in mijn tijd twijfelde er aan of dit groote dichtwerk was de arbeid van Ds. J. J. L. ten Kate in Amsterdam.”

„Neen”, zegt mijn wijsneus. „U weet er heelemaal niets van”. (De jonge man weet dat ik een dagje ouder word, en me niet kwaad mag maken; daar maakt hij misbruik van!) „Ik zal u vertellen dat stuk, dat u zoo mooi vindt, dat ik u al dikwijls heb hooren opzeggen; dat is heelemaal niet van ten Kate!”

Wel—en van wien is het dan?

„Van niemand!”

„Van niemand?” vraag ik—want daar was ik dan toch nieuwsgierig naar. Ik dacht natuurlijk in de verste verte niet dat iemand mij, in mijn eigen huis, Toussaintkade 35, zou trachten „er in te laten loopen.”—„Van niemand? wou jij zeggen dat dat vers zichzelf gemaakt heeft?”

„Ja, wat zal ik zeggen”—ging mijn historisch-conjecturaal-criticus voort. „Oordeelt u er zelf maar eens over; aan wien die verzen naar uwe meening moeten toegeschreven worden. Weet dan dat het nu al bijna vijftig jaar geleden is, op een mooien Mei-morgen in het jaar 1867—we hadden toen nog mooie Meimorgens—dat een jonge os hier de stad 's-Gravenhage werd binnengeleid; hij kwam van het Bezuidenhout, de Heerengracht langs, naar de Pooten. Of het de aanblik was van den slagerswinkel, het derde huis links, of dat hij de slagersjongens niet vertrouwde die hem geleidden; plotseling rukt het beest zich los; maakt rechtsomkeert, en zet het op een loopen; de Pooten uit; den Fluweelen Burgwal op; de Landsdrukkerij binnen. Daar, in de consternatie gooit hij alle letterkasten omver; een geweldige drukfout! En de toenmalige directeur met zijn duitsch accent, wat haastig, wat schutterig, roept uit: „kau, kau as de weerlich! Vorsicht, vorsicht; feeg me die Buchstaben netjes op, dat me die Buchstaben niet fertrapt werden!” En heel netjes, en heel voorzichtig, nemen daar de gezellen elk een stoffer en blik, en vegen die letters netjes bij elkaar, om ze weer in de letterkast op te bergen. Maar—daar komt er een; u weet die letterzetters lezen spiegelschrift net zoo gemakkelijk als u de Standaard of het Volk!... en hij bekijkt zijn blik en zegt: „wel, heb ik nu ooit; hoe toevallig: kijk eens meneer, wat ik hier op mijn blik bij mekaar geveegd heb, dat lijkt wel een vers!”

Met de middlen, met de wegen Van zijn wijsheid, van zijn macht, Komt de algoede zijn geslacht Op den bangen dwaalweg tegen; En daar straalt een spoor van zegen Door de wanorde en den nacht. Wat al kreeten....”

„He, meneer,” zegt de jongen; „dat zou een mooi vers geworden zijn; jammer dat het hier uitscheidt”....

Maar daar kwam een tweede jongen, en hij zegt: „kijk, meneer, dat is nu toch al heel toevallig; ik geloof dat ik het vervolg heb. Hoe was ook je laatste regel?” „'t Was een halve regel”, zegt de eerste: „Wat al kreeten....”

„Juist,” valt de ander in; „dan kan ik wel het vervolg hebben:

........ Hem bestormen, Door den wanklank ongestoord, Werkt de Vader liefdrijk voort, En in duizendvoude vormen Kleedt Hij Zijn welsprekend woord. Leesbaar staat het aan den hemel Met zijn ongerimpeld blauw Lovend de Onbezweken Trouw; Met zijn vonklend stargewemel....”

En daar was het weer uit.

„Ik heb zoowaar het vervolg,” komt een derde vertellen: „luister maar toe; wat was ook weer je laatste regel? „Met zijn vonklend stargewemel” ja juist:

Prijzend als op d'eersten dag, 't Eenig en Alhoog gezag. Hoorbaar klinkt het uit de stroomen, Uit de velden, uit de boomen, In een eindloos lofchoraal. Want het schepsel al te maal, Houdt niet op zijn God te roemen; Ieder in zijn eigen taal, Wil den naam des Scheppers noemen;”

en zoo ging dat maar door; en wanneer daar één blik was afgelezen, dan kwam er een jongen met een ander blik; en hij had zoowaar het vervolg. 't Was nog nooit ergens anders gezien; en allen die er verstand van hadden, voorspelden dien directeur een groote toekomst.

„En dus”—zoo eindigde mijn verslaggever; „aan wien kan men nu dat vers eigenlijk toeschrijven? Is het een vers van een os? Is het een gedicht van het toeval? Van wien is het nu eigenlijk?”

Ik moet bekennen dat ik zoover nog niet gedacht had. Een vers van een os! En zoo'n vloeiend vers, nog wel; het is zeker wel heel bizonder; maar—ik geloof er natuurlijk geen sikkepit je van!”

„Wat gelooft u niet?” vroeg mij mijn literair genie, min of meer scherp; „wat gelooft u niet? Dat een os een letterkast omverstooten kan? Waarom niet? Een os is sterk, en een letterkast kan niets terug doen!”

Neen; maar dat die letters in die bepaalde volgorde zouden vallen; dat is glad onmogelijk!

„Waarom is dat zoo onmogelijk? Ze moeten toch in de eene of andere orde vallen; waarom dan niet in deze?”

Ja—wel zeker; ik kan natuurlijk niet bewijzen dat dit onmogelijk is; maar ik houd dan maar eenvoudig vol dat ik er geen sikkepitje van geloof. Dat zulk een vers van acht en veertig regels ontstaan zou zijn door de letters van een of meer letterkasten door elkaar te gooien, dat gelooft niemand. Als zoo iets dergelijks nu eens in den bijbel stond, dan zoudt ge eens wat hooren! Wat een bijgeloovige menschen! Wat een onnadenkende menschen! Met zulke menschen valt niet te redeneeren! Maar verlangt de geleerde monist Haeckel van ons niet iets dat duizendmaal absurder is? Een gedicht over de Schepping, bij toeval ontstaan,.... onzin. Maar de wereld zelve, door toeval ontstaan, diepe wijsheid! Professor Reinke uit Kiel, een botanicus van grooten naam, heeft een geleerd boek geschreven, de wereld als daad, „die Welt als That”; hij bespreekt ook daarin de vraag: is het denkbaar dat een cel in het verre verleden vanzelf is ontstaan uit de anorganische bouwstoffen? Hij verzekert ons dat de kunstmatige vorming van organische verbindingen (b.v. eiwit) uit anorganische grondstoffen nog nooit en nergens is gelukt. Gesteld het onwaarschijnlijke geval dat het lukte, dan moet eene nog moeilijker vraag worden opgelost: hoe is nu daaruit een levende cel ontstaan, die bij hare voeding machine-arbeid verricht, en het vermogen van voortplanting bezit? Want de eerste cel moet, van haar ontstaan àf, eene volkomen goed afgewerkte, doelmatig afgewerkte machine geweest zijn, een opgewonden automaat!

Kán nu dit alles, tot in de kleinste en fijnste bizonderheden toeval geweest zijn; of moeten we hier denken aan een besturend verstand?

Het woord „toeval” is een woord voor bijgeloovige menschen; het is een woord dat onze onkunde verbergt of het bankroet van ons denken verbloemt. Maar wat denkt men zich toch wel bij zulk een woord „toeval”?

Neem eens uw horloge. Vijl het, totdat gij een schoteltje hebt met fijn stof. Durft gij denken dat die fijne metaaldeeltjes, onder den invloed van mechanische krachten, door een gelukkig „toeval” zich weer zouden vereenigen tot een uurwerk dat correct gaat?

Even brutaal zou de bewering zijn dat alleen onder den indruk van chemische krachten, zonder verstand, een levende cel zou ontstaan zijn.

De naturalisten, die van ons verlangen dat wij dit gelooven zullen, verlangen te veel. Het blijkt ons dat wij, om „ongeloovigen” te zijn, bijgeloovig moeten wezen. En dat willen we niet.

Als ik al die mooie woorden hoor, die toch welbeschouwd groote woorden zijn, waarmede Bebel en Haeckel en hunne geestverwanten mij bewijzen willen dat deze wereld van zelve ontstaan is, dan denk ik aan de jongens uit de landsdrukkerij en aan hun „blik met letters.” Inderdaad behoeven onze jonge menschen niet voor groote woorden uit den weg te gaan. Met een volkomen vertrouwen mogen zij nog altijd instemmen met het algemeen ongetwijfeld christelijk geloof:

Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.

decoratieve illustratie
decoratieve illustratie
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings