← Table of contents
Nevelhekse

VI.

Reading edition

Ik heb in 't begin van deze geschiedenis gesproken over de twisten tusschen de aangelanden van het meer, en jonker Swaap, over het beheer van het verlaat, dat de wateren er van bedwong.

Deze twisten hadden een rechtsgeding ten gevolge gehad, dat op dit oogenblik nog aanhangig was.

Naar de gewoonte van die dagen waren er door beide partijen tal van excepties opgeworpen en bepleit, die dan eens gewonnen, dan eens verloren werden, maar die, zeer ten genoege van de advocaten, de procedure gerekt, en bijgevolg voordeeliger voor hunne beurzen hadden gemaakt.

Men pleitte echter thans ten principale, en naar velen meenden, zou het eindvonnis niet ten voordeele van den jonker uitvallen.

Maar deze, dit wellicht niet geloovende, had den sluiswachter aanbevolen, niet de minste toegevendheid tegenover zijne tegenstanders te gebruiken, en hen te kwellen zooveel hij maar kon.

Thans was hij wel is waar doodziek, maar de Stroeve hield zich aan zijne ontvangen orders. Hij gaf in droge tijden niet meer water, dan er noodwendig moest gegeven worden bij het doorschutten van de turfbakken, waarmede de jonker zijne sponturf afscheepte, en wist bij overvloedig vocht, door kunstmatige opstuwing er—vooral de Zuidwoldingers—overlast mede te doen.

Van tijd tot tijd waren er in stilte pogingen aangewend, om het schut te openen, maar de baas was zoodanig op zijne hoede, dat dit maar eenmaal gelukt was, en sedert dien tijd was zijne waakzaamheid dan ook verdubbeld.

Intusschen was thans door Participanten en aangelanden besloten, het Hollandscheveldsche Opgaande opnieuw te verdiepen en te verbreeden, en daar dit niet geschieden kon, zonder afsluiting van alle zijkanalen, was er ook een dam geplaatst in de wijke, waardoor het water van het groote meer in dat Opgaande afloosde.

Er was alzoo thans geene noodzaak om het verlaat te bewaken, want bestond er voor eenige weken nog behoefte aan het meerwater, thans zou het openen van de sluis eene ramp geweest zijn, want het water uit het, door de laatste regens boven 't gewone peil gestegen meer, zoude den dam beneden wegspoelende, het leeggepompte pand opnieuw onder hebben doen loopen.

De Stroeve keurde het alzoo niet noodig, om het windrad, waarmede de valdeur van het sluisje werd opgetrokken, als naar gewoonte met een hangslot te sluiten.

Dit verzuim wierd hem noodlottig.

Op een stormachtigen nacht, in 't laatst der maand September, was hij te bed gegaan, en Cilie, die den vorigen nacht wat rustiger geweest was, had zich ook thans zonder veel tegenstribbelen naast de huishoudster neergelegd.

De slaap had hem—als hij later verklaarde—schielijk bevangen, maar al spoedig werd zijne rust verstoord door bange droomen.

Eerst in geheel onbepaalde vormen.

Hij voelde, dat hem iets dreigde, maar wat dit was, kon hij onmogelijk uitmaken.

Er school, dacht hem, gevaar in alle hoeken, en het gansche vertrek zag hij vervuld met vormelooze, en in 't rond wriemelende wezens.

Dan hoorde hij een vervaarlijk gesis, als van de adders en slangen der boorden van de Coppename, dan weer een brullen als van de tijgers der vlakten, en vervolgens als van het loeien des orkaans door het dichte loover der West-Indische wouden.

En daartusschen klonken stemmen, en vertoonden zich gestalten uit een lang verdwenen, maar toch alles behalve vergeten verleden; gestalten, die hem zoo wakende als droomende, maar al te dikwijls hadden verontrust.

En achter hen verrees nu eene nieuwe, en evenzeer dreigende gedaante.

Zij was gehuld in een blinkend wit gewaad, en had de trekken en houding van Cilie, en terwijl zij grooter en blinkender wierd, wees zij hem met de hand naar een donkeren hoek, aan den voet van een hoogen boom, waar iets lag,—verborgen door hooge struiken.

Wat dit was, wist hij maar al te wel, en met afgrijzen keerde hij zich af.

Maar het baatte hem niet, want een geweldig ruischen als van een waterval kwam nader, en de wind woei het lijk bloot dat daar lag—bloedende en met verglaasde oogen.

Hij uitte een kreet van ontzetting, en ontwaakte.

Goddank!—dacht hij—'t was niets dan een bangen droom, veroorzaakt door 't huilen van den wind.

Maar was het wel alleen de stem van den wind, wat hij hoorde?

Hij woei met ongeregelde rukken, maar tusschen die rukken klonk het geweldig en aanhoudende ruischen van een waterval.

Zoo het verlaat eens.....

En met een sprong was hij uit zijn bed, en rukte de zijdeur open.

De schrik verlamde een oogenblik zijn krachten, en, als op den drempel vastgenageld, staarde hij het wilde tafereel voor hem aan, thans helder beschenen door het licht der maan, die een oogenblik onbelemmerd straalde, tusschen de donkere wolken die in geweldige vaart voorbij haar schoven.

Een vijandige hand had de valdeur van het schut opgehaald, en met woeste vaart stortte het water van het meer zich naar beneden.

Blijkbaar was het schut al eenigen tijd geopend geweest, want het water, gestuit door de keersluis en vervolgens door den dam in den mond der wijke, vloeide over de boekweitakkers, en stortte zich, met het op 't land gelaten boekweitstroo, welker massa's zich als groote donkere plekken op het schuim teekenden, in de vaart.

Tot bezinning gekomen, snelde de sluiswachter naar het schut, en poogde de valdeur te doen zinken, wat hem met de hulp der inmiddels toegesnelde huishoudster eindelijk gelukte.

In 't eerst schreef hij dit woest bedrijf toe aan de moeder van Marrije, maar de huishoudster verzekerde, dat zij reeds voor veertien dagen met hare gansche familie naar 't Bentheimsche was vertrokken, en.. klonk daar niet in de verte de stem van Cilie?

Gewis, en veel vreemder dan ooit!

't Was niet meer het welluidend gekweel van vroeger, maar het geleek op het wild gekrijsch van trekkende vogels, hoog in de lucht!

Het meisje scheen zich met snelle schreden naar de oostzijde van het meer te begeven, want van daar, doch al reeds heel ver weg, klonk haar gezang.

Zonder twijfel was zij de schuldige!

Onbemerkt had zij de zijde van de huishoudster verlaten, was stilletjes door de achterdeur ontsnapt, en had de valdeur weten op te winden en vast te zetten.

Zoo snel als de stormwind en de duisternis het hem toelieten volgde Jansen de vluchtelinge, maar 't bleek hem weldra vergeefsche moeite te zijn.

Nog slechts eenmaal hoorde hij de stem van de arme waanzinnige weerklinken over de woeste donkere vlakte, maar het was heel, heel ver weg, en nauwelijks hoorbaar door 't gehuil van den stormwind.

Met het aanbreken van den dag, zette hij zijn onderzoek voort, en doorkruiste het land om het groote meer, maar zonder eenig gevolg—het meisje was en bleef verdwenen!

Het slot dezer geschiedenis vereischt geen lang verhaal.

Bij den Banner-Schultus van het Beiler Dingspil, die zich op dit oogenblik te Zuidwolde bevond, meldde zich een drietal dagen na deze gebeurtenissen een man aan, die verklaarde: een drievoudigen moord op zijn geweten te hebben.

De God—zeide hij—wiens geboden hij zijn leven lang gehoond en overtreden had, had zich eindelijk een machtig God betoond en zijn verzet gebroken.

Het brandde hem inwendig.

Hij had rust noch duur meer, en kwam zich aan de menschelijke gerechtigheid overgeven.

Hij woonde te Hoogeveen en was daar bekend onder den naam van Jansen, maar zijn ware naam was Martin Balingre.

De Banner-Schultus, dacht eerst te doen te hebben met een krankzinnige—en zijn verwilderd en woest voorkomen wettigde dan ook volkomen deze onderstelling—maar het klaar en geregeld verslag, dat de man gaf van zijne lotgevallen en misdrijven, overtuigde hem weldra van het tegendeel, en hij aarzelde dus niet langer, hem gevangen te doen nemen, en voorloopig naar Assen op te zenden.(f)

Ziehier wat een handschrift van een tijdgenoot, en dat onder mijne papieren berust, van den man en zijne bekentenissen vermeldt:

Martin Balingre, geboren te Rijssel, in Fransch Vlaanderen, had, nu vijf-en-veertig jaren geleden, eerst als kleermakersgezel, vervolgens als barbiersleerling, een korten tijd te Hoogeveen vertoefd, en stond bij het Schoutambt aldaar niet bijzonder gunstig aangeschreven.

Herhaalde malen toch was hij op de Gôspraken beboet wegens geweldplegingen en bekkesnijderijen.

Hadden deze tot nog toe geene andere gevolgen gehad, dan eene gedwongene werkstaking van eenige weken of dagen bij zijne slachtoffers,—anders wierd het, toen hij bij een twist in een herberg, zijn tegenstander zoo geweldig verwondde, dat deze nog dienzelfden nacht bezweek.

Hij was echter gelukkig genoeg den Schout te ontkomen, en nam de wijk naar Holland.

Eerst te Haarlem en later in den Haag, verhuurde hij zich als heerenknecht, en was in de laatste stad, gelijk hij ook aan Allard verteld had, een poos als huisknecht in dienst geweest bij diens ouders, en wel in 't jaar 1676.

Hij bleef hier, zoo min als trouwens ergens, heel lang.

Uit den dienst der Bentinck's ontslagen, kwam hij bij een Oostersch heer wonen, en daar maakte hij kennis met iemand, die in de kolonie Suriname een groot fortuin had gemaakt en breed opgaf van de vele gelegenheden die er bestonden, voor iemand van ondernemenden geest, om er schielijk en gemakkelijk rijk te worden.

Martijn Balingre, of Dupré, als hij zich destijds noemde, die niets liever wenschte, vond aldra gelegenheid om naar de West over te steken, maar niet—om als hem was voorgespiegeld—er in korten tijd fortuin te maken.

Nadat hij het eenige jaren te vergeefs met de Chirurgie beproefd had, ging hij over in dienst van den Marquis de Cosse, een refugié uit het zuiden van Frankrijk, die gehuwd was met een Hollandsche erfdochter, die hem de plantage „Mon Désir”, aan de boorden der Suriname, ten bruidschat had aangebracht.

Hier nam Balingre eenigen tijd het ambt van Bastiaan waar, en 't was een jaar ongeveer voor zijn ontslag, dat het geval gebeurde met Hanno, als hij indertijd aan Allard verhaalde.

Het kind, dat de vrucht was van Hanno's geweldpleging, was echter niet Cilie—want deze was destijds al vijf à zes jaren oud, en alzoo een wettige dochter van den heer de Cosse en zijne echtgenoote Bertha Wilhelmi.

Ook was de plantage wel verwoest door Hanno en zijne medestanders, maar Martin Balingre had hen daartoe niet alleen aangezet, maar ook de gelegenheid verschaft, en wèl, om zich te wreken op zijn meester, die hem—naar hij beweerde—grievend had beleedigd.

Ook was hij het, die met eigen hand het huis van den patroon in brand stak, en erger! hem had neergeveld, toen hij, vluchtende met zijn kind, bij een buurman onderkomen zocht.

Bewogen door de lieftalligheid van het meisje, en meer nog door de verwijtingen van zijn geweten, had hij zich harer aangetrokken, en haar later toevertrouwd aan hare tante, mevrouw Posada, die, evenals haar broeder in Holland, geheel onkundig was gebleven van de waarachtige toedracht der gebeurtenissen, waardoor de kleine Cilie wees was geworden.

Maar ook zij wierd weldra ziek, en 't was even voor haar dood, dat zij hem het meisje opnieuw toevertrouwde, en verzocht het mee te nemen naar haar broeder in Amsterdam.

Tevens had zij hem eene aanzienlijke som gelds ter hand gesteld, en een goed deel van hare juweelen en kostbaarheden voor het kind, en daarbij hem ruimschoots vergoeding gegeven voor zijne moeite en de te maken onkosten, voor overtocht en onderhoud.

Maar de duivel der hebzucht had hem bekropen, en—gebruik makende van de omstandigheid, dat het schip, waarop een deel van zijne eigene bezittingen was ingescheept, verongelukte—had hij den heer de Cosse te Amsterdam weten diets te maken, dat het hem toevertrouwde kind, bij deze gelegenheid met al wat het bezat, was verloren gegaan.

Hij had zich hierop te Hoogeveen, waar hij in zijne jeugd—als gezegd is—korten tijd gewoond had, te kort—als hij hoopte en ook waar bleek—om er te worden herkend, nedergezet onder de verhaalde omstandigheden, en er verder—op zijne wijze altijd—voor zijne pupil gezorgd.

Gelijk hij aan Allard gezegd had, was hij aanvankelijk van plan geweest, om Cilie, wanneer zij tot zekeren leeftijd zou zijn gekomen, op een of andere school te doen, en haar bij hare meerderjarigheid, of wanneer zij kwam te trouwen, een deel althans van haar eigendom terug te geven.

Maar zijne hebzucht verzette zich meer en meer tegen dit plan, en kreeg later eene bondgenoote, die het voorgoed verijdelde.

Deze sombere, norsche en menschenhatende man, die met alles spotte, en die bij elke gelegenheid op de liefde, het huwelijk, de vrouwen en hare gebreken schold, werd—de onwaarschijnlijkheid blijkt bijna even dikwijls wààr te zijn, als de waarschijnlijkheid onwaar—verliefd op zijne achttienjarige pupil!

En deze verliefdheid was vrij plotseling ontstaan ook!

Nog niet zoo heel lang geleden, zag hij het zich toen reeds toch al heerlijk ontwikkelend kind, met onverschillige oogen aan, en wenschte hij haar alleen bij zich te houden, om vrij te kunnen blijven beschikken over hare bezittingen.

Maar dit was thans geheel anders geworden!

Het sinds lang in zijn boezem gedoofd vuur der zinnelijkheid ontvonkte opnieuw, en verkeerde zijn gansche wezen.

Met een begeerig oog bespiedde hij Cilie en al hare gangen, en hij besloot geen middel onbeproefd te laten, om zoowel over hare goederen, als over hare bekoorlijkheden te beschikken.

Maar hoe dit aan te vangen?

Hoe haar over te halen tot iets, dat—hij gevoelde het maar al te wel—niet de minste bekoorlijkheid voor haar zou kunnen hebben?

Gewis, het zou alles behalve gemakkelijk zijn, maar hij wilde het beproeven.

De eerste maatregel zou zijn: den stuggen en vaak onvriendelijken voogd te vervangen, en in zijne plaats te schuiven een welwillenden en aangenamen vriend.

En na dezen, moest komen—de minnaar.

Gelijk hij gedacht had, handelde hij!

Langzamerhand behandelde hij zijn pleegkind met meer onderscheiding, en werd hij beleefd, vriendelijk en voorkomend jegens haar.

Natuurlijk was dit naar den zin van Cilie, want de argelooze was verre van te vermoeden, wat daarachter school.

Maar toen zij dit ontdekte; toen hij zich meer en meer ontmaskerde; met haar alleen poogde te wezen, en dan allerhande vreemde uitdrukkingen en gedragingen zich veroorloofde, ontweek zij hem met schrik, die niet verminderde, toen de vroegere huishoudster, die zeer wel gemerkt had wat er gaande was, haar de geheime bedoelingen van den schandelijken grijsaard blootlei, en haar wees op de strikken, die hij harer onschuld spreidde.

Van dat oogenblik vermeed zij dan ook alle toenadering, en hield zich bij Gerre, hare beschermster, die haar met moederlijke teederheid beminde.

Maar deze goede vriendin ontviel haar, want zij werd ziek en stierf na een kort, maar hevig lijden.

Jansen haastte zich nu haar een opvolgster te geven, en wel eene—geschikt en tevens, genegen om zijne plannen te dienen.

Het was eene vrouw van middelbaren leeftijd, maar met een alles behalve onberispelijk verleden, en die er zekere lust in vond, jonge meisjes den weg te doen bewandelen, dien zij zelve bewandeld had.

Maar zij faalde in hare berekeningen, en geen wonder!

Cilie was veel te rein, haar aangeboren gevoel van betamelijkheid en kieschheid te groot, om niet van de kunstjes, die dit door en door bedorven schepsel aanwendde, om hare deugd te verschalken, en begeerten op te wekken, die bij haar schenen te sluimeren, zich met walging af te wenden, zoowel als van haar persoon.

Wat den voogd betreft—zij bleef hem in alles gehoorzamen wat hij met recht van haar kon verlangen, maar gaf hem tevens duidelijk te kennen, dat zij—liet hij haar niet met vrede—een toevlucht zou gaan zoeken bij jonker Swaap of den advocaat Calkoen, twee lieden, die zij wist, dat haar genegen waren. Deze waarschuwing had hem voorzichtig gemaakt, en zijne plannen een oogenblik doen opschorten, want ging hij werkelijk over tot geweld, dan zouden de openbaringen van zijn slachtoffer, licht aanleiding kunnen geven tot een onderzoek, dat hij moest vreezen en wel onder meer dan een opzicht.

Zoo stonden de zaken, toen Cilie kennis maakte met jonker Allard; eene kennismaking, die hij hoopte dat tot niets zou leiden, maar die aldra dreigde zijne hoop op een eindelijke bevrediging zijner wenschen geheel te verijdelen, zoo hij er niets op vond, om een spaak in 't wiel te steken.

Hoe hij te vergeefs het doorgaans werkzame middel van bedrog en misleiding had beproefd bij Allard, is verhaald, en wat hij verder wilde beginnen, hij was 't nog met zich zelven oneens, toen hij bemerkte, dat er meer lieden waren, die eene vereeniging der gelieven met leede oogen aanzagen, en over machtiger middelen konden beschikken, dan die hem ten dienste stonden.

Hij vond middel met hen in aanraking te komen, en aarzelde niet, om hetgeen er was voorgevallen tusschen zijn pupil en Allard, zoodanig voor te stellen, als men wenschte het voorgesteld te zien.

Dat freule Alida van deze mededeelingen het noodige gebruik maakte, is te denken, en dat men er zich in den Haag niet weinig over ontrustte, evenzeer.

Allard werd plotseling teruggeroepen, en nu dit geschied was, stelde Jansen zich ten taak, de tijdelijke scheiding tot eene duurzame te maken.

Om den zoo zeer geliefden Allard door het jonge meisje te doen vergeten, hij begreep terecht, dat dit—voorshands althans—onmogelijk zou zijn, maar om haar te doen gelooven, dat zij door hem was vergeten en verlaten, dit dacht hem niet zoo moeielijk, en vooral niet nu hij wist, dat men ginds alles zou doen, om zijn terugkeer naar Drenthe te beletten.

Door zijne bondgenoote, de huishoudster, had hij vernomen, dat de correspondentie der gelieven zou geschieden door de tusschenkomst van een der meisjes, die Cilie gewoonlijk op hare tochten naar het dorp vergezelden.

Dit meisje wist hij om te koopen en tot eene verraderresse te maken.

Zij beloofde hem alle brieven, die Cilie naar den Haag zond, achter te houden, en alles, wat de schatbeurder van daar voor haar ontving, aan hem te overhandigen.

Ontving nu Allard geen antwoord op zijne brieven, 't zou hem wellicht eene welkome gelegenheid wezen, om zich langzaam van zijne aangegane verbindtenis los te maken, en tot zijne vroegere geliefde te doen terugkeeren, en wat Cilie betreft, hij twijfelde niet, of zij zou eindigen met geloof te slaan, aan de haar reeds zoo lang gegeven verzekeringen, en aannemen, dat, zoo zij al niet door den voornamen jongeling was misleid, de invloed zijner familie, en de macht der vooroordeelen, sterk genoeg waren geweest, om hem voor goed van haar te doen afzien.

En was men zoo verre gekomen, waren de banden, die Cilie aan Allard knoopten, op deze wijze losgemaakt, dan wilde hij opnieuw beproeven, wat met het meisje was aan te vangen, en of hij haar, 't zij door overreding of geweld, tot de zijne zou kunnen maken.

Maar.... al die zoo vernuftig gemaakte berekeningen faalden.

Cilie's geloof aan de trouw van den welbeminde werd er niet door aan 't wankelen gebracht. Zij zag maar al te wel in, dat er iets moest wezen, dat hem belette zich aan haar te openbaren, en om te ervaren wat dit was, ging zij tot den stap over, die aan alles een einde maakte.

Thans zag hij in, hoe deerlijk hij zich vergist had, en het lijden van het ook door hem beminde wezen, schudde zijn geweten wakker.

Ongekende wroegingen verscheurden hem het hart, toen de ziekte der naamloos gefolterde, uitliep op het verschrikkelijkst, wat een denkend wezen kan treffen—krankzinnigheid.

Een geneesmiddel, dat—onmiddellijk aangewend na haar terugkeer—gewis gunstig zou hebben gewerkt, beproefde hij toen het daartoe te laat was.

Hij lei het bijbeltje met den brief, dien het begeleidde, en die Allard terstond na zijne komst in den Haag aan Cilie had afgezonden, op het tafeltje voor haar bed, en zóó, dat beide voorwerpen haar in 't oog moesten vallen.

Ook zag zij ze, maar roerde ze niet aan.

Wat, eenige dagen geleden, haar gansche wezen met eene wonderbare vreugde zou hebben doortrild, trok thans hare aandacht niet.

En nu—geheel ten einde raad—besloot hij een brief naar den Haag te zenden, en daarin onbewimpeld zijn schuld te belijden.

Hij ontveinsde zich volstrekt niet, dat deze stap de noodlottigste gevolgen voor hem zelven zou hebben, maar de hoop, dat het wederzien van den geliefde, weldadig zou werken op het gemoed van de inmiddels bijna razend gewordene krankzinnige overwon alle vreeze en bedenkingen.

Maar.... toen deze brief zijne bestemming bereikte, was alles beslist.....

Drie dagen na het verdwijnen van Cilie kwam Allard in de kolonie aan, en zijne smart kende geene grenzen, toen men hem de laatste gebeurtenissen had medegedeeld.

Maar zich nog altijd vleiende met de hoop, dat het meisje zich hier of daar verscholen zou houden, doorkruiste hij dagen lang de omstreken van het groote meer, onder het uitroepen van den dierbaren naam.

Maar niets dan de echo antwoordde op zijn roepen.

Cilie's stem was voor eeuwig verstomd!

Eindelijk, overtuigd van het nuttelooze zijner pogingen, verliet hij het oord, hem eens zoo dierbaar—maar thans vol van de pijnlijkste herinneringen.

En—onder een grievend zelfverwijt! Want het stond thans bij hem vast, dat hij Cilie had kunnen redden, had hij, in tijds geluisterd naar de stem, die in zijn binnenste weerklonk, en hem gestadig had aangemaand alle bedenkingen ter zijde te stellen, en zonder verwijl naar haar terug te keeren, en dat vooral, toen hem gebleken was, dat hij de toestemming zijns vaders tot eene verbindtenis met haar niet zoude verwerven, ook al gelukte het hem te bewijzen, dat er op hare geboorte niet de minste smet kleefde.

Maar hij had deze goddelijke waarschuwingen in den wind geslagen.

Hij had, zich vleiende, zijne moeder althans naar zijne zijde te zullen overhalen, het onderzoek naar Cilie's betrekkingen begonnen, en was, vooral toen hij daarin boven verwachting slaagde, daarmede ijverig voortgegaan.

't Is waar, hij meende dit te kunnen doen in een zeer korten tijd, en, bleek het ook meer tijd te vorderen, dan hij aanvankelijk gehoopt had, hij had aan Cilie geschreven, zich over zijn uitblijven niet te verontrusten, en evenmin, wanneer zij niet geregeld brieven van hem ontving.

Vooreerst zou zijn onderzoek veel heen en weer trekken vergen, en ten andere was het licht mogelijk, dat zijn brieven onderschept wierden.

En vooral dit laatste vreesde hij, dat ook met hare brieven aan hem het geval kon worden, waarom hij haar aanraadde, weinig aan hem te schrijven, en alleen dan, wanneer zij begreep, dat dit volstrekt noodig was.

Een met de beste bedoelingen gegeven wenk, maar die de oorzaak werd van zijn en haar ongeluk!

Want in het vertrouwen, dat de gegeven raadgeving was opgevolgd, maakte hij zich over haar stilzwijgen niet alleen niet ongerust, maar achtte hij het een bewijs voor zijne opvatting: dat er niets was voorgevallen, 't geen zijne onmiddellijke overkomst noodig maakte.

Eerst later veranderde hij van gedachten en wel, toen een brief van hem, waarin hij haar dringend verzocht om een onmiddellijk antwoord, en dit onder een ander adres, dan van het huis zijns vaders, onbeantwoord bleef.

Het werd hem nu angstig om het hart, ja zóó, dat hij besloot de reis naar Drenthe geen oogenblik langer uit te stellen.

En juist was hij bezig zijn valies te pakken, toen hem een brief werd overhandigd, die uit het noorden kwam.

Was hij van Cilie? Hij hoopte, ja verwachtte het, en dat te vaster, daar het adres door eene weinig ervarene hand was geschreven, en gesteld in zeer gebrekkig Fransch.

Haastig brak hij hem dan ook open, maar.... hij was pas begonnen te lezen, toen eene doodelijke bleekheid zijn wezen overtoog.

Het was de straks vermelde brief van Jansen, en dat is genoeg gezegd!

Met een pijnlijken kreet zonk hij neer op zijn stoel, maar hopende, dat nog niet alles zou zijn verloren, sprong hij op, liet zijn paard zadelen, en ging nog voor den nacht op reis.

Wellicht was het nog niet te laat om haar van den dood te redden, en deze gedachte sterkte hem, den ganschen langen weg over.

Helaas, het was ook daartoe—te laat!

Te laat!

Voortaan zou dat woord hem op alle zijne wegen vergezellen.

Het klonk nevens hem, overal waar hij ging!

Hij las het op alles, wat hem omringde, ja op de wolken des hemels, die over zijn hoofd wegdreven!

Eene diepe, en door niets te verzetten melancholie maakte zich van hem meester.

Na een kort verwijl in den Haag, verliet hij het land zijner geboorte, om in een gestadig reizen eenige afleiding te zoeken.

Of hem dit gelukt is, weet ik niet, maar het is zeker, dat hij eenige jaren later overleed—verre van zijn Vaderland.

Het huis, waarin de arme Cilie leefde en leed, is met alles wat het omringde verdwenen, en men weet thans zelfs de plaats niet meer aan te wijzen, waar het eenmaal stond.

En wat haar zelve betreft, haar naam leeft zelfs niet voort in de Sage, anders zoo gereed het verledene mede te deelen, gehuld in het nevelachtig gewaad van haar wezen.

Maar eenige losse en half vergane bladen, geschreven door een haar toegenegen vriend, werden door het toeval in mijne handen gespeeld, en leerden mij haar kennen in al de liefelijkheid van haar wezen.

Ik heb met haar rondgewandeld langs paden, die sinds lang zijn verdwenen.

Ik heb haar vergezeld, droomend en peinzend bij het meer, waarvan niets meer bestaat dan een flauwe herinnering.

Ik heb hare stem gehoord, melodisch en zoet klinkend, als het gezang des leeuwriks, wanneer het opklimt tot den hoogen, en—schrikwekkend als zij klonk op den oogenblik, voor zij voor eeuwig gesmoord wierd in de diepte van een drabbigen poel.

En nu zeg ik haar vaarwel!

Vaarwel, Cecilia! arme, te midden van uw schoonsten bloei, deerlijk vertreden bloem!

Uw rein en edel hart is sinds lange, lange jaren tot stof vergaan, maar wat nood, wanneer we gelooven:

Ob das arme Herz in Staub zerfällt, Liebend lebt es fort in höhern Welt.

Dan zijn de wonden, u hier geslagen, geheeld en vergeten, en in plaats van in raadselen, als hier op deze, voor velen, en vooral voor u zoo droevige aarde, wandelt gij daarboven om, in eeuwige vrede, in een eeuwig licht!

EINDE.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings