← Table of contents
Oostersch leven, Deel 1 van 2

WOESTIJNBEWONERS

Reading edition

Illustration from Oostersch leven: Deel 1 van 2

Werden op de eerste plaat de drieërlei bewoners van het heilige land voorgesteld door enkele typen, verzameld om een bron, onze plaat geeft ons één dier drie groepen afzonderlijk: de woestijnbewoners of bedoeïenen. Ik wees er reeds op dat de naam bedoeïen is afgeleid van het Arabische woord bedw, dat woestijn beteekent, zoodat „woestijnbewoner” eig. de letterlijke vertaling van dit Arabische woord is. Heelemaal juist is de naam niet, ten minste niet voor zoover men bij „woestijn” denkt aan een groote plantenlooze zandvlakte. ’t Is veel eer de ongekultiveerde bodem der groote vlakten, waar de natuur uit zich zelf een meer of minder schralen plantengroei voortbrengt.

Van al de hedendaagsche Oosterlingen hebben zij het best de oude zeden en levenswijze, zooals ons die in het Oude Testament aan het licht komt, bewaard. Gewoonlijk noemt men ze nomaden, een naam die is afgeleid van het Grieksche woord nomas en eig. veehoeders beteekent. Die naam kan echter niet op alle bedoeïenen worden toegepast. De meeste in Palestina levende bedoeïenen doen ook aan akkerbouw, en houden zich doorgaans in één bepaald gedeelte van het land op. Het is onjuist te meenen dat de bedoeïenen heelemaal geen landbezit erkennen, iedere stam beschouwt een bepaald gebied als ’t zijne, en verdedigt dat met hand en tand tegen alle vreemden. Zoo wonen in het Sinaïtisch schiereiland, in de Jordaanvlakte, in de Libanon enz. steeds dezelfde stammen. Sommigen trekken in den winter als trekvogels naar Centraal Arabië, maar komen tegen den zomer geregeld terug op de oude woonplaatsen. Men kan ze het best vergelijken met ooievaars en andere trekvogels, die zeer gehecht zijn aan hun oude verblijf, en alleen verhuizen als ’t hun daar onmogelijk wordt gemaakt. Men vindt dan ook op groote kaarten van Palestina talrijke plaatsen als bedoeïenen-leger aangeduid, wat natuurlijk alleen mogelijk is als ze telkens op dezelfde plaatsen terugkomen. Ze wonen daar—in Palestina—op de grens van het gebied der fellah’s, voor wie ze groote verachting koesteren, en die dikwijls niet weinig van hen te lijden hebben. Menigmaal maken hunne horden strooptochten in de dorpen, en nemen wat van hun gading is. Om voor dergelijke overvallen veilig te zijn, komt het voor dat een fellah-dorp een verbond sluit met zoo’n bedoeïenenstam, waarvan de hoofdinhoud is, dat het dorp aan de bedoeïenen een z.g.n. chuwwe, letterlijk: „broederschap” zal betalen. Zoo’n „broederschap” bestaat in een belasting in den vorm van koren, en is een al te vriendelijke naam voor zulk een afgedwongen gave. Doet de boerenbevolking een beroep op de Turksche regeering ter bescherming tegen de bedoeïenen, dan is menigmaal het middel nog erger dan de kwaal: de afpersing der bevolking door de regeering is vaak nog drukkender dan die door de bedoeïenen.

Ook de verschillende bedoeïenenstammen leven doorloopend met elkander in veeten, en zijn dan ook streng van elkaar gescheiden. Voor ons bewustzijn is een bedoeïen een bedoeïen. In werkelijkheid is er tusschen de verschillende bedoeïenenstammen geen andere dan vijandelijke aanraking. De huwelijken vinden doorgaans plaats binnen den eigen stam, en iedere stam weet precies, of zegt althans precies te weten wie hun eerste voorvader was; ze leiden zich gaarne af van een tijdgenoot van Mohammed of zelfs van diens familieleden. Met zekeren trots noemen ze zich: arab el-arab, Arabier der Arabieren = dé Arabier bij uitnemendheid. Uit het Oude Testament zijn ons bekend de zgn. geslachtslijsten: A is de zoon van B, de zoon van C enz. Dergelijke opsommingen zijn bij de bedoeïenen in hooge eere, zoo zelfs, dat, als iemand een oud verhaal doet, hij de betrouwbaarheid aantoont door aan het begin van zijn verhaal te vertellen langs welke lijn van mannen dat verhaal is voortgeplant tot op den verteller toe. Zijn lijst van „zegsmannen” heet isnâd, ketting. Een betrouwbaar verhaal moet zoo’n isnâd kunnen aanwijzen, vooral wanneer het betreft een gewoonte of daad van Mohammed of een zijner tijdgenooten. Op deze wijze worden nog heden ten dage de verschillende bedoeïenenstammen nauwkeurig uit elkander gehouden. Ieder blijft bij zijn stam, tenzij de wet der bloedwraak—waarover straks—hem noodzaakt naar een anderen stam te vluchten. De twisten tusschen de verschillende stammen onderling vinden natuurlijk dikwijls hun aanleiding in het bezit der waterputten (verg. Gen. 26 : 15), het geleiden van reizigers, het verdeelen van den buit enz.

Wat de waterputten betreft, is het eigenaardig te zien hoe de bedoeïenen zelden hun legerplaats opslaan in de onmiddellijke nabijheid van water; zoodat hunne vrouwen soms ver moeten loopen met hare kannen en waterzakken om water te halen. De oorzaak schijnt hierin te liggen dat de plaatsen in de nabijheid van water meestal te laag gelegen zijn, en of door de drassigheid van den bodem of door plotselinge stortvloeden, gevaarlijk kunnen worden. Ondanks dat ze die plaatsen vermijden, gebeurt het nog menigmaal dat door onverwacht losbrekende onweders hun tenten tegen den grond worden geslagen, en zijzelf zich haastig moeten bergen.

Op den achtergrond der plaat zien we zoo’n bedoeïenentent, waarvan de vorm maar flauw zichtbaar is, en over welks vorm en bouw wij in het bijschrift der volgende plaat nadere bizonderheden zullen vernemen.

Zulke tenten, doorgaans van zwart geitenhaar gemaakt, zijn volkomen ondoordringbaar voor den regen. Nog heden ten dage is het beroep tentenmaker, dat ook Paulus uitoefende, tamelijk winstgevend. Behalve tenten, dienen ook dikwijls de tallooze in Palestina voorkomende grotten tot woonplaats, of deze worden gebruikt als schuilplaats voor de kudde, terwijl de eigenaars in de nabijheid hunne tenten opslaan. Sommige dier holen dienen bovendien als zgn. Chan = een algemeene herberg, waar ieder reiziger onderkomen vinden kan. Het schijnt dat Maria en Jozef, naar Bethlehem gekomen voor de volkstelling, in zulk een grot voor het vee hebben overnacht, tenminste de Evangelie-verhalen doen aan zulk een gelegenheid denken. Dat men het overigens in Palestina niet zoo erg vindt, met het vee onder een dak of zelfs in een vertrek te slapen, zal ons blijken als we spreken over het inwendige van een fellahwoning. Justinus Martyr—we weten niet uit welke bron hij zijne gegevens putte—deelt uitdrukkelijk mee dat Jezus in zulk een grot geboren is.

Door vergelijking van plaat 1 en 2 zien we dat de bedoeïen zoowel het paard als het kameel als rijdier benut. Het kameel, met zijn lompe houding, zijn domme oogen, zijn slecht humeur, is onmisbaar voor den bedoeïen, en dient dan ook als rijdier van den Nijl af tot den Euphraat toe. In zijn geduld en uithoudingsvermogen heeft de kameel eigenschappen die hem als woestijndier een voorsprong geven boven elk ander. De zwaarste last draagt hij dagen lang door onbegaanbare oorden, zonder water, met geen ander voedsel dan de dorre planten der wildernis. Zijn haar dient voor kleeding en tentdoek, zijn huid voor schoenen, zijn melk voor drank, en als het dier sterft in de woestijn op de lange tochten, dan wijzen de door de zon gebleekte beenderen langs den weg aan latere woestijnreizigers den weg der karavanen. Palgrave noemt domheid, onverschilligheid en wraakzucht de meest karakteristieke eigenschappen van den kameel. Hij vertelt o.a. hoe een kameel, die door een jongen was geslagen, een paar dagen later den knaap greep, ophief, tegen den grond smakte dat zijn schedel spleet, en de hersenen in het zand lagen, en toen alsof er niets gebeurd was, kalm zijn weg vervolgde. Maar de bedoeïen is dol op zijn kameel, kust hem op de lippen, klopt hem op den hals, noemt hem zijn lieveling, zijn schat, en de naam „kameel” tegen een jong meisje, beteekent een zeer gewaardeerde vriendelijkheid. Een Arabisch spreekwoord zegt dat een goede vrouw, een Marokkaansch zwaard en een kameel een mensch gelukkig maken. Overigens is volgens Ebers, de faam omtrent het dagenlange uithouden der dieren, zonder water, sterk overdreven. Wanneer b.v. verteld wordt, dat een kameel het 25 dagen zonder water uithoudt, dan is dat volgens verschillende reizigers beslist onwaar: reeds na den 4en dag begint het dier teekenen van uitputting te vertoonen, wat trouwens in die heete luchtstreek niet te verwonderen is; geen ander dier houdt het zoolang uit zonder water. Ook het slachten van kameelen om zich met het in hun maag bevindende water het leven te redden, schijnt tot het rijk der legenden te behooren. Maar ook zonder dergelijke kwestieuze eigenschappen, zal voorloopig geen ander dier in staat zijn den kameel uit de goede reputatie te verdringen, waarop hij al zooveel eeuwen rechtmatig trotsch kan zijn, en misschien ook wel is. Omtrent hun snelle en langdurige marschen is maar één roep. In Cairo worden van tijd tot tijd kameelenwedstrijden gehouden. Ebers woonde er een bij, waarvan hij verklaart dat een ruiter op een flink paard het ongeveer tien minuten tegen een kameel uithouden kan, maar als het paard aemechtig neervalt, draaft de kameel door als kwam hij pas „van stal”. Wat dat voor de bedoeïenen, deze kinderen der woestijn, waard is, behoeft niet gezegd te worden.

Overigens bedienen ze zich, zooals onze plaat doet zien, ook van paarden. Echte Arabische raspaarden hebben eigenschappen die hen bizonder geschikt maken voor hun doel. Hun snelheid, schranderheid en trouw zijn ongeëvenaard. Ze kunnen klauteren als een steenbok, langs bijna onbegaanbare bergpaden voeren ze den reiziger waar hij te voet haast niet zou kunnen komen, zoodat de reiziger, die goed vast in den zadel zit, er zich veiliger voelt dan op zijn eigen voeten. De lenigheid en vlugheid dezer dieren ligt voor een goed deel aan hun kleinen en lichten lichaamsbouw. Op deze behendige dieren gezeten, met hun lange lansen gewapend, vallen ze een naburigen stam aan, en voordat hulp opdaagt, zijn ze op hun snelle rossen al weer uit het gezicht. Zulke strooptochten vullen een goed deel van het bedoeïenenleven, natuurlijk het meest van die stammen die in de eigenlijke woestijn leven, ten Oosten van Palestina. Uit de wijze waarop de bedoeïenenvrouw haar kinderen pleegt te dragen, (zie de plaat), begrijpt men hoe jong en hoe vaardig de jeugd reeds leert paardrijden.

Behalve de lans, draagt de bedoeïen gewoonlijk een kromme sabel, zooals op plaat 1 blijkt. Bovendien is tegenwoordig het geweer en de revolver een geliefkoosd wapen. Boog, spies en schild zijn daardoor in onbruik geraakt. Wel zijn nog in gebruik de dolk en de slinger. De geweren der bedoeïenen zijn overigens meest niet van de beste soort: bijna altijd oud model, vóórladers, vaak half of heel onbruikbaar, wapens waar men wel bij ongeluk mee raak kan schieten, maar die meestal het doel missen. Dat ze van de nieuwe vuurwapenen zoo slecht voorzien zijn, is het gevolg van opzettelijke maatregelen der Turksche regeering, die er stelselmatig voor zorgt dat dit soort menschen zooveel mogelijk minderwaardige wapenen worden verkocht. Ook door allerlei maatregelen heeft de Turksche regeering het gedaan gekregen, dat niet alleen het Westjordaanland, maar ook het Overjordaansche, tegenwoordig even veilig bereisd kan worden als de kultuurstaten van Europa. Dit voordeel is goeddeels ook hierdoor verkregen dat de bedoeïenen die, zooals bij vele stammen in Palestina het geval is, neiging hebben om den akkerbouw ter hand te nemen en het nomadische leven te verlaten, daarbij door de regeering krachtig geholpen worden. Meestal zijn zulke bedoeïenen-horden echter eerst bijna tot den rang van gewone zigeuner-troepen afgezakt, die zich voor een deel onledig houden met het geleiden van reizigers, wat dikwijls aanleiding geeft tot hevige ruzietooneelen, want, hoewel naar men zegt, het aldus verdiende geld geregeld aan den stam wordt afgedragen en als gemeenschappelijk bezit beschouwd, vechten ze er om wie den reiziger geleiden zal. Met dat afdragen van het verdiende geld schijnt het dus niet al te nauw te worden genomen.

Ik sprak boven van hun rooftochten. Merkwaardig is daarbij dat zij zelden of nooit het leven van hun slachtoffers aantasten. Ze berooven hem van alles wat bruikbaar is, maar dooden hem niet. Dat gebruik vindt ongetwijfeld goeddeels zijn oorzaak in de wet der bloedwraak, een wet die ons hard toelijkt, maar die inderdaad bij alle volken, die nog niet in geregeld staatsverband leven, op heilzame wijze het leven van de individu beschermt. Vooral ook wordt daardoor het samenleven der leden van één stam mogelijk. Wanneer een bedoeïen een stamgenoot doodt, dan stormt de bloedwreker naar de tent van den moordenaar, verwoest ze, en rooft zijne kudden. Volgens het gewoonterecht—het eenige recht der bedoeïenen—mag hij gedurende drie dagen nemen wat hij wil, zonder dat dit bij de latere afrekening ter sprake komen mag. Deze eerste drie dagen heeten de „bloedwoede”. Wat ná dien tijd geroofd wordt, komt bij de afrekening in mindering. Curtiss vertelt een mooi verhaal van zulk een bloedwraak, waarbij tevens de macht der gastvrijheid blijkt. Iemand had een ander gedood en was gevlucht. Zijn huis werd verwoest, zijn vee geroofd. De zonen van den vermoorde zochten jaren lang naar den moordenaar om hem te dooden, waartoe zij wettelijk het recht hebben. Op een nacht vervoegt zich de moordenaar bij den zoon van den vermoorde en zegt: ik kan het leven van een vogelvrijverklaarde niet langer dragen; hier ben ik, doe met mij wat gij wilt! De ander antwoordde: nu gij hier in mijn tent zijt, zijt gij veilig. Maar de vrouw van den vermoorde kon den moordenaar niet vergeven, en eischte van hare zonen zijn dood. Deze bleven weigeren, omdat hij in hún tent om gastvrijheid was gevlucht. Ze spraken tot den moordenaar: wij willen u niet dooden, maar daar onze moeder den moord niet vergeten kan, ga weg uit onzen stam, wij zullen u niet meer vervolgen.—Zulk een moordenaar vlucht meestal naar een nabijzijnden sterkeren stam, die hem dan beschermt, krachtens de wet der gastvrijheid, maar hij is verplicht bij de eerste de beste gelegenheid de vlucht voort te zetten, totdat hij geheel buiten bereik zijner vervolgers is. Ook gebeurt het dat de stam waarheen hij gevlucht is, en die hem dus beschermen moet, in onderhandeling treedt met de stam des vermoorden over het zoengeld, en de bloedschuld afkoopt. Op een en ander kom ik nader terug.

Het recht der gastvrijheid gaat dus boven alles, en wordt zelfs tegenover vijanden streng in acht genomen. Het verhaal van Lot in Gen. 19, die zelfs de eer zijner dochters prijs gaf om die zijner gasten te redden, evenals het in Richt. 19 : 24–26 meegedeelde, is in dit opzicht karakteristiek.

Het gebeurde eens in een zeer droog jaar, toen in de meeste bedoeïenententen het gebrek groot was, dat een bedoeïen zijn buren, zijne benijders, recht op zijn tent zag afkomen. Deze, meenende, dat hij geen eten meer in huis zou hebben, kwamen opzettelijk zich als gasten aanmelden, om zich te vermaken met zijne verlegenheid, waarin hij moest komen, doordat het gastrecht eischte, dat hij hen onthaalde, en zijn gebrek aan het noodige het hem onmogelijk maken zou. Met schrik wendde hij zich tot zijn vrouw of die misschien een weg wist om zijne eer te redden, opdat hij niet zou behoeven te zeggen: ik kan u niets voorzetten. Deze, een echte bedoeïenenvrouw, die als de weduwe van Zarfat bijna niets meer in huis had, nam wàt ze had, zonder te vragen of er voor haar en haar gezin morgen nog wel te eten zou zijn, bereidde een rijkelijk maal, zette de gasten de goedgevulde schotels voor en zei: „slaat uwe mouwen hoog op”, d.w.z. tast maar flink toe! Toen trad de bedoeïen, stralend van blijdschap toe, en kuste zijn vrouw ten aanschouwe der vreemdelingen. Deze, wel wetende wat een ongehoorde daad dat onder de bedoeïenen is, zeiden verbaasd: wat mankeert u toch, dat ge uw vrouw in het openbaar kust? Wel, zeide hij, zou ik ’t niet doen? Gij wildet mij in verlegenheid brengen, zij heeft mijne eer gered, door u een feestmaal aan te richten. Uit zoo’n verhaal blijkt dat de weduwe van Zarfat volgde de gewoonten van het land, toen zij den profeet van het weinige dat zij bezat, onthaalde.

Wat hun godsdienst betreft, zijn ze wel allen Mohammedanen, maar ze laten zich met godsdienst zeer weinig in. Weinige bedoeïenen weten hoe een Mohammedaan bidden moet. Met roof en heen en weer trekken hebben ze het veel te druk om zich met religieuze vragen in te laten. Hun praktische godsdienst is eigenlijk niet anders dan bijgeloof: vrees voor booze geesten (dsjinns), en heiligenvereering. Op tal van plaatsen in Palestina en daarbuiten vinden wij graven van heiligen, waarheen men trekt om een gelofte te doen of om onheilen af te wenden. Ze zullen b.v. gerust een meineed zweren onder aanroeping van den naam Gods, omdat ze meenen dat Allah dat toch niet straft, maar een meineed onder aanroeping van den naam van een heilige of bij diens graf, is hoogst gevaarlijk, want de heilige zal dat zeker straffen. Ze worden dus van het kwade minder afgehouden, omdat het kwaad is, maar om de gevreesde gevolgen. Hun lichtzinnige opvatting van werkelijken godsdienst wordt o.a. getypeerd door het antwoord dat een jonge bedoeïen gaf op de vraag, hoe hij na zulk een roekeloos leven voor Gods rechterstoel durfde verschijnen? Hij antwoordde: Wel we gaan dan naar God, en begroeten hem, en als hij gastvrij is, en ons vleesch en tabak geeft, dan blijven wij bij hem, anders bestijgen we onze paarden en rijden weg. De verteller, die herhaaldelijk onder bedoeïenen reisde, noemt dit antwoord karakteristiek voor de voorstellingen der bedoeïenen omtrent de onzichtbare wereld. Hun heiligengeloof echter heeft sociale beteekenis. De graven der heiligen, tevens hunne heiligdommen, is een heilige plaats, en dus een veilige plaats, een asyl. Palestina is met zulke „heiligdommen” overdekt, die niet alleen door bedoeïenen, maar ook door fellahs en zelfs door Christenen worden bezocht. Vooral de heiligdommen aan Elia, David, Ali, Abraham gewijd, zijn beroemd. Men kan het zoo’n heiligdom aanzien, dat het druk bezocht wordt: allerlei meer of minder waardelooze voorwerpen leggen getuigenis af van de daar gedane geloften. Men noemt dat een nizr ez-ziara: een gelofte bij het bezoek aan een heiligdom. Zoo’n bezoek is dikwijls een heele optocht van de gansche familie in feestkleedij. Betreft de gelofte het verlangen naar een zoon, dan is b.v. de formule: o mijn Heer, ik heb een gelofte op mij genomen, ik kom om u te bezoeken; als gij ons een zoon schenkt, dan breng ik een offerdier en een zak rijst. Binnen den tot zoo’n heiligdom behoorenden kring legt men gereedschap of koren neer dat men bewaren wil: niemand denkt er aan, het te rooven. Onder de hoede van den heilige is het veilig. Geen bedoeïen zal er aan denken, zelfs op zijn rooftochten om ook maar iets zich toe te eigenen van wat een ander onder de hoede van een of anderen heilige heeft gesteld. Aan zulke heiligen pleegt men ook zijne geloften te doen. Kinderlooze vrouwen beloven geschenken aan den heilige, wanneer hij haar een kind schenkt. ’t Is zelfs voorgekomen dat iemand aan een heilige beloofde om, wanneer hij een zoon kreeg, diens gewicht in zilvergeld aan den heilige te zullen betalen, welke belofte, toen hem inderdaad een zoon geboren werd, trouw werd nagekomen. Ook voor het goed gedijen van het vee, voor het afwenden van ziekte, voor ’t goed volbrengen van een reis, tegen overval door vijandige stammen, kortom, in alle gevallen van nood kunnen zulke geloften die we ook uit het Oude Testament wel kennen, worden gebracht. Men denke slechts aan de gelofte van Jeptha. Alleen: men brengt ze niet aan God maar aan den heilige.

Bij de volgende plaat zullen we gelegenheid hebben meer te vernemen van hun dagelijksch doen en laten.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings