← Table of contents
Nevelhekse

V.

Reading edition

Een paar weken zijn er verloopen sedert Allard's vertrek en de arme Cilie was reeds ten einde raad.

In de eerste dagen was 't haar ook zeer droef te moede geweest, maar bij nader inzien had zij toch begrepen, dat deze scheiding moest voorgaan aan hunne vereeniging, en dat de woorden, door den heengaanden vriend gesproken, toch ook veel troostrijks inhielden.

Hunne vereeniging, had hij gezegd, was in den hemel gesloten, en alzoo zou geen menschelijke macht er zich tegen kunnen stellen.

Voorts zou de scheiding slechts kort zijn, want slaagde hij niet, om het voorgenomen onderzoek naar hare familiebetrekkingen in korten tijd ten einde te brengen, en liet de ziekte zijner moeder het maar even toe,—hij zou haar komen afhalen, om haar in een of ander stil verblijf in veiligheid te brengen.

En in allen gevalle zou hij haar terstond na zijne aankomst ginds schrijven, en het beloofde bijbeltje toezenden; het Goddelijke boek, waaruit zij troost en bemoediging zou kunnen putten, wanneer het donker om haar heen wierd, en haar vertrouwen op de toekomst wankelde.

En thans was het veertien dagen geleden, sinds hij haar den laatsten kus op de lippen drukte, en zij had taal noch teeken van hem ontvangen.

Dag noch nacht had zij rust meer!

De nachten bracht zij wakende door, of—sliep zij—haar slaap was kort en vol van de ontrustendste en duisterste droomgezichten.

Des daags zwierf zij droevig en mistroostig om, en bezocht de plekjes, die zij nog zoo kort geleden, aan zijne zijde bezocht had, en die er nu somber en verlaten uitzagen, ook al bescheen de herfstzon ze met hare vriendelijke stralen.

Zelve had zij reeds tweemalen geschreven, en hoewel het haar veel moeite gekost had, hare gedachten in schrift te brengen—zij hanteerde zoo zelden de pen!—meende zij het toch duidelijk genoeg gemaakt te hebben, hoe vreeselijk angstig het haar om 't hart was, en hoe een enkele regel schrifts van zijne hand—slechts eene enkele!—haar tot rust zou brengen, en haar lot met onderwerping doen dragen.

En toch kwam er niets, letterlijk niets!

Elken Saterdag—de brieven uit Holland kwamen slechts eens in de week in de kolonie aan—elken Saterdag had zij haar vertrouwde gezonden naar den schatbeurder,(31) die belast was met het postbeheer voor de Velden, om te vragen of er iets was voor haar, maar—het meisje bracht haar steeds hetzelfde antwoord, en vergezelde dit met een zoo zonderlingen blik, dat zij niet wist, wat er van te moeten denken.

En—zonk zij schreiend neder op haren stoel, dan lachten haar voogd en zijn bondgenoote de huishoudster schamperlijk, en beiden plaagden haar met hare onnoozelheid.

Dan verzekerden zij haar, dat zij dwaas deed met te hopen op iets, dat nooit zou verwezenlijkt worden.

De voorname heer had haar verlaten, en dat voor altijd! Hij had haar gepaaid met ijdele beloften, om op eene aangename wijze met haar den tijd te kunnen korten, en..... nu hij wellicht zijn doel bij haar had bereikt, had hij haar weggeworpen, als een speeltuig, dat men moede is geworden!

Met verontwaardiging wierp het jonge meisje deze beschuldigingen terug.

Nooit was haar iets gevergd, dat streed met de eerbaarheid!

Hunne verkeering was rein begonnen en rein gebleven, en...... bleef Allard weg, dan was dat niet uit ontrouw, niet omdat hij haar niet lief had als weleer, maar dan was hem het een of ander overkomen.

Dan was hij ziek.... te ziek om het haar te kunnen melden!

En dit laatste denkbeeld, vestigde zich voor goed in hare ziel.

Allard was ziek en kon dus, hoe gaarne hij ook wilde, haar zijn toestand niet melden, en—zijne bloedverwanten weigerden dit voor hem te doen.

En was dat zoo, wat dan aan te vangen?

Een oogenblik had zij er over gedacht naar Holland te reizen.

Maar.... zij had geen geld, en al ware dit wel het geval geweest, wat zou het gebaat hebben, want zij was zoo bijster onervaren!

Waar zou zij, ware 't haar ook al gelukt, de groote en gevaarlijke reize over zee te volbrengen, waar zou zij in de—in hare verbeelding ontzaglijk groote Hofstad—Allard vinden?

Uit hare kindsheid herinnerde zij zich nog, hoe zij, aan de hand van haar voogd, door de straten van Amsterdam had gezworven, en hoe angstig te moede het haar was geweest, toen zij—door het geweldig gedrang van de menigte van hem gescheiden—een korten tijd door den menschenstroom was weggesleept.

En ook deze stad zou zij thans—en dat alleen—moeten doorkruisen!

Dit ging alzoo niet, en toch, zij wilde en moest zekerheid hebben.

En om deze te verkrijgen, besloot zij naar „de Huizen” te gaan, en zich bij de familie Bentinck, waar Allard gelogeerd geweest was, aan te melden.

Wel wist zij—Allard had het haar meermalen gezegd—dat die familie haar zeer ongenegen was, maar zij wilde haar dan ook volstrekt geen overlast doen, en alleen maar vragen: wat men van den zieke wist, en.... of er eenige hoop op zijn spoedig herstel bestond?

't Was een moeilijke gang voor haar—dien gang naar het dorp, want zij wist, en maar al te vaak had zij het ondervonden! dat het volk in haar zag eene dienaresse des duivels, die men beleedigen mocht naar welgevallen.(e)

En thans..... nu men ook den dood van Marrije aan haar toeschreef..... wie kon haar zeggen wat haar stond te wachten!

De beide meisjes ten minsten, die haar vroeger plachten te vergezellen, weigerden thans met haar mede te gaan, en had zij weleer in het dorp twee haar toegenegen vrienden, bij wie zij toevlucht zou kunnen zoeken, dit was thans het geval niet meer.

Maar al die overwegingen hielden haar niet terug.

Haar onrust was zoo groot, dat zij haar niet langer kon verduren, en toen ook de derde Saterdag geen bericht bracht, aanvaardde zij den tocht, na langen tijd op hare knieën den goeden God te hebben gebeden om zijne bescherming, als Allard haar had aanbevolen te doen, bij alle bezwaren en nooden.

't Was tegen den avond, toen zij in het dorp aankwam, en daar zij, om niet zoo gemakkelijk herkend te worden, haar wit kleedje onder eene donkere falie hield bedekt, gelukte het haar onbemerkt het huis van den heer Bentinck te bereiken.

Met bevende hand klopte zij hier aan.

De deur werd geopend, en—ongelukkiger kon het niet—juist door de jonge dame, die ik vroeger vermeldde als hare bitterste vijandin.

Men kon denken, met welke oogen zij het rampzalig voorwerp van haar haat aanstaarde, en welk antwoord het bevende kind ontving op haar met nauwelijks hoorbare stem gedane vraag.

Ook was deze nog niet ten volle uitgesproken, of eene stortvloed van verwenschingen en scheldwoorden barstte los, gevolgd door de verzekering, „dat zij jonker Allard nooit weer zou zien, want dat hij God gedankt had, toen hij—thuis gekomen—zich buiten 't bereik gevoelde van de tooverijen en liefkozingen eener infame heks!”

Als vurige pijlen drongen deze bitse woorden in het hart der rampzalige maagd, en, niet in staat om een enkel woord te antwoorden, kruiste zij de armen op de borst, keerde zich wankelende om, en ging heen.

Onder de pijnlijkste gedachten vervolgde zij haar weg.

Verlaten.... verstooten door hem, die haar duizendmalen de verzekering had gegeven, dat zij zijn alles was, en voor wiens behoud zij haar laatsten droppel bloed zou veil gehad hebben! O, Vader in den Hemel! Waarom haar in gindsche ure niet tot u genomen? Waarom haar een korte wijle gespaard, om haar thans een dood te laten sterven, oneindig pijnlijker, dan die haar gewacht zou hebben in den schoot der golven?

Vreeselijk waren de martelingen geweest, die zij verduurd had, van de handen harer pijnigster op de heide, maar wat waren zij, vergeleken bij het knagen van het venijn, dat thans haar hart doorwoelde?

Verstooten! beschimpt... door hem.

Werktuigelijk had zij den terugtocht aangenomen, werktuigelijk sloeg zij den weg in, die naar de „Velden” geleidde, en zoo zeer was zij verzonken in droevig gepeins, dat zij ter nauwernood hoorde, dat eenige jongens, die haar herkend hadden, haar nariepen, en „hekse! hekse! nevelhekse!” scholden.

Maar toen dat geroep sterker wierd, deed het haar toch hare schreden verhaasten.

Weldra was zij de laatste huizen van het Haagje, eene destijds door geringe lieden bewoonde buurt, genaderd, toen zij het ongeluk had, een klein kind, dat onvoorziens uit eene deur kwam schieten, omver te loopen.

Daar het kind schreide, nam zij het op, en poogde het door liefkozingen te sussen.

Maar de moeder, die op het geschrei van het meisje was komen toeloopen, zag niet zoodra haar kind in de armen van „Nevelhekse”, of zij hief een onzinnig geschreeuw aan, en riep daarmee de geheele buurt buiten.

„Haar kind”—riep zij—„werd behekst door deze duivelin, en zou nu eerlang sterven, evenals de arme Marrije!” en—honderd keelen hieven weldra denzelfden kreet aan.

De arme Cilie, verschrikt geworden door dit geweld, keerde zich om, en poogde uit te leggen wat er gebeurd was, maar in plaats van naar haar te luisteren, overlaadde men haar met scheldwoorden, en begonnen de jongens met slijk en steenen naar haar te werpen. Een van de laatsten trof haar boven het oog, en deed haar met een pijnlijken kreet neerstorten. Met de gevouwen handen opgeheven, terwijl een stroom van bloed haar over het oog gudste, lag zij op hare knieën, zag smeekend naar hare vervolgers op, en bad om medelijden.

Maar wat weet een dom en door godsdienstwaanzin verblind gepeupel van medelijden?

Haar val was een soort van triomf voor deze ellendigen.

Men bleek sterker te zijn dan de duivel, die deze heks beschermde, en kon dus niet beter doen de aanvankelijk behaalde overwinning te vervolgen.

Nieuwe verwenschingen en—nieuwe steenworpen alzoo!

Het arme kind uitte geen woord meer, maar toen een van de grootste jongens met kracht een steen haar tegen het lijf slingerde, stiet zij een kreet uit, stortte voorover en bleef—haar hoofd werktuigelijk met de handen beschermende, roerloos liggen.

Een vroolijk gejuich steeg op uit de borst der zegevierende helden, en men maakte zich gereed den laatsten beslissenden slag aan te brengen, toen de dorpsschoolmeester, die niet verre van de martelplaats woonde, kwam toeschieten.

Deze man, die soldaat geweest was en de wereld gezien had, bleek verre verheven boven het akelig bijgeloof der menigte.

Moedig stelde hij zich voor het meisje in de bres, en het gelukte hem door zijn woord en gezag, zooveel invloed uit te oefenen, dat de woeste bende, althans vooreerst, afzag van verdere geweldpleging.

In zijn hoed putte hij water uit de vaart, en bevochtigde daarmede de slapen van het nu bezwijmde meisje, en zond daarop een zijner kinderen naar den chirurgijn.

Deze verscheen spoedig, en met zijne hulp gelukte het weldra, de gewonde zoover bij te brengen, dat men haar naar het huis van den meester kon vervoeren.

Hier werd zij door diens vrouw met liefde verzorgd, en toen de chirurgijn verklaard had, dat de toegebrachte wonden en kneuzingen niet, of althans niet terstond, doodelijk waren en bij zorgvuldige verpleging zouden kunnen genezen, deed de goede schoolmeester een schuitje in gereedheid brengen, en nam een man aan om het voort te trekken.

Toen bracht hij een bed daarin, lei het meisje er op, bedekte haar met zijne oude ruitermantel en, zelf aan 't roer plaats nemende, voerde hij haar te middernacht naar het schuthuis.

Bleek en ongedaan, en naar lichaam en geest ongesteld, kwam de arme gefolterde daar aan, en legde zich op haar leger neder.

Den volgenden dag was zij doodziek, maar geen klacht ontglipte aan hare lippen.

Zwijgende liet zij zich door haar voogd verbinden, en gebruikte de haar toegediende medicijnen, maar—met gesloten oogen.

Meestal scheen zij verzonken in droeve gepeinzen, of in een toestand, die aan bewusteloosheid grensde, maar dat zij toch wist, wat om haar heen gebeurde, bleek aan den handdruk, waarmede zij meester van Xanten bedankte, toen hij naar haar kwam vernemen.

Den schout, die hem vergezelde, en haar een verhoor wilde doen ondergaan, gaf zij echter geen antwoord.

O, had de man, die de schrikkelijke oorzaak was van haar lijden, haar de toedracht der zaken in Holland—hem maar al te wel bekend—destijds medegedeeld, alles ware wellicht nog terecht gekomen!

Dat hij op het punt stond om het te doen, is zeker, maar hebzucht en begeerte, gesterkt door valsche schaamte, sloten hem de lippen, en toen hij eenige dagen later zoo gaarne had willen spreken, was het.... te laat!

In den vierden nacht na haar terugkeer, verbrak de zieke eensklaps het stilzwijgen, en verschrikte de huishoudster, die bij haar sliep, door een zonderling gemompel, van tijd tot tijd onderbroken door vreemde en met een schrille stem geslaakte kreten.

De sluiswachter die opgestaan was, dacht eerst aan een aanval van koorts, en, was dit vermoeden wellicht niet ongegrond, hij merkte aldra, dat hierbij iets ergers in 't spel was.

De schrikkelijkste kwaal, en die maar al te dikwijls een diepgaand zielelijden volgt, vertoonde zich weldra in al hare akeligheid bij Cilie: hare rede had haar begeven—zij was volslagen krankzinnig geworden.

Des daags zat zij soms uren aaneen met het hoofd in de handen, naar buiten of in het vuur te staren, maar tegen den avond verhieven zich buien van waanzinnige woestheid.

Dan werd zij druk en levendig, sprak allerlei onzin, en was niet dan met geweld binnenshuis te houden.

Tegen haar voogd bleek zij een geweldigen afkeer te hebben opgevat.

Zijne nadering was voldoende, om haar, zelfs gedurende hare betrekkelijk kalme buien, in hevige woede te doen uitvaren, en hem met allerlei half Fransche, half Hollandsche schimpnamen te overladen.

Meestal verwijderde hij zich dan ook zoo schielijk mogelijk en geen wonder! want sommige van hare uitdrukkingen deden een vreemd licht opgaan over zijne handelingen en bedoelingen, zoo jegens haar als anderen.

Maar daarover straks.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings