← Table of contents
Nevelhekse

II.

Reading edition

Het was, als licht te begrijpen is, niet het meest, de begeerte om zijne patiente te zien, die Allard reeds vroeg in den morgen van den volgenden dag naar „de Velden” dreef.

Zeer zeker stelde de arts belang in zijne zieke, en wenschte hij de gevolgen van zijne behandeling waar te nemen, maar...... de wensch, om opnieuw iets van Nevelhekse te hooren, en de hoop haar zelve te zullen zien, hadden hem den ganschen nacht bezig gehouden, en hem reeds voor 't rijzen van de zon ten bedde uitgedreven.

En zie! hij zou niet terugkeeren, zonder zijn wensch te zien vervuld.

Wat de zieke aanging, zij was niet bijzonder wel. De arm en een deel van den hals waren gezwollen. Ze had pijn in de keel, een droge tong, drukking op de hersenen, en klaagde over groote zwaarte in de leden.

De ouders van het meisje zaten bij haar leger,

„Een bed van stroo, wel half bedorven,”

en wisselden hunne betuigingen van angst af, met bedreigingen tegen haar, welke zij niet twijfelden, de veroorzaakster te zijn van deze ellende.

Vooral de moeder, eene vrouw van meer dan gewone lichaamslengte en krachten, drukte zich zeer hevig uit, en verzekerde, terwijl zij met gebalde vuist op de tafel sloeg: „dat zij—zoo Marrije mocht komen te bezwijken—wel wist wie haar gezelschap zou houden!”

Allard deed zijn best, om aan deze onwetende lieden het dwaze hunner vooronderstellingen onder 't oog te brengen, maar, als te denken is, zonder het minste gevolg.

Het meisje alleen, was redelijk genoeg, aan de mogelijkheid van dwaling te willen denken, maar hare ouders bleven stijf en strak volhouden, dat niet alleen dit, maar genoegzaam alle ongelukken, die er in de buurt voorvielen, aan den schutbaas en zijne dochter waren te wijten, en dat de man, die het land van deze pesten verloste, verdienen zou, door allen te worden gezegend.

Na het arme meisje iets ingegeven te hebben van den drank, dien hij had medegebracht, kroop Allard de donkere van turf en leem gebouwde hut uit, waarin de lijderes lag, en richtte zijne schreden naar den dijk, die naar 't huis van den Stroeve geleidde.

Bij de begeerte, om met de geheimzinnige bewoners er van kennis te maken, voegde zich thans eene andere beweegreden. Hij wilde hun mededeelen, wat hij gehoord had, en raden op hunne hoede te zijn voor de betrekkingen van Marrije, wanneer deze, onverhoopt, mocht komen te bezwijken.

Weldra stond hij tegenover het gezochte huis, waarvan hij echter weinig meer dan het pannen dak kon zien, daar een welig plantsoen het aan alle zijden omringde.

Intusschen overtuigde hem een blik op het meer, dat zich, van de sluis daarnevens gezien, in al zijne uitgestrektheid aan hem vertoonde, dat hij den man, dien hij wenschte te spreken, niet te huis zou vinden.

In de verte toch zag hij iemand, wiens voorkomen aan dat des sluiswachters beantwoordde, in een roeiboot zich van den wal verwijderen, en aanleggen bij een der talrijke eilandjes in het meer.

Een geweerschot, gevolgd door een blauw wolkje, en een gansche schare watervogels, die zich krijschend boven het kreupelhout verhieven, verklaarde zijne bezigheid op die plek.

Wellicht was het jonge meisje tehuis. Maar het woedend geblaf van een forschen hofhond, die zijne nadering bespeurd had, en naar het hek schoof, dat het erf van het pad scheidde, deed hem van de voorgenomen poging afzien, om zich bij haar aan te melden.

Hij wandelde dus het erf om, dat, aan alle zijden zorgvuldig omtuind door dichte wilgenhagen, aan de akkers van den vreemden kolonist paalde, en die op dit oogenblik bedekt waren met spurrie en in schoven staande boekweit.

Voor hem uit, strekte een eenigzins heuvelachtige en met kreupelhout en heesters bedekte vlakte, zich uit tot de noordwaarts gelegen vaart, aan welker overzijde, een van veen ontbloot stuk grond paalde aan de nog onontgonnen hooge venen, die met de grauwgroene kleur van hare oppervlakte en de hooge donkere turfhoopen aan haren voet, een eigenaardig voorkomen aan het landschap bijzett'en.

Intusschen was het niet dit, wat Allard's oog boeide, en even weinig was het 't gezang der tallooze leeuwrikken, die alom in de stralen van de warme Augustus-zon opstegen, dat hem de ooren deed spitsen.

Achter een boschje van els en hazelaren hoorde hij een luid geklap in de handen, gevolgd door een levendigen schaterlach, en niet lang behoefde hij te vragen naar de herkomst dezer geluiden, want met luchtige sprongen vloog een in 't wit gekleed meisje het boschje uit, en de heide op.

Zij scheen een haas in zijn leger te hebben verrast, en met kinderlijke dartelheid zette zij het vluchtende dier na, tot het in een greppel verdween.

„Ut flos in saeptis secreta nascitur hortis”(7) sprak Allard half overluid. „Ziedaar dan Nevelhekse!..... Stond een bewoner van het oude Griekenland op mijne plaats, hij zou haar hoogeren oorsprong niet ontzegd hebben, maar haar groeten als eene dochter der Goden, of als eene Dryade. Welke gratie! Welk eene verwonderlijke losheid van bewegingen! Welk een sierlijke gestalte!”

Vermoeid van den dollen wedren, vlijde zij zich bij een braamboschje neder, en begon het mandje, dat zij aan den arm droeg, met de donkere vruchten te vullen.

Zij bleef ook in deze houding Allard den rug toekeeren, en daar hij dus zeker was, dat zij hem niet had opgemerkt, trad hij zachtkens naar haar toe, met den wensch haar onbemerkt te verrassen, en dan mede te deelen, wat zij zoo noodig had te weten.

Zijne krijgslist gelukte.

Druk bezig met plukken, en door het ritselen van het loof belet het geluid van zijne schreden te hooren, werd zij zijne tegenwoordigheid niet eer gewaar voor hij haar reeds dicht was genaderd.

Met een luiden schreeuw van verrassing vloog zij op, wierp haar mandje weg, en staarde hem met hare groote, zwarte oogen aan, gereed om bij de geringste verdachte beweging van zijne zijde, zich op de vlucht te begeven.

Maar een geruststellende wenk van Allard, vergezeld van de woorden: „Vrees mij niet, lief kind! ik kom om u te waarschuwen voor een groot gevaar!” deden haar stilstaan.

„En wat!” vroeg zij met een eenigzins vreemden tongval, terwijl zij hare oogen angstig op hem bleef vestigen.

„Wat? Ik wilde het liever aan uwen vader zeggen, dan aan u. Waar is hij?”

„Aan de jacht? Wie mijneer wezen?”

Sprak uit het donkere van haar oogen, het gitzwarte van heur haar, de vreemde afkomst van Nevelhekse niet genoegzaam, haar gebrekkig Hollandsch stelde deze buiten allen twijfel.

„Ik woon hier ver van daan, heel ver, en kwam bij toeval op deze plaats, Cilie.”

„Cilie!” riep zij, met de opgetogenheid van een kind in de handen klappende. „Cilie! hij weet mijn naam wel! En... hoe?”

De uitleg volgde en de uitleg scheen naar Cilie's zin te zijn ook, want zij lachte, en begon daarop de gevallen braambessen op te rapen en weer in haar mandje te vlijen.

„Neem een of wat!” sprak zij, en bood het mandje Allard aan.

„Gaarne.”

Allard at, en stak van tijd tot tijd Cilie een bes in den mond.

Blijkbaar vond zij dit aardig, en het duurde nu ook maar zeer kort, of het meisje had al haar wantrouwen afgelegd, en zat rustig nevens haar bezoeker in de heide.

Daar moest hij haar vertellen hoe hij heette, waar hij woonde en wat hij hier kwam doen, en haar sprekend oog en levendige gebaren, getuigden van hare belangstelling in dat onderwerp.

Toen hij vertelde wat men van haar gezegd had van het ongeluk, Marrije overkomen, balde zij de kleine vuisten, maar barstte terstond daarop in snikken uit.

„Ach!” riep zij, „ik zij goed ben deze menschen, maar zij boos op mij!—Wat doen?”

„Wèl blijven doen, Cilie: maar zeer voorzichtig, ja zeer voorzichtig wezen.”

„O ja! ik.... maar mijneer mij gelooven goed?”

„Kun je dat vragen, Cilie?”

„Dieu merci!”(8) en zij lei hare hand in die van Allard.

„Gij gelooven mij goed, Dieu merci! Och! waarom niet hier wezen altijd?”

„Dat zou u dus genoegen doen?”

„Ja, want gij wezen zou, mijn vriend!” sprak het meisje, terwijl zij een blik vol kinderlijk vertrouwen op Allard vestigde.

Dezen werd het vreemd te moede; ja, als het iemand zou zijn, die, gewoon te wandelen in een naar de regelen der kunst aangelegden tuin, zich plotseling verplaatst ziet in een landschap, waarin de natuur alleen heerscheresse is, en waarin alles verrast door zijn verrukkelijken eenvoud.

Geheel buiten de wereld opgevoed, was Cilia vreemd gebleven van de kunstenarijen en geveinsdheden der samenleving.

Zij vertrouwde ieder te zijn gelijk zij zelve was, en sprak uit wat zij dacht.

Met al de oprechtheid van een kind, sprak zij over zich zelve en hare omstandigheden, en haar stamelen in de taal die zij sprak, verhoogde nog het kinderlijke in haar wezen.

Maar was zij onwetend in veel, wat meisjes van haar leeftijd, in de stad en op het platte land, zeer goed weten, zij was daarentegen bedreven in veel, wat dezulken—vooral in die dagen—nimmer trachtten te leeren.

Van haar „Vooge”—als zij hem noemde, die gewoonlijk voor haar vader doorging, had zij een tamelijk uitgebreide kennis van de kruiden en hunne krachten en werkingen opgedaan, en was tevens niet onervaren in 't gereedmaken van geneesmiddelen.

Ook kon zij vrij goed lezen en schrijven, en de weinige boeken, die de Stroeve bezat, en die meerendeels bestonden uit reisbeschrijvingen, had zij met aandacht gelezen.

Maar ook zij was uit een vreemd en ver land, en een wonderland tevens, verzekerde zij. Als een jong kind had zij het verlaten, maar de schitterende zon er van, straalde nog met warmen naglans in hare verbeelding.

Wonderbaar hooge boomen groeiden er; prachtige en met duizend kleuren getooide bloemen, vlinders en vogelen, bloeiden en zweefden er, en de liefelijkste geuren doorbalsemden er de lucht.

Suriname heette het, dat wist zij, en ook, dat zij er eenmaal gewoond had in een landhuis te midden van tuinen—groot, ja, zoo groot, als zij er hier nooit een gezien had.

Van hare ouders wist ze weinig van te vertellen. Hare moeder herinnerde zij zich bijna niet meer, maar haar vader wel, „ah qu'oui”! Menigmalen had zij op zijn schoot gezeten, en had hij haar wonderliefelijke vruchten gegeven, en haar genoemd: Petite Marquise. Ook had hij met haar gesproken in de taal, waarin zij hare liedjes zong—Fransch uit 't zuiden van Frankrijk, als 't Allard voorkwam, toen zij op zijn verzoek een liedje aanhief, en met verwonderlijk heldere en welluidende stem zong:

Para loulou, pti ota Para loulou! Para loulou, qu'imposta La voi douna! Para loulou, qu'imposta Lou mouton!(9)

Deze liedjes had zij echter niet geleerd van haar vader, maar van een „ma tante”, in welker huis zij later, toen hare ouders overleden waren, gewoond had, en dat „veel tijd wel”.

Maar deze „ma tante, si belle et si bonne”(10)—en hier schreide het arme kind—was ook overleden, en toen was zij afgehaald door den man, die thans haar „vooge” was, en met hem gereisd over die groote zee, „heel lang naar hier.”

Deze „Vooge” nu, was altijd zeer goed voor haar geweest, en zij had ook wel veel van hem gehouden, maar in den laatsten tijd was hij geworden „étrange”(11) en was zij hem daarom minder genegen.

En dat was er niet op verbeterd, sedert den dood van de goede oude huishoudster. Want toen had hij eene vrouw in hare plaats genomen, die zij niet mocht, en geen wonder ook, want zij sprak „vele boosheden” en vertelde niet zelden „liegens”.

Over hare afkomst en familie was haar „Vooge”, secret, bien secret”(12), en nu onlangs had hij haar zeer bedroefd gemaakt, met haar te zeggen: dat de man, wien zij altijd papa noemde, eigenlijk haar papa niet was, en toen zij hem schreiende gevraagd had: waarom hij haar dat nu eerst zeide? had hij eerst gezwegen, maar haar later toegevoegd: dat hij niet voor hare meerderjarigheid aan hare nieuwsgierigheid kon voldoen, maar dat zij wel zou doen naar dat tijdstip niet te zeer te verlangen.

Van godsdienst bleek zij weinig of geen besef te hebben.

Haar voogd sprak daarover nooit, en wanneer zij hem vroeg—waarom hij niet als andere menschen naar de kerk ging? lachte hij smadelijk, en zeide, dat de dominé's en pastoors bedriegers waren, die de menschen wat voorlogen, om daardoor gemakkelijk en aangenaam te kunnen leven.

Zij dacht echter, dat hij dit maar zei, om ook haar uit de kerk te houden, want hij wilde haar niet onder de menschen zien, en daarin had hij dan ook wel wat gelijk, want de menschen waren zeer slecht, en „deden veel boosheid aan haar”.

Van haar „ma tante” had zij echter een rozekrans gekregen en ook bidden geleerd.

Alle morgen riep zij dan ook „Notre Dame du bon sécours(13) aan”, en dankte des avonds „Ons Heer en le doux Jesus”(14) voor hunne bescherming.

Maar zij deed dat nooit in tegenwoordigheid van haar „Vooge”, want die spotte ook met zulke dingen.

„Mijnheer Allard zou er mogelijk anders over denken?”

Gewis dacht „mijnheer Allard” er anders over en terwijl hij haar sprak over God, den Schepper van hemel en aarde, en Zijn eenig geboren Zoon Jezus Christus, den Heiland der Wereld, en zich daarbij het hoofd ontblootte, zonk Cilie op hare knieën voor hem neer, vouwde de handen, en luisterde met ingespannen aandacht en half geopenden mond naar hem, terwijl zij van tijd tot tijd lispte: „Ah que c'est sublime”!(15)

En, evenals een kind doet na eene vertelling, riep zij, toen hij ophield met spreken: „meer nog! meer nog!”

„Ik begrijp, Cilie, dat je geen Bijbel hebt?”

Ze wist niet eens wat dat was.

„In den Bijbel staat dit alles te lezen, en zoo oneindig veel meer, wat ons stervelingen onmisbaar is, om hier beneden zóó te leven, dat we ginds de eeuwige zaligheid kunnen beërven. En daar ik begrijp, dat het je bezwaarlijk zal vallen zulk een boek aan te schaffen, zal ik, zoodra ik in Holland ben teruggekomen, u er een toezenden, en wel een met gouden haken.”

Op vloog het meisje in kinderlijke verrukking, sprong en danste eenige malen in 't rond, plukte daarop eenige veldbloemen en takjes bloeiende heide, en vlijde zich toen weer bij Allard neer.

„Je vous ferai un petit bouquet!”(16)

Met vlugge vingeren en aangeboren smaak schikte zij de eenvoudige bloemen, bond ze met een biesje bijeen, en bood ze hem aan.

„En gij zult komen hier—nog weer?”

„Zeker, Cilie!”

„Ah quel bonheur!”(17)

„En laat ik u nu eene gedachtenis geven van onze kennismaking, in ruil voor uw boeket.”

Hij nam de struisveer met het met diamanten ingelegde gespje, dat zijn hoed versierde, er af, en maakte die vast op den strooien hoed van het meisje.

En een blos van verrassing en.... genoegen kleurde hare wangen, toen hij, na dit verricht te hebben, eene kus op hare lippen drukte.

Nog lag zij op de knieën voor hem, toen er een schot in de buurt knalde.

„Deja?”(18) riep Cilie met eene beweging van verdriet, en terwijl zij opsprong.

Het was het sein, verklaarde zij, dat haar „Vooge” was teruggekeerd, en dat hij haar thuiskomst verlangde.

Daar hij ongaarne vreemdelingen ontving, wilde zij hem gaan voorbereiden op Allard's bezoek, en een liedje, dat zij zou aanheffen, zou het sein wezen, dat hij verwacht wierd.

Met een vriendelijken blik, en na een vertrouwelijk tikje op zijn arm te hebben gegeven, snelde de bekoorster voort, en liet hem alleen.

Droomend wandelde hij op en neer, terwijl hij zich afvroeg.... of hij werkelijk wel waakte? Of zij, die hem daareven verliet, wel bestond? Of zij niet zou blijken te zijn een beeld zijner phantasie, of een lichtgeest, die zich zou oplossen in nevelen?

Maar hoor! daar klonk weer de liefelijke stem!

Lou cuoer dé ma mie, ly fait tant de maou; Quand io vaz, quand io vaz la vir, la soulage au paou.(19)

Geen droom—werkelijkheid! Cilie bestond; Cilie riep hem, en..... zoo snel hij maar kon, gehoorzaamde hij aan hare liefelijke roepstem.

Bij het tuinhek wachtte zij hem op, in gezelschap van den nog altijd brommenden, maar—op haar bevel—niet meer dreigenden hofhond.

Haar „Vooge” was binnen, zeide zij, en..... was ook niet heel boos geweest, maar toch „gebrom wat”.

Terwijl zij hem noodigde naar binnen te gaan, floot zij een paar witte duiven, die op het dak zaten, tot zich. Beide kwamen zich op haar arm en schouder neerzetten, en fladderden rondom haar, toen zij schaterlachende in wilde vaart door den tuin vloog, gevolgd door den luid blaffenden hond.

Allard werd door den Stroeve, in het bekende vertrek met de doodshoofden verbeid, en vrij koeltjes, zoo niet norsch, ontvangen.

't Was een man van een kleine zestig jaren, wellicht, en van een alles behalve vriendelijk en aangenaam voorkomen.

Met een somberen blik ontving hij Allard's mededeelingen, en hoewel hij zeide, de beleefdheid en belangstelling op prijs te stellen, die een „zoo aanzienlijk heer” (met zekeren nadruk sprak hij die woorden uit!) in hem, en vooral in zijn pupil stelde, was deze dankbetuiging, niet weinig in strijd met den toon er van.

Intusschen werd hij een weinig spraakzamer, toen het gesprek viel op de Natuur en hare wonderen, waartoe Allard, in 't geen hem omringde, gereede aanleiding vond.

„Wat gij hier ziet”, zeide hij, „is maar eene kleinigheid, vergeleken bij 't geen ik eenmaal bezat. Het grootste gedeelte mijner verzameling is verongelukt bij een schipbreuk, niet verre van Paramaribo, waar ik destijds nog gevestigd was.”

Zijn voorkomen betrok echter weder, toen Allard van Cilie gewaagde, en hare wonderschoone stem prees, en nog donkerder werd zijn blik, toen het meisje binnenkwam, en hij bemerkte, dat niet alleen het oog van zijn bezoeker met welgevallen op haar rustte, maar dat alles in zijne pupil den grooten indruk verraadde, door den jongen en knappen vreemdeling op haar gemoed gemaakt.

Zij bracht brood, kaas en bier binnen, en een keteltje met de destijds, in deze streken vooral, nog zeldzame koffie.

Nadat Allard op hare dringende uitnoodiging, er een kopje van gedronken had, nam hij afscheid van den barren sluiswachter.

Wat Cillie betreft, zij was op dit oogenblik niet in het vertrek, maar Allard vond haar bij het hek staan, en wel met tranen in de oogen.

Zij reikte hem hare hand, terwijl zij het kopje afwendde, en zacht fluisterde: „Et vouz reviendrez?”(20)

„Bientôt, cher enfant!”(21) en hij deed meer dan hare hem toegestoken hand te kussen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings