EEN PLOEGER BIJ NAZARETH
Reading edition

Wij zouden een gansch onjuiste voorstelling van den Palestijnschen landbouw hebben, als wij ons voorstellen dat het akkerland scherp gescheiden is van den woesten grond daar om heen. Reeds het bij de vorige plaat gezegde, bewijst dat van eigenlijk gezegde akkers geen sprake kan zijn. Juist doordat elk jaar het terrein wisselt, dat de fellah te bebouwen krijgt, ontbreekt hem de lust om er van te maken wat er van te maken is. Hij roeit de struiken niet uit, ruimt de steenen niet weg, bemest niet behoorlijk, kortom zorgt alleen voor de onmiddellijke opbrengst, zonder te zorgen voor het land. Hoeveel meer er uit te halen zou zijn wordt bewezen door Europeesche kolonisten, die zich op een bepaalde plaats hebben neergezet, grond gekocht en dat nu bewerken zooals dat noodig is. Aan het einde van het drooge jaargetijde valt weinig verschil op te merken tusschen bouwland en braakliggende grond en de wegen loopen er door in verschillende richtingen. Ook is de akker gewoonlijk zoo bezaaid met groote en kleine steenen dat het haast niet meer op een akker gelijkt. Men zegt dat die steenen opzettelijk niet worden weggeruimd, om de vochtigheid van den bodem te bewaren. Intusschen blijkt uit Jes. 5 : 2 dat het zuiveren van steenen wel degelijk gerekend wordt tot het in orde brengen van den akker. Maar om reeds vroeger genoemde redenen neemt men dikwijls die moeite niet. Begint nu het ploegen, dan wordt zoo’n „weg” eenvoudig mee omgeploegd, om even spoedig, dwars door den „akker” heen weer als weg gebruikt te worden. Trouwens ook in ’t Oosten van ons land kan men hetzelfde verschijnsel hier en daar zien: hoe midden door een akker met koren een voetpad loopt, terwijl de halmen zóó overhangen dat ze het heele pad bedekken. Onwillekeurig zal iemand gaande door zoo’n veldpad, aren plukken en de korrels opeten, zooals wij dat van Jezus’ discipelen lezen.
De eigenlijke ploegtijd begint in November. Bij de vorige plaat noemden we als datum het feest van St. George, 16 November. Men telt gaarne bij bepaalde feestdagen, of bij gebeurtenissen aan het landleven ontleend. In dat opzicht schijnt de boerenbevolking van alle oorden ’t zelfde gebruik te volgen. Ook de landbouwbevolking ten onzent heeft tal van spreuken en zegswijzen, waaruit blijkt hoe het oogstjaar en ’t heele natuurleven met bepaalde heilige dagen wordt saamgebracht. St. Peter betaalt men de pacht, St. Jan schiet het hout geen loten meer, St. Jakob is de rogge rijp, en „wie op zijn tijd knollen wil eten, moet St. Laurens niet vergeten”, d.w.z. St. Laurens is de tijd van knollen zaaien, enz.
Het heeft op het eerste gezicht iets opvallends dat in Palestina ook de Mohammedanen hun landbouwtijden bepalen volgens christelijke feestdagen. Dat heeft wel mee zijn oorzaak in het feit dat de Mohammedanen rekenen volgens het maanjaar, waarbij de maand slechts 29 dagen heeft, zoodat na verloop van 33 jaar elke maand successievelijk in alle jaargetijden is gevierd geworden. Daardoor deugt het mohammedaansche jaar met zijne feestdagen niet voor bepaling van zaai- en oogsttijden, en sluiten ze zich bij de christelijke feestdagen aan. Ook ten onzent spreekt een protestantsche boer even goed van St. Jan en St. Peter als een Roomsche.
Onze plaat verplaatst ons evenwel niet in de eerste zaaitijd, komende na de „vroege regen”, maar in het voorjaar, den tweeden zaaitijd, nl. van het zomerkoren. Dat deze tijd bedoeld wordt blijkt uit den bloeienden olijfboom rechts op de plaat. Er is in Palestina een tijd dat men tegelijk zaait en oogst, nl. de eerste oogst van het winterkoren valt samen met het zaaien van het zomergraan in het voorjaar. In Amos 9 : 13 wordt op dat feit gezinspeeld, als daar wordt verkondigd de vruchtbaarheid des lands: de tijd zal komen dat de ploeger den maaier.… genaken zal, d.i. dat ze tegelijk zullen bezig zijn op het land.
De plaat stelt blijkbaar een dal voor, op den achtergrond zien we bergen. Ook de hellingen dier bergen zijn voor bouwland geschikt, ten minste ten deele. Die bergen bestaan nl. voor een goed deel, vooral aan de oppervlakte, uit een soort krijtachtige kalk, die onder den invloed van regen en lucht zich omzet tot een roodachtige leem-aarde, die zeer vruchtbaar is, maar ook dikwijls zoo’n dun laagje humus vormt dat het woord van Jezus letterlijk van toepassing is: het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had. Ook heeft dat soort land natuurlijk buitengewoon spoedig last van de droogte. Daarbij komt nog iets: door de geweldige regenstroomen wordt die leemlaag van de bergen weggespoeld naar de laagte, waar ze blijft liggen en aan het land groote vruchtbaarheid geeft. Vooral in de omgeving van Nazareth, waar onze ploeger werkzaam is, vindt men dezen vruchtbaren mineraal-rijken bodem, die door verweering van de bergkalk ontstaan is. Jammer dat door gebrek aan goede maatregelen, zooveel van die leem-aarde de bedding der beken bereikt, en in den wintertijd door de snelvlietende stroomen wordt meegevoerd. Daardoor verarmt het land. In de laatste jaren wordt hier en daar dit voor het land zoo verderfelijke proces tegengegaan door het aanleggen van terrassen op de berghellingen, waardoor de vaste stoffen worden tegengehouden. Nog meer afdoende zou het zijn, als de Turksche regeering het mogelijk maakte door een minderen belastingdruk, dat die hellingen weer met olijfboomen werden beplant, waardoor zoowel de vruchtbare teelaarde zou worden vastgehouden, als een nieuwe gemakkelijk te openen bron van blijvende welvaart zou ontstaan.
De ploeg is een uiterst eenvoudig instrument. Trouwens in Palestina vindt men, afgezien van de westersche stoomwerktuigen en het door westersche kolonisten gebruikt materiaal, die er de laatste jaren hun intrede hebben gedaan, alles nog precies als in bijbelsche tijden, dezelfde simpele manier van leven, dezelfde onbeholpen landbouwwerktuigen, dezelfde primitieve toestanden. Men spreekt van een juk ossen, en bedoelt daarmee een stuk land van een bepaalde grootte, nl. zoo groot dat een man het met één juk ossen in een dag ploegen kan. In het Zeitschrift des deutschen Palästina-Vereins wordt daarover de onnoozele opmerking gemaakt, dat dat nog al een onbepaalde maataanduiding is. Deze schrijver vergeet dat ook onze boeren diezelfde aanduidingen hebben voor de grootte van het land: men spreekt van een „dag maaien” en bedoelt daarmee een stuk grasland dat één maaier in één dag maaien kan; of een „schepelzaad”, en verstaat daaronder een stuk land waarvoor een schepel zaad noodig is om het behoorlijk te bezaaien. Maar onbepaalde aanduidingen zijn dat heelemaal niet: zoo’n stuk land heeft een heel precieze grootte, zoo lang en zoo breed. ’t Is er hetzelfde mee als wanneer men spreekt van een machine van 10 paardekracht, wat ook een allesbehalve vage aanduiding is.
Uit de verschillende photographieën, die ik heb gezien, schijnt het dat de ploeger den ploegstaart meestal met de rechterhand vasthoudt, dus anders dan bij ons (voorzoover men ten onzent nl. geen tweestaartige ploegen gebruikt), waar de ploeger in de voor loopt, en dus met de linkerhand den ploegstaart houdt. In de andere hand houdt de ploeger op de plaat den osseprikkel: een lange stok met aan het eene einde een spatel, om den ploeg schoon te maken en voor allerlei andere doeleinden, aan het andere einde van een scherpe punt voorzien. Met die punt wordt het trekvee tot meerder spoed aangemaand. Mocht een os boosaardig terugslaan met de achterpooten, dan slaat hij „de verzenen tegen de prikkels” (Hand. 26 : 14). Het is zulk een osseprikkel die Samgar als wapen diende, waarmee hij 600 Philistijnen versloeg, en Israël redde (Richt. 3 : 31).
Boven wees ik er reeds op, hoe weinig een Palestijnsch bouwland op het onze gelijkt. Akker en ruwe grond zijn niet scherp gescheiden. Op en in den akker vinden we struiken, steenen, boomwortels, rotsbodem, riet en dorens. Daardoor kan het zaad vallen onder de dorens, en verstikken, want ook door den ploeg worden die dingen niet weggeruimd. Trouwens de ploeg is een veel te licht werktuig, en de wijze van ploegen veel te ondiep, om struiken en dorens weg te ruimen. Men werkt er met den ploeg omheen en overheen, en wroet alleen die gedeelten los, die geen al te groote hinderpalen bieden. Daardoor is het zeer noodig nog meer dan bij ons, dat de ploeger alle aandacht hebbe bij het werk, want één oogenblik van onachtzaamheid, en de ploeg is geraakt onder een boomwortel of onder taaie struiken, en breekt. Het is van hier uit dat wij moeten waardeeren het woord van den Heiland: Wie de hand aan den ploeg slaat, en ziet naar hetgeen achter is, is niet bekwaam tot het koninkrijk Gods. Wij voelen hoe sprekend dat beeld wordt bij de overweging van de bezwaren van het ploegen in het Oosten. Op onze westersche, effen gelegde en gezuiverde akkers, heeft het achterom zien geen ander gevolg dan dat men kromme voren trekt, in Palestina is het gevaarlijk wegens het breken van den ploeg.
De ossen trekken, evenals bij ons, voorzoover nog ossen of koeien voor den ploeg worden gebruikt, aan een juk, bestaande uit drie stukken hout: een dwarshout dat over den nek ligt, en twee neerhangende stukken, ter weerszijde van den hals, welke dan van onder door leeren riemen worden saamgebonden. Het is bekend genoeg hoe vaak in de Schrift het juk dient als beeld der dienstbaarheid en slavernij. „Verbreken van het juk” beteekent dan: bevrijding, verlossing.
Natuurlijk komt bij ploegen en zaaien heel wat bijgeloof te pas—wat trouwens ook ten onzent niet is uitgestorven. In Palestina is wel de meest voorkomende vorm de gelofte, d.w.z. dat men zaaiende, een deel van de opbrengst belooft aan een of anderen heilige, ingeval deze een goeden oogst geeft. Zoo wordt het voor dien heilige een zaak van eigenbelang te zorgen dat de oogst voorspoedig is.