← Table of contents
Nevelhekse

IV.

Reading edition

Ziehier, wat Cilie—met moeite en afgebroken woorden evenwel—verhaalde van hare ontmoeting met hare booze vijandin:

Ze had voor een ziek kind in de buurt iets gekookt, en was, nadat zij dit had aangereikt, in gedachten verzonken, naar het meer gewandeld.

Niet ver van den dijk was haar een jongen tegemoet gekomen, die haar zeide, dat Caro (de hond van den Stroeve, en waarmee zij veel ophad) door een jager was aangeschoten, en achter een boschje, dat hij haar aanwees, lag te sterven.

IJlings was zij daarheen gesneld, maar in plaats van den hond, vond zij de moeder van Marrije, en wel bezig met russchen te vlechten.

Hevig ontsteld, wilde zij vluchten, maar met een sprong had het wijf haar bereikt, en onder zich neer geworpen.

Nadat zij haar handen en voeten had vastgebonden, met de banden die zij bezig geweest was van de russchen te vlechten, had zij de nu gansch en al weerlooze, het lichaam ontbloot, om daarin met tijgerwellust te knijpen, onder de verzekering, dat haar schreeuwen zoo min als hare duivelskunstenarijen, haar iets zouden baten, want dat zij op die plak zou sterven.

Daar zij waarschijnlijk vreesde, dat het luide gekerm van haar slachtoffer, toch zou kunnen gehoord worden, wilde zij haar een doek voor den mond binden, en het was op dat oogenblik, dat Allard verscheen en verdere marteling deed ophouden.

Het bewustzijn van naderende hulp, had Cilie nieuwen moed en kracht gegeven, en zoo was het haar gelukt hare handen vrij te maken, en daarmee den strop te grijpen, waarmede de moordenares haar den hals wilde dichtsnoeren.

Onder tranen en pijnlijke bewegingen bracht het arme kind dit verhaal ten einde, en zoo levendig trof het Allard, dat hij, de tegenwoordigheid van den „voogd” vergetende, haar handen greep en die overdekte met kussen.

Maar de Stroeve, die met een zeer donkeren blik deze daad aanschouwde, maakte kortweg aan alle verdere betuigingen van sympathie een einde.

Met de verklaring, dat het meisje voor alle dingen rust noodig had, wenkte hij de huishoudster, voor haar bed plaats te nemen, en verzocht Allard hem te volgen.

Er bleef dezen dan ook niets anders over, dan een vluchtig afscheid van de zieke te nemen, echter niet, dan na haar toegefluisterd te hebben, dat hij den volgenden morgen zoo vroeg mogelijk weer bij haar zou zijn.

Hij dacht nu huiswaarts te keeren, maar de schutbaas verzocht hem, nog eenige oogenblikken te vertoeven.

„Uwe kleeren,” zeide hij, „zijn nog niet droog genoeg om ze te kunnen aantrekken, en—terwijl zij drogen, willen we een ernstig woordje met elkander wisselen.”

Allard wenschte niets liever, en nadat hij zich verkwikt had aan een glas sterk gekruiden heeten wijn, door den schutbaas in der haast gereed gemaakt, zette hij zich tegen hem over bij het helder brandende vuur.

„Mijnheer!” dus begon de Stroeve, terwijl hij een doordringenden blik op zijn' gast vestigde—„wat is uwe bedoeling met uwe herhaalde bezoeken aan mijne pupil? Ik weet, dat gij behoort tot eene familie, die eene wettige verbintenis van een harer leden met een burgermanskind, als eene diepe vernedering zou aanmerken, en dat gij dus betrekkelijk Cilie plannen moet koesteren, die..... niet overeenkomen met de verwachtingen, die uwe aanzoeken bij haar zullen hebben opgewekt.”

„Jansen!” sprak Allard met verontwaardiging, „ik verzoek u voorzichtig te zijn met uwe uitdrukkingen, want ik ben nooit gewoon geweest, dergelijke voor mijne eer en karakter honende uitdrukkingen ongestraft te aanhooren!”

„Ik sprak als ik denk, jonker Allard! en heb te lang in de wereld verkeerd, om niet te weten, wat gewoonlijk de gevolgen zijn van dergelijke..... hm! verbindtenissen.”

„Maar wanneer ik zeg, dat uwe onderstellingen ten mijnen opzichte geheel valsch zijn!.....”

„Wil dat zeggen, dat jonker Allard Bentinck, in alle oprechtheid de hand zoekt te verkrijgen van een meisje—zonder vermogen, zonder stand, zonder godsdienst, en......”

„Spreek uit!”

„Zonder naam!” sprak de Stroeve met een vloek.

„Zonder naam? dat is: zonder een naam, dien de wereld acht en eerbiedigt? En, zoo ik nu eens zeide, dat ik voor mij, vrij ben van alle vooroordeelen, aan lieden van mijne geboorte en stand gewoonlijk eigen, en dat ik, bij het zoeken naar eene vrouw, alleen te rade denk te gaan met de wenschen van mijn hart?”

„En hoe weet gij, dat uw hart u hier niet bedriegt?” vroeg de Stroeve schamper. „Maar,” voegde hij er eenigszins zachter bij, „al waart gij overtuigd, dat Cilie is, wat zij u toeschijnt te zijn, dan zoudt gij u toch driemalen bedenken, om toe te slaan.”

„Dat dunkt u, maar uwe onderstelling is valsch.”

„Ik zal oprecht jegens u wezen! Ik zal u het geheim van Cilie's geboorte onthullen, en ik twijfel volstrekt niet, of gij zult daarna erkennen, dat een meisje als zij, nooit deel van uwe familie kan uitmaken, en dat, zoo ge haar zoudt willen trouwen, gij genoodzaakt zoudt wezen, met uwe ouders en àl uwe bloedverwanten te breken.”

Daar was iets in de laatste opmerking, dat Allard pijnlijk aandeed, en dat hem een oogenblik het stilzwijgen deed bewaren.

De man had met ruwe hand eene gevoelige plaats in zijn gemoed aangeraakt, en de donkere blik, dien hij van onder zijne borstelige wenkbrauwen op hem vestigde, getuigde maar al te zeer, dat hij des bewust was.

„Zie,” vervolgde hij na een oogenblik zwijgens, en nadat hij opnieuw de glazen gevuld had, „ik kèn uwe familie, en dat van zeer nabij, want—ik heb in 't huis uws vaders eenigen tijd gewoond als bediende. Maar dat was vóór uwe geboorte.”

„En hoe is uw naam?”

„Of weet jonker Bentinck niet, dat ik Jansen heet?” was de spottende wedervraag van de Stroeve, en, na een oogenblik zwijgens, vervolgde hij: „gij beseft nu te wel, dat ik niet van hooren zeggen spreek, wanneer ik verzeker, dat ik de trots der Bentinck's en van die tot hen behooren, ken. Maar ter zake!

„Ongeveer twintig jaren geleden, was ik Bastiaan(28) op eene plantage in Suriname. Die plantage was het eigendom van een Franschman, die zich „Marquis” noemde, en met de dochter getrouwd was van een Hollandschen planter—zekeren meneer Deleman.

De Franschman, mijn patroon—hij heette de Renneval—was een zeer lastig heerschap, en een wreed meester over zijne slaven.

Hij beschouwde en behandelde ze niet anders, dan als lastdieren, waarvan men 't meest mogelijke voordeel moet zien te trekken, tegen de minst mogelijke kosten van onderhoud.

Nu ben ik alles behalve een teederhartig man, en langdurige omgang met het ebbenhout, heeft mij niet vriendelijker gezind jegens hen gemaakt.

Het is een lui, morsig, dom en brutaal ras, en wanneer de patroon hun verwantschap met den mensch ontzei, en—meer of min ontwikkelde apen noemde—was dit een van de weinige punten, waarop ik het vrij wel met hem eens was.

Dat ik mijne onderhoorigen dus zachtmoedig behandelde, wil ik niet beweren, maar mijn streven was toch, om hen goed te voeden, en na den zwaren arbeid, behoorlijk rust te gunnen.

Dat de patroon gehaat was door de zwarten, behoef ik u niet te zeggen, en evenmin, dat zij zich op alle mogelijke wijzen op hem trachtten te wreken.

Nu was er onder de mannelijke slaven zekere Hanno, die pretendeerde van Arabischen stam te wezen, en die zich dan ook door lichteren tint, dunnere lippen en beschaafder manieren van het overige beestegoed onderscheidde.

Hij was de beschermeling van de meesteresse, en was ook bij den patroon, tot zekere hoogte althans, vrij wel gezien, toen het volgende geval alles deed verkeeren.

De meesteresse had een jonge quarteronne tot lijfmeid, die door den patroon met zooveel attenties bejegend wierd, dat zijne vrouw besloot haar uit te huwelijken, en wel aan niemand dan aan Hanno.

Dat geschiedde, maar in plaats van nu af te zien van verder pogen, vervolgde monsieur de Renneval met verdubbelden ijver zijn doel, en het gelukte hem, op een uur, dat Hanno buiten was, zijne jonge vrouw te verrassen.

Dit nu nam Hanno, die werkelijk iets hooger stond dan een gewonen nikker, zeer euvel op, en 't was niet heel lang daarna, dat hij de gelegenheid waarnam van eene visite, die de patroon aflei op een naburige plantage, om in de slaapkamer van mevrouw te sluipen, en van haar te nemen wat de patroon van zijne vrouw genomen had.

Wellicht ware deze zaak geheim te houden geweest, want de meesteres zou zich wel gewacht hebben, de haar aangedane beleediging ruchtbaar te maken, maar dat lag niet in de bedoeling van Hanno.

Toen na negen maanden, mevrouw de Renneval beviel van eene dochter, zond hij eene oude slavin naar den patroon, om hem bekend te maken met het gebeurde, en vluchtte daarop met zijne vrouw naar de bosschen.

Dat monsieur de Renneval in 't eerst meende te moeten twijfelen aan de waarheid der zaak, is licht te bevroeden, maar het verhaal van de negerin (bijna een ooggetuige) liet weinig twijfel over, en 't werd ten overvloede bevestigd, door de bekentenis van mevrouw—stervende uitgebracht—, want zij overleefde de geboorte van hare dochter maar een paar dagen!

In zijn toorn wilde de patroon het kind laten verhongeren, maar 't gelukte aan mijne vrouw, die de meesteresse als vroedvrouw had ter zijde gestaan, om hem diets te maken, dat het gestorven was.

Intusschen had zij het bij ons in veiligheid gebracht.

Toen een jaar daarna, de plantage wierd afgeloopen door Hanno, waarbij de patroon werd gedood, namen wij het hulpelooze schepsel mee naar Paramaribo, waar ik, het slavenranselen moede, van plan was mij als chirurgijn te vestigen.

Ik wist, dat daar eene zuster van mevrouw de Renneval woonde, en vond haar bereid, om zich het meisje aan te trekken.

Maar, zij wierd na een viertal jaren ziek en stierf.

Voor haar dood liet ze mij komen, en droeg mij het nu opnieuw verweesde kind op, voor welks onderhoud ze mij een klein kapitaal ter hand stelde.

Niet lang daarna werd ik weduwnaar, en daar 't mij op den duur te Paramaribo niet beviel, nam ik 't besluit mijne bezittingen te gelde te maken, en naar Holland terug te keeren.

Een gedeelte er van, op een ander schip vooruit gezonden, leed schipbreuk; het andere kwam behouden aan, en 't was met een deel daarvan, dat ik mij hier (waar ik in mijne jeugd woonde) grond kocht en er een huis op liet timmeren.

In 't eerst was ik van plan, om het meisje slechts tot zekeren leeftijd bij mij te houden, en haar dan bij lieden, waarbij zij iets beters kon leeren dan bij mij, op te doen voeden.

Maar”—en hier nam het gelaat van den verhaler eene zonderlinge uitdrukking aan—„maar.... ik ben van plan veranderd; waarom—dat gaat niemand aan!”

Hij zweeg.

„En is dat alles?” vroeg Allard.

„Dunkt het u niet genoeg?”

„Hebt ge mij den waren naam medegedeeld van de ouders van Cilie?”

„Haar vader noemde zich Hanno,” sprak de Stroeve met een grijnzenden lach, „en zoo gij meent, dat hij dit ten onrechte deed, moogt gij het onderzoeken.”

„En hoe heette de plantage, waar Cilie geboren wierd?”

„Tranquilité.”

„Jansen!” sprak Allard, „gij tracht mij te misleiden. In uw verhaal is waarheid, dat is zeker! maar even zeker is het, dat sommige omstandigheden daarin, al zeer onwaarschijnlijk klinken.”

„Wat!?” riep de Stroeve met een paar geweldige vloeken.

„Uw vloeken vervaart mij niet, en het is niet uit vrees er voor, dat ik mij ga verwijderen. Maar mijne kleederen zijn thans droog genoeg, om ze weer aan te trekken, en 't wordt meer dan tijd om huiswaarts te keeren. Morgen kom ik terug, en we zullen dan nader spreken.”

„Als ik wil!” was het knorrige antwoord.

Dat het avontuur van Allard, den volgenden dag niet weinig besproken werd in de kolonie, en dat de held er van honderde vragen daarover had te beantwoorden, zal wel niemand verwonderen, en evenmin, dat het aan zijne nichten aanleiding gaf tot het maken van niet weinig bitterzoete commentariën.

Vooral nicht Alida kon niet nalaten, neef de opmerking te maken, dat zijn moed zeker zeer te bewonderen was, maar dat hij—naar haar oordeel!—toch beter gedaan had, zijn leven niet te wagen, om een schepsel als dit, van den dood te redden.

Maar neef's repliek was zoo levendig, en de verdediging van het schepsel zoo warm, dat freule Alida er niet weinig van ontzet was, en begreep, beter te doen—hier verdere opmerkingen te sparen, om ze later op eene plaats ter markt te brengen, waar zij geen effect zouden missen; eene manoeuvre, die—als men later zien zal—goed beraamd was, en niet zonder gevolgen bleef.

Wat Allard betreft, hij stoorde zich aan spot noch blaam.

De treffende gebeurtenis van den vorigen dag, had Cilie dierbaarder dan ooit gemaakt aan zijn hart, en hoe ook zij zich aan hem verbonden gevoelde,—de woorden, op de burrie hem toegefluisterd, bewezen het maar al te zeer.

Al wat naar weifeling geleek, was thans ook bij hem geweken. Gods vinger had hem verordineerd, haar ten beschermer te zijn, en wat er ook mocht gebeuren, wie zich tegen zijne vereeniging met haar mocht willen verzetten, hij zou haar niet verlaten, maar haar de zijne noemen, zoowel voor de menschen als voor God.

En het was met deze gedachten en voornemens, dat hij zich zoo schielijk hem maar eenigszins mogelijk was, naar 't huis aan 't meer spoedde.

Hij vond het arme kind wel wat bekomen van de angst en vermoeienissen, den vorigen dag geleden, maar toch pijnlijk, vooral op die plaatsen, waar het booze wijf haar met tanden en nagels had gehavend.

Maar de tegenwoordigheid van haar vriend, en vooral, wat hij, over hare peluw gebogen, haar herhaalde malen influisterde, oefende een zoo weldadigen invloed op haar uit, dat zij, alle leed vergetende, tegen den avond opstond en, door zijne armen ondersteund, nevens hem voor 't raam ging zitten.

Hier vertelde hij haar, wat haar voogd (deze was des morgens vroeg al uitgegaan) hem den vorigen avond betrekkelijk hare afkomst had medegedeeld. Zij hoorde hem met ingespannen aandacht aan, maar was verre van met alles in te stemmen, van hetgeen er in dat verhaal voorkwam.

Hoewel hare herinneringen, vooral op sommige punten, vrij vaag waren, was dit lang niet overal 't geval, en 't bleek Allard weldra, dat hij den Stroeve niet ten onrechte verdacht hield, van onjuiste voorstelling der feiten.

Haar vader, wien zij naar 't verhaal van Jansen niet zou gekend hebben, herinnerde zij zich vrij wel. Zij wist, dat zij menigmalen op zijne knieën gezeten had, dat hij haar geliefkoosd en „petite marquise” had genoemd.

En, in plaats van weinig meer dan een zuigeling geweest te zijn, toen zij bij hare tante kwam, was zij minstens zes of zeven jaar oud geweest.

Deze tante kon ook geene zuster van hare moeder geweest zijn, maar wel van haar vader, want zij was eene Française, en van haar had zij de liedjes geleerd, die zij gewoonlijk zong, en het Fransch, dat zij ook nu nog gemakkelijker sprak dan het Hollandsch, en waarin zij zich bij voortduring had kunnen oefenen, daar haar voogd, die uit Fransch Vlaanderen afkomstig was, die taal zeer goed kende, en er zich bij voorkeur van bediende, wanneer hij met haar sprak.

Intusschen heette deze tante niet: de Renneval, maar: de Cosse, als zij bewees uit een Catholiek gebedenboekje, dat haar eenmaal had toebehoord, en op welks schutblad met duidelijke letters geschreven stond: Desirée Louise Posada, née de Cosse, 1687.

De naam Cosse klonk Allard vrij bekend in de ooren, en bij eenig nadenken herinnerde hij zich, dat hij te Amsterdam, ten huize van een zijner kennissen, een refugié had ontmoet, die onder dien naam aan hem was voorgesteld.

Was hij nog in leven, dan zou er zeker wel gelegenheid bestaan om hem te spreken, en van hem te vernemen, of de tante van Cilie ook behoorde onder zijne bloedverwanten, en was dit laatste het geval, dan had men den draad in handen, om in dit labyrinth den weg te vinden. Ook kon daartoe dienen, de—zeker in een onbewaakt oogenblik—aan den Stroeve ontsnapte mededeeling: dat hij kort voor Allard's geboorte, in diens ouderlijk huis had gediend.

Hij deelde dat alles aan Cilie mede, en trachtte haar duidelijk te maken, dat zijn bespoedigd vertrek naar den Haag—hoe ongewenscht ook onder de tegenwoordige omstandigheden—noodig was, om den weg te effenen, die tot hunne vereeniging leidde.

Maar Cilie wilde daarvan niets hooren.

Te scheiden, en dat voor wie weet hoe lang; haar te verlaten,—nu al weer te verlaten, en dat terwijl zijn bijzijn haar zoo nameloos gelukkig maakte... het denkbeeld maakte het hartstochtelijk schepseltje zoo rampzalig, dat Allard zich haastte den storm te bedaren, door de verzekering te geven, dat hij vooreerst aan geen weggaan dacht, en althans zoo lang zou blijven, tot zij geheel hersteld was.

Eene belofte trouwens! die maar al te zeer instemde met de wenschen van zijn hart.

Want het waren dagen vol weelde, die hem wachtten aan de zijde van de teedergeliefde—vooral toen zij, als weldra 't geval was, slechts weinig letsel meer leed, van wat zij verduurd had op den schrikkelijksten dag van haar leven; den dag evenwel, waarvoor zij toch den goeden God niet genoeg kon danken, want na de doorgestane angsten en smarten, was haar geschonken, wat zij nooit had gedacht te zullen verwerven.

Bijna elken namiddag kwam Allard haar bezoeken, en, hing het schoone kopje mat en treurig neer, als eene bloem, die het aan water ontbreekt, het richtte zich op, wanneer het uur naderde, waarop de welbeminde gewoon was te verschijnen.

En, sloeg dat uur, 't was uit met mijmeren, en stond zij aan het hek van den hof, in gezelschap van den getrouwen hofhond, en omfladderd door hare duifjes.

Niet zoodra kreeg zij hem in 't oog, of in wilde vaart vloog zij hem tegemoet, drukte hem aan haar hart, en rustte niet voor hij haar evenals een kind op den arm nam, en huiswaarts droeg, gelijk hij gedaan had, toen hij haar, na haar uit het water te hebben getogen, naar de hut bracht waar zij de oogen had opgeslagen tot een nieuw leven.

Op die armen, en aan die borst, zeide zij, was zij veilig voor alle boozen en al het booze, dat in de wereld bestond, en—behoeft het gezegd te worden—dat de drager zich even gelukkig gevoelde als de gedragene, en onder de weelderige lokken, die zijn aangezicht omzwierden, de kus beantwoordde waarmede het schoone kind van tijd tot tijd haar gesnap afbrak?

Het zure gezicht van den Stroeve (die echter zelden thuis was) en de tegenwoordigheid van de huishoudster, die order scheen te hebben, op al de bewegingen van het jonge paar acht te geven, maakte het verblijf binnenshuis minder aangenaam, en daarom ging men—wanneer het weer het maar eenigszins toeliet—naar buiten, en bezocht, arm in arm, de plekjes, merkwaardig en veelal dierbaar geworden, door de gebeurtenissen, der laatste dagen.

Het hutje van den goeden arbeider, waarin men liefderijk was verpleegd; de plek op den dijk, waar Allard gestaan had, toen hij de geliefde aan de golven had ontrukt, en het boschje, waarbij hij gepoogd had, haar in 't leven terug te roepen, werden niet vergeten, maar 't liefst en 't langst verwijlde zij met hem, op het plekje, waar hij haar 't eerst had toegesproken, „en waar ik „petite folle”(29)—als zij zeide—wou ontvluchten, wat mij was toegezonden door den lieven God, om mijn alles te worden.”

Maar.... als alle idyllen, was ook de hunne kort, en helaas! al te kort.

Eens op een morgen kwam Allard vroeger dan naar gewoonte, aan het schuthuis, en hoe verheugd Cilie ook was hem nu al te zien,—hare vreugde verkeerde aldra in angst, bij 't aanschouwen der donkere wolken, die er rustten op zijn voorhoofd.

En waarlijk niet zonder reden, stond zijn wezen zoo droef.

Hij had den avond te voren, bij zijne thuiskomst, een brief gevonden van zijn vader, met het bericht, dat zijne moeder vrij ernstig ongesteld was geworden, en dringend zijn terugkomst verlangde.

Zijn onmiddellijk vertrek was nu onvermijdelijk, en dienzelfden avond wilde hij zich te paard naar Meppel begeven, om daar met de beste gelegenheid de terugreis naar den Haag te aanvaarden.

Het arme meisje was radeloos, en waarlijk geen wonder!

De toekomst was zoo duister.

Bij wien zou zij thans haar toevlucht nemen?—waar zou zij bescherming zoeken, tegen de vijanden, die haar alom belaagden?

Haar voogd?... maar had zij het steeds verzwegen, wat zij nu wel zeggen moest: daar was in zijne gedragingen jegens haar in den laatsten tijd veel geweest, dat haar méér zijne vriendelijkheid, dan zijn wrevel moest doen duchten!”

Met schrik hoorde Allard de laatste mededeeling aan.

Zij voegde eene groote bekommernis bij de reeds bestaande, en hij dacht er een oogenblik aan, om het arme meisje bij vertrouwde lieden onder dak te brengen, maar.... Cilie was nog niet meerderjarig, en door welk middel zou hij, en dat vooral bij de korte oogenblikken, die hem restten, haar aan de macht van haar voogd onttrekken?

En bij wien zou de door de meesten verafschuwde heks, een onderkomen zoeken?

Haar vriend jonker Swaap lag gevaarlijk krank, en een ander, verre boven de vooroordeelen van het onzinnig gepeupel verheven en haar zeer toegenegen man, was met zijne gansche familie op reis.(30)

Duisternis dus waar hij het oog vestte, en toch moest hij zich sterk betoonen, moest hij woorden van troost en bemoediging spreken.

Maar, evenals Rachel, wilde Cilie niet vertroost worden, en hoe meer het oogenblik van afscheid naderde, hoe sterker het hartstochtelijke kind zich aan hem vastklemde, en hem bezwoer, bij haar te blijven, en haar niet aan den dood prijs te geven!

Met geweld moest hij zich eindelijk uit hare armen los maken!

Driemalen ging hij heen, en driemalen keerde hij weder, en 't was niet dan met inspanning van al zijne krachten, dat hij er eindelijk toe kwam, de halfbezwijmde in de armen der huishoudster neer te leggen, en zoo schielijk hij kon zich te verwijderen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings