DE MAALTIJD
Reading edition

Men onderscheidt in Palestina zoowel bij stad- als landbewoners eigenlijk maar twee maaltijden, een morgenmaaltijd en een avondmaaltijd, wat niet wegneemt dat ook tusschentijds wel gegeten wordt. De avondmaaltijd is het hoofdmaal. Het eten wordt soms opgediend in de pan waarin het gereed gemaakt is, soms in een houten schotel, die behalve voor eten, ook wel dient om de handen of de hemden te wasschen. Lepels, vorken, borden enz. zijn bij de eenvoudigste fellah’s onbekend; in de steden en in de om de steden gelegen dorpen begint men evenwel van deze dingen gebruik te maken. In vele gevallen wordt de tafel „uitgespreid”, d.i. een mat die men op den vloer legt, of ook dient een groote steenen of metalen plaat die op een soort drievoet of op den oven wordt gezet, voor tafel, waaromheen men dan gehurkt zit met onder het lichaam gekruiste beenen. Soms ook vindt men een meer liggende houding, b.v. Joh. 13 : 23. Maar dit „aanliggen” is in Palestina lang niet zoo algemeen als dikwijls wordt gedacht, en een gewoonte die waarschijnlijk van buitenaf is ingevoerd, en vooral in de steden bij weelderige maaltijden in gebruik kwam. In Richt. 19 : 6, 1 Sam. 20 : 5, 1 Kon. 13 : 20 en andere plaatsen vinden wij nadrukkelijk vermeld, dat men, aan tafel aanzat. Op onze plaat zien wij de bij de fellah’s meest gewone manier van aanzitten.
De huisvader eet meestal samen met zijn vrouw en kinderen, maar, vooral in de hoogere klassen worden er gevonden, die daarvoor te trotsch zijn, en alleen eten; hun vrouw, die voor hun maaltijd zorgt, eet dan later. Meestal ontbloot de eter zijn rechterarm tot den elleboog—op onze plaat is dit niet zoo—omdat men met de hand eet, en de lange mouwen anders met den inhoud van den schotel in aanraking zouden kunnen komen. Ons Westerlingen lijkt die manier van eten nogal onsmakelijk, maar reizigers, die in een fellah-woning gastvrijheid hebben genoten, zeggen, dat dat erg meevalt, aangezien men niet maar met de hand in den schotel omgrabbelt, maar bij voorkeur een stukje brood afbreekt, dat doopt in den dikken brij die zich in den schotel bevindt, en ’t dan op eet. Of ook wel maakt men van het stuk brood, dat gebakken wordt in den vorm van een platten ronden pannekoek, door de kanten op te drukken een soort van broodlepel, schept daarmee de saus uit de midden op de tafel staande kom en eet dan den lepel met den inhoud op. Voor meer soepachtige spijzen gebruikt men meestal een houten lepel. Men schept met ’t zelfde stukje brood nooit twee keer. Het eten op zoo’n manier is vooral niet onsmakelijker dan de wijze, nog tegenwoordig veelvuldig bij de plattelandsbevolking in het oosten van ons land gebruikelijk, om nl. midden op tafel een grooten schotel te zetten, waaruit de heele familie met lepels eet. Daarbij gaat de lepel van den schotel naar den mond en van den mond weer naar den schotel. Op onze plaat zien we op den voorgrond een stapel van die pannekoek-vormige brooden liggen. De naam „brood” beantwoordt dus, vooral wat den vorm betreft, heelemaal niet aan onze voorstelling van brood. Ook is het volume veel kleiner. Zoo moeten wij verstaan als in het Evangelie Jezus de gelijkenis bezigt van den man die ’s nachts tot zijn vriend komt met de vraag: vriend leen mij drie brooden. Voor ons zou één brood al meer dan voldoende zijn om een hongerigen reiziger te verzadigen, maar ten eerste zette men graag zijn gast veel meer voor dan hij noodig had—zie beneden—en vervolgens is „drie brooden” volstrekt niet zoo’n groote hoeveelheid. Het brood wordt nooit met een mes gesneden, maar altijd gebroken, een gewoonte die ons ook uit den Bijbel welbekend is. Voor dat het maal begint, zegt men gaarne: bismillah, d.i. in den naam van Allah. Men zegt dat zacht, haast onhoorbaar, nadat de gastheer of huisheer het ’t eerst heeft gezegd. Zijn er gasten, dan is dat „bismillah” meteen de uitnoodiging om mee toe te tasten. Is toevallig een mohammedaansch of christelijk priester aanwezig, dan zal men hem vragen een „gebed” te doen, zooals dat ook ten onzent op het platte land niet ongewoon is. Overigens bidt men vóór het eten niet, maar vergenoegt zich met het bovengenoemde „bismillah”. De huisheer begint het eerst te eten, en op zijn voorbeeld volgen de anderen, allen hun brood in denzelfden schotel indoopende. ’t Is op deze wijze dat Jezus met zijne discipelen aan den laatsten maaltijd aanzat, en zeide: die met mij de hand in den schotel indoopt, die zal mij verraden. Wanneer een gastheer een zijner gasten bizonder eeren wil of ook een kleine attentie wil bewijzen, dan neemt hij een smakelijk stukje brood, doopt het in den schotel en geeft het aan den gast. Op de plaat zien we den gastheer een zijner gasten zulk een „bete” toereiken. En uit de Evangeliën herinneren wij ons hoe Jezus in den nacht waarin hij verraden werd de „bete” gaf aan Judas den verrader. Judas had al heel wat vriendelijkheden van den Meester ondervonden, maar nu hij hier boven de anderen door den Heer wordt uitgekozen voor deze daad van vriendelijke toegenegenheid, nu wordt het den verrader te machtig; die „bete” wil hem niet door de keel, hij kan ’t nu in dien kring, en vooral bij dien Meester, die altijd goed voor kwaad vergeldt, niet langer uithouden. „En hij de bete genomen hebbende, ging terstond uit; en het was nacht,” Joh. 13 : 30.
Bij den maaltijd komt de eigenaardige oostersche gastvrijheid het meeste uit. Nooit zal men ter wille van een bezoeker die wat lang blijft, het etensuur laten passeeren: dat zou strijden met de welvoegelijkheid. Hetzij de bezoeker een vreemdeling is of een vriend, zoodra het etensuur daar is, zal de huisheer bevelen het eten te brengen. Te eten in tegenwoordigheid van een gast, zonder hem uit te noodigen mee te eten, zou eenvoudig onhebbelijk worden gevonden. Wil iemand zijne gasten bizonder eeren, dan eet hij niet met hen mee, maar staat erbij om hen te bedienen. Zoo lezen wij van Abraham, Gen. 18 : 8, dat hij onder den boom stond, toen zijne gasten aten. Alleen als de gasten hem uitnoodigen mee te eten, neemt hij in dat geval ook deel aan den maaltijd. Men laat een gast zelfs niet wachten tot het eten, maar presenteert hem vast cigaretten of citroen-limonade. Onderwijl wordt de koffie gereedgemaakt, d.w.z. de boonen worden geroosterd en in een soort vijzel stuk gestampt. Dat stukstampen geschiedt opzettelijk met veel lawaai en op een bepaalde rythmus, om de buren opmerkzaam te maken dat er een gast is. Deze komen aanloopen en bestormen den vreemdeling met hun nieuwsgierige vragen, onderwijl hem de koffie wordt gepresenteerd.
Het eten met de hand, waarvan boven sprake was, heeft natuurlijk invloed op de bereiding der spijze. Het hoofdvoedsel is voor de fellah’s brood en water. Dat is zoo gebleven sedert oude dagen. Zoodat Abraham die Hagar met haar zoon wegzendt met brood en water (Gen. 2 : 14) haar daarmee den gewonen landkost meegeeft, evenals Obadja (1 Kon. 18 : 4) die 100 profeten in grotten verbergt en met brood en water onderhoudt, d.i. hun het gewone voedsel verstrekt. Op „brood en water” leven heeft voor onze ooren een heel anderen klank. De fellah vindt het een bizonder genot als hij zijn brood in olie doopen kan bij het eten. Die olijfolie wordt dan vooraf met wat pekel vermengd, en is in heel Palestina zeer gezocht. Het verhaal van de weduwe te Sarepta laat zien hoe toen dezelfde wijze van brood eten werd gevolgd (1 Kon. 17 : 12). Als toespijs neemt men gaarne ingemaakte olijven.
Behalve brood, olijven en olie levert het plantenrijk van Palestina tal van eetbare „groente”, die deels gekookt, deels gedroogd, deels als gelei gegeten wordt. Boonen, linzen, erwten, spinazie, bloemkool, en vooral ook uien en knoflook. Reeds in Num. 11 : 5 zien wij dat die dingen toen ter tijde reeds als lekkernij golden: wij gedenken aan … de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look en aan de ajuinen, en aan het knoflook. Verder zijn vijgen, druiven en abrikozen zeer gewilde vruchten. Vleeschgebruik is zelden en bepaalt zich hoofdzakelijk tot de feestdagen, als bij de geboorte van een zoon of diens besnijdenis, bruiloft, schapenscheren of ’t bouwen van een huis. Het vleesch eet men meestal met rijst, een soort currie-schotel. Het vleesch wordt met de hand stukgescheurd, van de rijst maakt men met de hand balletjes, die met den duim heel handig in den mond geschoven worden. In de buurt van de zee van Galilea wordt natuurlijk veel visch gegeten. Vermelding verdient nog de merkwaardige manier waarop soms een heel dier gebraden wordt. Men graaft een ondiep gat in den grond, en bouwt daaroverheen een uit steenen en leem samengesteld gewelf. In dezen „oven”, voorzien van een deuropening en een rookgat, wordt één tot twee uur lang hard gestookt. Daarna schuift men ’t schaap, na den kop en de ingewanden verwijderd te hebben door de opening naar binnen, stopt vervolgens alle openingen goed dicht, en wacht dan twee uur lang. Dan is het gebraad gereed. Natuurlijk vindt zoo iets alleen bij feestelijke gelegenheden plaats. Als ’t kàn heeft men graag een kop koffie na het eten, vooral als er gasten zijn. De gast geeft dan de leege kop terug, zeggende: daiman d.i. altijd. Het is een verkorte uitdrukking voor: moogt gij altijd koffie hebben. Ook staat het netjes als de gast bij het opstaan van tafel door luide oprispingen of „boeren” te kennen geeft dat ’t hem goed smaakte. Wij vinden zulke gewoonten vreemd en eigenaardig, maar op het platteland ook ten onzent kan men dagelijks waarnemen dat gebruiken die ons tegen de borst zijn, niet den minsten aanstoot verwekken. Onder die ons vreemde gebruiken behoort ook dit dat de gastheer zelf het vleesch met de handen vaneen scheurt en elk der gasten het voor hem bestemde portie voorlegt, een gebruik dat trouwens ook bij onze plattelandsbevolking nog veelvuldig gevonden wordt. Wil men daarbij een gast bizondere eer bewijzen dan legt men voor hem een heel groote portie neer. Zoo lezen wij dat Jozef, toen zijne broeders in Egypte kwamen om koren te koopen, en hij hen te gast had, voor Benjamin een vijfmaal zoo groote portie deed neerleggen als voor de anderen, om te zien of ze ook jaloersch zouden zijn. Dat jaloersch zijn was dan natuurlijk niet omdat Benjamin nu zooveel méér kon eten dan zij—want het gebruik eischt dat men voor een gast altijd veel meer neerzet dan hij noodig heeft maar wegens de eer die daarmee aan Benjamin werd aangedaan.