LENTELEVEN
Reading edition

Als je meent, dat de hei alleen maar mooi is in den nazomer, wanneer de erica bloeit en haar herfstweelde in alle schakeeringen van paars en rood ten toon spreidt, dan heb je het heelemaal mis.
Want de hei is altijd mooi!
De hei is mooi bij hooge blauwe luchten, die lijnen en kleuren zoo scherp doen uitkomen, en bij laag neêrhangende regenwolken, wanneer de toppen der boomen in nevel zijn gehuld; in den zomer, wanneer 't heete zand de lucht daarboven doet trillen en de horizon in blauwigen nevel wordt weggedoezeld, en in den winter, wanneer 't kale struikgewas zich zwart tegen den besneeuwden bodem afteekent en de dennebosschen zwijgend op de witte vlakten nederzien.
Wat in de hei zoo aantrekt, is de rust, de diepe, plechtige rust. Het is er zoo stil, zoo verheven stil. Men voelt er zich als in een heiligdom. Een heiligdom mag niet druk zijn. Lijnen, verhoudingen, kleuren, 't moet alles in harmonie zijn. Niets mag er wezen, dat te veel de aandacht trekt, want dan wordt de harmonie verbroken en komt er een te harde toon in den lofzang, die er door henen ruischt. Het verhevene is altijd harmonisch. Het majestueuse is altijd stil. De kleine mensch maakt gaarne drukte. God spreekt in de stilte. Die in Gods heiligdommen ingaat, gaat in de stilte in en dan wordt ook zijn hart een heiligdom, waarin vrede woont.
Zulk een heilige tempel is de hei. Is er hooger koepeldak denkbaar dan de hemel, die er zich over heen welft, wijder ruimte dan de eindelooze uitgestrektheid van den golvenden grond? De hoogste heuvel daar is een kansel, waarop je de grootheid Gods zoudt willen verkondigen, die groep statige boomen er om heen een orgel, waar de psalm zijner eer uit oprijst.
Zie je die houthakkers, die daar midden op de hei een vuurtje hebben aangemaakt? Wat zitten ze met hun blauwe kielen en roode dassen daar aardig om heen! Schilderachtiger en vrediger kan het al niet. Maar het intiemste is toch wel het rookzuiltje, dat regelrecht naar boven stijgt, telkens veranderend en toch zich zelf gelijk blijvend, steeds zich bewegende en toch stil: een gebed, ten hemel gezonden. En onwillekeurig kom je in de stemming om meê te bidden.
Ben je blij, ga dan naar de wijde, zwijgende heidevelden en jubel daar je blijdschap uit. Ben je bedroefd, ga dan ook, want de hei verstaat de smart van 't arme menschenhart, zij hoort, wat niet kan worden uitgesproken, zacht klaagt zij mede de klacht, die niet onder woorden kan worden gebracht.
Nu zijn er misschien stadsmenschen, die meenen, dat je tot de beschaafde kringen moet behooren, om de taal der natuur te verstaan! Wanneer ze een paar weken buiten zijn, genieten ze van de stilte, zoo in tegenstelling met het drukke stadsleven, van de eenvoudige schoonheid van bosch en hei, die niets gemeen heeft met de vermoeiende schittering der hel verlichte straten, en keeren verkwikt terug naar hun bezig leven. Maar 't is de vraag, of zij de taal der natuur hebben verstaan!
Het intieme meêleven met de natuur, het door en door begrijpen van haar spraak, moet je toch eigenlijk zoeken bij hen, die er dagelijks meê omgaan, ja, zelven een stuk natuur zijn geworden. Zij zullen het zich misschien niet zoo bewust zijn, het niet met zoovele woorden kunnen uitdrukken, maar zij leven veel inniger met de natuur mede dan menig beschaafd mensch wiens hoofd en hart door allerlei zorgen is ingenomen. Geen enkele verandering van windrichting of wolkenformatie ontgaat hun. Zij hebben overdag geen zakuurwerk noodig om te zien, hoe laat het is en richten zich naar den stand der zon even nauwkeurig als de stationschef naar zijn klok. Zij weten, wat het loeien van hun beesten en het blaten van hun schapen beteekent, het zenuwachtig trappelen van hun paarden, of 't onrustig heen en weer schuren van hun kalveren. Zij geven acht op de richting der vogels, op het gonzen van de bijen, op het ruischen van de beek. Alle geluiden in de natuur hebben beteekenis voor hen, alles spreekt tot hen. Zet eens een buitenman in de stad. Eerst kijkt hij zijn oogen uit en meent, dat alle menschen hun zondagsche spullen aan hebben, maar al heel spoedig zoekt zijn oog den wijden hemel, de zon, de maan, de bosschen, de velden, ach, hij zou het tusschen al die steenen huizen niet lang uithouden!
Zoo was het tenminste Jaap Boesveld gegaan, toen hij een paar dagen bij zijn zuster in de stad was geweest om zijn dochter te bezoeken, die in 't ziekenhuis lag, maar hoeveel mooie dingsigheidjes hij ook in de winkels achter de ramen had zien liggen, en hoeveel vreemds hij ook van de stadslui had gezien, hij had toch telkens tegen zijn zuster moeten zeggen: „mensch, ik weet niet, hoe je het hier uithoudt!” „Gewoonte, Jaap, alles gewoonte,” had zij hem geantwoord, „en een mensch heeft er zijn brood.” Jaap had daar op niets kunnen antwoorden, maar hij was blij geweest, toen hij weer met Jenneke, de vrouw, in zijn hoeve op de stille hei terug was. 's Avonds zag hij voor zijn huis de maan opgaan. 't Trof hem, hoe plechtig stil 't daar buiten was en hoe statig de maan omhoog rees. In de stad moest je 'm zoeken tusschen hooge daken en schoorsteenen, maar hier zag je 'm al, krek als ie boven den horizon kwam. En Jaap had een gevoel gekregen, of hij zijn pet had willen afnemen, net als in de kerk, wanneer de meester zoo mooi op 't orgel speelde.
Jaap hield veel van de hei. En weet je waarom?
Omdat je er zoo goed kon prakkizeeren.
Dat prakkizeeren was zooveel als een familiekwaal. Vader had er ook last van gehad, maar toen hij er meê was opgehouden, was 't ook metéén met hem gedaan geweest. Vader prakkizeerde zóó diep, dat de meester en zelfs de dominee hem om raad kwamen vragen. „Boesveld, wat moeten wij doen?” En dan had vader nooit dadelijk antwoord kunnen geven, maar als 't dan later goed of slecht uitkwam, zei vader altijd: „dat had ik wel gedacht.” Veel spreken deed vader niet, want, zie je, die veel zegt, heeft veel te verantwoorden, maar denken deed hij zooveel te meer!
Op het laatst van zijn leven was hij er over gaan prakkizeeren, waarom hij na een moeizaam leven niet stillekes mocht sterven, en waarom hij anderen tot last moest zijn. En of zij hem al hadden gezegd, dat vader heelemaal niet tot last was en dat ze vader nog graag wat bij zich hielden, het had niet geholpen.
Eindelijk was de dominee er aan te pas gekomen. Die had hem gezegd, dat hij niet langer zoo mocht tobben en geloovig moest afwachten, wat God doen zou.
Dat had geholpen, maar toen was 't ook metéén met vader gedaan geweest.
Jaap was graag op de hei. Wanneer hij 's morgens den dauw op de heiplanten zag glinsteren in de zon en zoo'n grooten droppel zag schitteren in een spinneweb, was het hem, of er een sterretje van den hemel was gevallen, dat onze lieve Heer vergeten had op te rapen. Zóó had hij gedacht, wanneer zijn kleine Geertje met hem naar buiten liep en dan schik had in die mooie sterretjes, zooals zij ze noemde.
Ach, Geertje! ach, Geertje!
Één plek in de hei was er, waar Jaap altijd naar moest kijken. Dat was de plek, waar drie berken stonden. Wat stonden ze daar met hun zilveren stammetjes aardig bij elkaar! In het voorjaar kwamen ze met hun glimmend wit zoo mooi tegen de helder blauwe lucht uit, en als dan de eerste blaadjes kwamen, wel, dan was nergens teerder groen te vinden.
Jammer, dezen zomer was het kleinste der drie boompjes dood gegaan. Hoe dat gekomen was? Misschien had 't grootste van de twee andere 't geen lucht gegeven om te leven. Wie zal 't zeggen? Nu kon je niet zien, dat 't kleinste berkje dood was, tenminste niet op een afstand, want 't was laat in November, guur en somber en ze hadden alle drie hun bladeren verloren.
Waarom hij toch telkens naar die berken moest kijken? Omdat daar 't plekske was, waar zijn eenig kind, zijn Geertje, zoo graag had gespeeld, toen ze klein was.
Hij ziet haar nog met haar blonde haren onder den strooien hoed uit en met haar pop in de bloote armen. Uren kon zij daar heen en weer drentelen in haar katoenen jurkje en bonte schort, terwijl vader in de nabijheid hout hakte of dennen pootte.
Die drie berken had zij „Vader” en „Moeder” en „Geertje” genoemd. De langste was „Vader”, de dikste „Moeder” en de kleinste, „Geertje”, of „ikke”, zooals ze altijd zei. En dan lachte ze zoo helder, dat 't aardigheid was en je wel moest meêlachen.
Waarom was Geertje niet bij vader en moeder thuis gebleven?
Ze had met alle geweld naar de stad gewild. Ze kon op de stille hei niet aarden. Ze moest onder de menschen.
Vader en moeder hadden er eerst erg op tegen gehad. Maar hoe gaat het, wanneer zoo'n kind eenmaal haar zinnen er op heeft gezet en je een zuster in de stad hebt wonen! En zoo was zij gegaan. Maar hij had er hartzeer genoeg van gehad. Waarom was hij niet standvastiger geweest en neen blijven zeggen?
Anderhalf jaar geleden was ze nog thuis geweest. Voor 't laatst! Ze had toen wel erg wonderlijk gedaan en veel zitten prakkizeeren, maar hij had daar niet zooveel acht op geslagen, want dat zat nu eenmaal in de familie. Wel had hij 't vreemd gevonden, dat zij telkens zoo had gehuild! Geertje was niet meer de vroolijke Geertje van vroeger geweest. En toen ze wegging, had ze zóó schrikkelijk gehuild, dat hij meewarig had moeten zeggen: „nou kind, hou je maar goed.”
Jenneke, de vrouw, had 't beter begrepen. Daar zijn 't dan ook vrouwlui voor. Want toen een groot half jaar later de tijding kwam van de geboorte van Geertjes kindje, een jongetje, toen was zij heelemaal niet van streek geweest, zooals hij, maar kalm en bedaard en had precies geweten, wat ze deed. Ze zei hem toen nog, dat hij niet zoo boos mocht wezen, dat 't toch zijn eigen kind was en dat hij haar niet verstooten mocht.
En dat had hij ook niet gedaan. Ze had zelfs wel thuis mogen komen, maar.... zonder 't kind. Altijd die schande voor oogen, dat wilde hij niet.
Daarom had hij ook dadelijk voor ouderling bedankt. De dominee was nog bij hem geweest en had getracht hem tot aanblijven te bewegen, maar Jaap was onverzettelijk geweest. Een ouderling moest iemand zijn, die zijn huis wèl wist te regeeren, dat wist dominee toch ook wel. Deze zei toen, dat een vader toch niet verantwoordelijk was voor wat zijn dochter buiten's huis verkeerd deed, maar, zie je, daar had nou de dominee zoo geen verstand van, wat die had geen kinders en kon dus niet weten, wat een vader in zoo'n geval voelde.
Zoo was Geertje weggebleven. Zij wilde niet zonder haar kindje thuis komen en daarom was ze dadelijk na haar bevalling hard aan 't werk gegaan om 't kostgeld voor 't kind te kunnen betalen. Tante was te oud geweest om 't kind bij zich te nemen.
Of had Geertje zelve ook niet willen thuiskomen om de schande in het dorp?
Dat vroeg Jaap zich gedurig af, terwijl hij naast zijn bruine voortliep, die in gelijkmatigen tred de kar met plaggen voorttrok.
Geertje was reeds een maand of zes in het ziekenhuis. Al dadelijk, toen ze uit werken was gegaan, was ze gaan sukkelen en eindelijk was 't zóó erg geworden, dat de dokter het beter had gevonden ze in 't ziekenhuis te doen opnemen.
Hij en Jenneke hadden haar al eens bezocht. Ze lag op een groote zaal. Mensch, mensch, wat 'n zieken bij elkaar! Zoo iets had hij nog van zijn leven niet gezien! Hij had Geertje eerst heelemaal niet kunnen vinden, maar een zuster,—een vriendelijk schepseltje, dat was niet anders te zeggen—had hem den weg gewezen: op één na de laatste krib rechts. En daar lag ze. Eerst was ze wat beduusd geweest, toen ze vader en moeder zag, maar anders had 't nog al geschikt. Wel had ze niet veel gezegd en gedurig de oogen dicht gedaan en dan waren er zoo'n paar diepe, pijnlijke rimpels gekomen, net of ze over 't een of ander lag te prakkizeeren, waar ze geen weg meê wist; heelemaal niet meer de vroolijke Geertje van vroeger. Ze had onrustig met 't hoofd liggen draaien en op alle vragen weinig asem gegeven.
Maar de laatste weken was 't niet al te best geweest. Jenneke had 't niet langer kunnen uithouden en was naar haar schoonzuster gegaan om Geertje dagelijks te kunnen bezoeken. Nou, dat vond Jaap voor de gerustigheid veel beter. Je kon toch zoo'n onnozel schaap niet moederzalig alleen laten liggen.
Nu had hij dien morgen, juist toen hij op 't punt stond de plaggen te gaan halen, waarmede hij nu terugkwam, een brievekaart uit 't ziekenhuis gekregen, zeker van een zuster, dat Geertje hard ziek was en graag had, dat hij overkwam.
Hij had natuurlijk niet dadelijk kunnen gaan, want je moet toch eerst overleggen, hoe je den boel vóór mekaar moet krijgen. Twee koeien, waarvan de stal moest worden uitgemest en waarvoor hij juist de plaggen had gehaald, een paard en vier varkens, dat kon je toch niet allemaal op eens aan een jongen knecht overlaten. Maar als hij morgen met den eersten trein ging, kon hij al om tien uur 's morgens in de stad zijn.
Geertje hard ziek! Arm kind! Nou zou ze wel sterven. Hij had altijd nog hoop gehad, dat 't ten langen leste nog wel zou schikken, maar nou was 't mis!
Zou ze voor d'r zelve vrede hebben? Want ze had toch in de zonde geleefd. Zou ze voor Gods rechterstoel kunnen bestaan, als de boeken geopend werden? Als hij ze morgen zag, zou hij vragen, hoe of ze er vóór stond. Dat was hij als vader verplicht. Ach, hij had 't haar bij zijn eerste bezoek ook al willen vragen, maar toen had hij niets kunnen uitbrengen. Hij had zoo'n medelijden met haar gehad. 't Was niet trouw geweest. Maar nu zou hij beter oppassen. Al was 't zijn eigen Geertje, hij zou 't haar aanzeggen. Ja, juist omdat 't zijn eigen kind was, zou hij 't haar aanzeggen. Hij zou zijn eigen smart trachten te vergeten en alleen aan 't zieleheil van zijn kind denken.
Arm kind, zoo jong nog en dan te moeten sterven door eigen schuld. Want 't Woord sprak waarheid: „de bezoldiging der zonde is de dood.”
Zóó liep Jaap Boesveld te peinzen naast zijn bruine, die rustig de kar met plaggen voorttrok.
Hij had de zweep onder den arm en het pijpke, hoewel reeds lang leeggerookt, vast tusschen de tanden. Niet dat Jaap de zweep ooit gebruikte. Paarden moet je niet slaan. Je moet tegen ze praten: „hu bruine! Kom bruine! Wat is er bruine?” dan kon je alles van ze gedaan krijgen. Net menschen, die dieren.
En Geertje dan? Of was hij misschien te zacht tegen haar geweest, te toegefelijk? Nou ging ze sterven, door eigen schuld.—Door eigen schuld? Die vraag rees voor het eerst in zijn hart op, heel beslist en duidelijk. Door eigen schuld, Jaap? Maar als jij ze met haar kindje in huis had willen nemen, als jij je hoogmoed wat meer de zweep had laten voelen, had ze zich dan ook behoeven dood te werken? Hij moest erkennen, dat, als hij tegenover Geertje te toegefelijk was geweest, hij het tegenover zijn eigen hoogmoed nog veel meer was geweest. Bij zijn bezoek in 't ziekenhuis had hij niet naar 't kind willen vragen. Hij had nooit met iemand over 't kind willen spreken. Was Geertje misschien daarom zoo stil geweest?
Jaap had zich deze dingen nog nooit zoo afgevraagd als nu. Hij had er nooit aan getwijfeld, of hij had goed gehandeld, maar of het kwam van den schrik, dat hij Geertje zou moeten verliezen, dat wist hij niet, maar hij begon aan de rechtmatigheid van zijn gedrag te twijfelen.
Maar Geertje zelve had toch ook nooit met haar kind op 't dorp willen komen. Dat wist Jaap zeker, want ze had net 't karakter van haar vader. Met die gedachte paaide hij zich.
Als Geertje er voor haarzelve nu maar goed vóór stond. Hij zou het haar vragen. Hij had zelfs den dominee ook eens gevraagd, of hij geloofde in den eenigen algenoegzamen Zaligmaker, en of hij wel vlak lag in de waarheid, die hij anderen verkondigde. Jongen, jongen, 't was toch bijster ellendig anderen te prediken en zelf verwerpelijk te worden. Hij had 't den dominee gevraagd, omdat hij 't als ouderling verplicht was geweest. Hij zou het zijn eigen vleesch en bloed ook vragen. Dat was hij als vader verplicht.—Vreemd, tegenover zoo'n onnozel kind was 't toch veel moeilijker, dan tegenover zoo'n wildvreemden dominee! Maar dat kwam, omdat 't zoo eigen was.
Intusschen was Jaap met zijn bruine den weg langs 't bosch afgekomen en den voet van den grintweg genaderd, die langzaam opliep naar den heuvelrug. Bruine was gewend dat gedeelte van den weg wat harder aan te stappen en boven te wachten op zijn baas. Jaap liet hem dus stil zijn gang gaan en volgde langzaam.
Als Geertje stierf, waar leefde hij dan nog voor? Hij had zoo graag zijn spulletje aan haar vermaakt, als 't nog eens tot een goed huwelijk was gekomen. Maar nu? Zijn vader had ook gevraagd, waarvoor hij leefde, maar die was toen oud geweest, terwijl hij, Jaap, nog een betrekkelijk jonge kerel was van zes en veertig jaar! En op eenmaal werd het heel donker in zijn ziel. Hij kon de stem van zelfverwijt, die zich telkens weer bij hem deed hooren, maar niet tot zwijgen brengen. Waarom had hij Geertje niet met 't kind thuis willen nemen? Waarom had hij haar alleen den last harer schande laten dragen?
Bruine stond reeds boven op den heuvel te wachten. Jaap liep wat harder aan en was weldra boven. De lucht was grauw en de avond begon te vallen. 't Was doodstil om hem heen. Het eenige antwoord, dat de hei op al zijn vragen gaf, was 't ritselen van 't dorre beukeblad, als er een windstoot door de struiken ging.
Jaap leunde met zijn rug tegen de kar. „Stil bruine, de baas moet nog even de pijp aansteken.” Hoe meer de zorgen hem drukten, des te krachtiger rookwolken blies hij uit. Dat was voor Jenneke altijd een teeken om hem maar stil met rust te laten.
De wind kwam uit 't Zuidwesten opzetten. Met den rug daarheen gekeerd, achter zijn kar, streek hij een lucifer aan tegen den binnenkant van zijn jas. De wind blies 't vlammetje uit. Weer een aangestoken, nog een, nog een. 't Ging niet, hij moest 't opgeven.
Plotseling kwam de zon door een spleet in de wolken te voorschijn en wierp vóór het scheiden een gouden lichtgloed over bosch en hei. Zie, hoe alles gloeide en tintelde! Wat een schakeeringen van groen en bruin en wit! In vierkante vakken zag je het lichte groen van den jongen dennenaanplant met 't donkere bruin der uitgebloeide heidestruiken daar tusschenin. Het dorre blad onder aan eike- en beukeboomen straalde in hel-bruin en in de verte trilden de sparrebosschen van vreugd in hun gouden feestgewaad. En dan telkens daartusschen in die bultige heuvels met hun witte zandhellingen en die plekken zwarte hei; het was alles één harmonisch geheel: vóór 't scheiden van den dag zong de hei haar avondzonnezang, vredig en plechtig.
Maar 't ging alles aan Jaap voorbij. Hij zag niets dan zijn eigen leed, hij hoorde niets dan 't zuchten van eigen hart. Hij stond daar, met den rug naar 't licht toegekeerd, de pet diep in de oogen, voor zich uitstarende naar de zwaar neêrhangende luchten, die, nadat de zon achter een grijze bank was weggezonken, in vale eentonigheid over de hei wegdreven.
't Werd avond en nog stond Jaap in 't duister te staren, verdiept in eigen leed. Als je beneden op den weg had gestaan, had je de silhouetten van paard en kar en boer daar op den heuvel zich duidelijk tegen den avondhemel kunnen zien afteekenen. Onbewegelijk stond 't geheel daar, als uit de hei opgegroeid.
Er begon regen te vallen. Toen kwam er beweging in 't heidebeeld. 't Kiezel knarste onder de lompe wielen, stootend en knoerpend ging de kar den heuvel af, de duisternis in. De omtrekken werden al flauwer, 't geluid der wielen al zwakker, eindelijk werd het heelemaal stil. De hei zou ook dit leed, als zooveel ander, zwijgend bewaren, als straks de plek, waar 't haar werd toevertrouwd, zou zijn toegedekt met 't zwarte kleed van den nacht————————————————
Den volgenden morgen om half elf schelde Jaap Boesveld aan bij den hoofdportier van 't ziekenhuis: „of hij al bij Geertje Boesveld terecht kon?”
Jawel, die had doorloopend bezoek. De eerste deur rechts, twee trappen op en dan de eerste deur links, zaal 5.
Jaap ging. Hij wist den weg nog wel van den vorigen keer. Aan den ingang der zaal bleef hij weifelend staan. Toen kwam er een zuster naar hem toe, die hem met iets heel vriendelijks in haar stem vroeg: „U komt zeker Geertje Boesveld opzoeken? Dat zal zij aardig vinden; kom maar meê, haar moeder is er al.” En terwijl zij met hem naar 't eind van de lange zaal ging, waar Geertje's bed stond met een wit schermpje er om heen, zeide zij zacht tot hem: „U wilt er wel om denken, dat zij heel ziek is?”
Jaap antwoordde niets, 't dwarrelde alles voor zijn oogen. De zuster schoof tusschen het bed en het scherm in, links van de zieke, terwijl rechts aan het hoofdeinde haar moeder zat. Langzaam ging Jaap naar Geertje toe en lei zwijgend zijn hand op haar arm. Zij had de oogen toe en scheen te sluimeren.
Wat was ze afgevallen en wat zag ze bleek! In half zittende houding, hoog tegen de kussens aan, met haar dikke blonde vlechten langs de slapen over de ingevallen borst, lag ze daar als een wassen beeld.
Jaap boog zich voorzichtig over haar heen en gaf haar een kus op het voorhoofd. Zij sloeg de oogen op en staarde vóór zich uit als terugkomende ver uit een droomenland, waarvan zij de beelden nog vasthield.
„Kijk eens Geertje, wie daar is! Zie je 't wel, 't is je vader, die eens komt zien, hoe 't met je gaat.” Met deze woorden riep de zuster haar zacht tot de werkelijkheid terug, terwijl zij haar met de hand over 't hoofd streek.
Geertje deed haar oogen wijd open en toen zij haar vader zag, gleed er een blijde glimlach over haar mager gezichtje, als een heldere zonnestraal over een somber najaarslandschap.
Zie je, Jaap, toen de zon gisteren op de hei plotseling doorbrak, merkte je niets van het lied, dat de scheidende dag als zijn avondzonnezang zong. Maar hier zie je toch wel den zonneschijn over Geertje's gelaat, hier hoor je toch wel het afscheidslied van het scheidende leven?
Hij zei Jenneke met een knik g'ndag en zette zich zwijgend tegenover haar. De onderarmen lei hij op de knieën en de handen liet hij slap naar beneden hangen en met zijn vingers draaide hij zijn pet heen en weer. Zóó zat hij naar Geertje te staren.
Nu kon je toch wel zien, dat vader en dochter op elkaar leken. Datzelfde regelmatige gezicht, dat vierkante voorhoofd, die rechte neus, die smalle lippen en die breede kin. D'r mooie blauwe oogen had ze van moeder, maar anders was ze krek d'r vader.
Jenneke zat met betraande oogen aan Geertjes hoofdeinde. Zij hield Geertjes magere hand vast. De eenige, die er blij en tevreden uitzag, was de zieke zelve. Zij keek maar rustig naar vader en lachte hem vriendelijk toe. Al gaf Jaap er zich geen rekenschap van, toch onderging hij den invloed van Geertje's vredige blijdschap. Hij had verwacht weer die diepe, pijnlijke rimpels tusschen de oogen te zien, weer dien onrustigen blik en die ongedurige houding. Hij had zich voorgenomen haar te vragen, of ze wel vrede had. Maar dat behoefde niet meer! En nu hij dien glimlach op haar gelaat zag, nu daalde daar op eenmaal een groote warmte in zijn ziel, en vóórdat hij 't wist, was de vraag er al uit: „Geertje, hoe gaat 't met je kind, met den kleinen Gerrit?”
Zij antwoordde niet, maar zag hem lang en rustig met haar groote blauwe oogen aan. Daarna zeide zij, terwijl zij haar hand uit die van moeder losmaakte en aan haar vader reikte: „Dank u, vader, dat u me vergeven hebt.”
Jaap greep haar hand en zeide: „Maar kind, ik heb je altijd vergeven.”
Geertje schudde 't hoofd: „neen vader, nog nooit zooals nu.”
Zij deed haar oogen dicht. Alles vermoeide haar zoo.
Toen, een oogenblik daarna: „vader, ik ben niet bang om te sterven.”
„Zoo kind.”
„Neen, vader, ik ben niet bang, niet waar zuster?”
Deze begreep haar. „Boesveld,” zeide zij, „uw dochter is heelemaal niet bang voor den dood. Gisterenmorgen nog wel, maar 's middags is de dominee bij haar geweest en die vroeg haar, waarom ze zoo tegen 't sterven opzag. Toen was ze erg begonnen te huilen en had eindelijk gezegd, dat ze 't zoo vreeselijk vond, omdat ze niet wist, of ze behouden was. Ze had zich zelve nooit willen bekennen, dat ze heenging, al had ze 't van den beginne af wel gevoeld en iedereen in haar omgeving, ook de dokter, had gezegd, dat ze beter werd. En dat hoorde ze zoo graag.
„Maar nu niet meer zuster.”
„Neen, kind, nu niet meer. En terwijl de zieke haar onafgebroken lag aan te zien, alsof ze blij was 't nog eens te hooren, ging de zuster voort met vertellen. De dominee had Geertje een dom meisje genoemd. Hij had haar vergeleken met iemand, die, achteruitloopende, op 't punt stond in een donkere, diepe gracht te vallen. En toen had hij gevraagd: „Zou je het nu goed vinden, wanneer wij je allemaal maar stil achteruit lieten loopen om je straks met een gil in de diepte te zien verdwijnen? Waarom wil je je niet omdraaien, Geertje? Je meent, dat het achter je zoo donker is, maar zie eens om, 't is alles licht.” „Je moet niet met den rug naar 't licht gaan staan”, zei de dominee, is 't niet Geertje?”
De zieke knikte van ja. Jaap voelde zijn mondhoeken trillen en moest oppassen, dat hij niet ging huilen.
De zuster ging voort met vertellen. De dominee had gezegd, dat, als Geertje zich omdraaide naar 't licht, zij een bootje zou zien met den Heer Jezus er in, die haar naar den overkant zou varen, waar 't alles licht en vrede en blijdschap was. En Geertje had zich omgedraaid, had 't bootje gezien, was er ingestapt en nu was Jezus bezig haar over te varen.
Toen de zuster klaar was met vertellen, stonden er een paar groote tranen in haar oogen. Ach, zij zelve had 't ook zoo verkeerd gevonden, dat de dominee met dat zieke kind over den dood was gaan spreken. Zij was bij 't geheele gesprek tegenwoordig geweest, had de droefheid, den strijd van Geertje gezien. Maar toen zij ook had gezien de uitwerking zijner woorden, toen had ze beseft de heerlijkheid van 't geloof, al bezat ze 't zelve niet.
Stil gleed ze tusschen het bed en het scherm weg.
Geertje lag met gesloten oogen, als in stil gebed. Eindelijk zei ze fluisterend: „alles licht... alles licht...! Niet... met je rug... naar 't licht gaan staan... vader... niet... met je rug... naar 't licht...
Ze vroeg aan moeder wat te drinken. Na een paar teugjes te hebben genomen, bleef ze roerloos liggen.
Jaap Boesveld zat onbewegelijk. Hij kon geen woord zeggen. Neen, dat was bij zijn kind geen schijngrond, geen ingebeelde hemel, geen gestolen zegen! Hij behoefde haar niets meer te vragen. Wat was zij gelukkig! En hij, wat was hij ongelukkig, wat was zijn toekomst donker! In plaats dat hij 't zijn kind moest aanzeggen, had zijn kind 't hem aangezegd. Wonderlijk toch, zoo'n kind! Waarom zou ze dat juist tegen hem hebben gezegd, dat hij niet met zijn rug naar 't licht mocht gaan staan? Zou ze geweten hebben, hoe bitter hij onder alles, wat er gebeurd was, had geleden en nog leed en hoe donker hij de toekomst inzag? Stond hij met zijn rug naar 't licht? Maar er was immers nergens licht, waarheen hij zich ook wendde of keerde? Zijn Geertje, zijn eenig kind, ging sterven. Waarom leefde hij nog? Maar.... als hij Geertjes kind toch nog bij zich in huis nam?
't Was hem, of die gedachte 't een weinig lichter maakte in zijn duister leven. Maar wat moesten hij en Jenneke met zoo'n wurm beginnen? En dan altijd die schande voor oogen. Maar daar wilde hij nu niet aan denken, als 't moest, dan moest het!
Toen werd het weer heelemaal duister.
Zoo zat hij te peinzen, uren lang, onbewegelijk aan 't bed van Geertje.
Maar had hij alleen Geertje vergiffenis te schenken, had zij hem niets te vergeven? Toen werd 't weer wat lichter in hem. Hij moest haar toch eigenlijk nog zeggen, dat hij er leed van droeg haar niet te hebben gevraagd met haar kindje thuis te komen. Toen werd 't nog lichter in hem. Ja, hij zou 't haar zeggen, maar nu niet, een anderen keer; zij lag nu zoo rustig.
Eindelijk was 't tijd om weg te gaan. 's Avonds zouden zij nog eens terug komen. En zij kwamen 's avonds terug. Maar toen was de zieke te moe om iets te zeggen. Ze gingen maar stilletjes heen. Den volgenden morgen zouden ze heel vroeg terug komen.
Maar in dien nacht stierf Geertje, nog geheel onverwacht.
't Was drie uur, de klok had juist geslagen. De lichten op de zaal waren alle uit, behalve 't electrisch lampje, dat zijn blauw-matten schijn zacht over Geertjes bed heenwierp. Buiten de zaal vóór de open deuren zat de waakzuster met een scherm om haar tafeltje, waarop 't licht brandde.
Heel rustig was 't op de zaal. De zieken sliepen meest allen, men hoorde 't tikken van de klok.
Daar klonk op eenmaal een lied, gezongen met heldere stem: „'t Hijgend hert, der jacht ontkomen, schreeuwt niet sterker naar 't genot van de frissche waterstroomen, dan mijn ziel verlangt naar God!” De zieken werden wakker en gingen overeind in haar bedden zitten om te luisteren. 't Was, zoo vertelden zij later, of daar in de stilte van den nacht een engel door de zaal zweefde. Zij zagen Geertje rechtop zitten met haar oogen omhoog geslagen. Zij was het, die met zoo'n mooie, heldere stem dat psalmvers zong. Nooit had ze zich op de ziekenzaal doen hooren en nu daar op eenmaal dat afscheidslied. Want 't was haar eerste en haar laatste lied in 't ziekenhuis. 't Was 't doorbreken van 't licht midden in de duisternis van den dood. De waakzuster kwam ijlings naar haar toe en had nog juist gelegenheid haar in haar armen op te vangen, toen zij achterover zonk. Haar hoofd lag tegen haar schouder.
„Geertje, wat is er?”
„Zeg.... tegen.... den dominee.... dat 't sterven.... beter is.... dan.... 't leven.”
Dat waren haar laatste woorden. Toen was zij niet meer.
Den volgenden dag ontmoette Jaap Boesveld den dominee, die naar Geertje kwam kijken. Jenneke had hem op den dominee opmerkzaam gemaakt. Hij had 't niet erg op stadsdominees. Ze liepen gemeenlijk zoo luchtig over de zaken heen. Vooral zulke jonge menschen, zooals er nu een tegenover hem stond. Maar hij ging toch naar hem toe, stak de hand uit, en zeide: „ik dank u, dominee, voor wat je aan mijn kind gedaan hebt.”
„O, is u Boesveld. Ik betuig u wel mijn deelneming. Gij zult veel aan haar missen, want ze was een lief meisje, van wie ik veel heb geleerd.”
Zie je, dat viel Jaap hard meê. Dat was nog eens een leeraar, die zelf ook nog leeren wou. Hij was dan ook nog jong genoeg!
Hij had vertrouwen in hem gekregen en vroeg: „zou je denken, dominee, dat Geertje gelukkig was?”
„Boesveld,” antwoordde deze, „gelooft u niet, dat, wie zich naar 't licht toekeert, een kind des lichts is?”
Daar had Jaap al weer niks tegen in te brengen. Hij keek den dominee vol aan, gaf hem de hand en zeide nog eens: „ik dank u.” Toen keerde hij zich om, en ging met Jenneke de zaal af————————————
En nu zitten ze weer in hun huiske aan den zoom van de hei.
Jaap heeft den geheelen dag hard gewerkt en is nu bezig op de deel zijn spullen aan kant te brengen en alles gereed te maken voor den volgenden dag. Want hij moet weer vroeg aan 't werk. Hij is met een vracht dennestronken de achterdeur ingereden. Den ganschen dag is hij met Hannes, den knecht, bezig geweest om dat taaie goedje met 't houweel uit den grond te krijgen. Maar in stukken gehakt is 't best brandhout en bovendien, met 't land is niks niemendal te beginnen, zoolang 't er nog in zit. Ze zullen de kar maar opgeladen laten staan. Terwijl Hannes den bruine naar stal bracht, kon Jaap opruimen om den volgenden morgen dadelijk met afladen en 't kleinhakken van 't hout te beginnen.
Je kan wel zien, dat 't sterven van Geertje hem ouder heeft gemaakt. Daar gaat geen uur voorbij, of hij moet aan haar denken, en hij is maar blij, dat hij uit de drukke stad op 't land terug is, en dat hij weer rustig kan prakkizeeren. Maar 't is wel erg leeg in zijn leven geworden.
Wat hem bovenal drukt, is de gedachte, dat hij Geertje niet meer vóór haar dood heeft kunnen zeggen, dat hij er leed over droeg haar zoo hard te hebben behandeld. Hij zag steeds duidelijker in, hoe verkeerd hij had gedaan. En nu had hij 't niet meer kunnen goedmaken. Ze was ook zoo schielijk gestorven! Hij wist wel, Geertje had hem vergeven, maar hij had 't haar zoo gaarne willen zeggeen, dat hij er hartzeer over had.
Vooral dien avond drukte die gedachte hem. Hij wist niet, hoe 't kwam. Hij had haar maar steeds voor oogen. Hij moest al maar aan haar denken.
Hij kon 't binnen niet langer uithouden. 't Gouden licht van de ondergaande zon viel door de openstaande deur naar binnen en 't was, of hij Geertje's stem hoorde: „Vader, niet met je rug naar 't licht gaan staan!”
Hij ging naar buiten, en bleef op den drempel van de deeldeur staan. Wat een prachtige zonsondergang! De horizon was één en al goud en purper en de blauwgrijze wolken, waarlangs de zon haar stralenbundels naar alle kanten deed uitschieten, hadden randen van vuur. Het was, of de hemelpoort open stond en duizenden lichtgestalten zichtbaar werden.
En nu gebeurde er iets heel wonderlijks! Hij zag een groote schare van lichtgestalten naar zich toe komen en Geertje vooraan, ja, hij bedroog zich niet, 't was Geertje met haar kind op den arm. Vriendelijk lachend zag ze hem aan met haar blauwe oogen. Ze kwam aangezweefd op den adem van den wind, heur lange haren, die over rug en schouders golfden, blonken in 't gouden zonnelicht en boven haar voorhoofd straalde een ster met zilverwitten glans. Ze kwam al nader en nader en legde haar jonske in zijn armen.
„Mag ik dat kind hebben?” wilde hij haar vragen, maar op eenmaal was ze weg.
Jaap begreep er niets van. Hij weet nu nog niet beter, dan dat hij met 't kind naar binnen is gegaan. Hij kon later nooit hebben, dat je er om lachte en zeide, dat alles verbeelding was geweest. Hij had wel in de kranten gelezen, dat 't dien avond zoo'n buitengewoon mooie zonsondergang was geweest, maar wat hij gezien had, had niemand gezien, dan hij alléén. Hij weet zich niet goed meer alles te herinneren, maar één ding weet hij heel best, dat Jenneke, de vrouw, een oogenblik daarna met Geertje's kindje op schoot zat en heelemaal niet verbaasd was 't kind bij zich te zien. Daar zat toen een vreemde vrouw uit de stad naast haar. Die had 't kind gebracht, zei zij. Maar hij begreep wel, dat Jenneke dat maar zei, om hem niet aan 't malen te brengen, als hij soms te veel over dat gezicht mocht gaan prakkizeeren. Hij was maar blij, dat zij 't ook goed vond, dat 't kind bij hen bleef. Want nu kon hij tegenover dat kind goed maken, wat hij ten opzichte van Geertje niet goed had gedaan.
Hij en Jenneke spraken nooit meer over dien wonderlijken avond. Toen de vreemde vrouw uit de stad 's avonds wegging, bleven zij met hun drieën in de woonkamer achter en sinds dat oogenblik zijn ze met hun drieën gebleven.
De menschen in 't dorp vonden, dat Jaap heelemaal weer opfleurde. Als je'm tegenkwam en je vroeg: „Jaap, hoe gaat 't met den kleinen Gerrit?” dan kwam er een groote blijdschap over zijn gelaat en dan was 't antwoord steeds: „best, jong, best!”
En nou moet je nog even meêgaan naar de hei, je weet wel, naar dat bekende plekje van de drie berken. De winter is voorbij en de lente is gekomen. De hei heeft dit jaar lang onder den sneeuw gelegen, maar eindelijk kwam 't zachtere weer en toen was de sneeuw in een ommezien weg.
De drie berken staan er nog. Twee ervan leven en de derde, ja, die is natuurlijk dood gebleven. Dat kan je nu duidelijk zien, nu onder den invloed van regen en zon de knoppen beginnen te zwellen.
Jaap komt aangewandeld met een jong boompje in de ééne en een spa in de andere hand. Je behoeft niet te vragen, wat hij gaat doen. Hij had gewacht op het geschikte oogenblik om het doode berkje door een nieuw te vervangen. Daar had hij nou zoo z'n aardigheid in en daar behoefde niemand iets van te weten. Zulke dingen doe je 't beste alleen, zonder drukte. Tegen Jenneke had hij ook niets gezegd. Die wist amper, dat één van de drie berken het laatste jaar was dood gegaan. Misschien had zij hem ook niet heelemaal begrepen. In elk geval, hij wilde dat Geertje's lievelingsplekje er weer uitzag, zooals 't behoorde: zonder dood hout. Dan kon je er weer met pleizier naar kijken.
De hei keek zwijgend naar wat hij deed en begreep hem. Als je hem daar zoo zag werken, zou je niet zeggen, dat er den laatsten winter zooveel door zijn hart was heengegaan, waardoor nieuw leven was gewekt. Maar als je de hei daar zoo stil zag liggen, zou je ook niet zeggen, dat 't overal binnen in haar woelde en werkte van nieuw leven en dat zij alles in gereedheid bracht om bij den eersten warmen dag den beste in feestgewaad te verschijnen.
Maar evenals daar buiten in de natuur 't nieuwe leven begon te ontwaken, zoo was ook in 't hart van dezen man, toen Gods warme liefde er over was opgegaan, nieuw leven ontwaakt, dat niet meer zou sterven, heerlijk, krachtig Lenteleven.
