← Table of contents
Oostersch leven, Deel 1 van 2

DE DORSCHVLOER

Reading edition

Illustration from Oostersch leven: Deel 1 van 2

Reeds midden April of Mei, in de warmere dalen iets vroeger, op de koudere berghellingen wat later, begint de oogsttijd. Daarom kan Jer. 8 : 20 deze volgorde worden genoemd: de oogst is voorbijgegaan, en de zomer is ten einde, een uitdrukking die in ons klimaat, waar de oogst na den zomer komt, niet passen zou. De oogst valt in den drogen tijd, en vele fellah’s verlaten hunne woningen, en wonen gedurende den oogsttijd in holen of hutten of tenten of op het open land, slechts primitief beschut. Eerst komt de gerste- dan de tarwe-oogst. ’t Is de vroolijke tijd, waaraan mannen, vrouwen en kinderen gelijkelijk deel nemen. Daar niet in alle deelen van het land de oogsttijd precies op denzelfden tijd valt, hebben de armere fellah’s uit het gebergte gelegenheid om bij den oogst in de vlakte een stuk brood te verdienen.

De halmen worden met een sikkel afgesneden, die men alleen met de rechterhand hanteert, terwijl de linker de afgesneden halmen vasthoudt. Deze wijze van doen verklaart een eigenaardig gezegde. Wanneer een arme wandelaar de maaiers passeert, roept hij hen toe: sjimélak, d.i. (geef mij wat gij in) uw linkerhand (hebt), dus een vraag om een aalmoes. Deze uitdrukking is in het Oosten merkwaardig, omdat overigens alles wat met de linkerhand in verband staat, veracht is. Door Duitsche kolonisten is de zeis bekend geworden, die daarom brusiani heet. De halmen worden losjes tot bundels gebonden, die op ezels of muildieren worden geladen om ze naar den dorschvloer te brengen. De beesten worden soms zoo hoog en breed met koren bepakt, dat ze lijken op een korenhoop op 4 pooten. Onder het zingen van allerlei oogstversjes drijft men de beesten naar den dorschvloer. Op het afgemaaide korenveld mogen de armeren aren lezen; dat Ruth (2 : 15) ook tusschen de garven aren zoeken mag is een bizonder voorrecht.

De dorschvloer (bedar) is voor het heele dorp gemeenschappelijk. Het is een groote effen plaats, liefst een kaal rotsplateau; heeft men die niet in de nabijheid van het dorp, dan wordt ze gemaakt door den grond te effenen en met leem of klei te harden. Soms wordt daarvoor gedroogde koe-mest gebruikt. Ieder dorpeling heeft op dezen dorschvloer zijn eigen plekje, waar hij zijn gerst of tarwe samenbrengt. Daar het de regenlooze tijd is, behoeft hij niet te vreezen voor onweer of regen, en brengt ook den nacht dikwijls op den dorschvloer door, gedurende enkele weken, of zelfs enkele maanden, naarmate zijn voorraad groot is. In het dorp zijn gedurende dezen tijd tal van huizen verlaten, daar de heele familie op den dorschvloer is. De armeren dorschen al heel eenvoudig: hij drijft zijn vee, met of zonder muilkorf, heen en weer over het uitgespreide koren, dat door de hoeven der dieren zoolang wordt getreden en door elkaar gehaald, tot het koren er uit is, en het stroo tevens zacht is geworden en stuk getreden, zoodat het als veevoeder dienst kan doen. Uit den Bijbel herinneren wij ons het gebod, dat een dorschenden os niet mag gemuilband worden. De meer gegoeden hebben dorschsleden, d.i. een zwaar houten bord, waarvan de onderkant bezet is met kleine scherpe punten van metaal of steen, zooals wij op de plaat links er een ’t onderste boven zien liggen. Een trekdier wordt daarvoor gespannen, en de fellah zelf of zijne kinderen zitten er op om de slede nog te verzwaren. Deze slede wordt over het stroo heen en weer getrokken, waardoor de korrels uit de aren loslaten, en het stroo tot grof haksel wordt gemaakt. Een ander dorschwerktuig is rechts op de plaat afgebeeld: een vierkant houten raam, waarin tal van kleine houten wielen met een soort zitbank er dwars overheen, waarop de voerman zit. Of ook slaat men het koren uit de aren door middel van lange stokken. Alle drie manieren van dorschen waren reeds in de oudheid bekend, Jes. 28 : 27 lezen wij reeds: Men dorscht de wikken niet met een dorschslede, en men laat het wagenrad niet rondom over het komijn gaan, maar de wikken slaat men uit met een staf, en het komijn met een stok. De heele handeling van het dorschen vinden we ook in Jes. 41 : 15 en 16 vermeld: ik heb u tot een nieuwe scherpe dorschsleden gesteld, die scherpe pinnen heeft; gij zult de bergen dorschen en vermalen, en heuvelen zult gij stellen als kaf; gij zult ze wannen, en de wind zal ze wegnemen, en de stormwind zal ze verstrooien. De bergen en de heuvelen worden hier vergeleken met de korenhoopen, die geleidelijk wegslinken naarmate de arbeid voortgaat.

Zijn op deze wijze de korrels uit de aren verwijderd, dan begint het wannen, of zooals het Richt. 6 : 11 eigenaardig heet, het „vluchten”. Dat gebeurt liefst des avonds als er een koeltje waait, want om te wannen heeft men wind noodig. Met een gaffel of vork werpt men de verwarde massa van stroo, kaf en koren in de hoogte. Het koren valt door de zwaarte dadelijk, vlak voor den wanner, op den grond, de lichtere stroostoppelen worden een eindweegs door den wind meegevoerd, en vallen daar neer, en het nog lichtere kaf waait nog verder weg, of wel, als er een sterken wind staat, wordt het ver weg gevoerd en „door den wind verstrooid”, een beeld in den Bijbel gaarne gebruikt om aan te duiden het lot der goddeloozen. Men denke aan het beeld in Job 21 : 18: dat zij gelijk stroo worden voor den wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt. Het haksel wordt bijeengebracht tot voedsel voor het vee, en het koren wordt in schuren of kelders opgehoopt, nadat het eerst door middel van een zeef nog nauwkeuriger gereinigd is. Het haksel-dragen wordt door vrouwen en meisjes verricht. Naar die bezigheid heet de melkweg aan den hemel—ik kan niet uitvinden waarom—tarik et-tebbenèt = „de weg der hakseldraagsters”. Van het langere stroo vlechten de meisjes kleine mandjes. De bewaarplaatsen voor het koren zijn vaak zeer ongeschikt, in de aarde gegraven holen of in de rots gehouwen bakken, die dan vooral als ’t gaten in de aarde zijn, rondom met haksel worden belegd. Daardoor krijgt het aldus opgespaarde koren dikwijls een alleronaangenaamsten reuk. Dan blijft er op den dorschvloer nog een rest harde stoppelen, die niet voor veevoeder deugen. Deze worden dan gebruikt of om den oven te stoken, of om, vermengd met leem, te dienen tot reparatie van het dak. Het gebruik om zulk gekneusd stroo te gebruiken voor huizen, door het te vermengen met leem en er dan steenen van te bakken, is in het heele Oosten verbreid. Reeds in Ex. 5 : 5–19 lezen wij dat de Israëlieten in Egypte de „tichelsteenen” bakten door het nijlslib met stroo te vermengen, en dan te drogen. Het kaf, en wat er overigens nog op den dorschvloer blijft liggen, wordt dikwijls tegen den avond in brand gestoken, wat een plotseling hoog opvlammend vuur geeft. Dat vuur leverde het beeld voor het bijbelsche beeld van het „kaf dat met vuur verbrandt wordt”. Trouwens het beeld van den dorschvloer, waar het goede zaad van het kaf wordt gescheiden, is uiteraard een geliefd bijbelsch beeld, om aan te duiden het oordeel dat eenmaal scheiding maken zal.

Het bovenvermelde verzamelen van het koren in de schuren vindt echter meestal niet dadelijk plaats. Want er moet belasting van worden betaald. De opbrengst van het veld blijft dan liggen op den dorschvloer, en wordt door den eigenaar, die dag en nacht op den dorschvloer doorbrengt, bewaakt. Eindelijk verschijnt de pachter der belastingen, die meestal wacht totdat een geschenk in geld hem beweegt het koren op den dorschvloer te taxeeren. Gedurende de taxatie moeten de pachter met zijn knecht, benevens hunne paarden, door het dorp worden onderhouden. Bij deze taxatie van de verschuldigde belasting hebben tal van chicanes plaats, b.v. de pachter laat opzettelijk op zich wachten; de fellah, die al langen tijd heeft geborgd, moet zijn schuldeischer betalen van zijn koren, hij neemt nu alvast wat van het op den dorschvloer liggend zaad, en betaalt zijn schuld, of hij heeft het noodig voor levensonderhoud voor zijn gezin. Nu komt de belastingambtenaar en slaat het reeds weggenomene veel te hoog aan. Zoo gebeurt het dat van menigen fellah, wiens reclames natuurlijk vergeefsch zijn, niet het tiende maar het achtste, zesde deel of mogelijk wel de helft van zijn weinigje wordt ontnomen. Niet overal heerschen precies dezelfde toestanden, en de hierboven gegeven schets is maar één der vele gevallen, die echter alle hierin overeenkomen dat ze teruggaan op het z.g.n. belasting-verpachtingssysteem: de bron van tal van onheilen.

Deze directe belasting wordt door de regeering jaarlijks verpacht aan den meestbiedende. De pachters moeten een vermogensbewijs overleggen, opdat de regeering zekerheid hebbe, dat de pachtsom binnen komt. Is voor een bepaald dorp een zekere som betaald, dan moet de pachter maar zien hoe hij het uit dat dorp terug krijgt, en er bovendien nog aan te verdienen. En dat kan dikwijls alleen gebeuren door de fellahs te veel te laten betalen. Daar de regeering belang heeft bij hooge pachtsommen, beschermt ze eerder de pachters dan de fellah’s, die meestal tegenover allerlei afpersingen machteloos staan. Het spreekt vanzelf dat groote welvarende dorpen of welgestelde grondbezitters minder last zullen hebben van dit verderfelijke pachtsysteem, dan kleine armere plaatsen voor wie het vaak een echte uitzuigingsmethode is. En het is niet vreemd dat deze belastingpachters, die in het Nieuwe Testament „tollenaren” heeten, al van ouds in een kwaden reuk stonden. Het komt dan ook niet zelden voor dat armere fellah’s geheel in de macht van den pachter geraken. Behalve de roofvogels in den vorm van schuldeischer en belastingpachter, loeren nog andere roofvogels op het karig bezit van den fellah dat op den dorschvloer ligt. Heeft hij bij ’t ploegen gebruik gemaakt van anderer hulp, dan moet die hulp ook van den dorschvloer worden betaald; de dorpsgeestelijke die de verloting en uitmeting leidde, eveneens, verder de rondzwervende derwischen, die overal zijn waar wat te halen is. Afzonderlijk moeten hier nog genoemd worden de priesters van de talrijke heiligdommen. De fellah pleegt nl. bij het begin van het oogstjaar een of anderen heilige aan te roepen om een goeden oogst. Bij die gelegenheid wordt dan niet zelden een gelofte gedaan dat men den heilige een deel van de opbrengst geven zal, wanneer hij een goeden oogst verschaft. En daar zoo’n gelofte doorgaans bij het heiligdom zelf wordt afgelegd, weten de priesters precies wie de gelofte deed en voor welk bedrag. En zoodra het koren rijp is, frisschen ze het geheugen der fellah’s wat op, door een persoonlijk bezoek hen herinnerende, dat de heilige N. N. hun dien oogst verschafte. Soms nemen ze het resultaat der gelofte maar dadelijk mee. Soms ook geeft men het beloofde koren aan de armen. Een groot klooster van den heilige St. George in Noord-Syrië heeft zelfs agenten in elke stad met de volmacht de geloften in vee, koren enz. in ontvangst te nemen. Meestal steekt de fellah bovendien in oude schulden, zoodat zijn heele opbrengst soms niet eens in staat is, deze af te doen, en daar hij toch wat voor zichzelf en zijn gezin moet houden, moet hij zich vaak vergenoegen met een afbetaling van een deel zijner schuld, terwijl de rest tegen hooge rente weer blijft wachten op een volgenden oogst. Zoo raakt hij steeds dieper in de schuld, en als hij een paar jaar misgewas heeft, wordt het hem te benauwd en plotseling is hij met pak en zak verdwenen naar het overjordaansche, waar geen schuldeischer hem terugvinden kan. De tegenwoordige Turksche regeering schijnt betere toestanden in het belastingwezen te beoogen, maar in ver-afgelegen provinciën hangt toch bijna alles af van de medewerking der belastingambtenaren.

Het „30, 60 en 100 voud” waarvan het Evangelie spreekt, is tegenwoordig nergens meer te vinden. De korenopbrengst schijnt tegenwoordig gemiddeld het zesvoud te leveren, terwijl een twaalfvoudige opbrengst reeds tot de zeldzaamheden behoort. Hoewel: het schijnt ook nu nog voor te komen dat hier en daar uit één enkelen tarwekorrel 10 tot 15 halmen schieten, en dan van honderd tot tweehonderdvoudige vrucht draagt. Mogelijk heeft de Heer daarop het oog gehad in de bekende gelijkenis in Matth. 13 : 8.

Op den voorgrond van onze plaat vinden we nog een voorstelling, die eigenlijk niet tot den dorschvloer behoort, en hier vermoedelijk alleen is terechtgekomen, omdat het een handeling betreft, die nog al eens op de dorschvloer wordt uitgeoefend. Het is nl. een pottebakker, die bezig is met een grooten, ruwen steen gebroken kannen en aarden vaten tot gruis te slaan. De harde dorschvloer leent zich daartoe uitnemend, maar in zooverre is de plaat niet geheel juist, dat dat werk pas plaats vindt nadat het dorschen is afgeloopen, en de plaat ons voorstelt een pottebakker die bezig is tegelijk met den dorscher.

Zooals ik vroeger reeds aanwees, maakt de fellah of zijne vrouw—want het pottebakken is een echt vrouwenwerk—hun aarden huisgereedschap zelf. Een der middelen is deze: In sommige bergstreken—vooral in de omgeving van Gaza—wordt een bepaald soort leem gevonden dat zich voor het maken van potten bizonder leent. Dat leem wordt van vreemde bestanddeelen gereinigd, en gaarne vermengd met gruis van potscherven, welk gruis verkregen wordt door met een grooten steen oude en onbruikbare vaten tot poeder te slaan. Dan wordt dit deeg gekneed en op de pottebakkersschijf gebracht. Uit Jer. 18 : 3 blijkt dat het in Jeremia’s dagen al op dezelfde manier werd behandeld. De potten en kannen worden overigens geheel met de hand gevormd, en hebben niet zelden een bevalligen vorm. De kleur is door ’t branden, groezelig zwart. Ter versiering worden er vaak nog roode figuren op aangebracht. Glazuursel kent men niet meer, zooals in oude dagen.

Het gruis van potscherven wordt nog voor een ander doel gebruikt. De in den grond gegraven of in de rotsen uitgehouwen waterreservoirs hebben om het water voor wegzakken te bewaren, goed gecementeerde wanden noodig. Die wanden worden gepleisterd uit potscherven en een mengsel van kalk en asch, en daar over heen komt een soort cement van opgeloste kalk, een potscherven-poeder, wat, na gladgestreken te zijn, een vaste en harde, voor water ondoordringbare oppervlakte geeft.

Als in Psalm 2 tot den Messias-koning wordt gezegd ten opzichte van de oproerige heidenen: gij zult ze verbrijzelen als een pottebakkersvat, dan is dat wel een toespeling op de bezigheid van den man op onze plaat, en nog duidelijker Jes. 30 : 14: Hij zal ze verbreken, gelijk een pottebakkerskruik verbroken wordt, in het verbrijzelen zal hij niet verschoonen, alzoo dat van hare verbrijzeling niet één scherf zal gevonden worden. In die bijbelplaatsen wordt duidelijk niet bedoeld een bij ongeluk stuk gaan van een vat, maar zeer nadrukkelijk het opzettelijk stukslaan. Het beeld wordt nog sprekender als men bedenkt, dat zulk stukslaan alleen plaats heeft met reeds gebroken vaten, niet met ongeschondene. Zoodat in Psalm 2 de hooghartige vorsten, die het gezag Gods verwerpen, vergeleken worden met gebroken vaten.

Ook het beeld uit Nebucadnezars droom in Dan. 2 : 34, 35 met zijn leemen voeten die door een steen verbrijzeld worden, zal wel aan deze zelfde handeling zijn ontleend.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings